O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Oudheid en WaarheidInhoudNatuur en Genade bij Rome →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 415–425

De Reformatie en Rome1

Dit onderwerp is thans bijzonder actueel en wanneer ik begin met dat te zeggen, dan heb ik niet meer gedaan dan, wat men wel eens noemt, 'een waarheid als een koe' uit te spreken. Iedereen die meeleeft, denkt tegenwoordig aan de grote verschuiving die er confessioneel in ons land zich dreigt te voltrekken. Ik zal dan ook niet naar de zestiende eeuw teruggaan. Meer over Rome spreken dan over Reformatie.

De symptomen van deze verschuiving zijn van verschillende aard. Ik denk allereerst aan de percentsgewijze toename der roomse bevolking in dit land, ofschoon ik vanavond niet de sociologische zijde van mijn onderwerp zal behandelen, maar de theologische. De roomse aanwas spreekt echter te duidelijk tot ons om er niet even bij stil te staan. Ik ontleen mijn cijfers aan het pas verschenen Sociologisch Bulletin, orgaan van het Sociologisch Instituut van de Stichting Kerk en Wereld te Driebergen.2 Prof. Kruijt wijdt daarin een artikel aan rooms-katholieken en protestanten in Nederland, in het bijzonder in Friesland en Noord-Holland3. Uit dat stuk blijkt dat de vrees voor verroomsing van ons land weinig steun vindt in de cijfers van de tot nog toe gehouden volkstellingen, waarvan de laatste in 1930 gehouden werd. In 1830 was 38,99% van onze bevolking rooms-katholiek; in 1930 36,42%. Dat de verhouding tot de protestantse confessie in die 100 jaren toch ten nadele van de protestantse gezindheid gewijzigd is, vindt zijn reden dus niet in de toename van het percentage der rooms-katholieken. Dit is verminderd van ± 40% tot ± 361/2%, nadat het in 1910 zelfs op ± 35% had gestaan. - Het houdt verband met de afbrokkeling van de protestantse confessie, die van ± 59% daalde tot 451/2%. De ontbrekende procenten vindt men terug bij de rubrieken 'andere gezindheden en geen gezindheid', die samen omhooggingen van 0,12% tot 16,69%. Geen confessie stond in 1930 op 14,42%. Van 1830-1930 hebben wij dus de verschuiving in de verhouding van de protestantse en de rooms-katholieke gezindheid niet op sociologisch, maar op zuiver confessioneel terrein te zoeken. De rooms-katholieken namen percentsgewijze niet toe, maar af. De afval van de christelijke belijdenis, die, althans tot 1930, wel voor het grootste deel ten laste van de protestanten komt, verklaart de teruggang van deze laatsten. Wanneer men de 14% onkerkelijken optelt bij de 45% protestanten in 1930, dan is men reeds op de 59% van 1830. Men kan dan de 2,27% overige gezindheden + onbekend nog ten laste van de rooms-katholieken brengen. ⚑Bij deze confessionele verschuiving, zoals die in 1930 bleek, komt nu echter later een sociologische, gevolg van hoger geboortecijfer en dalend sterftecijfer. In 1933 was het geboortenoverschot per 1000 inwoners voor ons hele land slechts 12%; voor Noord-Brabant en Limburg 17,9 en 17%. Daartegenover is de achterstand op hygiënisch gebied in 't Zuiden bijna ingehaald, zodat het sterftecijfer afneemt. - In verband daarmee is te verwachten dat de roomsen bij de volkstelling op 't eind van deze maand 40% zullen halen.4 Volgens de Pius-Almanak van 1946 haalden zij dat percentage reeds in 1943. Dr. Kruijt is van mening dat zij het in elk geval zullen halen en overschrijden ook. Indien niet in dit jaar, dan daarna.

Wij hebben dus voor het protestantisme twee dingen opgemerkt: grotere afval van de belijdenis en mindere bevolkingsaanwas. Bij de roomsen werken deze beide factoren ook wel, maar in mindere mate. Omdat wij de verhouding der beide confessies in percenten uitdrukken, kan men zeggen dat zij elkaar bij de protestanten versterken en bij de rooms-katholieken neutraliseren. Omdat de bevolkingsaanwas bij de laatsten groter is vangt hij de afval van het geloof, vergeleken bij de protestanten percentsgewijze op. Bovendien blijft men daarginds uitwendig langer in kerkelijk verband. Bij ons ligt men er eerder uit.

Het kan niet anders of deze gewijzigde verhoudingen: het heel-blijven en nu toenemen van het roomse blok en de afbrokkeling van het protestantisme zullen voor ons een beklemming betekenen, waarvan wij ons niet lichtvaardig mogen afmaken. Wij voelen die beklemming te meer, omdat wij zo verdeeld zijn. Wij kunnen niet spreken van een protestants blok tegenover het roomse. Ik weet niet of wij Rome daarom moeten benijden. Zeker niet in elk opzicht. Wij zijn in de jaren 1940-1945 in verzet gekomen tegen het leven in blok-vorm. Onlangs las ik - nog wel in een rooms-katholiek blad de opmerking dat Europa, en tegen Napoleon en tegen Hitler, de politieke verscheidenheid heeft verdedigd, die vrijheid van cultuur waarborgt. Dat is de politieke verscheidenheid, maar wij hebben gemerkt, hoe nauw de vrijheid van belijdenis daarmee samenhangt. Het wonderlijke is, dat wij, Rome en wij, in die strijd voor de verscheidenheid tot een zekere éénheid werden gebracht. En even wonderlijk is het, dat wij, nu die strijd gewonnen is, ons al dadelijk daarop beklemd voelen door de blok-vorm van Rome.

De dingen liggen blijkbaar niet zo eenvoudig als het wel lijkt. Als wij ons angstig gekeken hebben op statistische cijfers komt er iemand, die, zoals mij gebeurde, ons herinnert aan de uitspraak, dat er in de hemel een schare zal zijn, die niemand tellen kan. God schijnt in de hemel door geen statistiek gebonden te zijn. En omgekeerd, als wij ons, zoals in deze oorlog, op deze wereld er doorgeslagen hebben, zijn wij er nog niet door en staan er weer nieuwe blokken voor ons. ⚑Daarom is het nodig dat wij ons door de buitenkant van de dingen niet van de wijs laten brengen, maar het Woord Gods vragen, dat ons de weg hoeven wij daarbij niet dadelijk een militante moet wijzen. Als kerk be behoeven wij daarbij niet dadelijk een militante houding aan te nemen. Wij zijn geroepen ook voor anderen daarnaar te vragen. Ook voor Rome. Tegenover Rome als blok behoeven wij niet bepaald allereerst aan een tegenblok te denken. Wij bestaan anders en wij hebben ons er in de eerste plaats voor te wachten in dit opzicht rooms te worden.

Dit brengt ons tot het eerste punt van verschil tussen de Reformatie en Rome.

De Roomse Kerk bestaat in de vorm van een staat. Zij heeft een zichtbaar aards hoofd, de paus, en zij heeft een inrichting die lijkt op die van overheid en onderdanen'. De Roomse Kerk in West-Europa is in vele opzichten afgekeken van de politieke inrichting van het Romeinse rijk. Er is een tijd geweest, in de vierde tot de vijfde eeuw, toen zij half opwegwas om de functies van de staat over te nemen. Rome is in tweeërlei opzicht in verschillende eeuwen de hoofdstad van het Westen geweest. Staatkundig in de Oudheid, kerkelijk in de middeleeuwen. De pausen zijn de opvolgers van de keizers geworden.

Dat is natuurlijk geen stelling uit de roomse dogmatiek. Daar is ook veel sprake van opvolging, successie. Maar de erfopvolging loopt anders. Petrus is Jezus Christus opgevolgd, Linus volgde Petrus op, enzovoort tot nu toe. Deze manier van opvolging, met machtsovername, zoals dat tegenwoordig heet, waarbij de macht van de voorganger op de opvolger overgaat, van Jezus Christus op de paus, zodat de opvolger die macht bezit - de koning is dood, leve de koning - deze manier van opvolgen - successie - is niet kerkelijk; zij is politiek. Op die manier wordt men geen opvolger van Christus, maar van een keizer.

Christus heeft geen opvolger in de kerk dan de Heilige Geest. En die Geest is zelfs altijd nog met het Woord verbonden. Hij zal het uit het Mijne nemen en zal het u verkondigen, zegt Jezus.5 Christus en zijn Woord en ook Christus als het Woord verdwijnen niet in de Heilige Geest, maar behouden hun macht en komen juist door de Geest tot hun regering. Hoeveel te meer moet dit het geval zijn bij de opvolging van Christus en Petrus en van Christus en Leo of Pius de zoveelste.

Dit vergeet Rome. Deze kerk neemt veel te veel bezit van het Woord en de Geest en beschouwt hen als haar eigendom, waarover zij beschikken kan. Dostojewski laat in een van zijn boeken Christus op aarde terugkomen.6 Maar de kerk laat Hem bij monde van een grootinquisiteur weten, dat Hij nu niets meer te zeggen heeft. De kerk en de inquisitie zijn hem opgevolgd en Hij kan, als Hij nu nog terugkomt, enkel verwarring stichten. ⚑Inderdaad geldt het primaat van de apostel Petrus en van zijn opvolgers zeer nadrukkelijk voor de roomsen.

Het Vaticanum bepaalde dat de apostel Petrus direct en onmiddellijk de regeermacht van Jezus Christus heeft ontvangen, als zichtbaar hoofd van de hele kerk.7 Daarmee werd de mening van de Gallicanen afgewezen, als zou dit ambt eerst aan de kerk in 't algemeen en door deze aan Petrus zijn opgedragen. Neen: direct en onmiddellijk. En het betreft hier de volle regeermacht. Het primaat der jurisdictie, niet het primaat der ere; of der leiding, of van het opzicht, maar de volle, opperste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht, dezelfde macht die, volgens art. 61 van het Algemeen Reglement van 1816 bij onze synode berustte. En deze macht is niet gegeven aan het geloof van Petrus, als de kerkvaders sterk de nadruk leggen op het geloof van Petrus. Neen, niet op het geloof van Petrus, maar op de gelovige Petrus heeft Christus zijn gemeente gebouwd. Dus niet de gelovige en ook niet het geloof, maar Petrus. En dan verder niet aan Petrus alleen is deze macht opgedragen, maar aan Petrus en zijn opvolgers. De kerk moet in deze zelfde vorm voortbestaan, anders zou zij later geen fundament en geen regering hebben. En niet de kerk te Rome, maar de bisschop dezer kerk heeft deze macht en betekenis. En men mag Paulus, de leer, ook niet naast Petrus, de regering, stellen. Paulus kan het primaat in de leer hebben, maar dat schaadt Petrus'primaat in de regering niet, evenmin als Bonifatius een concurrent is van paus Zacharias, die hem uitzond.

Hier is een kerkvorm gegeven, waarin de macht gekarakteriseerd kan worden met een woord dat wij in de oorlogsjaren vaak hebben gehoord: het woord totalitair. Het Vaticanum zegt er van: Wij leren en verklaren daarom, dat de kerk te Rome naar de inrichting des Heren boven alle andere de voorrang heeft ten opzichte van de ordenende macht, en dat deze rechtsmacht van de paus te Rome die een ware bisschoppelijke is, een directe is, waartegenover herders en gelovigen van iedere ritus of rang, zowel persoonlijk als gemeenschappelijk, verplicht zijn tot gehoorzaamheid en hiërarchische onderworpenheid, niet slechts in de dingen des geloofs en der zeden, maar ook ten opzichte van levenswijze en regering.8

Ik herhaal: deze kerkvorm is te zeer een navolging van een bepaalde staatsvorm. En de opvolging is die welke bestaat bij aardse machthebbers. De figuur van Jezus en de twaalf apostelen wil Rome in zijn kerkvorm bewaren. Zij moet zich herhalen in de plaatselijke gemeente tussen de bisschop en de presbyter en diaken en in de hele kerk tussen de paus en de andere bisschoppen. Wij hebben daarvan nog een rest in ons formulier tot bevestiging van ouderlingen en diakenen waar gezegd wordt dat de kerkeraad Christus en de gemeente vertoont. Dat is niet vertegenwoordigen, maar afbeelden. Deze vorm wil Rome bewaren en daarom moet de successie, de opvolging, niet geestelijk maar persoonlijk zijn. ⚑Natuurlijk ligt er in het episcopaat en ook in het episcopaat van Rome, het pausdom, een verschil met wereldlijke machtsvormen. Er is onderscheid tussen het wereldlijke en het geestelijke zwaard. En deze leer is ontwikkeld door een der geweldigste pausen, Innocentius 111 (± 1100 n. Chr.). Maar dit neemt niet weg, dat door de wijze, waarop hier de Christusregering, de kerkinrichting en de opvolging is opgevat, de vorm der kerk in wijde betekenis een politieke is geworden. In de oude polis, de Romeinse stad, stond naast de prefect, de burgemeester, de bisschop en ieder had tot op zekere hoogte zijn eigen burgerschap, zodat er gesproken kon worden van een deling van de macht en in de middeleeuwen ook gestreden is om de macht.

Ook thans nog is Rome een eigen staat. Schaepman9 zei eens, dat de wereld niet kan zonder een kerkelijke staat. Rome voert een eigen wereldpolitiek, tegen het communisme. En de te enwoordige paus10 is een buitengewoon geoefend diplomaat.

Wanneer Rome nu met de protestantse kerken is opgekomen tegen het nationaal-socialisme -en daarmee voor de verscheidenheid en daarmee weer voor de cultuur - dan is dat de betere helft in Rome, het herderlijke element, het pastorale; het 'oorlof, mijn arme schapen' van prins Willem,11 het apostolische, de geestelijke opvolging.

Wanneer datzelfde Rome echter een wereldse politiek drijft en samen met Amerika een omsingelingspolitiek op Rusland wil toepassen, dan is dat een openbaring van de andere helft van Rome. En een openbaring die voor een kerk niet aanvaardbaar is. Krachtens diezelfde politiek deed Rome voor de oorlog tot op zekere hoogte met het fascisme mee .

Een politiek van eenzelfde gehalte is er binnenslands mogelijk. Een blok-politiek, die op versterking van de wereldlijke macht der kerk uit is. Het is niet aan te nemen, dat er in de Roomse Kerk zelf generlei besef van deze gevaren bestaat. 1870 is voor de ontwikkeling van het kerkelijk dogma-van-in-de-paus-gecentraliseerde-macht het hoogtepunt geweest, en het is niet onmogelijk dat er sedert een lichte ebbe is ingetreden. Kardinaal Mercier heeft daarover een 25 jaar geleden met de anglicaan Lord Halifax te Mechelen onderhandeld, in verband met een herenigingsbeweging.12 De Engelsen wilden decentralisatie van de pauselijke macht en verbinding van die macht met die van de bisschoppen. Mercier is toen trouwens te Rome van een koude kermis thuis gekomen en Halifax niet zoveel beter in Engeland. Daarvoor is blijkbaar de tijd nog niet rijp. Opmerkelijk is echter dat een bekende roomse dogmaticus, Bartmann, in zijn dogmatiek hier een uitspraak aanhaalt van een protestantse schrijver, die dit noemt 'een kerkhistorisch feit van niet te schatten betekenis'.13 Mijn exemplaar van Bartmann is doorboord door een granaatscherf. Het is ook mogelijk dat de roomse dogmatiek niet in boekvorm, maar als kerkelijk systeem door de wereldhistorie wordt getroffen en gewijzigd. ⚑In oktober 1845 had in Engeland een merkwaardige overgang plaats tot de Rooms-Katholieke Kerk, die van de latere kardinaal Newman. Deze kardinaal is allang dood. Maar als thans iemand, die met zijn tijd meeleeft niet iemand, die het voor een gemengd huwelijk doet, maar die zijn stap in zijn volle betekenis kan overzien - tot de Roomse Kerk overgaat, dan gebeurt dat bijna altijd zo dat Newman daar mee de hand in heeft. Van hem is een grote verdieping over het rooms-katholieke leven en denken uitgegaan. De roomse vroomheid, het roomse geloofsbewustzijn heeft, onder invloed van Newman, bij de leiders der roomse gedachte, een wijziging ondergaan, die men niet over het oog mag zien als men nadenkt over de toekomst van het christendom. De Oxfordbeweging, schreef dr. Van de Pol, was in oorsprong en bedoeling niet een romaniserende, maar een katholiserende beweging.14 Hij noemt het een katholiek réveil.

Newman was tegen de wereldlijke macht van het pausdom en hij was een tegenstander van degenen, die ijverden voor de afkondiging van de onfeilbaarheid van de paus.15 Hij verwierp die niet maar aanvaardde ze slechts als een theolo ische opinie. Newman vond aanvankelijk veel tegenstand, maar in onze tijd vinden vrijwel alle ideeën van Newman een steeds ruimere toepassing. Het godsdienstig onderricht aan leken, voorlichting op de verschillende levensterreinen, universitair onderwijs, de vraag naar de verhouding van geloof en theologie en moderne wetenschap; verschuiving in de verhouding van kerk en politiek, ook deelname van leken aan de liturgie, bijbelverspreiding, Evangelieverkondiging ook in de preek, enz.

Al deze dingen, waarmee wij in onze tijd op allerlei manieren in aanraking komen, zijn de meer uitwendige tekenen van een rooms-katholicisme, dat verschilt van een katholicisme dat zijn topprestatie bereikte in de afkondiging van de onfeilbaarheid van de paus.

Dit is een van de elementen, die de geestelijke structuur van onze tijd samenstellen en waarmee wij, kinderen van de Reformatie, rekening hebben te houden. De invloed van Newman in de Roomse Kerk betekent een soort reformatie, die van die, waaruit wij leven, verschilt, maar die Rome zal leiden op wegen, waarvan die kerk zelve de richting nog niet duidelijk kan onderscheiden.

Wanneer wij nu vragen naar de kenmerken van Newmans kerkbegrip en van de moderne roomse vroomheid, dan moet gezegd worden dat de macht en de regering daarin een geringere plaats innemen en de inwendige heiligheid der leden een grotere. Newman noemt heiligheid het kenmerk van het christelijk rijk.16 Het moet een koninkrijk van heiligen zijn. Een kerk die leeft uit de tegenwoordigheid van Christus in haar midden. Voor de moderne katholiek is ware successie het voortduren van de vleeswording des Woords in de heiligen. Dat is hem meer waard dan de opvolging der pausen, waarover wij het eerst gehad hebben. Dat is de meer uitwendige lijn, de regering en opvolging, het politieke koninkrijk met macht, de overlevering en oplegging van de leer. De moderne katholiek denkt in de vormen van een groeiend leven. Als Newman over leer spreekt, dan wil hij niet denken aan afgetrokken leerstellingen, maar aan de werkelijkheid van Christus' tegenwoordigheid, die in de kerk doorgaat en waarover men niet oneerbiedig moet praten, maar die men stil en in 't verborgen moet aanbidden.17 Daarom moeten ook de leken meer in de liturgie worden ingewijd, omdat zij dan zelf aan het leven der kerk kunnen deelnemen en niet tot allerlei half-bijgelovige praktijken hun toevlucht behoeven te nemen.18 In dit verborgen leven der kerk wil de moderne katholiek onze tijd inwijden en opleiden. Zij willen ons leren, dat Jezus' komst niet enkel in de herinnering behoeft te blijven en niet alleen van de toekomst behoeft te worden verwacht, maar dat Christus in het heden in het liturgisch-sacramentele leven onder ons tegenwoordig is en blijft.

Deze tegenwoordigheid van Christus maakt de kerk tot een transparant, waardoor de onzienlijke dingen zichtbaar worden in de zichtbare. De kerk is het aanrakingsvlak tussen twee werelden. En in die openbaring zit groei Er is een voortgaande openbaring. De openbaring van Christus heeft ook nu nog een geschiedenis.

Hier spelen twee opvattingen door elkaar. Dat de kerk een transparant is en dat de hemelse dingen in de wereld doorschemeren door de kerk, door haar sacramenten vooral, door de heilige handelingen der liturgie, door de vorm waarin kerk en altaar zijn gebouwd, door de gewaden en de houdingen der ambtsdragers, dat is eigenlijk zeer in het bijzonder de liturgische levenshouding der Griekse kerk, die in de Engelse kerk in de nieuwere tijd voor een deel is overgenomen.

Dat er groei in de openbaring van Christus' tegenwoordigheid zit en dat daarin een geschiedenis valt op te merken, dat is een modern-roomse gedachte, die verband houdt met de plaats die in de negentiende eeuw aan de evolutie, de ontwikkeling werd toegekend en die mede moest dienen om te verklaren, dat niet alles wat tot het geloofsbezit der Rooms-Katholieke Kerk behoort, in de bijbel te vinden is.

Newman heeft over die groei, die ontwikkeling van de kerkelijke leer een boek geschreven, waarmee bij zich uit de Engelse kerk in de Roomse Kerk schreef.19 Hij werd rooms toen hij er mee bezig was.

Maar in beginsel vindt men die leer reeds in de vijfde eeuw na Christus. Toen leefde er een godgeleerde die een bepaling gaf van wat men voor roomse leer moet houden en hij zei daarvan: Wat altijd, wat overal en wat door allen is geleerd (Vincentius van Lerinum).20 Maar hij schreef ook dat de leer der kerk en der leden, de godsdienst der zielen, moest groeien, op de manier van de lichamen, die in de loop der jaren groter worden en toch dezelfde blijven.21 Zo zijn er dingen, zegt Newman, waar Jezus over gezwegen heeft, waar de apostelen een enkel woordje over fluisteren, d.i. bijna zwijgen, waar de kerkvaders verspreide opmerkingen over maken en zich zelf en elkaar soms tegenspreken, en die de kerk dan tenslotte, als de tijd en de zaak er rijp voor zijn, formuleert.22

Met zulke dingen krijgt nu de protestant van onze tijd te maken als hij met de rooms-katholieken in aanraking komt; meer dan met het primaat van de paus en de goede werken, zoals in de dagen van Luther. Die dingen blijven wel aan de verschillen ten grondslag liggen, en blijven belangrijk, maar zij vormen niet direct het raakvlak, waarin men elkaar ontmoet.

Wat de kerk betreft brengt men thans meer het inwendige wezen der kerk naar voren: de voortzetting van de vleeswording van het Woord in de kerk; de kerk als een mystiek lichaam; de kerk als gemeenschap der heiligen. De verborgen tegenwoordigheid van Christus als het inwendig leven der kerk; het geheim van haar eenheid. Daarin zag Newman het medicijn voor de rusteloosheid van ons geslacht, het partij- en sektewezen.23 Hij zegt dat er een kerkverduistering is opgetreden, zoals er soms een zonsverduistering is.24 De uitwendige tekenen der kerk, die tijdens de kerkverduistering onzichtbaar zijn geworden, zijn voorlopig meer voor de beginnelingen, om hun aandacht te trekken, meer voor de ongelovigen dan voor de gelovigen.25

De ware godsdienst is in ons.26 Het is Gods tegenwoordigheid in Christus, die zich in ons openbaart. Newman ziet deze inwendige heiligheid, zoals hij ze ook ziet in de eredienst. Ook die inwendige heiligheid is 'niet een kwestie van woorden, maar van dingen'. Het is geen spreken maar een aanwezigheid, een stille aanwezigheid, die tot aanbidding en niet tot spreken dringt.

Op diezelfde wijze ziet hij het ook in de eredienst. Daar roept ook alles tot aanbidding op. Oorspronkelijk, zegt hij, dacht de kerkgangen niet aan zichzelf.27 Hij kwam tot God. Gods huis en altaar waren de preek die tot hem sprak en hem trof. De sacramenten waren de voorwerpen van zijn blikken. Woorden waren onnodig.

Deze inwendige en liturgische heiligheid, die veroorzaakt wordt door de werkelijke tegenwoordigheid van Christus, is het lievelingsdogma van de moderne roomse, waarvoor men ook begrip zoekt te kweken bij eigen leden, maar die men in 't bijzonder naar voren brengt bij aanraking met protestanten.

Bekeerlingen van betekenis, zoals dr. De Vogel nog kort geleden,28 zoeken hier de rust, die zij in hun leven en in de wereld zo smartelijk missen. Zij nemen om zo te zeggen de hiërarchie van Rome, met de paus, op de koop toe. Bij de tijdloze tegenwoordigheid van Christus accepteren zij het jaartal 1870, omdat het niet anders kan. Men moet dit niet over het hoofd zien. Wij komen ook wel buiten Rome om in aanraking met deze dingen. ⚑Het meest door de liturgische beweging, waarmee zij op ons inwerken buiten de directe propaganda van roomse zendelingen om. Ik kom daarop nog terug.

Maar wij komen toch ook met Rome in aanraking meer uitwendig, door de politiek, in het maatschappelijk leven, bij het herstel, bij de zuivering, in de zending, bij benoemingen. Wij leren daar Rome kennen als organisatie, als regeermacht, als politiek lichaam, niet als mystiek lichaam. Onze reacties zijn daar anders.

Newman kende deze zijde van Rome ook wel. Omstreeks 1840 - vijf jaar vóór hij rooms werd - schreef Newman:29 "Wij zullen ons verre van hen houden tot wij bij hen aantreffen meer rondheid, waarheidsliefde en openheid, meerdere strenge gehoorzaamheid aan Gods geringste geboden, meer kieskeurigheid omtrent de middelen, minder van een politieke, intrigerende, inhalige geest, minder van wat hol en oppervlakkig lijkt, minder aanpassing aan de smaak van de gemene man, minder gedienstigheid voor de fouten van de rijken." Newman wist het ook wel. Zwijg gij stil. Vele roomsen van nu weten het ook wel.

Wij mogen echter niet toegeven aan een gemakzuchtige neiging om Rome alleen van deze kant te bezien. In de oorlogsjaren is gebleken, dat wij niet goed zouden doen het artikel: 'Ik geloof een heilige algemene, christelijke kerk' uit onze geloofsbelijdenis te schrappen. De aartsbisschop is samen met de secretaris onzer synode uit de oorlogsjaren gedoctoreerd.30 Er was gemeenschappelijk verzet tegen een nihilistische wereldbeschouwing. Wij kunnen ons niet de weelde veroorloven, in een tijd van massale afval, elkaar op het onvoordeligst te nemen. Wij moeten er mee rekenen, dat ook het eeuwige Rome niet onbeweeglijk is en dat 1870 maar een jaartal is. Wij moeten leren met de eeuwigheid te rekenen. Rome als kerkelijkpolitieke macht behoort nog niet tot het verleden, maar Europa is niet meer wat het geweest is en er komt ook een einde aan de betekenis van een stad. Dat Rome de christelijke hoofdstad van Europa werd - Rusland nu niet meegerekend - is ± 1200 jaar geleden, toen Bonifatius de christelijke zending onder leiding van de paus bracht. Het oude Rome heeft 1200 jaar bestaan. Het christelijke Rome zal ook voorbijgaan. De paus heeft zijn kardinalen reeds in het verre Westen gezocht. Het wordt tijd dat de Roomse Kerk zich er op gaat bezinnen dat alleen Christus zi n kerk in stand kan houden als de hel gaat woeden. Dat de kerk alleen als een geestelijke macht kan bestaan tot de wederkomst van Christus. En er zijn tekenen dat dit besef in deze kerk gaat doordringen. Ik bedoel niet dat de roomsen er aan denken protestanten te worden. Hun politieke en diplomatieke manieren en trucs hebben ze ook nog niet afgezworen voordat Newman rooms werd en daarna ook niet. Maar hun christelijk besef ondergaat wijzigingen. Deze wijzigingen zijn van katholieke aard: zij zijn algemeen christelijk. Zij zijn niet van specifiek-roomse aard; zij liggen niet in de lijn van 1870. Zij voeren eer daarvan terug, of liever leiden onopzettelijk daarvan af. Dat dit het geval is merken wij zelf, als de levens- en kerkvragen, die de moderne roomse bewegen, ook bij ons niet zonder invloed zijn.

Ik behoef maar enkele dingen te noemen. De liturgische beweging; en in verband daarmee de kerkbouw. De sacramenten en de verhouding daarvan tot de prediking. Hoe vaak het Avondmaal moet gevierd worden. Of aanbidding of verkondiging het hoofddoel is van onze samenkomsten. Of ik moet spreken van eredienst of dienst des Woords. Of de avondmaalstafel in het midden moet staan of de kansel. Zelfs de kinderdoop is een vraag geworden.

En meer dogmatisch: Of de incarnatie, de vleeswording des Woords de grondgedachte, of liever de fundamentele werkelijkheid is en moet zijn in het geloofsleven en in de eredienst óf de verzoening, het kruis en daarom de verkondiging als Woord.

Of het 'sola fide', het door geloof alleen, het springende punt is in ons christelijk leven dan wel of dat eenzijdig is en of de Doop of de werken, dwz. 'een nieuw hart' daarnaast genoemd moet worden. Prof. Kohnstamm in zijn geloofsleer De Heilige wil de werken meer plaats geven31 en prof. Kraemer legt het accent op de gehoorzaamheid in het geloof.32 Dit zijn symptomen van verschuivingen die ook onder ons plaats hebben en die niet buiten verband staan met wat in de Roomse Kerk gebeurt. Die de mogelijkheid openen voor nieuwe aanrakingspunten, maar ook voor een klaarder inzicht van de verschillen, waar het op aankomt voor de toekomst der christenheid. Bewijs genoeg althans, dat het katholieke, algemeen-christelijke vragen zijn en niet enkel roomse of protestantse.

Ik heb gezegd dat wij hier niet op de politieke kant van Rome zijn maar op de mystieke zijde.

Toch is er overeenkomst. Toen ik het had over het primaat van de paus, heb ik er op gewezen dat Christus, volgens de roomse leer, eigenlijk achter moet blijven en een opvolger krijgt.

Op de mystieke zijde der kerk, bij de leer der heiliging, schijnt het juist andersom te zijn, zodat Christus met zijn werkelijke tegenwoordigheid in het sacrament, met de kerk meegaat en dat hij daartegenover volgens de leer van de kerken der Reformatie achterblijft. Newman ziet in het 'door het geloof alleen' de vorm, waarin de Reformatie de Doop belijdt.33 Ook de Doop gaat mee in de kerk en voert de genade naar de zondaar toe. Het geloof echter richt zich op de beloften, die God in zijn Woord gegeven heeft. Christus schijnt hier dus meer in de Schrift achter te blijven. Dit is echter slechts schijnbaar. Wanneer Christus gerekend wordt in de sacramenten mee te gaan dan blijft Hij daarbij in de Roomse Kerk juist achter. Wat meegaat zijn dingen en geen woorden. Het sacrament ontneemt, door zijn zakelijkheid, in de Roomse Kerk aan Christus tot op zekere hoogte het recht om te spreken. De preek als Evangelieverkondiging is naast het sacrament bijna weggevallen en pas in de laatste tijd begint Rome daaraan weer aandacht te wijden. Rome kent de regering van Christus door 'Woord en Geest', die samen het geheim van ons geloofsleven uitmaken, niet, zoals wij die kennen. Newman zegt ergens dat Christus in de tekenen van het Avondmaal aanwezig is, niet plaatselijk, maar als een geest.34 Dat is een heel andere betekenis voor Geest, als wanneer ik spreek van Woord en Geest. Zulk een tegenwoordigheid van Christus als een geest, als een geheimzinnige kracht is voor ons een achterblijven van Christus, evenals bij de successie der pausen. Wij ruilen de Christusregering door Woord en Geest niet in tegen de regering der pausen. En wij ruilen ook de tegenwoordigheid van Christus door Woord en Geest niet in tegen de tegenwoordigheid als van een geest in de tekenen. Of van een liturgische geest in de kerk .

Ofschoon de roomse gezindheid dus blijk geeft van een zekere nadere reformatie te ondergaan, een verinnerlijking van geestelijk en kerkelijk leven, blijven de verschillen toch zo principieel, dat van tweeërlei religie gesproken kan worden. Ook wanneer een oecumenisch contact met Rome mogelijk zou zijn - wat kerkelijk geweigerd wordt, maar in gemeentelijke vorm druk gepleegd wordt - dan moeten wij ons van het resultaat niet te veel voorstellen.

Wel moet men de macht van de katholieke idee niet onderschatten. Niet de roomse, maar de katholieke. Dat is een van de Twaalf artikelen. Het is een geloofsartikel.

Aan de andere kant brengt de katholieke idee groot gevaar mee, als zij niet als geloofsartikel maar als idee wordt aangenomen. De Reformatie heeft inzichten gewonnen uit de Schrift, heeft een kerkvorm gevonden, vooral bij de gereformeerden, die de regering van Christus door Woord en Geest tot middelpunt hebben. Wat als katholieke gedachte over de tegenwoordigheid van Christus in de eredienst en over de sacramenten en de persoonlijke heiliging der gelovigen ook wel onder ons naar voren wordt gebracht, komt niet altijd overeen met wat onze kerken uit de Reformatie als een kostbaar goed hebben meegekregen en beleden.

De hoofdzaak is dat wij van Christus niet willen gescheiden worden, dat wij alleen de opvolging door de Heilige Geest erkennen.

De regering is een persoonlijke van Christus. De genade is niet een geheimzinnige macht, maar een persoonlijke openbaring.

Eindnoten

  1. 1

    Op grond van gegevens in de tekst kan geconcludeerd worden dat N. zijn lezing over De Reformatie en Rome heeft gehouden in mei 1947. De lezing is in manuscript bewaard gebleven. Nadere gegevens zijn niet bekend.↩

  2. 2

    Het in 1945 opgerichte Sociologisch Instituut van de Stichting Kerk en Wereld te Driebergen was in Utrecht gevestigd en werd in 1968 opgeheven.↩

  3. 3

    J. P. Kruijt, Rooms -Katholieken en Protestanten in Nederland, in het bijzonder in Friesland en Noord-Holland, in (Het) Sociologisch Bulletin 1 (1947) nr. 1, p. 3-29. Vgl. in verband hiermee het rapport van een sociologisch onderzoek van Kruijt over de ontwikkeling van het rooms-katholicisme in Nederland, op 24 juli 1946 door de hervormde synode besproken, in Handelingen van de vergaderingen van de Generale Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk ten jare 1945/46, 's-Gravenhage 1946, p. 476-486.

    J.P. Kruijt (1898-1975) was van 1945-1947 directeur van het voornoemde Sociologisch Instituut en van 1947-1968 hoogleraar te Utrecht.↩

  4. 4

    Op 31 mei 1947 werd een volkstelling gehouden.↩

  5. 5

    Joh. 16 : 14 (St.V.).↩

  6. 6

    De gebroeders Karamazov (1880), boek 5.↩

  7. 7

    Zie noot 8.↩

  8. 8

    Vgl. voor de Latijnse tekst van dit citaat uit de Constitutio dogmatica I "Pastor aeternus" de Ecclesia Christi (Vaticanum 1, Sessio IV, 18. Iul. 1870): Denzinger, Enchiridion, nr. 3060.↩

  9. 9

    H. J. A. M. Schaepman (1844-1903), werd in 1867 priester gewijd, promoveerde in 1869 te Rome en werd in 1870 hoogleraar aan het seminarie Rijsenburg. Van 1880 tot zijn dood was hij lid van de Tweede Kamer. Hij was aanvankelijk sterk ultramontaans georiënteerd.↩

  10. 10

    Pius XII (1939-1958).↩

  11. 11

    Vgl. voor de desbetreffende strofe van het 'Wilhelmus' gezang 411 : 14 (Liedboek voor de Kerken, 1973).↩

  12. 12

    Op initiatief van Lord Charles L.W. Halifax en onder voorzitterschap van kardinaal Mercier, aartsbisschop van Mechelen, werden tussen 1921 en 1925 te Mechelen besprekingen gevoerd over hereniging tussen de Anglicaanse Kerk en de Rooms-Katholieke Kerk.↩

  13. 13

    E. Hirsch (1888-1972), Duits luthers theoloog, van 1921-1935 hoogleraar in de kerkgeschiedenis (nadien in de systematische theologie) te Göttingen, sprak in de Theologische Literaturzeitung van 18 februari 1928 over een "kirchengeschichtliche Tatsache von gar nicht abzuschätzender Bedeutung". Cit. naar B. Bartmann, Lehrbuch der Dogmatik, dl. 2, Freiburg im Breisgau 19328, p. 171.

    B.Bartmann (1860-1938), Duits r.-k. theoloog, in 1888 tot priester gewijd, was van 18981938 hoogleraar te Paderborn. Zijn Lehrbuch der Dogmatik (19051, 19388), meer bijbelspatristisch dan speculatief georiënteerd, was in zijn tijd de meest verspreide dogmatiek in de Duitse taal.↩

  14. 14

    Vgl. voor deze en de volgende zin W. H. van de Pol, De kerk in het leven en denken van Newman, Nijkerk 1936, p. 268. Voor Noordmans' bespreking van dit boek zie deze uitgave, p. 362-369.↩

  15. 15

    Vgl. voor deze en de volgende zin Van de Pol, a. w., p. 283 vv.↩

  16. 16

    Vgl. voor deze zin en voor de twee volgende zinnen Van de Pol, a. w., p. 114 vv.↩

  17. 17

    Vgl. J. H. Newman, Parochial and Plain Sermons, ed. Longmans, dl. 6, Londen 1918,. 90; citaat bij Van de Pol, a. w., p. 194.↩

  18. 18

    Vgl. Van de Pol, a. w., p. 192 v.↩

  19. 19

    J. H. Newman, An Essay on the Development of Christian Doctrine (1845).↩

  20. 20

    Zie p. 356, noot 29.↩

  21. 21

    Vgl. Vincentius van Lerinum, Commonitorium primum, e. 23: "Crescat igitur oportet et multum vehementerque proficiat tam singulorum quam omnium, tam unius hominis quam totius Ecciesiae, aetatum ac sacculorum gradibus, intelligentie, scientia, sapientia, sed in suo duntaxat genere, in eodem scilicet dogmate, eodem sensu, eademque sententia. Imitetur animarum religio rationem corporum: quae licet annorum processu numeros suos evolvant et explicent, eadem tamen quae erant permanent." MPL. 50, 668.↩

  22. 22

    vindplaats onbekend. Mogelijk samenvattende weergave van verspreid bij Newman (o.m. in diens An Essay on the Development ofl Christian Doctrine) voorkomende uitspraken. Zie VW., dl. 6, p. 288 V.↩

  23. 23

    Vgl. J. H. Newman, Sermons on Subjects of the Day, ed. Longmans, Londen 1918, p. 316; citaat bij Van de Pol, a. w., p. 217.↩

  24. 24

    Vgl. Sermons, p. 335; citaat bij Van de Pol, a. w., p. 217 v.↩

  25. 25

    Vgl. Sermons, p. 328; citaat bij Van de Pol, a. w., p. 219 v.↩

  26. 26

    Vgl. voor deze alinea Sermons, p. 345; citaat bij Van de Pol, a. w., p. 220.↩

  27. 27

    Vgl. voor deze zin en de vier volgende zinnen Letters and Correspondence of John Henry Newman during his Life in the English Church with a brief Autobiography edited, at the Cardinal Newman's request, by Anne Mozley, ed. Longmans, dl. 2, Londen 1920, p. 208-211; citaat bij Van de Pol, a. w., p. 147.↩

  28. 28

    C. J. de Vogel ging op 21 december 1944 van de N. H. Kerk over naar de R.-K. Kerk. Zie verder p. 390, noot 1.↩

  29. 29

    Vgl. J. H. Newman, Essays Critical and Historical, ed. Longmans, dl. 2, Londen 1919, p. 70 v.; citaat bij Van de Pol, a. w., p. 201.↩

  30. 30

    De Rijksuniversiteit te Utrecht verleende eredoctoraten aan ds. K. H. E. Gravemeyer (in de theologie; erepromotor prof. dr. J. Severijn) en aan kardinaal J. de Jong (in de letteren en wijsbegeerte; erepromotor prof. dr. P. Geyl) in verband met de leiding die zij gegeven hadden aan het kerkelijk verzet. Bij de 310e Diesviering van de universiteit, op 26 maart 1946, werden deze eredoctoraten toegekend.↩

  31. 31

    Ph. Kohnstamm, De Heilige. Proeve van een christelijke geloofsleer voor deze tijd, Haarlem 1931. (Deel 3 van dez., Schepper en Schepping. Een stelsel van personalistische wijsbegeerte op bijbelschen grondslag, Haarlem 1926-1931); zie over Kohnstamm VW., dl. 1, p. 377, noot 6.↩

  32. 32

    Vgl. van H. Kraemer, De roeping der kerk ten aanzien van de wereld en het Nederlandsche volk, 's-Gravenhage 1945. Noordmans schreef over dit boek het opstel Militia Christi; zie VW., dl. 5, p. 528-535 (over Kraemer p. 269, noot 3).↩

  33. 33

    Vgl. C. J. de Vogel, Newmans gedachten over de rechtvaardiging. Hun zin en recht ten opzichte van Luther en het protestantsche christendom, Wageningen 1939, p. 188 v. Voor Noordmans' bespreking van dit boek zie deze uitgave, p. 370-392.↩

  34. 34

    Vgl. De Vogel, a. w., p. 185 v. en 201 v↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Oudheid en WaarheidInhoudNatuur en Genade bij Rome →