O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Beginsel van verdraagzaamheid en samenwerkingInhoudIncarnatie en Oecumenische Beweging →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 349–354

De Incarnatie en de Oecumenische Beweging1

In de laatste tijd is er over de incarnatie veel geschreven en gesproken. Ik denk aan de liturgische beweging;2 de nieuwere Inleiding in de Theologie van prof. Van der Leeuw;3 het boek De Incarnatie van prof. Aalders;4 de bestrijding van iemand als prof. Van Holk.5

Dit is niet toevallig. Het staat in verband met een zekere concentratie in de bezinning op de grondslagen van het christendom.7 Tegelijk is er een concentratie van belijden in de oecumenische beweging.

Bij het nadruk leggen op de incarnatie zoekt men, om zo te zeggen, achter het dogma terug te gaan om het leven in het dogma te raken. Men zoekt het goddelijke in de kerk op heterdaad te betrappen. Men zoekt dat verschillend te doen. Men wijst de kosmische, de psychologische motieven aan. in elk geval wil men iets verder komen dan de scherpe kerkelijke bepalingen, die omtrent Christus zijn geformuleerd.8 Men probeert die weer vloeibaar te maken, door ze te dompelen in de ideeënstroom, waarin ze gekristalliseerd zijn. Dit staat zijdelings in verband met het oecumenische streven, dat de dogmatische en kerkelijke tegenstellingen tracht te overbruggen.9

Prof. Aalders noemt de incarnatie 'de ruggegraat der belijdenis'.10 En voor prof. Van der Leeuw in zijn Inleiding in de Theologie is ze de leidende idee van deze wetenschap.11

Dit teruggrijpen van het dogma op het principe plaatst ons voor vragen, die we duidelijk moeten zien. De incarnatie is de grote onderstelling van theologie en kerk. En als zodanig eigenlijk geen dogma of leerstuk. Wel is er een christologisch dogma dat uitspraken doet over momenten in de incarnatie. Zoals in de middeleeuwen de kerk de onderstelling was en geen leerstuk. Vandaar de moeilijkheden die de protestanten hebben met het leerstuk van de kerk. Zo ook op het stuk van de incarnatie - Wanneer ergens of ooit de incarnatie min of meer eenzijdig naar voren wordt gebracht, als leerstuk naast andere of als levende idee voor een methode of als motief voor een kerkelijke beweging, dan brengt dat bijzondere moeilijkheden en ook gevaren mee.

Oorspronkelijk werd in de christologie geen scherpe scheiding gemaakt tussen de incarnatie zelf en het werk van Christus. Thomas Aquinas maakt die onderscheiding.12 Wanneer dit enkel een onderscheiding is, heeft het geen gevolgen. Maar bij scheiding wel. Men schrijft dan aan de incarnatie een afzonderlijke werking toe, afgezien van het werk van Christus. En omdat de rationele, de bijbelse en de kerkelijke werking van de incarnatie bij het werk van Christus nader zijn uitgewerkt, blijft er voor de incarnatie dan over het mystische, het kosmische, het psychologische, het filosofische. Het leerstuk schijnt dan een eigen machtigheid te hebben, die door de kerk over 't hoofd is gezien en die naar voren moet worden 'gebracht. Dit is schijn, in zoverre het werk van Christus de uitwerking der incarnatie beschrijft. En voor zover het geen schijn is, is het iets anders. Zo ontstaat de vraag of de incarnatie doorloopt of niet.13 Dat is een kwestie met roomsen en anglicanen.14 Ik wil dit toelichten met het verschil tussen Newman en de anglicanen. Dit is van belang voor de oecumenische beweging, omdat de Anglicaanse Kerk daar gaarne de leiding zou nemen en tot op zekere hoogte heeft en omdat de Roomse Kerk absolute oecumenische aanspraken maakt, die voor haar samenvallen met katholiciteit, zodat ze buiten de oecumenische beweging staat.

De anglicanen dwepen met de Oude kerk en verwerpen de geschiedenis na de oecumenische concilies. De incarnatie werkt op de Anglicaanse Kerk op een zekere afstand. Dit moet dus overbrugd worden. Culturele, wetenschappelijke, kosmische en psychologische factoren moeten dan vervangen wat bij Rome zuiver kerkelijk, institutair, dogmatisch, sacramenteel, autoritair blijft. Newman brengt hen aan 't verstand dat de latere ontwikkeling van Rome zuivere ontwikkeling van de oud-christelijke idee is, en dat Christus zich verder incarneert in de heiligen, in de kerk.15 De Anglicaanse Kerk is daarvan een torso en voor de oecumenische leiding slechts in schijn de aangewezen kerk. Een'via media'tussen Rome en 't protestantisme laat zich door het halveren van de kerkgeschiedenis niet uitstippelen. Rome en 't protestantisme (de gereformeerden vooral) staan wel tegenover elkaar, maar bij beide staat de negatieve opvatting der incarnatie voorop. Bij de anglicanen staat de positieve opvatting der incarnatie op de voorgrond, noodgedwongen zoals we zagen. Met positief is bedoeld, dat Christus in zijn menswording de menselijke natuur gebruikt niet alleen voor de verzoening der zonde en de overwinning van de dood, maar dat Hij die natuur door zijn menswording ook eert en verheft. Wij worden daardoor zonen van God en deelhebbers aan de goddelijke natuur (Jeremy Taylor).16 De fysische energie en het redelicht nemen complete vorm aan in Christus (Gore).17 Of het onderbewuste wordt als de ingangspoort der incarnatie beschouwd (Sanday).18 of de Griekse bepalingen van Chalcedon19 worden door zgn. Hebreeuwse psychologie - in werkelijkheid moderne psychologische categorieën -vervangen. Ook als de Angelsaksen zo ver niet gaan, dan gaan ze toch die kant op. Men weet hoe ze gaarne natuur en openbaring verbinden. Het abc is Analogy of Religion, naturel and revealed van Butler20 en van Drummond Natuurwetten in de geestelijke wereld.21

Voor hen heeft God een menselijke zijde, zijn beste zijde, die in Christus tot uiting komt door de incarnatie.22 En dat proces is geleidelijk. Het begint in de 'science' en eindigt in aanbidding. De positieve incarnatie brengt hen naar Rome of 't modernistisch pantheïsme. De continuiteit is hen lief. De analogie. Maar met hun eenzijdige liefde voor de Oude kerk, verdelen de anglicanen zich. Zij moeten kiezen of delen tussen toen en nu. Er is afstand ten opzichte van de Oude kerk en de incarnatie. De preciezen worden daarom naar Rome getrokken. De rekkelijken naar het modernisme. Wat hun kerkelijk ontbreekt vullen ze aan met wetenschap.23 Immers, kosmisch werkt de incarnatie zich uit. Ook de cultuur wordt in dit licht gezien. Christus wordt mens en de verhouding tussen God en mens wordt psychologisch verduidelijkt.24

Newman volgt de andere weg. Hij komt onder de indruk van de historie. Hij zet daar in, waar de anglicaan afbreekt, bij de oude concilies. Hij laat de Oude kerk niet kosmisch doorwerken, niet cultureel en hij laat tevens het dogma niet overgaan in psychologie of wetenschap. Hij stelt de vraag of het christendom zich niet voortgezet heeft in de twaalf eeuwen tussen Nicea en Trente,25 ook al ziet het er anders uit. Katholicisme is misschien veranderd christendom, maar 't is geen protestantisme. Protestanten kunnen zich niet op de Oudheid beroepen. Als er een protestants systeem geweest is in de Oude kerk, dan moeten de protestanten toegeven "that it has ... been swept away as ... by a deluge, suddenly, silently, and without memorial; by a deluge coming in a night, and utterly soaking, rotting, heaving up and hurrying off every vestige of what it found in the Church, before cock-crowing: so that 'when they rose in the morning' her true seed 'were all dead corpses'- nay dead and buried - and without grave-stone. 'The waters went over them; there was not one of them left; they sunk like lead in the mighty waters'."26 Zo denkt Newman over het beroep op de Schrift voor een presbyteriale kerkorde.

Newman weet wel dat het moeilijk is het aangezicht der ware kerk te vinden.27 Maar men kan Thomas niet veroordelen en Athanasius behouden.28 Roomsen en anglicanen beroepen zich beide op de regel van Vincentius van Lerinum: Quod semper, quod ubique, quod ab omnibus creditum est.29 De anglicanen zeggen: Wat na de concilies komt, is niet geloofd door de eerste eeuwen. Voor de eucharistie geldt dit wel, voor 't pausdom niet.30 Newman wil de hele 1800 jaren ondervragen volgens de regel van Vincentius.31 'Semper' dat zijn ook de twaalf eeuwen na de concilies. Daarom geeft hij als afscheid van de Anglicaanse Kerk een Essay over een theorie van de ontwikkeling van de christelijke leer. Newman heeft haar niet voltooid.32 Al schrijvende werd hij rooms. Hij schreef zich in in de Roomse Kerk. Toch is het te merken dat een anglicaan de Essay schreef.

Newmans rooms-worden heeft de roomse mentaliteit ook sterk beïnvloed. Hij was een dure convertiet. De Roomse Kerk is altijd achterdochtig tegenover haar convertieten. Ze heeft het Newman laten merken. Maar deze bekeerling heeft de kerk sterk beïnvloed.

De theorie van de ontwikkeling van de christelijke leer draagt toch wel de sporen van het typisch incarnationalisme. Er is iets biologisch in de beschouwingen van Newman. Iets anders dan het institutaire, het autoritaire, dat Rome had. Dat andere is er bij Newman. Ook als hij het instituut en de autoriteit verdedigt. Vele roomsen aanvaarden die verandering welbewust. Zij denken over Newman als een soort hervormer. Zij willen van de vereenzelviging van kerk en instituut keren tot de levende kerk. Ik denk aan Anton van Duinkerkens Verscheurde Christenheid.33 In zekere zin beginnen vele katholieken wat terug te grijpen op de vroegere eeuwen.

Newman zoekt dan een theorie voor de ontwikkeling der christenheid die het semper en ubique en ab omnibus een betekenis geeft, die redenering en beschouwing bij de kerkelijke kennisleer toelaat. Protestanten, zegt Newman, gaan evenmin als de roomsen zomaar van de bijbel uit.34 Zij leiden af volgens een even subtiele methode en om redenen die vroeger even weinig geanalyseerd werden, als katholieke geleerden; niet door een bloot exegetiseren van of argumenteren op grond van woorden of zinnen, die voor hun ogen staan, maar door een onbewuste groei van ideeën.

De idee heeft een eigen leven.35 't Is iets anders dan 'opinion' of 'doctrinel.36 Men kan er omheen lopen. Ze heeft verschillende aspecten. Het Evangelie is verbeelding maar ook denken, ethisch maar ook politiek, plechtig en vrolijk, toegevend en strikt, licht en donker, het is liefde maar ook vrees.37

De idee kan zich zelf vermenigvuldigen38 Ze kan accumuleren. Ze oefent invloed op haar omgeving en ondergaat die. Het komt er nu op aan te onderscheiden wanneer de ontwikkeling waar is en wanneer een corruptie.39

Newman stelt dan een aantal kenmerken, 'tests' van de ware ontwikkeling van een idee op. De idee moet bewaard worden; de principes, de ribben van de idee, mogen niet zoek raken; de idee heeft de macht der assimilatie; de ontwikkeling anticipeert op latere evolutie - bijv. dat Luther de Jakobusbrief verwierp en de Apocalyps, dat anticipeert op het feit dat thans bijna alle lutheranen praktisch ongelovig zijn;40 de ontwikkeling moet ook logisch consequent zijn; een chronische continuïteit moet er wezen.

Met deze test moet nu de ontwikkeling van 't christendom onderzocht worden. Eerst de waarschijnlijkheid.41

Maar de Schrift dan? Men verwijt Rome toevoegen aan de Schrift.42 En dan zegt Newman dat de protestant ook maar schijnbaar naar de letter exegetiseert. Dat er ook groei in ideeën bij hem is. Men kan niet bij 't Schriftwoord blijven staan: ho logos sarx egeneto. 43Hier is dus de incarnatie als principe van de ontwikkeling van Rome. Het is de bedding, de klankbodem, de idee, waarin Rome evolueert. Het is een levensstroom, die alles voorwaarts stuwt, en uit zich zelf tot rijker ontplooiing, tot anticipatie, assimilatie, logisch-consequent en zonder onderbreking doet uittreden.

Men ziet het verschil. De incarnatie bij de anglicanen moet na de zesde eeuw ondergronds, mystisch, kosmisch, psychologisch, cultureel, humanistisch, wetenschappelijk en natuurkundig, neoplatonisch zich vermommen. De stroombedding breekt af. Katholiek of modern, Newman leidt de eeuwen voort, alle achttien. Hij voert de incarnatie dwars door de Katholieke Kerk van Nicea tot Trente. Maar formeel is er overeenkomst. Het is een filosofie van de incarnatie. Er is hier sprake van idee en principe, er is hier geen doctrine, geen dogma. De idee is op katholiek oecumenisch exclusivisme gericht of op oecumenische afslijping van het dogma.

Dat de ontwikkeling nodig was acht Newman a priori waarschijnlijk.44 Het koninkrijk Gods kwam in de wereld eer als een idee dan als een instituut.45 Jezus sprak ook van een mosterdzaad.46 De onfeilbaarheid van de paus ligt alleen 'in nuce' in Matth. 16.47 Het geloof gaat uit op vermoedens.48 Dat is zijn karakter. Het gaat uit op 'trifies light as aid'49 Die zijn voor de jaloerse, confirmations strong as proofs of holy Writ'.

De kerkelijke evidentie heeft een eigen karakter.50 Andere 'developments' van 't Evangelie dan de Katholieke Kerk zijn er ook niet.51 Er is tegenover Trente geen antagonistisch systeem, Zo herkent de gelovige de ene heilig e algemene christelijke kerk in de Katholieke Kerk. Hij herkent haar met wat Newman de 'illative sense' noemt. Een wijze van overtuigd raken, die Newman behandelt in zijn laatste hoofdwerk Grammar of Assent.52

De theorie van de 'illative sense' is een kennisleer, di. verstandig wil zijn en geen onmogelijke eisen stellen. Zij wil genoegen nemen met zekerheden zoals we die op moreel gebied ook hebben. Zij gaat uit van dat wezen waarop d e conclusie betrekking zal hebben. En ze vraagt geen grotere zekerheid dan die welke het redenerend subject voldoende vindt. En het hele kennisapparaat daar tussenin draagt daarvan de sporen en krijgt z'n vorm. Zo ontmoeten de Katholieke Kerk en het subject in de 'illative sense' elkaar.

De Grammar of Assent past bij de theorie van de Development. Zij zijn beide niet angstvallig logisch of letterlijk gebonden. Maar er ontstaat een zeer persoonlijke zekerheid en een vertrouwdheid als tussen moeder en kind.

Zo ongeveer ziet de weg er uit, die Newman wil bewandelen. En de oecumenische beweging, zoals die bijv. in ons land door Van de Pol53 vertegenwoordigd wordt, gaat meer die kant op. Het anglicaanse en die 'via media'verliest invloed. Maar de weg van Newman, het naar voren brengen van de incarnatie in de polemiek Rome-Protestantisme wint veld. De incarnatie heeft dan niet meer dat eenzijdig kosmische, wetenschappelijke, psychologische, humanistische tot gezelschap. Alles loopt door de kerk. De gaping Nicea-Trente is opgevuld. Maar de wijze waarop de kerk daar voorkomt heeft een wijziging ondergaan. Het institutaire gaat terug. Het spirituele, de incarnatie die zich voortzet in de heiligen, de band der liefde, het moederschap der kerk komt naar voren. De wijze van overtuigd raken ook gaat meer lijken op 't geloof. Ook wanneer 't gezagsmoment sterker is dan bij de protestanten. Maar er is een filosofische noot in. De incarnatie is geen dogma dat de prediking regelt. Ze is principe, waaruit men leeft en redeneert. Daarom zal de oecumenische beweging, als de incarnatie - zoals heden ten dage 't geval is - zo centraal gesteld wordt, voor 't protestantisme gevaarlijk kunnen zijn. De tegenstelling rooms-protestant moet niet verdoezeld worden. Newman heeft het protestantisme gebagatelliseerd. Dat de anglicanen teruggezet worden is goed. Maar dan wordt de oecumenische strijd scherper. Iemand als Van de Pol wil ons laten leiden, oecumenisch, door 'illative sense'. Maar die past bij het incarnationalisme, bij rooms incarnationalisme.

De voortzetting vindt echter plaats in de bedeling van de Heilige Geest. Christus is heengegaan.

Eindnoten

  1. 1

    N. hield blijkens een aantekening op het manuscript een lezing over De Incarnatie en de Oecumenische Beweging op 7 oktober 1937 te Middelburg. De gelegenheid is onbekend. Blijkens enkele aantekeningen aan het slot van het manuscript reageerden in een discussie na de lezing Dippel (wrs. J. W. Dippel, hervormd predikant te Middelburg), Faber (wrs. D. Faber, hervormd predikant te Oostburg), Nolte (wrs. C. F. Nolte, evangelisch-luthers predikant te Middelburg-Vlissingen) en Visser (wrs. F.A. Visser, hervormd predikant te Cadzand). Mogelijk was ook N.' geestverwant J. Koopmans, hervormd predikant te 's-Heer Hendrikskinderen, aanwezig. - Er is nog een manuscript met dezelfde titel en datering aanwezig; waarschijnlijk een schetsmatige, puntsgewijze samenvatting van bovengenoemde lezing; dit manuscript voegt niets nieuws toe aan de opgenomen lezing en is niet in deze uitgave opgenomen.↩

  2. 2

    Zie p. 140, noot 5.↩

  3. 3

    G. van der Leeuw, Inleiding tot de Theologie, Amsterdam 1935 (19481). Zie N.' bespreking hiervan onder de titel Wat is theologie? in VW., dl. 4.↩

  4. 4

    W. J. Aalders, De Incarnatie, Groningen-Den Haag-Batavia 1933. Zie N.' bespreking hiervan onder de titel Mysterie of boodschap in VW., dl. 4.↩

  5. 5

    Vgl. L. J. van Holk, C. J. Bleeker, C. B. Burger, E. B. A. Poortman en H. de Vos, Geloofsbelijdenis van het Werkverband-Roessingh. Theologische verantwoording, Assen 1937. L. J. van Holk (1893-1982), remonstrant, van 1931-1964 hoogleraar in de wijsbegeerte van de godsdienst, de zedekunde en de encyclopedie der godgeleerdheid te Leiden, stelt in zijn opstel Het geloof in God (a. w., p. 7-26) op p. 25: "Onherroepelijk ... wordt het bezwaar, wanneer wij naar de christologische zin van het Dogma vragen. De twee-naturen-leer bevestigt onze wijsgerige bezwaren tegen de hellenistische hypostasenleer. Het is geen toeval, dat ons christologisch artikel van Jezus Christus zegt, dat Hij is voor ons: 'de gestalte, in wie wij de heerlijkheid des Vaders aanschouwen'. Des Vaders - ja. Niet die des Zoons. Daarvoor komt ons de Logos-speculatie te gebrekkig voor, de incarnatieleer te miraculeus. Beladen als zij is met oosterse wijsheids-mystiek en Griekse speculatie, kan de klassiek-christelijke formulering van het oer-aanvankelijk Woord alleen in zwaar verhegelde travestie aannemelijk worden gemaakt. Ik wil niet gering denken van de diepzinnigheid aan deze 'Angleichung' besteed, maar wat gaat zij de religieuze mens van heden met zijn noden en denkgewoonten aan? Elke moderne Logos-christologie is en moet wel zijn, zodra zij ontologisch wordt uitge 'werkt, van unitarische strekking."↩

  6. 6

    Terzijde: Urdogma.⚑

  7. 7

    Terzijde: Principle-Doctrine.↩

  8. 8

    Terzijde: Principle.↩

  9. 9

    Terzijde: En de liturgische beweging die de minder leerstellige schatten der kerk ...↩

  10. 10

    Aalders, a.w., p. 25.↩

  11. 11

    Van der Leeuw, a. w., p. 114 vv.↩

  12. 12

    STh. 111/1. de ipso Salvatore, a. de ipso incarnationis mysterio secundum quod Deus pro nostra salute factus est homo; b. de his quae per ipsum Salvatorem nostrum, idest Deum incarnatum, sunt acta et passa.↩

  13. 13

    Terzijde: Positief - negatief. Aalders ... Christus ging heen.↩

  14. 14

    Terzijde: Roomsen. Anglicanen. Protestanten. Bij Rome traditie, sacrament, heiligen, instituut.↩

  15. 15

    Vgl. met name Newmans An Essay on the Development of Christian Doctrine (1845; 18782).↩

  16. 16

    De anglicaanse bisschop Jeremy Taylor (1613-1657) zegt in een gebed voor het kerstfeest: "O holy and almighty God, Father of mercies, Father of our Lord Jesus Christ, the Son of thy love and eternal mercies, I adore and praise and glorify thy infinite and unspeakable love and wisdom, who hast sent thy Son from the bosom of felicities to take upon him our nature and our misery and our guilt, and hast made the Son of God to become the Son of man, that we might become the sons of God, and partakers of the Divine nature: since thou hast so exalted human nature, be pleased also to sanctify my person, that, by a conformity to the humility and laws, and sufferings of my dearest Saviour, I may be united to his Spirit, and be made all one with the most holy Jesus. Amen"; aldus in Jeremy Taylor, The Whole Works, R. Heber ed., dl. 4 (The Rule and Exercises of Holy Living and Dying), Londen 1828, p. 295 v. Vgl. ook Aalders, a. w., p - 185 v. en p. 304.↩

  17. 17

    De anglicaanse bisschop Charles Gore (1853-1932) schrijft in zijn boek The Incarnation of the Son of God. Being the Bampton Lectures for the year 1891, Londen 1916 (tiende herdruk van de 'second edition' van 1892), p. 35: "... Christ is supernatural from the point of view of mere man, because in Him the divine Being who had been always at work, in physical nature as 'the persistent energy of all things', and in human nature as the rational light of man, here assumes humanity, spirit and body, as the instrument through which to exhibit with a completeness and in a new intensity His own personality and character." Vgl. ook Aalders, a. w., p. 245.↩

  18. 18

    De Engelse nieuwtestamenticus William Sanday (1843-1920) schrijft in zijn boek Christology and Personality, containing I. Christologies ancient and modern [19101 II. Personality in Christ and in ourselves [19111, Londen 1911, P. 159: "... the proper seat or locus of all divine indwelling, or divine action upon the human soul, is the subliminal consciousness" en even verder: "... the same, or the corresponding, subliminal consciousness is the proper seat or locus of the Deity of the incarnate Christ." Vgl. ook Aalders, a. w., p. 255.↩

  19. 19

    Op het concilie van Chalcedon (451) werd de belijdenis bepaald, dat de goddelijke en menselijke natuur van Christus in één persoon 'onvermengd en onveranderd' (tegen Entyches), 'ongedeeld en ongescheiden' (tegen Nestorius) zijn.↩

  20. 20

    De anglicaanse bisschop Joseph Butler (1692-1752) publiceerde in 1738 The Analogy of Peligion, naturel and revealed, to the Constitution and Course oflNature. Zie verder VW., dl. 3, p. 291, noot 4.↩

  21. 21

    De Schotse geoloog en theoloog Henry Drummond (1851-1897) publiceerde in 1883 The Natural Law in the Spiritual World; A. W. Bronsveld vertaalde dit wereldberoemde boek in het Nederlands onder de titel Natuurwetten in de geestelijke wereld, Amsterdam 1886. Zie verder VW., dl. 1, p. 166, noot 5.↩

  22. 22

    Terzijde: Robertson. N. bedoelt waarschijnlijk Frederiek William Robertson (1816-1853), anglicaans geestelijke, befaamd door de preken die hij hield te Oxford en te Brighton. In VW., dl. 3, p. 562, noot h verwijst N. naar een van diens preken; vgl. F. W. Robertson, Sermons, preached al Trinity Chapel, Brighton, 4 dln., Leipzig 1861, dl. 3, p. 56, waar Robertson aldus N. zegt dat "God een menselijke zijde heeft (The humanity of His Divinity), die dan tot uitdrukking moet komen in een stuk leven tussen geboorte en dood".↩

  23. 23

    Terzijde: Positieve incarnatie.↩

  24. 24

    Terzijde: Dean Inge, de schrijver van Plotinus. Wells heeft van hen gezegd dat er bij hen samen sporen van Christus zouden zijn. - Zie over W. R. Inge VW., dl. 3, p. 197, noot 5 l; hij schreef o.m. The philosophy of Plotinus. The Gifford lectures at St. Andrews, 19171918, 2 dln., Londen 1918. De verwijzing naar Wells is onduidelijk. Mogelijk bedoelt Noordmans de Engelse romanschrijver en essayist H. G. Welis (1866-1946). Van zijn werk (Works, 28 dln., 1924-1927) heeft The outline ofhistory (1920; verkorte versie onder de titel Short history of the world, 1922) waarschijnlijk de meeste invloed gehad, vooral tussen de wereldoorlogen.↩

  25. 25

    Concilie van Nicea (325) en concilie van Trente (1545-1563).↩

  26. 26

    J. H. Newman, An Essay on the Development of Christian Doctrine (1845), J. W. Cameron ed. (Pelican Classics), Harmondsworth 1974, p. 73; Newman citeert hier uit zijn Historical Sketches, dl. 1, Londen 18732 p. 418.↩

  27. 27

    Vgl. Newman, a. w., p. 74.↩

  28. 28

    Vgl. voor deze en de volgende zin Newman, a. w., p. 75.↩

  29. 29

    De formulering van Vincentius van Lerinum (t vóór 450 n.Chr.) in zijn Commonitorium primum, c. 2 luidt: "In ipsa ... Catholica Ecclesia magnopere curandum est ut id teneamus quod ubique, quod semper, quod ab omnibus creditum est." MPL. 50, 640.↩

  30. 30

    Vgl. Newman, a. w., p. 84 vv.↩

  31. 31

    Vgl. Newman, a. w., p. 90.↩

  32. 32

    Vgl. W. H. van de Pol, De kerk in het leven en denken van Newman, Nijkerk 1936, p. 250: "Op 6 oktober 1845 had Newman zijn 'Essay on Development' afgebroken en daarmee zijn laatste woord als anglicaan geschreven. Drie dagen later werd hij tegelijk met een aantal van zijn vrienden door de passionist Father Dominic, een Italiaan, in de Rooms-Katholieke Kerk opgenomen."↩

  33. 33

    Zie N.' bespreking van dit boek in deze uitgave, p. 393-396.↩

  34. 34

    Vgl. voor deze en de volgende zin Newman, a. w., p. 150 v.↩

  35. 35

    Vgl. voor deze en de volgende zin Newman, a. w., p. 97 vv.↩

  36. 36

    Vgl. voor deze en de volgende zin Newman, a. w., p. 95.↩

  37. 37

    Vgl. voor deze en de volgende zin Newman, a. w., p. 97. Terzijde: Spanning.↩

  38. 38

    Vgl. voor deze zin en de volgende twee zinnen Newman, a. w., p. 99.↩

  39. 39

    Vgl. voor deze en de volgende alinea Newman, a. w., p. 116-147.↩

  40. 40

    Terzijde: Petrus' belijdenis.↩

  41. 41

    Vgl. Newman, q. w., p. 148-165.↩

  42. 42

    Vgl. voor deze zin en de volgende drie zinnen Newman, a. w., p. 150 v.↩

  43. 43

    Vgl. Joh. 1 : 14.↩

  44. 44

    Vgl. Newman, a. w., p. 165-178.↩

  45. 45

    Vgl. Newman, a. w., p. 167.↩

  46. 46

    Vgl. Newman, a. w., p. 163 v.↩

  47. 47

    Vgl. Newman, a. w., p. 168-178; (213-219).↩

  48. 48

    Vgl. voor deze en de volgende zin Newman, a. w., p. 179-185.↩

  49. 49

    Vgl. voor deze en de volgènde zin Newman, a. w., p. 179.↩

  50. 50

    Vgl. Newman, a. w., p. 186-191.↩

  51. 51

    Vgl, Newman, a. w., p. 240.↩

  52. 52

    J. H. Newman, An Essay in Aid of a Grammar of Assent. Londen 1870 (18898).↩

  53. 53

    Zie over Van de Pol p. 141, noot 16.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Beginsel van verdraagzaamheid en samenwerkingInhoudIncarnatie en Oecumenische Beweging →