De katholieke bestanddelen in de prediking1
Met het woord katholiek is hier niet een kerkelijke denominatie bedoeld, maar het wil dezelfde dienst bewijzen als het woord algemeen in de Twaalf artikelen, waar het bij de kerk staat, die wij geloven. Zoals er een heilige, algemene christelijke kerk is, zo is er ook een heilige, algemene christelijke prediking. En zoals die algemene kerk, de Una Sancta, naar haar wezen gisteren en heden en tot in eeuwigheid dezelfde is, omdat Christus, die aan de rechterhand Gods zit, haar Hoofd is, zo heeft ook de prediking een onbewegelijke zijde. Zij vertolkt de verborgen raad en wil van God omtrent onze zaligheid; die voor de Zoon uit door de profeten in de Oude wereld is uitgedragen; die in Christus volkomen is geopenbaard en door de apostelen, onder de voorlichting des Heiligen Geestes, is verklaard. Hoe God van eeuwigheid de verlossing van de wereld en de rechtvaardiging van zondaren heeft voorgedacht, dat kan door wijsgerige bezinning niet worden gevonden. De openbaring in de Heilige Schrift is niet te vervangen door eigen vinding, ook niet door vinding van de kerk in haar geheel.
De prediking is in haar wezen algemeen, katholiek. Zij is dezelfde onder de Oude en de Nieuwe Bedeling, ook al moge het voor en na Christus een geweldige insnijding in de volheid des tijds verraden. Wij merken dat uit de weerklank die zij gevonden heeft in de Psalmen. Er zijn geen andere liederen die voor iedere tijd, ook de onze, een zo grote actualiteit bezitten. Zij zijn klank-geworden historie. Zij deden het toen zij ontstonden; zij zingen de bas in de evangeliën; zij vergezellen Paulus op zijn reizen; zij liggen gespikkeld door de geschriften van Augustinus; zij brachten staal in het geloofsleven der gereformeerden bij de Reformatie; en zij zijn ook heden als nieuw. De Psalmen kunnen alleen zo bij zijn omdat zij zingen van een onbewegelijk Koninkrijk uit en een weerslag geven op de katholieke prediking der kerk. Een prediking die ongeschikt is om zich met de Psalmen te paren hoort in de kerk niet thuis. Deze liederen weten van een gemaakt bestek, waarnaar het vast gebouw van Gods gunstbewijzen in eeuwigheid zal rijzen.2 De apostelschaar, de profeten, martelaars uit het Te Deum, konden ze allen zingen op aarde, zoals zij God samen loven in de heerlijkheid.3
De prediking die daarbij past moet derhalve de karaktertrekken der algemeenheid vertonen. Maar deze algemeenheid is niet vaag, niet onbepaald, in zekere zin niet universeel. De gereformeerde kerk heeft op de vraag of de genade universeel is, ontkennend geantwoord. Zij zei dat deze particulier was. De katholiciteit der prediking gaat niet uit in het onbestemde; zij heeft een bepaald adres. Het algemene is hier tegelijk het meest strikt-persoonlijke. De prediking is in laatste instantie op de uitverkorenen gericht. De Zone Gods vergadert zich uit het ganse menselijke geslacht door zijn Woord en Geest een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren. Niet alleen in algemene zin, maar ook in persoonlijke zin moet er gesproken worden van een vast bestek. Daarin reiken psalm 89 en gezang 3 elkaar de hand, zoals ze ook op dezelfde wijs gezongen worden.
Dat iemand tot het geloof komt is geen toevalligheid. Het komt omdat hij behoort tot het katholieke geheel, dat in hemel en op aarde de kerk der uitverkorenen uitmaakt. Het vast bestek van het vast gebouw Gods is geen ledige ruimte; geen stelsel van abstracte ideeën. De algemeenheid van de logische universalia, de algemene begrippen, is er vreemd aan. Deze katholiciteit is niet abstract, maar concreet. In Gods vast bestek zijn de individuen mede begrepen. Het gaat in de kerk om de mensen, ook wanneer het om God gaat. Dat het er om Gods eer te doen is houdt juist in, dat de zondaar er een plaats mag hebben, als God hem doet naderen. God en de zondaar komen in de kerk en in de prediking bij elkaar.
Dat is het grote onderscheid tussen de platonische en de christelijke katholiciteit; de platonische en de christelijke liefde, tussen eros en agapè. De platonische idee, zoals heel dikwijls het wijsgerige algemene begrip ook, staat met haar rug naar het individu: zij is hoogmoedig en keert aan het concrete en zondige de trotse nek toe. Hoogstens is de idee, zoals in het neoplatonisme, als geest en ziel gematigd, onverschillig, hooghartig royaal voor de concrete en individuele wereld. Volgens Plotinus laat de wereldziel achter haar rug enkele schone vormen in de stof vallen.4 Maar zij weet er zelf niet van en de vorm neemt slechts een heel flauwe herinnering mee van haar afkomst.
Heel anders de kerkelijke katholiciteit. Daar staat God met het aangezicht naar de zondaar gericht. Dat is het Evangelie. Wij kennen God slechts in Christus. In Hem zien wij Gods aangezicht. En bij Christus hoort de zondaar. Achter Gods rug is niemand een zondaar. De Farizeeër in de gelijkenis was te ver in de tempel op gelopen.5 Hij was God voorbij en stond met de rug naar Hem toe. De tollenaar staat van verre voor God en alleen dan, voor Gods aangezicht, is schuldbelijdenis mogelijk.
De grote ergernis van platonisten in Augustinus' tijd was, dat de kerk zoveel drukte maakte van de zondaren. Men kon het niet hebben dat de schoonheid van het geheel daardoor gestoord werd. Zo'n Lazarus voor de poort, zo'n tollenaar op de drempel van de tempel! En daarvoor de ene, de Zoon van God van boven laten komen; daarvoor in de bekering de schoonheid der ziel in verwarring laten brengen. Het platonisme laat een cent uit het hemelvenster werpen en ziet verder naar de bedelaar niet om.
Dat is het verschil tussen christelijke en platonische katholiciteit. Maar daaruit blijkt dan ook duidelijk, waarom de kerk in haar gereformeerde belijdenis er op staat dat de genade particulier zal heten. De prediking moet gericht zijn. Zij wandelt niet tussen de mensen door; zij gaat niet over hen heen, nog minder van hen af. - Maar dat niet alleen, want dat kan ook een platonicus. De bepaaldheid gaat verder. Het wil zeggen dat degene wien de prediking werkelijk aangaat zelf in de algemeenheid der prediking betrokken is. Het is geen vreemde idee die tot hem thuis gebracht wordt. Hij staat in het Testament, dat aan hem betekend wordt. De prediking geldt ten slotte in de volle zin de uitverkorenen alleen. De algemeenheid der prediking houdt de individuele applicatie in zich besloten. Er zijn mensen gemoeid met de preek. En weer niet in 't algemeen, maar allerbijzonderst, hun bestaan, hun zaligheid staat op het spel. En in het vaste bestek van het godsgebouw der kerk, waarin de prediking haar functie uitoefent worden zij door de Heilige Geest gerechtvaardigd en verheerlijkt. De algemeenheid der prediking is dus niet hypothetisch maar categorisch. De prediking is dynamisch. Zij is ingeschakeld in het werk Gods, dat bezig is de uitverkorenen te vergaderen. Preken is zoeken om het honderdste schaap, dat bij God bekend is. Dat de prediking dit beslissend karakter draagt, zien wij duidelijk in de Handelingen der Apostelen. Degenen die geloven en gedoopt worden ontvangen de Heilige Geest. Zij worden, zegt Paulus in Romeinen 8, te voren gekend, dan geroepen, daarna gerechtvaardigd, en eindelijk verheerlijkt. Als zij de Heilige Geest niet ontvangen heeft de prediking geen zin. Er ontbreekt iets in. Zij is niet compleet, zoals die van Apollos het niet was te Efeze.6
In verband daarmee is er in de brieven van Paulus een verzekerdheid, die wij later in de kerk in die mate zelden kunnen aanwijzen. De prediking heeft altijd de neiging algemeen te worden, hoogstens hypothetisch-individueel. Zij gaat dan uit tot de honderd schapen tegelijk met de gedachte dat het éne, het honderdste er wel bij zal wezen. Maar zo staat het in de gelijkenis niet.7 De herder in de gelijkenis verlaat de 99 en gaat het ene zoeken. Dat is oneindig veel krachtiger, liefderijker, zorgzamer, herderlijker dan het andere. Dat ene is het uitverkorene, uit honderd. Zo ook de verloren penning,8 die geen waarde heeft, maar waarde krijgt, de waarde van een talent, tien talenten, 10.000 talenten uit de gelijkenis van de twee schuldenaars.9 Zo ook de verloren zoon, die zijn broer helemaal in de schaduw stelt.10 Hij is één van de twee, maar als verloren zoon wordt hij de enige zoon, de zoon der liefde des vaders, zoals Christus in het Evangelie.
Dat is het belang dat onze vaders hadden bij het particuliere van de genade en bij de uitverkiezing. Daardoor krijgt de prediking reliëf en komt uit het platte vlak uit. De preek krijgt het affect dat zij hebben moet en dat zij op geen andere wijze kan krijgen. De Heilige Geest houdt in de prediking geen algemene beschouwingen, maar Hij doet zaken. Zaken, zoals God die verstaat, die alzo lief de wereld heeft gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Het besef daarvan geeft aan de prediking haar katholieke vorm. De gerichtheid van de verborgen raad en wil op het uitverkorene, het verlorene. Het doet er niet toe in welke tijd de preek gehouden wordt; zij moet deze vorm hebben. Het is de katholieke, de algemene vorm. En dan niet vorm in de moderne zin van het woord, die de vorm bijkomstig stelt tegenover het wezen; maar in de antieke zin van causa formalis, waarmee de zaak zelf gegeven is; het 'to be or not to be' van een ding. Daarvan heeft De Genestet nog wel geweten: De dogmatiek zei Jan, die geef ik je present, maar wat hij meer gaf bleef tot heden onbekend.11 Wie dit dogma van de preek cadeau geeft, kan geen preek meer geven.
Men merkt het altijd als men zelf of een ander in dat opzicht niet in de vorm is. Als men de katholiciteit van de kansel verlaten heeft. Het zou een lange zondencatalogus zijn als wij haar moesten opmaken. Maar deze fouten vallen toch in twee groepen uiteen. Men kan in de prediking gaan idealiseren èn humaniseren. In beide gevallen is men buiten de katholieke vorm. Wij kennen allen het speculatieve gevaar, wanneer de Logos als principe van de prediking genomen wordt, zonder rekening te houden met het sarx ekeneto. Paulus zei daarom dat hij niets onder de Korinthiërs wilde weten dan Jezus Christus en Die gekruist.12 Wanneer wij zouden moeten zeggen waaraan dit gebrek zich verraadt, dan zou ik willen zeggen: Aan het gebrek aan volheid. Er is een schrielheid, een gebrek aan stof in een prediking die de vleeswording negeert. Men moet zoeken, bij elkaar zoeken, hier vandaan, daar vandaan, overal vandaan om de preek gevuld te krijgen. En naarmate de preek zich herhaalt, wordt dit gebrek te nijpender. Dat is een ervaring die niemand vreemd zal zijn, omdat allen gezondigd hebben. Allerlei surrogaat moet dan dienst doen. Vulsel, waarvan ik hier de aard en kwaliteit niet zal nagaan, omdat het pijnlijk is dat te doen.
Zodra wij echter de preek in de dienst stellen van het sarx ekeneto, dan vermeerdert de stof onder onze handen. Wij hebben geen handen genoeg om de stof te verwerken. Want in de sarx ontmoeten wij dan de volheid der godheid.
Het duidelijkst is dat uit de aard der zaak op de christelijke feestdagen, wanneer de centrale heilsfeiten gevierd worden. Zelf heb ik deze ervaring gemaakt in de eerste tijd van mijn ambtsbediening toen ik mij bewoog op de grenzen van de ergernis aan de concreetheid van het Evangelie. De ergernis aan de sarx, het kind (Kerstfeest), het bloed (Goede Vrijdag), het lichaam (Pasen), de taal (Pinksteren). De aanvaarding van deze katholieke bestanddelen in de prediking ben ik mij bewust gebleven als een wending uit het ledige naar de stof, de stof nu niet in materiële zin bedoeld, maar als preekstof. Waar deze ergernis is daar raakt die stof voor de prediking zoek. En men moet op zoek gaan naar minderwaardige surrogaten, waarvan men zichzelf inwendig de minderwaardigheid bewust is. - Wanneer echter de Geest het kindeke, het bloed, het lichaam, de taal niet alleen mag aanraken, maar in zich mag opnemen, dan kan ieder in zijn eigen taal de grote werken Gods horen. Dan vermenigvuldigen zich de toepassingen en de aanraking tussen God en de zondaar kan plaats hebben. Wij kunnen de bijbel openslaan en daaruit preken en wij kunnen het weer doen en altijd weer. In Christus woont al de volheid der godheid lichamelijk. Men tast daar niet in de schaduwen en de schimmen, maar in de werkelijkheid, al heet die werkelijkheid dan ook zonde en vloek, zoals in het Evangelie.
Sommige boeken hebben in dit opzicht iets van de bijbel. Men kan ze altijd weer lezen. Zij hebben dat volle, dat concrete, dat door de Geest gedrevene. Zij krijgen altijd iets van het eenvoudige en concrete van de Schrift.
Ik ben mij bewust dat het hier een verborgenheid geldt. Wanneer wij op Kerstmis spreken over het kindeke, op Goede Vrijdag over het bloed, op Pasen over het lichaam, op Pinksteren over tongen en talen, dan drukken wij het Evangelie niet op de natuur terug. Het Evangelie wordt door de Heilige Geest gepredikt. Wij drukken het Nieuwe Testament ook niet op het Oude terug. De Brief aan de Hebreeën maakt onderscheid tussen het offerbloed in de tempel, en dat van Christus, waardoor éénmaal wordt verzoend.13 En de talen van Pinksteren zijn wat anders dan die van Genesis 11. Maar in de verborgenheid blijft het kindeke en het bloed en het lichaam en de taal. Zij verdwijnen niet. Het Woord is vlees geworden. Wij mogen er niet wat anders van maken. Ook niet wat mooiers.
Zo is het ook in de gelijkenissen van Jezus. Jezus spreekt daar over verborgenheden in het Koninkrijk der hemelen. In de gelijkenis van de verloren penning blijft de penning een penning. Een cent waarvoor men twee mussen kan kopen, maar meer ook niet. Het is geen stukje van een trouwring, die daaraan zijn waarde ontleent. Dat is idealiseren. Laat de cent cent blijven. Maar laat haar verloren gaan. Dan krijgt ze waarde, al meer en al meer. Dat is de verborgenheid van Gods liefde. De waarde ontstaat niet door idealiseren, maar door de barmhartigheid Gods. God is de Schepper van het schaap, van de penning, van de zoon in de gelijkenis. Maar de verborgenheid ligt hierin dat Hij de Herschepper is van het verlorene. Het is er weer maar anders: verheerlijkt.
Tot deze stof keren wij in als wij de bijbel laten wat hij is. Als wij de dingen die daarin voorkomen laten noemen met de namen die ze daar dragen. Het kindeke blijft een kindeke, maar is de Zoon Gods. Het bloed blijft bloed, maar reinigt van de zonden. Het graf is ledig en het lichaam stond op, maar Christus wordt gerechtvaardigd in de Geest.
Deze katholieke bestanddelen moet de prediking hebben en houden.
Anders gaat haar vorm die zij van den beginne af gehad heeft, verloren. Op het brengen van een ander Evangelie staat het: Anathema sit. Er is geen macht ter wereld die dat anathema er af kan lichten.
Wij hebben dus twee dingen besproken. Ik zou ze als vorm en materie willen onderscheiden. Wij hebben eerst gezien dat het Woord in de kerk iets heel anders is dan een idee. Wij stelden de christelijke katholiciteit tegenover de platonische. Het universalisme van het christendom, het algemene dat de kerk kenmerkt, was niet onbepaald, maar had een vast bestek. zodat de concrete werkelijkheid er in betrokken was. De kerk is geen theater, waarop in de vorm van een kijkspel ideeën worden opgevoerd of exempels worden voorgesteld; de kerk is ons leven zelf, waarin wij samen met God betrokken zijn, en waarin wij zo direct tegenover God worden gesteld als nergens elders. In de kerk gaat het er om of God aan zijn eer zal komen en of de mens zalig zal worden. Het gaat om behouden te worden of verloren te gaan. Om te zijn of niet te zijn. De betrekking tussen God en mens krijgt er de meest bepaalde, de duidelijkst benoemde vorm. Het is een gepassioneerde verhouding, waarin iedere staat des levens en elke stadie van de weg zijn eigen naam heeft. Verkiezing, roeping, rechtvaardiging, heiliging, verheerlijking, dat zijn woorden waar alle bleke algemeenheid of lege abstractie uit verdwenen is. Er laait een paarse gloed in deze woorden, die de felle verhouding tussen God en de mens verraadt. Verkiezing dat is: het éne schaap uit de honderd; roeping de stem van de Herder in de woestenij; rechtvaardiging betekent verdediging tegen leeuw en beer; heiliging wil zeggen dat Hij het op zijn schouder neemt; en verheerlijking dat Hij het terugbrengt in de kooi. Wie zich ergert aan een van deze woorden, die ergert zich aan de kerk, aan het Evangelie, aan Christus, aan de liefde Gods des Vaders. Anathema sit, zegt de bijbel. Het ware hem beter dat een molensteen om zijn hals gehangen ware en hij ware verzonken in het diepst der zee.14
Dit is de katholieke vorm der prediking, die ons hele bestaan, ons wel of wee in zich opneemt. Eens christen reize naar de eeuwigheid, waarop het persoonlijke het algemene zozeer overtreft, dat naar Bunyans voorstelling christen alleen aan enkele zuchten voor of achter hem hoort dat hij niet alleen op de weg is.15 Of als bij Elia God het hem zeggen moet dat hij niet alleen is overgebleven, maar dat er nog 7000 anderen zijn.16
Naast deze vorm noemde ik de materie. Zij ligt vast in het sarx ekeneto. Als de Logos, het Woord, geen idee is, ook geen algemeen begrip, geen abstractie, geen kijkspel, geen voorbeeld, dan raakt Hij het onderste, de benedenste delen der aarde. Christus is nedergedaald ter helle. Het Woord in de Schriften wordt het kindeke, wordt het lichaam, wordt de tong. Het Evangelie is geschiedenis; hemelse dingen, maar op aarde geschied. 17En hier dreigt weer dezelfde ergernis als daarstraks. Aan de gevulde kribbe, aan het ledige graf, aan de taal en de tong van visserslieden. Deze ergernis is niet weg te nemen. Zij moet er zijn als een oordeel der gedachten. Wanneer dit niet blijft, raakt het Evangelie ons niet. Het komt niet tot benedenste delen. Het daalt niet ter helle. Want wij zijn uit het stof genomen. De stof is om zo te zeggen het substraat van ons zondaar-zijn. Wij zijn geen gevallen engelen maar gevallen mensen. Daar ligt ook de grens van onze val. Een zondaar is geen duivel. In het Evangelie worden de duivelen uitgeworpen, maar de zondaren aangenomen.
Beide, vorm en materie, behoren tot de algemeen-christelijke prediking. Men mist ze in het platonische denken en in de platonische liefde aller eeuwen. Dat denken wil de persoonlijke betrokkenheid op God niet. Het ziet wel het vaderland, maar wil van de weg daarheen niet weten, zegt Augustinus.18 En de platonische liefde wendt zich af van het lelijke, het slechte, het arme, het treurige, in één woord: het kruis. Zij wil zich niets aantrekken van het huwelijk van de zonde met de stof. Heel anders dan de bijbel die dadelijk na de zondeval de mens zegt:19 Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren; die de man zegt dat hij in 't zweet zijns aanschijns zijn brood zal eten en de vrouw dat zij met smart kinderen zal baren. Die de strijd tussen mensheid en slangekop in het stof der aarde laat plaats hebben.
Tot nog toe hebben wij weinig of niet gesproken over het kerkelijk dogma, over triniteit en christologie. Wij hebben ons eerst bij de beschouwing van de katholieke vorm der prediking georiënteerd aan de leer van de rechtvaardiging door het geloof, de lijn der Reformatie, die getrokken wordt onder de lezing van de Brief aan de Romeinen. Daarna, bij het letten op de katholieke materie, hebben wij de vleeswording, het sarx ekeneto, in het oog gehouden, het palladium van de Oude kerk. Beide vormen niet wat men in engere zin het dogma noemt. Tegenover het kerkelijk dogma kunnen het sola fide en het sarx ekeneto eerder de Schrift zelf genoemd worden. Het is Paulus en het is Johannes, waarvan de eerste meer de vorm en de ander de materie des geloofs beschrijft. Beide, Oude kerk en Reformatie, gebruiken dan ook hun dogmatiek ongeveer als richtlijnen voor Schriftlezing, en de preek als geordende Schriftlezing.
Wij kunnen er echter toch niet van af om, als er sprake is van de katholieke bestanddelen der prediking, in dit verband naar de betekenis van het klassieke dogma te vragen.
Wanneer wij dan aan de oppervlakte blijven door bijvoorbeeld te zeggen dat het dogma te danken of - zoals men soms doet - te wijten is aan het Griekse denken, maar als men het laat voor wat het is, nl. resultaat van kerkelijk denken, dan willen wij verder vragen naar het diepste motief van de beslissing van Nicea en van de strijd van Athanasius. En dan moet men, op grond van het historisch getuigenis der kerk zelve, zeggen dat het om de zaligheid ging. Bij de katholieke vorm en de katholieke materie des geloofs en der prediking, zoals Paulus en Johannes die hebben gegeven, past alleen de leer van Athanasius en zou die van Arius een gruwelijke wanklank zijn geweest. Voor zover het dogma richtsnoer der prediking wil zijn, wil het zeggen dat wij in Christus met God zelf te doen hebben. Daarvan hangt onze zaligheid af. De directe betrokkenheid van God op de zondaar en van de zondaar op God, die wij in de leer der rechtvaardiging als de katholieke vorm der prediking hebben opgemerkt, vraagt van het kerkelijk dogma dat daarin de Middelaar geen schepsel zal zijn, maar eist de godheid van Christus als belijdenis der kerk. Wanneer het waar is, wat Gunning meen ik gezegd heeft, dat de gelijkenis van de verloren zoon de Middelaar vooronderstelt,20 dan moet die Middelaar in zoverre transparant zijn, dat Hij ook zelf God is en dus God niet in de weg kan staan. Het is licht uit licht, homoousios, zoals het Nicaenum zich uitdrukt.
Dat geldt ook als wij ons herinneren dat het vast bestek van Gods raad en wil de uitverkorenen betreft; hen persoonlijk insluit, hen met name roept, hen tegen dood en duivel in rechtvaardigt en hen verheerlijkt door hen met zijn Geest te overstorten. Zulk een door mystieke overmacht bewerkte en bezegelde verlossing, die in Jakobs worsteling21 is afgebeeld, kan er niet zijn als het dogma der kerk niet terecht bestaat. En wat Paulus daarvan in zijn brieven heeft uitgelegd, dat is in de evangeliën historie, en in de gelijkenissen verborgenheid. Zonder de godheid van Christus zijn de evangeliën onleesbaar en de gelijkenissen daarin onverstaanbaar. Het dogma van Nicea is uit het hart daarvan gesneden.
In de strijd om Nicea gaat het er om of God en mens elkaar in Christus werkelijk ontmoeten, ja dan neen. Griekse filosofie kan daarbij niet veel helpen, want de Griek kent die ontmoeting in bijbelse zin niet. Dat de zondaar met God in aanraking komt wil Plato niet. Ik heb de dialogen Van Plato de laatste jaren bijna allemaal gelezen en heb het er niet gevonden. Wel komt de grote ziener soms aan de grenzen van zijn eigen denken, waar tegenkanten zich openbaren, die manen aan de bijbel. Maar in het latere platonisme zijn deze flitsen niet verdiept, maar uitgezuiverd, tegenover de christelijke kerk. Griekse filosofie heeft alleen heel formeel, zoals ook de Griekse taal, aan de ontwikkeling van het christelijk dogma kunnen meewerken.
Het dogma van Nicea past echter helemaal, wat de strekking en het laatste belang betreft, bij de bede van de moordenaar aan het kruis. De ontmoeting met Jezus op die lugubere hoofdschedelplaats is een laatste kans om zalig te worden: een ontmoeting met God. De laatste discipel van Jezus die na Judas' verraad het twaalftal weer volmaakt weet niets van Jezus' onderwijs, van zijn omgang als mens. Die zijde blijft geheel afgesloten. Hij kent Jezus alleen naar zijn godheid. - En dit is het eindpunt van de evangelische geschiedenis, waarheen al het andere tendeert. Maar bij de geraakte die Hij de zonden vergeeft;22 of bij Zacheüs die Hij tot een zoon Abrahams proclameert is het tenslotte niet anders.23
Hierbij past het christelijk dogma, en dat is het interesse waarmee de kerk en de prediking er aan hangen. Het homoousios wil de zekerheid geven dat tollenaren en moordenaren als ze in Christus' koninkrijk worden opgenomen, daarmee in het koninkrijk Gods een plaats hebben gekregen. Dat gaat lijnrecht tegen het Griekse denken in. De God die ter helle nederdaalt, die zich mengt onder sjacheraars en gauwdieven, die God kent alleen de bijbel.
Dezelfde verborgenheid die in de evangelische geschiedenis geopenbaard is, schuilt ook achter de gelijkenissen. Ik denk aan die van de arbeiders in de wijngaard,24 waar de laatkomers in bescherming worden genomen en aan die van de uitnodigingen tot de maaltijd, waar tussen de heggen en op de wegen naar gasten wordt gezocht.25 Dit geheim wil het Nicaenum vastleggen voor de kerk der eeuwen.
Daarom hebben de reformatoren het dogma ook vastgehouden. Dat is geen traditionele houding alleen. Van de reformatorische houding in de katholieke vorm der christelijke prediking, de rechtvaardiging van de zondaar, is het oudkerkelijk dogma het geraamte. Wanneer het in de prediking ernst is met het vast bestek, waarin Gods raad op de uitverkorene betrokken is; als wij een Evangelie hebben, waarin de roeping niet universeel is voor honderd schapen tegelijk, maar het een zoeken is naar het éne verlorene; en als het gepassioneerde dat daarin ligt niet zal opgelost worden in platonische beschouwelijkheid, dan moet er homoiousie bestaan tussen God en de Christus der Schriften. Wanneer het enkel homoiousie, analogie met Gods werken is, dan verliest de christelijke prediking haar grond.
Hetzelfde geldt ook van de materiële zijde waarvan ik sprak, die uitkomt op Kerstmis, Pasen, Pinksteren: de indaling, de uitstorting. Ook hier bedoelt het dogma de bijbelse prediking te steunen.