De ware grens van de staat1
In een vorig artikel (nr. 34) heb ik iets geschreven over de betekenis die grenzen in ons leven kunnen hebben. Ik vestigde daarbij vooral de aandacht op het karakter van de landsgrens, in verband met allerlei verschijnselen vooral ook in de jongste tijd, waaruit men kan zien, dat die schijnbaar onschuldige, grillige lijn op de landkaart een macht is en wel een zeer geheimzinnige macht, een demon die alleen handelbaar wordt als de mensheid zich buigt voor de Schepper, die in de kerk van Christus wordt aangebeden.
Dat dit het geval is, zal ons niet te zeer verwonderen als we er aan denken dat het hier over grenzen van staten gaat. Het volk, de natie, de taal houden misschien bij de grens niet op. Maar de staat wel. Wat is dat dan voor een geweldig ding - een staat - die zelfs daar waar hij ophoudt, nog zulke fatale werkingen kan oefenen.
Dit is een van de vragen waarover ook de kerkvader Augustinus veel en lang heeft nagedacht. Hij moest dat wel doen, omdat hij leefde aan 't eind van het Westers-Romeinse rijk en aan 't begin van de grote volksverhuizing. Rustig platonisch denker, die hij eigenlijk was, bracht zijn bisschoppelijk ambt hem echter zo nauw in aanraking met de noden van z'n parochianen, dat hij aan een filosofische beschouwing over de staat niet meer genoeg had. De plaats, die de staat in de zedeleer van de professoren gekregen had, vond de kerkvader veel te hoog. De bespiegelingen daarover vond hij veel te mooi.
Zijn herderlijk werk liet hem zoveel ellende zien, waarvan de oorzaken op politiek gebied waren te zoeken, dat hij behoefte gevoelde wat kritischer over het wezen van de staat te spreken en te schrijven'dan de geleerden gewoon waren te doen. Hij wilde erover spreken, zoals men dat in een preek over de aardse dingen doet. Men zet die dan in het licht van het Evangelie en dan gaat de glans er wel eens af. Bijvoorbeeld als men 't in de Evangelieverkondiging over de particuliere deugden der mensen heeft, dan blijft daar niet zo veel van over. 'Deugden' met een kapitale letter horen bij de heidenen thuis en niet bij de christenen. Als men ze zoekt moet men bij een Cato of Cicero zijn, niet bij Paulus of Luther. Augustinus noemde die deugden der heidenen dan ook vergulde gebreken, een uitdrukking waarover alle eeuwen door veel is te doen geweest.2 Maar die in een christelijke preek toch heel gewoon en gebruikelijk zijn.
Het bijzondere van zijn prediking - en trouwens van die der vroegste christenheid in 't algemeen, maar dan toch wel zeer duidelijk bij Augustinus - was dit, dat hij ook de staatkundige, de politieke deugden veel scherper, bij het licht van het Evangelie, onder de loupe nam, dan de kerk dat later vaak heeft durven doen. Zoals hij menselijke braafheid verguld dorst te noemen, zo waagde hij het om voor de gouden eeuw in de geschiedenis van Rome uitdrukkingen te gebruiken, die eigenlijk helemaal niet te pas kwamen. Dat goud was ook verguld en als men het er afkrabde zag men iets heel lelijks. Hij gebruikte woorden, die ik hier bijna niet durf herhalen; hij noemde de heidense staat een roversbende.3
De kritiek van Augustinus op de heidense staat heeft minstens evenveel opschudding gewekt als die op de heidense deugd. In een opzicht nog meer. De kerkelijke mensen hebben de laatste kritiek laten gelden. Maar tegen de eerste zijn zij in 't geweer gekomen. Zij hebben gezegd dat men de particuliere heidense gerechtigheid wel verguld mocht noemen, maar de staatkundige heidense gerechtigheid niet. Zij hebben beweerd, dat er een groot verschil is tussen een particulier en de staat. De enkeling kan door het geloof gerechtvaardigd worden.
Met de staat is dat echter niet het geval. Bij de enkeling moet dus de eigen gerechtigheid onder de kritiek van het Evangelie verbleken. Bij de staat mag dat niet. De gerechtigheid van de staat moet gehandhaafd blijven. Hij kan toch niet verder komen dan de heidense deugd. De gerechtigheid van het Koninkrijk der hemelen, de gerechtigheid des geloofs, geldt niet voor hem. Wat bij de enkeling verguld is, is goud bij de staat. In de kerk wordt de rover aan Christus' zijde gekruisigd; in de staat regeert hij de wereld.
Wanneer men deze dingen hoort kan men zich er niet al te zeer over verbazen, dat er op politiek gebied nog wel eens een vuiltje aan de lucht is. Het is ook geen wonder dat er aan de grens zo het een en ander naar buiten komt van het kwaad, dat binnen in de staat niet mag worden uitgezuiverd. De vraag is echter of het juist is geweest om aan de kritiek van de Oude kerk de spits af te breken. Het is niet de gewoonte geweest van de oude profeten om voor de gerechtshoven en de koninklijke paleizen halt te houden, als ze een Woord Gods te brengen hadden. En het staat ook nergens in de bijbel, dat het Evangelie niet verder mag komen dan het persoonlijk en desnoods het huiselijk leven en dat er een ruwere en rauwere kant van ons bestaan moet overblijven, waar Christus geen zeggenschap over heeft.
Niemand zal over het hoofd mogen zien welke geweldige problemen hier voor ons liggen. Maar niemand, die getuige is van de spanningen in het politieke leven en meeleeft met de noden die daaruit voor de mensheid geboren worden, mag er zich ook bij neerleggen, alsof ze reeds afgedaan waren. ⚑Het zal wel waar zijn dat er buiten het terrein der kerk, buiten de sfeer van wat wij geloof in engere zin noemen, een brede strook mensenleven overblijft, waar het Evangelie slechts op meer afgeleide wijze invloed oefent. Wie niet horen wil moet voelen en waar het woord niet regeert krijgt het zwaard een recht. Waar de bedoeling des levens niet in werking staat, daar krijgt noodgedwongen de bediening des doods een plaats. En daarbij zal aan de kerk het woord en het leven, aan de staat het zwaard en de dood toevallen.
Maar dat is nog iets anders dan dat men beide van elkaar afsluit en tegen elkaar afsluit. De grens tussen kerk en staat is verschuifbaar. Hier ligt de ware grens van de staat, waar van al de grensmisères, van de douane af tot de oorlog toe, de betrekkelijke vermijdbaarheid blijkt. Hier blijkt dat een grens, die bewegelijk is, haar noodlottig karakter verliest.
Wanneer men echter de staat op zijn legerwezen vastlegt: op zijn eigen gerechtigheid, zijn eigen heidendom indamt; als men hem verbiedt in het boek der kerk, de bijbel te kijken en hem zijn roversnatuur in de schoenen schuift; zijn grens naar de kerk en Evangelie immobiliseert - dan is het geen wonder dat de grens een onweersfront wordt, waaruit de bliksem naar beide kanten alles neerslaat.
De staat mag niet van de kerk afgesloten worden. De scheiding van kerk en staat moet over de hele wereld herzien.
Wij zullen moeten kiezen tussen Machiavelli4 en Augustinus.