O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Bijlage 2: Kerkorde-artikelenInhoudEvangelie en zielszorg →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 666–679

Bijlage 3: Lezingen in samenvatting

a. 'Almense lezing', gehouden op 13 februari 1938 te Almen voor de vereniging 'Ons oud verband'; verslag Lochemse Courant dd. 16.2.1938.

Onderwerp: Kerk en staat.

b. 'Zutfense lezing', gehouden begin april 1938 voor de 'Evangelisatie'; verslag De Wachter (blad voor de classis Zutfen der NHK.) ± 5 april 1938.

Onderwerp: Waartoe kerkorde?

c. Zutfense lezingen voor predikanten in maart/april 1938 te Zutfen, Verslag De Nederlander 7, 15, 22, 29 maart en 6 april 1938.

d. Theologisch Seminar, Woudschoten Zeist, 19-21 april 1939. Blijkens het NCSV.-mededelingenblad dd. 11.3.1939 was dit Seminar bestemd 'voor theologische studenten'. Het verslag uit De Nederlander dd. 22 en 24 april 1939, is aangevuld met letterlijke notities van een deelnemer, ds. A Corbijn van Willenswaard, em. pred. NHK.

e. 'Lochemse lezing', gehouden te Lochem eind april 1938; verslag Lochemse Courant dd. 2 mei 1938. Thema: Kerkorde en belijdenis.

a. Almense lezing

Men is vaak weinig op de hoogte van het algemene kerkelijke leven, wel van het plaatselijke. Juist andersom als in de politiek, waar velen aandachtiger de verslagen van de Tweede Kamer lezen dan van de gemeenteraad. Toch heeft de kerk met de staat te maken. Tussen die twee bestaat een eeuwenoude tegenstelling. De wereldgeschiedenis heeft daar om zelfs lang gedraaid. Ze begint het nu weer te doen. ⚑De hervormers vonden dat de kerk te veel op de staat leek. Daarom dorst Luther aan de kerk nauwelijks een lichaam te geven. Calvijn zag in, dat ook de kerk een goede inrichting moet hebben met ambten en tucht. Wel wilde hij daarbij zo sober mogelijk blijven. Zij waren beiden bang voor verstatelijking. De lutherse kerk bleef een aantal losse preekstoelen onder de open hemel zonder aardse inrichting, zonder verband daaromheen. In Frankrijk brak de visie van Calvijn door: een synodale kerkinrichting. Wij kregen deze structuur van Calvijn: een eenvoudige inrichting rondom ambten en vergaderingen. Zo vond de hervormde kerk omstreeks 1570 haar oorsprong. De politieke heren merkten spoedig dat de kerk tegenover de staat ook een organisatie van het mensenleven betekent. Daarom werd na 1619 een algemene synode niet meer toegestaan. Provinciaal werd het synodale leven voortgezet en deze gewestelijke vergaderingen hebben haar stempel gezet op de Nederlandse volksgeest. Zij hebben het volk opgevoed tot een sober, ernstig leven en hebben heel wat oud-Friese, oud-Frankische en oud-Saksische uitgelatenheid teruggedrongen. Men leerde streng te zijn voor zichzelf. Strijd tegen sacramenten en folklore werd aangebonden, drinken, dansen, rijden, rossen, branden, blazen. Als men deze sacramenten van het oud-Germaanse leven stelt tegenover die van de kerk, Doop en Avondmaal, dan ziet men hoeveel de provinciale synodes te veranderen hadden.

De hervormde kerk droeg dus van het begin af een algemeen karakter. Zij legde overeenkomstig Calvijns visie beslag op het leven in vier departementen: prediking, onderwijs, tucht en armenzorg (ambten: predikant, ouderling, diaken).

Calvijn wilde de kerk als geestelijke vorm van de staat. Wat is er nu van deze departementen terechtgekomen? Het tweede (onderwijs) is op politiek gebied overgegaan (doctoren, oprichting Leiden voor vorming predikanten). Het ambt van de ouderling was de gemeente te vergaderen en met de predikant opzicht en tucht over de gemeente te oefenen, kerkelijke rechtspraak te houden. Al leek de hervormde kerk minder op een staat dan de rooms-katholieke, toch won zij duidelijk publieke invloed door haar ambten in vergaderingen. In feite hebben de ouderlingen vaak de gemeente gediend als afgevaardigde naar de predikant en omgekeerd advocaat voor de dominee gespeeld bij de gemeente. Zo waren ze echter niet bedoeld. Calvijns bedoeling was dat zij het volk zouden vergaderen, een gemeente zouden bijeenbrengen en opbouwen. Daartoe moeten ze de tucht handhaven en regeren. De ambten hebben behalve een plaatselijke ook een algemene kant. De ouderlingen zaten in de classicale vergaderingen, provinciale synode en in de algemene synode. Zo wilde Calvijn het. Zo was het ook vóór 1816.

In dat jaar werd de hervormde kerk door de beschikking van Willem I een ambtenarenkerk onder besturen. Het Bestuur heeft volgens deze orde te zorgen dat er overal een ordentelijke prediking is. Maar het heeft geen toezicht op dat wat er gepreekt wordt. Gevolg: de ambten kunnen niet meer in grote stijl ambtelijk werk verrichten. Het grote verband is er uit. Het grootse werk, steeds de kerk op te bouwen en te hervormen, kunnen de ambtsdragers nu niet meer. Ambtsdragers werden ambtenaren. De classicale vergaderingen kunnen slechts enkele pietluttige veranderingetjes in het kerkelijk reglement aanbrengen. Terwijl de velden wit zijn om te oogsten. En er onkruidplanten zijn, die uitgetrokken moeten worden. De algemene synode heeft de hoogste macht; zij doet de voorstellen. De classes kunnen alleen maar aannemen of verwerpen. De synode durft belangrijke dingen niet aan als bijv. uitmaken wat waarheid of leugen is, of iets gepreekt moet worden of niet.

De leertucht berust bij de academie. Kérkelijke leertucht is er niet. Wel natuurlijk de academische leertucht, die een kandidaat laat zakken als hij het niet bij het rechte eind heeft. Maar wat heeft de kerk daar eigenlijk aan? De kerk als geheel regeert het leven niet meer, ze richt zich niet tot het geestelijk leven. De kerk als geheel kan geen zendingswerk verrichten. De kerk slinkt ieder jaar. Waarom de R.-K. Kerk en de Gereformeerde Kerken niet? Deze hebben een veel betere kerkvorm en organisatie. Voor werk, waarbij men de jas moet uittrekken en de schoenen als de vloed opkomt, een levensorde bij oorlog, bij afval, daarvoor is de organisatie absoluut ongeschikt.

De bewerking van het volksleven is aan de kerk ontvallen: de bestrijding van de partijzucht, van het individualisme van iedere predikant. Er is geen eenheid van geluid. De tegenwoordige organisatie der kerk is ingesteld op partijzucht en individuele zin. In de spanning tussen kerk en staat wordt uit de kerk de pit gehaald en betekent zij tegenover de vastheid van de staat niets dan wind. Het lot van ds. Niemöller1 toont hoe nodig het is, dat de kerk zich laat reorganiseren. De grote vragen van de samenleving komen dan weer in de kerk terug: arbeid, sociale nood, de staat, radio.

De kerk moet kerk worden, een vast lichaam tegenover de staat. Dan wordt zij voor beslissingen gesteld. Onder de bestuursorganisatie was de grote zorg dat er gepreekt werd; de gereorganiseerde kerk moet er ook aan denken wat er gepreekt wordt.

De vragen bijv., waarvoor Hilbrandt Boschma2 ons stelt (vgl. De Wachter van 28.1.1938, te weten oorlog en vrede, vgl. zijn artikel: Een gewapende of een weerloze kerk - red.) komen dan aan de orde. Reorganisatie is geen partijzaak. Het is deze organisatie, die de partijen laat voortbestaan en alle beslissingen ontwijkt.

b. Zutfense lezing

Spreker, ingeleid door ds. Van Paassen,3 begint met een omschrijving van het ontstaan der kerkorde van de NHK. Deze berust op de beginselen door Calvijn tussen 1541 en 1560 ontwikkeld. De hervormde kerk is een gereformeerde kerk. Wij zijn lid van een presbyteriaanse familie van 40 miljoen christenen, die een sterke geestelijke natie vormen. Daarom bakenen wij rondom Woord en sacrament een eigen kerkgebied af, dat een eigen soevereiniteit bezit tussen volk en staat. De demonie, die schuilt tussen volk en staat, wordt daardoor sacramenteel gebannen.

Wanneer de figuur der kerk wordt uitgewist, stoten staat en volksfront onbemiddeld op elkaar. Wij verstaan deze dingen nu nog beter dan in de zestiende eeuw.

Maar wij zijn gehandicapt door de organisatie van 1816. Die organisatie is geen kerkorde, maar een burgerlijke orde zonder meer. Kerkelijke taal wordt er niet meer verstaan. Er staat handhaven der leer; maar het betekent: leervrijheid. Zegt men: belijdenis, dan wordt dwang verstaan. Deze organisatie is een anomalie (De la S.), een politieke administratie (Groen). De kerk was een deel van de staatsmachine geworden ... Maar 18524 dan? Groen oordeelde, dat dit jaar overlevering aan de synode betekende. De staat kreeg genoeg van de anomalie; de synode mocht toezien. En zij heeft de kwaden van de erfenis aanvaard. De kerk was letterlijk aan haar overgeleverd. De figuur der kerk werd verder uitgewist in haar reglementen. Die reglementen waren de roem der synode. Kerkelijke zaken, belijden en regeren, kon ze niet verrichten. Ze gaat, zoals prof. Van Veen5, dat noemde, als water door de zeef der reglementen.

Gevolg was, dat de belijdeniskwestie inkromp op een paar formules: de proponentsformule en de belijdenisvragen. Tientallen jaren liep de strijd over formules. Na 1888 konden de synodalen triomfantelijk uitroepen dat de kerk rechtstreeks niets meer met de belijdenisschriften had uit te staan. Dit reductieproces liep parallel met de reglementaire volmaking der organisatie. De belijdende kerk scheen een afdingend genootschap geworden. De organisatie van 1816 was geen kerkorde, maar een partijorde. De burger schrobde de geestelijke figuren der kerk weg. De twintigste eeuw komt daartegen in verzet. Reorganisatievoorstellen volgen elkaar van 1900 af bijna jaarlijks op. Het ontwerp- 1938 is 't laatste.'t Wordt een onweer tot de bliksem inslaat in Javastraat 100. Het ontwerp-1938 bedoelt kerkorde, geen formules.

De akoestiek der kerk moet worden hersteld.

Alle kerkelijke woorden hebben een valse klank gekregen. Daartoe moet de bouw, de figuur der kerk tussen volk en staat worden hersteld. De nood van de tijd is dat de staat en het volk op elkaar botsen en dat de kerk er niet tussen staat. Het volk moet eerst door de kerk om in het Koninkrijk te komen. Een open kerk zal het zijn. Maar geen herberg, een kerk.

Een presbyteriale orde; een katholieke geloofsbelijdenis. Zonder afdinging: een herderlijke tuchtregeling met een maatstaf, die op de openbaring teruggaat. Deze kerkorde is niet gemaakt voor een 'enghartig geestdrijven'. Kerkorde is er voor de Heilige Geest. Zij wordt niet voor partijwezen gefabriceerd.

Dat was 1816. 1938 wacht betere dingen.

c. Zutfense lezingen voor predikanten

Het reorganisatie-voorstel. Vijf krantenverslagen uit De Nederlander van een predikanten-cursus in Zutfen maart/april 1938.6

7 maart 1938
Spreker ziet drieërlei reorganïsatïepogen:

1. Men stuurt aan op vreedzaam samenwonen in één administratief verband. Men blijft dan wie men is en houdt wat men heeft.

2. Men herschept de rechten der belijdenis op wettelijke manier in artikelen. De belijdenis snijdt dan de kerk in twee delen.

3. De kerk wordt naar haar wezen in haar rechten hersteld. In het eerste geval gaat het om de mensen; in het tweede geval om de belijdenis; in het derde geval gaat het om de mensen en de belijdenis, d.i. om de kerk, om God.

Deze probleemstelling heeft in verband met de tijdsomstandigheden geleid tot de vorming van een breed front. Van allerlei zijden blijkt de roep om tot een betere kerkorde te komen. Mensen uit de zending, de oecumenische beweging, de liturgische kring, de politiek, blijken warm ervoor te zijn. Velen achten het nodig met het oog op de sociale vragen en de openbare zedelijkheid. De eis tot reorganisatie der kerk is een eis van het moderne leven. De synode heeft dat door haar votum erkend. De besturen zullen niet in staat zijn de stroom blijvend af te dammen. Eén kant van de zaak heeft spreker nog niet genoemd: het richtingsvraagstuk. Dat lijkt de voorkant, die het meest in het oog valt. En dat is ook zo, als de kerk is een propagandaclub van individuele intellectuelen. Als de preekstoel een podium is voor 'lezende particulieren'. Maar zo is het niet in de kerk. Ds. Niemöller is geen propagandist maar een herder in de christenheid. De reorganisatiebeweging vraagt niet anders dan dat wij ons in het gelid zullen scharen. De kerkorde-vraag is bezig omgedraaid te worden, zodat niet de richtingskant, maar de pastorale zijde voorop staat. De vrijzinnigen hebben moeite met de christologie. Wanneer ze nu ook blijken praktisch de kerk niet aan te durven, wordt het hoog tijd dat zij zichzelf herzien.

15 maart 1938
Spreker begint met te wijzen op het verband tussen leer en historie.

Vat men de leer op als een academische aangelegenheid, zoals art. 11 van het huidig algemeen reglement,7 dan komt de kerk in het teken van het richtingsvraagstuk stil te staan en heeft ze geen geschiedenis of eigenlijke historie meer. Wordt de leer echter een pastorale zaak door het ambt van de Heilige Geest, dan moet ieder de les van Gods openbaring leren. De kerk gaat dan van de apostelen af voort door de eeuwen heen. Zij zal daarbij meer geschiedenis beleven dan haar zelf lief is. De herderlijke leer heeft dan ook een strijdbare zijde. David en Jezus waren zulke herders. Een kerkorde die niet meer is dan een administratief verband tussen richtingen is altijd, maar in onze tijd allermeest, onnut. Met een academische houding doet de kerk het niet. Een kerk, die geschiedenis krijgt, wordt als in Duitsland vanzelf belijdeniskerk.

De belijdenis is een scherp zwaard. Maar het rust in de handen van de herder en dat brengt consequenties mee. Het gaat in de kerk om de belijdenis èn om de mensen, om Christus en om de schare. Daarom gaat met de belijdenis de katholiciteit gepaard, de herderlijke bewogenheid.

Spreker wijst nu in het reorganisatie-ontwerp enkele plaatsen aan waar deze katholiciteit uitkomt. Hij vergelijkt daartoe allereerst het oude art. 11 met het nieuwe art. 8. Hij toont aan, welk een zonderling mengsel van humanisme, schoolsheid, conservatisme en patriottisme art. 11 is.

In art. 8 van het nieuwe ontwerp wordt meer het aangezicht van een kerk merkbaar. Daar staat de taak der ambten en dan de roeping der kerk ten opzichte van de heidenen, de algemene christenheid en de wereldorde. Art. 11 is op het aardse, art. 8 op het hemelse vaderland gericht. Het laatste draagt de sporen van een brede algemeenheid.

Spreker wijst verder op art. 9 Alg. Regl. van het ontwerp, waar voor groepen die meer bijzonder een stuk van het christelijk geloof en de christelijke zede beoefenen gelegenheid wordt geschapen om zich om de centrale belijdenis te scharen. Gedacht is aan de vele christelijke organisaties, buiten kerkelijk verband. Ook hier is dus katholiciteit aan belijdenis gepaard.

Niet het minst komt de herderlijke bewogenheid uit in art. 26aAlg. Regl. Hier wordt het probleem kerk en schare aangesneden. De gelegenheid wordt geopend om behalve de ambtelijke bemoeiingen met de enkelingen een beïnvloeding van de menigten door de geestelijke gaven mogelijk te maken, in contact met de kerk.

Spreker zou het schoolse reglement op orde en rust, dat we nu hebben, willen ruilen tegen de meer bewogen artikelen van het nieuwe, die een waarlijk kerkelijk karakter dragen, dat bovenal bij onze tijd past,

22 maart 1938

In deze lezing plaatste spreker de richtingen en de kerkelijke belijdenis tegenover elkaar. Hij merkte op dat in de artikelen van een kerkorde de belijdenis eigenlijk niet thuishoort. Er moet een verwijzing naar de confessie in staan. In het ontwerp van Kerkopbouw stond die op art. 1 en 2. Men kon op de gedachte komen, dat daarmede een grondslag bedoeld was, zoals een vereniging die aangeeft. Daarom is het verwijzend karakter in het ontwerp van 1938 duidelijk gemaakt door dit artikel verderop te plaatsen. 't Staat nu in art. 8 met name in punt 5.

In het ontwerp-1929 van prof. Haitjema c.s. was de verwijzing christologisch geformuleerd. Thans is ze trinitarisch. Dat is katholieker en houdt de gedachte aan opzet in verband met het richtingsverschil op een afstand. In art. 8 staan eerst de ambten en dan de algemene functies der kerk: belijdenis, zending, gemeenschapsoefening, wereldordening. De belijdenis geschiedt eerst in de verkondiging en dan ook in geschriften die steun verschaffen aan het spreken en handelen van het pastoraat en van de gemeente. Zo ontstaan de symbolen en de liturgie.

De kerkorde mag geen bepalingen bevatten om de striktheid of ruimheid ten opzichte van de belijdenis te bepalen.

Verkondiging en belijdenis leggen altijd de laatste accenten. Men kan niet bij wetsartikelen bepalen in hoeverre iedereen zich daaraan te houden heeft. Dat is een kwestie van pastoraal opzicht en tucht. In de kerk gelden andere regels dan in de rechtszaal. Katholiciteit is een algemeenheid van eigen orde. Daarom gaat het tegen het wezen der kerk in om zich van de belijdenis op de belijdenisvragen en vandaar weer op 'geest en hoofdzaak' terug te trekken.

Dat is de averechtse weg, die vele vrijzinnigen voorstaan. In de belijdenis trekken wij ons niet op onszelf terug: integendeel, wij treden ermee in de gemeenschap. Men kan niet belijden als men tegelijk bezig is af te dingen. Belijdenis heeft behoefte aan de volle toon en het laatste accent. Het is een massaal geluid van de hele kerk. De oude kerk schreef zinrijk de Twaalf artikelen aan alle twaalf apostelen toe. Daarom gaat de vrijzinnige beginselverklaring van 9 juni 19378 ook feil, als zij de vrijheid en de betrekkelijkheid der belijdenis 'zo volledig mogelijk' in de kerkorde wil zien uitgedrukt. Daardoor wordt het wezen der kerk miskend.

In verband met deze aard van belijdenis ziet spreker nu ook het wezen der kerkelijke leertucht. Hij maakt onderscheid tussen de aardrijkskundige ketter, die misschien ergens in een hoek van het land kan worden opgespoord en de synodale ketter, die de kerk op haar frontlijn ontmoet en die haar verhindert het laatste accent op haar belijdenis te leggen.

Daarom meent spreker ook dat de leertucht bij een nieuwe kerkorde niet over 'uitersten' zal gaan. Dat gebeurt onder besturen. Een ware synode spreekt zich uit over actuele vragen naar aanleiding van centrale waarheden.

29 maart 1938

Ds. O. Noordmans wraakt de voorstelling alsof het ontwerp-1938 in tegenstelling met het ontwerp- 1933 aan een confessionele verenging zou mank gaan. Een onpartijdige vergelijking van art. 1, en 2,4 (1933) met art. 8, Ie al. en 8, 5 (1938) toont, dat het omgekeerde het geval is.

In 2, 4 (1933) gaat de zorg voor de belijdenis op in de zorg voor de geschriften der kerk. In 8, 5 (1938) gaat de kerk daarbij terug op de prediking, van de prediking op de Schrift, van de Schrift op de apostolische kerk en van de apostolische kerk op de openbaring. Spreker ziet niet in wat dit met de bovengenoemde verenging te maken heeft.

Wel ziet hij hier en daar een zekere aandachtsverenging, als men meent dat het lot der kerk van de grammatica zal afhangen, alsof het zelfstandig naamwoord 'belijdenis' ons in het verderf zou storten en het werkwoord 'belijden' ons zou redden. Op dezelfde wijze speelt men de woorden 'herziening' en 'hervorming' in art. 60 en 70 tegen elkaar uit.

Spreker mist het orgaan van deze angsten uit de dictionnaire. Hij vraagt of dit kerkstrijd-stijl 1938 kan heten. Men komt bovendien tot verkeerde gevolgtrekkingen. Men kan uit de liturgie (art. 69) niet concluderen tot de belijdenis (art. 70).9 Liturgie, een gezangboek, kan aangeboden worden. Oud en nieuw sluiten elkaar niet uit. Bij een confessie is dit heel anders. Afschaffen en aanbieden hebben daarbij geen zin. Kerkelijke woorden zijn van eigen uitlegging. De kerk mag best een belijdenis hebben, ook een geschreven belijdenis. Die behoort tot haar schatten. Maar de kerk is meer dan een bewaarster van codices. In ontwerp- 1938, art. 8, kan men lezen wat het insluit, als de hervormde kerk haar geloof in haar geschriften tot uitdrukking brengt. Dat sluit nl. in: prediking, zielszorg, barmhartigheid, zending, gemeenschap, levensordening. Spreker vraagt of dit misschien te weinig is.

Safe en Codex

Hervorming van de belijdenis betekent verandering van dit alles; het is kerkhervorming. Prof. Severijn10 behoeft niet bang te zijn dat het ontwerp1938 bedoelt daar een spelletje van te maken. Hij zou de belijdenis veiliger achten in de 'safe' van 1816. Misschien? zegt spreker, als codex, ofschoon hij niet gelooft dat iemand er als schriftstuk aan veranderen zal. Achter deze academische spelerij speurt spreker echter een verzet in het onderbewuste. Van deze zijde hangt men aan het gereformeerde volk; bijna zegt spreker 'het gereformeerde ras', het Geuzenvolk! Men ziet dit volk als het subject der kerk. Omgekeerd ziet men in ontwerp-1938 een gemaakte kerk, zonder volk. Inderdaad erkent spreker dit verschil. Het ontwerp gaat uit van de ambten en functies der kerk. Zouden degenen die nu niet-volk zijn, tot volk worden?

Dat is niet tegen de bijbel. Spreker houdt ook van het Geuzenvolk. Maar in de kerk geldt geen religieuze biologie. Andere bestrijders van het ontwerp zouden de schriften der kerk in de 'safe' willen laten omdat ze bang zijn van de handhaving; dus juist omgekeerd. Maar ook moet spreker opkomen tegen het codex-beeld. De belijdenis ontbindt zich volgens art. 8 in de pastoraal der kerk, in persoonlijke en algemene functies. Zo moet ook art. 7 van het Reglement voor opzicht en tucht11 gelezen worden. Wat het karakter der kerk als kerk van Christus in gevaar brengt, wordt niet door een kerkelijk hoogleraar dogmenhistorisch uitgemaakt, maar is de zaak van pastorale, synodale beslissing, met inachtneming van het heil der zielen.

Men moet de bepalingen van dit reglement meten met zuiver kerkelijke maatstaf.

6 april 1938

Spreker begint met een correctie van het verslag van zijn vierde lezing. Daarin las men dat hij het ontwerp-1938 verdedigde tegen confessionele vereniging. Hij sprak echter van verenging.

Hij merkte verder op dat de reorganisatie vaak gelijkgesteld is met herstel van de classicale vergaderingen. Men kan echter evengoed zeggen met herstel van de kerkeraden. Dit valt wel minder op, omdat men ambtelijk in de kerkeraad zit, doch in het classicaal bestuur moet worden gekozen. Het lijkt daardoor dat de kerkeraad onder de tegenwoordige kerkorde gebleven is, die hij was. Dit is echter niet het geval. 't Best kan men dat zien bij de ouderling, die zijn werkkring bijna geheel verloor.

In een kerkorde die presbyteriaal heet en dus naar de ouderling genoemd wordt, is dat wel erg onnatuurlijk. Reorganisatie moet dus hier inzetten. Dit behoort in kerkelijke zin te geschieden. De ouderling dient geen bestuursfunctie te hebben, zoals in een vereniging. De predikant zou dan een ambtenaar worden. Dit gevaar bedreigt de Gereformeerde kerken na 1886. De ouderling moet zijn eigen ambt terugkrijgen. Dit is in het ontwerp-1938, in art. 30 van het Alg. Regl.12 tot uitdrukking gebracht, waar van zijn eigen'ambtelijke verantwoordelijkheid' wordt gesproken. Ook in de kerkeraad moet dus met het bestuurlijke van 1816 gebroken worden. Ieder heeft zijn eigen ambt. De ambten steunen elkaar, maar blijven, nochtans onderscheiden'. Het mooie van de hervormde kerkorde, zoals Calvijn zich die dacht, was, dat elk ambt een eigen departement van het christelijk leven had te verzorgen. Heel anders dan in een bestuur op burgerlijk terrein.

Het bijzondere van de presbyteriale kerkorde was dit, dat er een ambt was dat te arbeiden had op het terrein dat er ligt tussen de huiselijke en de openbare godsdienstoefening. En zo ook tussen het huiselijk godsdienstonderwijs en de catechisatie. Tussen het gezin en de christelijke gemeente. Dat was het werk van de ouderling.

Het is voor de hervormde kerk van grote betekenis geweest dat er een afzonderlijk ambt was om de gemeente geregeld uit de gezinnen op te bouwen en bijeen te brengen. Dat is de goede betekenis van een volkskerk. Het wil niet zeggen dat ieder recht heeft in de kerk uit kracht van geboorte, zonder op 't geloof te letten. Maar het betekent dat de kerk, zoveel in haar is, met behoud van de tucht, de weg van het gezin naar de kerk, van het natuurlijke naar het geestelijke, effent en daar zelfs een afzonderlijk ambt voor heeft. Dat noemt de bijbel het Verbond.

Een volkskerk, die deze bemiddeling mist, verwildert. Zij is een stad zonder muur, een tuin zonder schutting. Maar daardoor ook straks een volkskerk zonder volk. Want de presbyteriale kerkorde met haar ambt tussen huis en kerk heeft een beter middel om een gemeente te bouwen dan ieder andere. Maar zeker beter dan een besturenorganisatie, die de ambten laat verkommeren en de kerk laat verwilderen.

Dat wij deze presbyteriale orde nodig hebben, blijkt op allerlei wijze.

Overal op conferenties, in kampen, onder werklozen, verschijnen wat spreker noodouderlingen zou willen noemen, wier werk het is aan een kring iets geestelijks, iets van een kerk te geven. Onze tijd roept er om.

d. Theologisch 'Seminar' Woudschoten:

Schrift-Kerkorde-Belijdenis

I. Het beroep op de Schrift. Spreker poneert de stelling: 'Voor kerkorde hebben we de Schrift nodig.'

Zoals het verband tussen Schriftwoord en toepassing bij een preek niet afhangt van menselijke willekeur, zo is het ook met de kerkorde. Een bepaalde methode is niet te geven. Voor kerkorde kunnen we niet uit vaststaande levenshoudingen bepaalde kiezen. Het kerkelijke leven is geen orgel, waarvan de pijpen klaar staan om lucht te ontvangen. God bespeelt niet, zoals Kuyper zegt, de volksconsciëntie. Het Woord moet zijn eigen toepassing meebrengen. Kerkorde is geen maatschappelijke orde, die we terug zouden vinden in de Schrift. Hier ligt geen systeem gereed, geen natuurrecht. Wij moeten met Luther in een hoek worden geduwd en dan ⚑zeggen: 'Hier sta ik, ik kan niet anders.' (Vgl. leer der rechtvaardiging.) Die ene plaats is: 'dat zij allen één zijn' (Joh. 17). De fout van de negentiende eeuw is geweest, dat men werkte met 'Lehnsätze' uit de ethiek en er dan wat christelijks bovenop zette. Doch een 'modus vivendi' is in de kerkelijke wereld een boos woord. (Geen samenwoning zonder eenheid.) De Civitas Dei kent andere wetten dan de civitas terrena. De afleiding moet uit de Schrift plaatsvinden en theologisch zijn, niet historisch (Rome!). Hier geldt om voor alles vast te houden aan het reformatorisch gezegde: 'De waarheid gaat boven de oudheid.' Het historische is hier ondergeschikt aan het theologische. De theologie en de stand van zaken overwegen, de historie beslist niet. Een bepaalde methode is niet te geven, het blijft een eis van beslissing. Dit geeft 'rumor in casa'. Dan kan de kerk weer geschiedenis krijgen.

II. Kerkbegrip als achtergrond van kerkorde. 'De kerkorde moet samenhangen met de belijdenis.'

Dat wij - ter onderscheiding van rooms-katholieken, Joden en mohammedanen - geen kerkbegrip hebben, is onze noodtoestand. Hoedemaker verwijt Kuyper, dat hij de kerk te veelziet als een instituut van Jezus.13 Dit is ook de fout van Rome. Newman14 ziet de kerkorde implicite liggen in de bijbel en de historie treedt hier op als exegeet van de bijbel. Maar voor ons beslist God en niet de historie. De kerk is voor ons niet een levend organisme (Rome, de hoogkerkelijken, de Liturgische kring15). In deze zin kenden ook de reformatoren geen levende kerk. Onjuist is, dat Van der Leeuw16 toch deze term wil vasthouden. De kerk is een noodinstelling. Dat het koninkrijk Gods niet kwam, is een reden dat de kerk kwam. Tussen kerk en koninkrijk Gods staat de eschatologie. De Vader heeft de tijden en de gelegenheden in zijn hand. Daarom de spanning: Kom, Here Jezus. Bij de Reformatie lopen kerkorde en eredienst door elkaar. Deze hebben zich uitgebreid tot enkele regels voor het leven in de kerk. Echter de kerk is geen wijding van aardse dingen aan God (idealisme), geen voortzetting van de incarnatie (roomse en andere kerken). Bij ons is zij de ark (Augustinus), die de uitverkorenen drijvende houdt in de wereld. De kerk moet martelaarskerk blijven, want de martelaar wijst op de grens van tijd en eeuwigheid. De pastor moet de martelaar opvolgen, maar is méér. Hij moet ook weiden. (Er is tijd in de kerk: er moet iemand zijn om op de schapen te wachten. De pastor is 'victime perpétuelle' (Vinet17).) Dit wijst op een andere orde. Alles gaat door de dood van Christus heen; het gewone leven wordt gedoopt. Centraal staan Woord en sacrament. Luther durfde hier omheen geen kerkorde bouwen; Calvijn wel, doch zo sober mogelijk. Deze inzet van de Reformatie mogen we niet vergeten. Het gaat erom de vrijheid van God te belijden, we mogen de orde niet aan God opdringen. De kerkorde hangt op die manier nauw samen met de belijdenis, is een functie ervan. Wij doen belijdenis van schuld en stellen ons onder de regel van boete en tucht. Tevens aanvaarden wij die orde in armoede van geest, wachtend op de wederkomst van Christus. Als Israël vierend in de woestijn.

III. Kerkorde en verbond

Ter wille van de openheid van het kerkbegrip moet de notie van het verbond worden ingeschakeld. Hierdoor ontvangt het pastorale een aansluiting bij het natuurlijke leven. De Civitas Dei is in volstrekte zin op aarde niet te verwezenlijken, zoals Calvijn dat toch in Genève wilde doorvoeren. De kerk moet rekening houden met de duur van het Evangelie en de opvolging der geslachten, waarvan in het Nieuwe Testament nog geen sprake is. Streng exegetisch is de kinderdoop niet af te leiden. In het N.T. staat het Woord Gods stil boven de eeuwigheid, in het heden der genade, dat eeuwigheid is. Maar een exegese, die te weinig rekening houdt met de Heilige Geest en de kerk, is te litterarisch, gelijk Luther dit met het Heilig Avondmaal en Barth met de kinderdoop doet. De kinderdoop moet naar de mening van dr. N. worden afgeleid krachtens het Verbond Gods, d.i. Gods trouw van geslacht tot geslacht. (Deze belijdenis mag niet autonoom worden. Dan wordt het Evangelie schaakmat gezet (Grootinquisiteur18). Als we alleen rekening houden met het Verbond, komen we bij de paus of de liturgie; dan leeft het Evangelie bij de gratie van de kerkorde.) De ouderlingen hebben tot taak het volgende geslacht op te nemen in de kerk. Vertegenwoordigt de apostel de hoop, de martelaar de verdrukking, de ouderling belichaamt de bevinding: duur, wachten, toebrengen. Zoals in de bijbel de Heilige Geest wel samen kan gaan met onze fouten (Gunning),19 zo is er een kerkorde te vinden, waaronder de Heilige Geest als Trooster wil blijven. Ontving Paulus woord en licht, dwz. Woord en sacrament direct uit de hemel, voor ons slaan deze niet meer op zo'n geweldige wijze neer. Dientengevolge maakt Paulus de kerkorde als een veilige beschutting om de aanwezigheid van Christus in de gemeente. Zo ontvangen we een aantal regels van het gemeentelijk samenleven en samenwonen rondom Woord en sacrament.

Een van de in de kerk aanwezige bemiddelingen is de geloofsbelijdenis, die de prediking vasthoudt van geslacht tot geslacht. Er ontstaat een presbyteriale kerkorde met een sterk verbondskarakter, waarin het Verbond het medium is, waarin het Evangelie tot ons komt.

IV. Tucht

De tucht is het stiefkind der kerk. Ttichtoefening is steeds het zwakke punt geweest. Denk bijv. aan Calvijn en Servet. De gehéle belijdenis is tuchtartikel. De kerk moet niet op bepaalde punten tucht gaan oefenen (geen willekeur), maar God stelt het aan de orde. (Vgl. Nicea (325, Arius).) ⚑De vraag, wanneer leertucht (die niet te ontgaan is) moet worden toegepast, is te beantwoorden in de zin van: ultima ratio. Hier gelden niet de humanistische gedachten van tolerantie en gewetensvrijheid. Sinds 1816 hebben we artikel 11 van het Algemeen Reglement, waarin de 'handhaving van de leer' betrokken is op de 'school', die 'verlichte leraars' in de zuivere leer opvoedt.20 Dus zouden de professoren moeten zorgen voor de zuivere leer. Een nawerking vinden we in het feit, dat thans het reorganisatie-ontwerp in handen is van zes kerkelijke hoogleraren. Maar de kerk zelf moet zorg dragen voor haar orde. 'Beter vloek óver de ketters, dan de duivel erín.'

Tegenwoordig gaan de ogen van velen open. Zo bleek vooral uit de rede van de jurist Scholten21 op de predikantenvergadering van 1938, dat onze tijd om kerkorde en tuchtoefening vraagt. Het is géén strop. Aanvaarding van het predikantschap moet gelegenheid zijn voor overvloed. Tucht blijft een pastorale functie, welke van de gehele belijdenis uitgaat. (Het vuur gaat van de belijdenis uit. Dan mogen moeilijkheden niet ontlopen worden. Gereformeerden staan tussen de Roomsen en de Quakers in, tussen de instelling en de Geest. Bij Rome geeft het instituut duidelijkheid. Voor de Dopersen geeft de Geest in de mens de doorslag. Bij de Gereformeerden loopt de leiding van God door de gemeente. Er vallen beslissingen tussen God en mensen nu. De continuïteit ontbreekt echter niet, maar de traditie geeft geen doorslag. Burgerlijke rekkelijkheid én precisie ontbreken.)

e. Lochemse lezing

In 1816 is de bron te vinden van de ellende: een kerkorde, die eigenlijk een burgerlijke orde over predikantsplaatsen is. Deze orde leidde tot richting-leven. Oorspronkelijk regeerden politieke beren. Maar toen zij er genoeg van kregen, droegen zij in 1852 de zaak over aan de synode. De synode had moeten beseffen, dat besturen niet haar werk is. Doordat zij het aanvaardde kon zij haar algemene functies niet meer uitoefenen. Duitsland is een waarschuwend voorbeeld, alwaar het verbond van bodem en bloed het verbond van Woord en Geest uitsluit. Wordt het levensverband van de kerk uit het mensenleven weggeduwd en wordt alles in het staatsverband opgezogen, dan beseft de mens pas - en dat zien we nu - wat hij mist. Een eigen kerkelijk leven drijft het demonische uit de staat. Doch dit is alleen mogelijk wanneer de kerk zich in de belijdenis kan uitleven.

De massale belijdenis is in de negentiende eeuw ineengeschrompeld; er werd op de volheid van de belijdenis afgedongen; het was geen zich uitgieten, maar een afdingend zich terugtrekken.

De twintigste eeuw ziet de schade van die dingen, beseft dat belijdenis en vorm bij elkaar passen (vgl. nationaal-socialisme en communisme, een aardse kerk met een orde, die uit de belijdenis voortkomt). Zo is zij van 190022 af bezig haar vorm te vinden, die bij haar past.

Er is een groot verschil met 1886; toen was er ook een grote beweging in de kerk, die precies omgekeerd liep. Toen een toespitsing van tegenstelling tussen belijdenis en kerkvorm. Nu stelt de synode de zaak breed; zij stelt zichzelf terzijde voor een vorm, die beter bij de belijdenis past.

Wat te zeggen van het huidige ontwerp? Uitgegaan is van de kerkvorm onzer vaderen, de presbyteriale orde. Het ontwerp stelt vaste diensten in, die een pastorale, en herderlijke tucht oefenen. Het schept nieuwe organen, die beginnen met het werk om de kerk weer tot een algemeen, vast levensverband te maken. Het geeft gelegenheid tot overleven, zoals de R.-K. Kerk dat bijv. kent in haar kloosterorden. Zo verplicht het ontwerp gemeenten met een ledental boven de 2000, een commissie in te stellen voor inwendige zending. De kerk moet als moederkerk weer haar vorm zoeken in de belijdenis. Een moeilijkheid is, dat de mensen met één been in de richting, met het andere been in de kerk staan en hun richting niet willen loslaten om zich aan de kerk over te leveren. De kerk is daardoor opgelost. De terugweg is, dat de kerk belijdende volkskerk blijft, een moeder met geloof en met tucht, een tucht die bij de belijdenis past. De ruimte, die er in die kerk zal zijn voor preekgelegenheden, is niet reglementairvast te leggen - dat is aan de pastorale diensten overgelaten, die daarover in provinciale vergaderingen en synodes zullen moeten beslissen. Maar men moet zich kunnen verantwoorden voor de kerk: het recht op een plaats in de kerk is een geestelijk recht.

In de discussie vroeg ds. Vermaas of de bedoeling niet was, de vrijzinnigen uit te drijven. Zou de kerk zich wel zo'n liefdevolle moeder betonen? N. antwoordde, dat vrijheid-zonder-meer in de kerk niet kan bestaan, wel een, die 'heiliglijk bepaald' is. Geestelijke vormen kunnen slechts in het klimaat van zo'n vrijheid groeien.

Eindnoten

  1. 1

    Zie n. 63.54.↩

  2. 2

    Zie n. 23.1 1.↩

  3. 3

    C. J. van Paassen (1879-1962), hervormd predikant o.a. te Zutfen van 1917-1947.↩

  4. 4

    Zie n. 63.6; 63.17; 63.28.↩

  5. 5

    S. D. van Veen (1856-1924), hervormd predikant o.a. te Groningen en Rotterdam, hoogleraar te Utrecht in kerkgeschiedenis; schreef o.m.: De Gereformeerde kerk van Friesland in de jaren 1795-1804, Groningen 1888 (diss. Utrecht).↩

  6. 6

    Zie hiervoor n. 63.68.↩

  7. 7

    Zie voor de hier en verderop genoemde artt. de bijlagen 2a, 2c, 2e.↩

  8. 8

    Vgl. H. Bartels, a.w., p. 125-137.↩

  9. 9

    Art. 69, ontw.-1938: Herziening of aanvulling van de liturgische formulieren wordt door de Algemene synode ter hand genomen ... Art. 70, ontw.-1938: Hervorming van de belijdenis wordt door de Algemene synode ter hand genomen ...↩

  10. 10

    Zie n. 63.83; 66.1 1.↩

  11. 11

    Zie n. 63.90.↩

  12. 12

    Art. 30, ontwerp-1938: ... Aan ouderlingen is toevertrouwd en aanbevolen met de predikanten, krachtens ieders ambtelijke verantwoordelijkheid, mede te arbeiden aan de christelijke opbouw der gemeente, meer in het bijzonder de handhaving van goede orde en tucht in de gemeente en de bevordering van en het toezicht op het godsdienstonderwijs.↩

  13. 13

    Zie n. 61.6.↩

  14. 14

    Zie n. 61.7.↩

  15. 15

    Zie n. 63.48.↩

  16. 16

    Zie n. 511,2, 7↩

  17. 17

    Zie n. 48.55.↩

  18. 18

    Vergelijk de gelijknamige legende in de roman van Dostojewsky, De gebroeders Karamasow, vgl. bijv. de uitgave in: Amstelpaperbacks, Utrecht 1981, p. 249 vv.↩

  19. 19

    Zie n. 17.11.↩

  20. 20

    Zie n. 63.64.↩

  21. 21

    Zie n. 34.5; bijlage 2a.↩

  22. 22

    Zie bijlage 1 (Hoofdmomenten etc.).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Bijlage 2: Kerkorde-artikelenInhoudEvangelie en zielszorg →