O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Het Koninkrijk der hemelenInhoudAugustinus →

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 11–27

De Confessiones van Augustinus1

Augustinus is gestorven in het jaar 430. De gregoriaanse kalender wijst thans 1930; een verschil van 1500 jaren. Dat is een lange periode voor een herdenking. Ze schijnt meer te passen bij de terugkeer van een komeet dan van een mens. En toch is de tijd voor de grote kerkvader niet te lang genomen. Harnack heeft hem 'de eerste moderne mens' a" genoemd. Ik weet niet of dat een compliment is. Maar zeker drukt het heel goed de omstandigheid uit dat wij het gevoel hebben met hem in dezelfde wereld te leven. Het is er verre vandaan dat Augustinus voor ons een geestelijke mummie zou zijn geworden. Integendeel, de herinnering aan hem heeft voor de lezers van zijn Confessiones iets merkwaardig persoonlijks. Er is menselijke warmte in het contact dat wij met hem hebben. Eigenlijk voelen we ons als parochianen van de bisschop van Hippo. We zien tegen hem op als de grootste theoloog, die Europa gekend heeft. Maar we houden ook van hem en als we moesten biechten, dan zouden we dat 't liefst bij hem doen. - Men voelt de betekenis van Augustinus als men, in dit verband van gedachten, zijn naam noemt naast die van andere grote mannen uit zo hoge oudheid. Ik zonder hier natuurlijk namen als Paulus of Johannes uit. Dat is iets heel aparts. Daarbij gaat de verhouding tot Christus te regelrecht meespreken. Maar ik denk aan mannen als Ambrosius en Hieronymus. Men heeft van de eerste het karakter, van de tweede het talent en daarnaast van Augustinus het genie geprezen. Daarmee is wel iets gezegd, maar niet alles. Wat deze laatste onderscheidt, hem schier tot een tijdgenoot en een levende in ons midden maakt, is zijn groot hart, waarin de liefde van Christus is uitgestort.

Augustinus werd geboren te Thagaste, een kleine provinciestad in Noord-Afrika, op 13 november van het jaar 354. Zijn vader Patricius, een ambtenaar in hèt stadje, is heiden gebleven. De moeder, Monnica, was van christelijke familie. De lagere school te Thagaste liet bij de schrijver van de Confessiones geen prettige herinneringen na. Zijn vader koestert goede verwachtingen van hem en zendt hem naar het naburige Madaura en daarna gaat hij als student naar Carthago. De familie getroost zich enige opofferingen om deze begaafde zoon een kans te geven. Augustinus heeft in deze jaren de wereld leren kennen in de niet bepaald meest-puriteinse vorm van Africaans stadsleven. Hoe ver zijn zedelijke afwijkingen gingen laat zich, ook aan de hand der Confessiones, niet meer vaststellen. Sommigen zullen hier te licht, anderen te streng oordelen. Het is ook moeilijk de juiste maatstaf aan te leggen bij verschil van eeuw en zede. Wij doen het veiligst met niet te vergoelijken wat hij onder zoveel tranen heeft gebiecht.

Zeker is dat God reeds vroeg zijn hand op hem heeft gelegd. Zijn eerste bekering valt in zijn negentiende jaar. Dan brengt het academische leerplan de student in aanraking met een thans verloren geschrift van Cicero: Hortensius. Daarin werd de lof der wijsbegeerte gezongen. Het geschrift kan beschouwd worden als een inleiding tot de filosofie. Het boekje gaf hem 'de stoot tot een eeuwige beweging'.b Dit betekent aanvankelijk niet meer dan dat 't hem de waarde van wijsgerig-zedelijke bezinning boven de cultuur der fraaie letteren leerde inzien. Maar het voerde hem toch ook, in verband met het praktisch karakter van de filosofie in die dagen, tot een meer ingetogen levenswandel. We mogen nog meer zeggen. Het bracht hem dichter bij bijbel en kerk. Want Augustinus had Monnica tot moeder; hij is een christen. Alleen maar, hij is niet gedoopt, omdat men de afwassing der zonden liever uitstelde, soms tot het sterfbed. Iedere geestelijke opwekking is echter voor hem een verlevendiging van de christelijke indrukken van zijn jeugd.

Voorlopig komt dit uit op een manier die Monnica heftig smartte. Augustinus sluit zich aan, niet bij de kerk, maar bij wat men de 'schijnkerk'c genoemd heeft, de manicheeën. Als hij na afgestudeerd te zijn in het ouderlijk huis terugkeert, weigert zijn moeder hem de overgang van haar drempel.

Het manicheïsme was niet op christelijke bodem ontstaan. Het was een van de vele gemengde godsdiensten, zoals later het mohammedanisme. Maar in Augustinus' dagen trachtte het te concurreren met de christelijke kerk door zich aan deze zo goed mogelijk aan te passen. Men kon het een zeer vrijzinnig christendom noemen, waaruit alle verstandelijke en zedelijke ergernissen zoveel mogelijk waren verwijderd.

Voor Augustinus bestond het aantrekkelijke van deze richting vooral in twee dingen. In de eerste plaats werd de strijd tussen goed en kwaad er niet opgevat als een gewetenszaak, waarbij gebed en tranen en berouw te pas kwamen, zoals in het Evangelie, maar als een wereld-aangelegenheid, een strijd tussen twee eeuwige naturen. Dit leek de jonge doctor een grootser, redelijker en romantischer opvatting. En in de tweede plaats hielp men hem hier af van zijn ergernis over het barbaarse en onzedelijke van het Oude Testament door dit kortweg te verwerpen.

Na een kort verblijf in zijn geboortestad keert Augustinus naar Carthago terug als leraar in de retorica; straks gevolgd door zijn moeder. De holheid van het manicheïsme begint hem dan duidelijk te worden. Het loze van de hele quasi-wetenschappelijke, astrologische bovenbouw van deze leer gaat hij inzien door grondiger studie. Tot een openlijke breuk komt het echter nog niet. Tussen kerk en schijnkerk in de as gezeten wordt hij scepticus. Hij ontvlucht beide. Zijn moeder, die hem met haar tranen en gebeden voor de kerk opeist, laat hij op het Africaanse strand wenende achter, nadat hij onder een voorwendsel scheep is gegaan. De gemeenschap met zijn manichese vrienden te Carthago, die wegens de vervolgingen van de sekte gevaar begon op te leveren, verbreekt hij tegelijk, waarschijnlijk eveneens onder een voorwendsel, nl. dat de Africaanse studenten zo rumoerig waren.d Dit is het laagtepunt van Augustinus' leven, waarover misschien zelfs de Confessiones niet geheel oprecht handelen.

Augustinus duikt te Rome weer op. In dezelfde betrekking en toch ook nog weer onder de manicheeërs. In deze periode is hem een zekere intellectuele en praktische voorzichtigheid eigen; een niet al te hoogstaand aanpassingsvermogen. Hij maakt zich innerlijk en straks uiterlijk los van zijn sekte en tegelijk maakt hij gebruik van hun goede diensten. Hij heeft een positie en krijgt met hun hulp straks een betere. Daarna laat hij hen geheel varen. Men herkent dat. Het is de tijd van de carrière.

Die carrière brengt hem in een openbare betrekking in de hofstad Milaan. Daar kwam een leerstoel in de retorica vacant en Augustinus, met behulp van zijn vrienden, de bekende prefect te Rome, Symmachus, en natuurlijk zijn grote talenten, krijgt de betrekking. Hij is nu man van stand en aanzien in de tweede hoofdstad van het rijk, in de onmiddellijke nabijheid van het christelijke, keizerlijke hof. Het lijkt geraden leer en leven aan die omstandigheden te conformeren. Augustinus herinnert zich dat hij nog steeds ook catechumeen in de katholieke kerk is en sluit zich weer bij haar aan, een streep halende door de negen jaren van zijn manicheeërschap. Zijn moeder, die hem inmiddels uit Africa naar Rome en vandaar naar Milaan gevolgd is, maakt trouwplannen voor hem, die tot nog toe in een losse verbintenis had geleefd. Zo is Augustinus op zijn dertigste jaar. Uiterlijk een representatieve figuur; innerlijk een scepticus.

Maar de eeuwige beweging, waartoe hij de stoot had ontvangen en die hier in de paradoxale vorm van een geslaagde carrière verschijnt, gepaard met een innerlijk bankroet, deze beweging gaat verder. En Monnica heeft hem reeds voor jaren, toen ze hem uit haar huis had gekeerd, in een droom zien staan in dezelfde geloofsregel, waarin zij stond. Zij heeft hem toen met blijdschap weer opgenomen. Inmiddels vallen haar tranen om hem dag en nacht, jaar in jaar uit, en haar gebed is zonder ophouden.e

Te Milaan zijn het allereerst de persoon en de prediking van bisschop Ambrosius, die indruk op Augustinus maken. Deze belangrijke figuur is uit gewichtige burgerlijke betrekkingen tot het kerkelijk ambt geroepen. Hij behoudt er de eigenschappen van een regent en paart die aan de chariteit van een zieleherder. Hij is goed mensenkenner, beweegt zich gemakkelijk met iedereen; op een afstand of zeer toegankelijk naarmate hij wil. Tegenover Monnica het laatste; tegenover haar interessante zoon meer het eerste.

Omgang kreeg Augustinus weinig met hem. Maar de prediking van de bisschop gaf aan zijn denken en leven een nieuwe richting. Hij, die zich in scepticisme had teruggetrokken, voelde in de kerk te Milaan de moed om te geloven in zich wassen. Terwijl hij na zijn ervaringen met de manicheeërs steeds angstiger geworden was voor iedere zielsverheffing, uit vrees voor de afgrond van twijfel, waarboven hij daarmee zou komen te hangen, gaat hij nu inzien dat aan het geloof elementen van gezag eigen zijn. En in verband daarmee krijgt hij oog voor de betekenis van Kerk en Heilige Schrift, die met duidelijke en gewone woorden over de hoogste dingen tot ons spreken. Ze leren ons aan te nemen wat we nog niet doorgrond hebben. - De diepingeleide, geestelijke wijze, waarop Ambrosius over de bijbel predikte, droeg veel bij om Augustinus tot dit inzicht te brengen.

Tegelijkertijd wordt van een geheel andere kant de invloed van Ambrosius merkbaar. Terwijl in zijn innerlijke ledigheid de eerste omtrekken van het geloofsleven merkbaar worden, beginnen uitwendig de vormen van zijn ambtelijke eerzucht ondergraven te worden. Het is in deze tijd dat hij eens met jaloerse ogen opkijkt naar een dronken bedelaar op straat.f Het kan Augustinus niet verborgen gebleven zijn welk een verschil er bestond tussen het leven van de bisschop en het zijne. Hij moet diens hele bestaan als een kritiek op zijn eigen gevoeld hebben. Zijn professoraat gaat hij voelen als een woordenkramerij tegenover de herderlijke prediking van Ambrosius. En zijn eigen antichambreren in de middaguren bij invloedrijke vrienden gaat hem verachtelijk voorkomen als hij het vergelijkt met de verhouding waarin de bisschop ook tot de machtigsten der aarde staat.

Naast deze invloeden heeft toen de neoplatonische wijsbegeerte machtig op Augustinus ingewerkt. Hij kwam er mee in kennis door een Latijnse vertaling van de retor Victorinus. Deze lectuur verloste hem van de obsessie, die hij nog altijd uit zijn manichese periode had behouden, alsof God een verborgen natuur was in de natuur, oneindig fijn wonende in de oneindige ruimten der wereld en in de lichamen, die zich daarin bevonden. Hij leert nu inzien dat God onafhankelijk van alle dingen bestaat als een oneindige Geest; dat Hij de grond van alle dingen is en toch niet hun wortel; boven alle dingen, zonder hun top te zijn.

Dit alles verenigt zich tot een geweldige gisting in de ziel van de latere kerkvader. Augustinus heeft toen mystieke uren beleefd zoals ze vaak voorkomen bij degenen, die tot grote dingen geroepen zijn. Het geheim van zulke ervaringen is psychologisch niet te benaderen. Ongelijksoortige dingen woelden in zijn bewustzijn en onderbewustzijn. Uit deze chaos kent God alleen de weg naar het licht. Het zijn vooral de brieven van Paulus geweest, die hem toen, evenals later Luther, de weg gewezen hebben naar Christus. Ze leerden hem het onderscheid zien tussen zijn geliefde filosofische lectuur en de evangeliën.

Zo komt het dan straks in een tuin te Milaan tot een breuk met zijn verleden. Men kent toch het verhaal van Augustinus' bekering uit het achtste boek van de Confessiones? De gebeden van Monnica worden verhoord. Augustinus geeft zijn leraarsambt op, dat hem tegenstaat, om zich geheel aan de dienst der waarheid te wijden. Hij heeft behoefte aan een retraite en vindt die op een landgoed in het naburige Cassiciacum. Dit verblijf is vaak beschreven. Het lijkt een volmaakte idylle; moeder en zoon omringd door een aantal vrienden, uitrustend van de zware strijd in een soort platonische dialogen; een christelijke academie. Zo platonisch als het lijkt in de notulen, die Augustinus ervan heeft gehouden, is het daar echter wel niet geweest. Als achtergrond van deze tonelen moeten we ons denken de eenzame worstelingen en gebeden van Augustinus in de nachten, waarmee hij zich voorbereidt voor zijn Doop, en zijn lectuur der Psalmen, die soms in luide kreten overgaat en waardoor zijn wijsgerige hoogmoed wordt neergesmeten.

Hij verlaat dit verblijf om tegelijk met zijn zoon Adeodatus door Ambrosius gedoopt te worden. Het laatste wat we horen in Milaan zijn de hymnen en cantieken in de kerk, die Augustinus zo geweldig aangrepen. Ze waren pas ingesteld door Ambrosius alsof ze voorbestemd waren de apotheose te vormen van Augustinus' bekering. Een echo van de blijdschap in de hemelen over de bekering van een zondaar.

Moeder en zoon maken zich dan op om naar Africa terug te keren. Maar Monnica keert niet in tot haar aardse, maar tot haar hemelse vaderland. Haar liefdedienst op aarde is voleindigd. Haar hart gaat over tot hoger slag. Te Ostia aan de Tiber, waar de familie wachtte op scheepsgelegenheid, stond ze, leunende aan een venster, in zoete, geestelijke samenspraak met haar zoon. In gemeenschappelijke extase klom hun gesprek omhoog tot de woorden achterbleven. Dan raken ze één ondeelbaar ogenblik 'met een volle hartslag' het eeuwige leven aan. Een zucht - en ze keren terug tot 'het geluid van de mond'.g

Althans Augustinus. Van Monnica kan men nauwelijks zeggen dat ze teruggekeerd is van daar waar ze 'de eerste gebonden schoven des geestes'h hadden opgezet. Ze was ontbonden en vroeg: wat doe ik hier nog? Binnen vijf dagen tastte een krankheid haar aan, die haar einde bracht. Ze werd, wat ze vroeger gevreesd had, maar nu niet meer, begraven ver van haar vaderland, maar 'niet ver van God'.i

Haar zoon keert naar Africa terug, drieëndertig jaar oud. Hij gaat zijn kerkelijke loopbaan beginnen, die voor de hele westerse christenheid van zo ontzaggelijke betekenis geweest is.

Tot zover loopt Augustinus' autobiografie in de Confessiones. Voor zijn verdere leven geef ik slechts enkele jaartallen:

389. Augustinus tot priester gewijd te Hippo.
395. Augustinus wordt helper van de bisschop te Hippo.
396. Zijn medebisschop sterft.
397. Augustinus schrijft zijn Confessiones.
413. Hij begint zijn werk De civitate Dei.

430. Op 28 augustus sterft Augustinus, terwijl de Vandalen de stad belegeren.

Al deze jaren heeft de kerkvader een ingespannen werkzaamheid uitgeoefend. In woord en geschrift heeft hij naar alle richtingen invloed geoefend op de kerk van zijn dagen, een invloed die nog voortduurt tot deze dag toe. Daarop in te gaan ligt thans niet op mijn weg. Ik leg enkel de vinger bij het jaartal:

397. Augustinus schrijft zijn Confessiones.

De Confessiones zijn geschreven in het sterfjaar van Ambrosius. Ik weet niet of er verband bestaat tussen beide. In elk geval is het een merkwaardig samentreffen. In het jaar waarin zijn aardse biechtvader, die hem in het sacrament der boete en der biecht heeft ingeleid, sterft, schrijft de kerkvader zijn biecht, die hij aflegt in de oren van God. Confessiones wordt ook wel eens als lofprijzingen vertaald (Heussi). jMaar meestal als belijdenissen. Ik geloof ook dat het karakter van een biecht op de voorgrond moet staan. De bisschop van Hippo wil ten aanhoren van de hele kerk, in het oor van de Alwetende, wenende en juichende bij beurte, uitzeggen wat zijn leven geweest is voor hij gedoopt werd door Ambrosius. Hij wil niet slechts anderen aansporen hun hart voor God en hun bisschop te openen, hij wil het hun ook voordoen. In zijn leven bovenal mogen geen donkere schuilhoeken overblijven.

Wat de schrijver daarover heeft te zeggen is vervat in de eerste negen boeken van het werk. Ik gaf reeds een korte weergave van zijn levensloop aan de hand daarvan. In het tiende boek wil hij dan belijden wie hij nu is: het leven van de bisschop van Hippo; de wonderen verhalen, die daarin alleen waard zijn gekend te worden: de wonderen van God en de ziel. Het geschrift eindigt met een verklaring van Genesis 1, in de drie laatste boeken.

Men kan heel verschillend oordelen over de waarde, die de Confessiones hebben als bron voor de kennis van zijn leven. Men heeft gezegd dat wij ze onder het motto 'Dichtung und Wahrheit' moeten lezen. Die woorden klinken mij hier onheilig. Goethe heeft in zijn autobiografie zijn schone humaniteit willen afronden. De kerkvader is bezig God te loven, van het begin tot het eind. Natuurlijk is het geen neutraal-exacte levensbeschrijving. Maar dan zouden we er na 1500 jaren ook geen hand meer naar uitsteken.

Wie kan, moet dit geschrift in het oorspronkelijke lezen. Het is geen ciceroniaans Latijn. Maar dat idioom heeft ook nog andere snaren dan die door de wijze van Tusculum zijn aangeslagen. Het Latijn heeft in zijn christelijke periode nieuwe kwaliteiten ontwikkeld. De taal van Caesar en Cicero kan men misschien 't best karakteriseren door het noemen van twee schone menselijke deugden: gerechtigheid en dapperheid. Die van Ambrosius en Augustinus wordt beter gekenschetst door twee goddelijke eigenschappen: majesteit en barmhartigheid. Het is het Evangelie dat in Confessiones en kerklied uitdrukking zoekt. Daarom is een vertaling ook zo buitengewoon moeilijk. De geest zit vaak vlak onder de letter.

Dat het boek in het Latijn geschreven is, zullen we goed doen geen ogenblik te vergeten. Er is zoveel gesproken over het neoplatonisme van Augustinus, dat men zou kunnen gaan denken aan een heel- of half-Grieks wijsgeer. Dat is onjuist. Hij staat met beide voeten in de latiniteit. We behoeven niet onbillijk te zijn en te vergeten dat hij de verre invloed van Plato meer direct dan andere kerkvaders in het Westen ondergaan heeft en dat het daaraan mede te danken is dat zijn gedachten breder en hoger vlucht nemen. Maar dat neemt niet weg dat in Augustinus ons is uitgebeeld: de toebrenging van de Latijnse beschaving tot Christus. Daarin ligt de grote betekenis van de Confessiones voor onze cultuur en ons christendom. We zouden aan het boek liever geen ondertitel geven. Men moet de brede golving van het geestesleven, dat daarin is, niet in een korte formule vastleggen. Maar als het moest, zouden we het willen noemen: Van Cicero naar Ambrosius of Van Romein tot christen. De wijze van Tusculum en de bisschop van Milaan staan aan het begin en het einde van Augustinus' leerjaren. En beiden zijn typische vertegenwoordigers van de Latijnse cultuur.

De toon en het geluid van de Belijdenissen kan men 't best weergeven door twee woorden, die Augustinus zelf in het tiende boek tot één uitdrukking samenvoegt: hymnus et fletus; lofzang en geween.k Deze woorden, waarvan het eerste uit het Grieks is overgenomen, krijgen pas hun volle betekenis in het kerklatijn. Ze gaan op voor God. De mensen mogen zijn biecht ook horen. Maar hij spreekt toch niet voor de omstanders. Althans niet voor dat soort, dat nieuwsgierig is om anderer leven te leren kennen, maar traag om het eigene te beteren. Hoe zouden ze ook weten of de belijdenis waar is.

Voor degenen echter wier oren door de liefde voor hem geopend zijn, wil hij wel spreken.l

Eén bedenking heeft hij ook nog te hunnen opzichte. De biecht van zijn vroeger leven (boek I-IX), ja, die verblijdt hen. Ze hebben geen vermaak in het verkeerde daarin, maar hierin dat het voorbij is. Maar dat geldt niet voor wat hij thans is (boek X). Waarom zal hij ook dat bekennen? Maar toch wil hij het doen voor broederlijke harten. Ze mogen hem dan gelukwensen als ze horen, hoever hij nader komt tot God door diens gave, en voor hem bidden als ze vernemen, hoever hij achter blijft door eigen traagheid. Omdat zij, hetzij in goedkeuring, hetzij in afkeuring, hem liefhebben. Laten ze opleven in het eerste en zuchten onder het tweede en laten hymnus en fletus, lofzang en geween, opstijgen voor Gods aangezicht uit de harten der broeders, Gods wierookpannen.m

Zo is de biecht dan ook voor mensen. Maar eigenlijk voor God. 'Uw oren zijn tegen mijn hart.'n De belijdenis geschiedt met woorden van het hart en met herroepen der gedachte'.o `Zwijgend wat het geluid betreft, met geroep wat de aandoening aangaat'.p - Zo biecht hij 'met zijn hart in tegenwoordigheid Gods, met zijn pen voor vele getuigen'.q Niet alleen uit de harten der broeders, maar ook uit de confessie zelve rijzen hymnus en fletus. De lofzang der gemeente is slechts het luidworden van wat in de diepten des geestes, in de belijdenis, in stilte door God alleen gehoord wordt. Lofzang voor Gods barmhartigheid; tranen om de zonde. Wie zonder deze tranen blijft, blijft zonder God. De hoge wegen zijn moeilijk en zwaar. De vallei der tranen weerklinkt van lofgezangen.

Waar een van deze beide ontbreekt, daar is de belijdenis kreupel. Zonder tranen is het geen confessie, maar presumptie. Geen geven aan God van wat men heeft, doch stelen van wat men niet heeft. Deze tegenstelling van confessie en presumptier is de spil, waar alle gedachten in het boek om draaien. Gods gaven en onze zonden die mogen we God geven; ze zijn allebei van ons. Maar wat we onwezenlijk en onwaarachtig, buiten Gods Geest en onze geest om, ons eigen gemaakt hebben in holle, hoge gedachtenvlucht of interessante, onboetvaardige levensvoering, dat is geen offerande Gods. Het is een gruwel voor zijn aangezicht; het is gestolen goed.

Augustinus weet dat beide in elkaar over gaan, de hymnus in de fletus en omgekeerd. Er is stijging in het dal der tranen. Daar worden de liederen van de opgang gezongen; het canticum graduum.'s - Maar de plaats waar geen belijdenis is, dat is de hel. Tot daar is hij nooit afgedwaald. Hij heeft God nooit tot de oorzaak van het kwaad gemaakt.

De confessie is dus niet slechts schuldbelijdenis, ze is ook geloofsbelijdenis. Deze mag geen waanwijsheid zijn. Waan is onze kennis als we ze bezitten enkel om ze af te kondigen (profiteri) in plaats van ze te belijden (confiteri). Dat is het grote onderscheid tussen de schijnkerk, de manicheeërs, en de ware kerk, de katholieke. Augustinus weet het uit de negen verloren jaren van zijn leven, hoe groot het verschil is tussen ijdelheid (vanitas) en vroomheid (pietas).t Hij weet het ook uit de herinneringen aan zijn leraarsambt in de retorica, hoe groot de afstand was tussen hemzelf, de professor, en Ambrosius, de confessor. Kreupel is ook iedere geloofsbelijdenis, waarin de fletus, de nederigheid, de ootmoed en de liefde ontbreken.

Dat is de toon der Confessiones. Het is de levenssfeer der kerk, die Augustinus daarin tot uitdrukking brengt. De majesteit en de barmhartigheid van het Latijn der Confessiones, de hymnus en fletus van de toon, en het gezag en de nederigheid der kerk waarin ze plaats hebben, harmoniëren met elkaar. Want het zijn deze beide, autoriteit en humiliteit, die op Augustinus in de kerk zulk een diepe indruk gemaakt hebben. Levenslang heeft hij deze eigenschappen in haar wel gekend, maar hij ergerde er zich lange tijd aan. Later heeft hij zijn ongelijk leren inzien. Het is waar, hij kon Aristoteles over de categorieën begrijpen zonder leermeester, wat geen geringe prestatie was.u En in de kerk werd een geloof gevraagd op gezag. Maar tenslotte waren dan toch die eigen inzichten niet meer dan zeepbellen, geblazen van eigen ellende, vergeleken bij de blauwe hemelen der zaligheid, die de kerk kende. Wat hinderde het ook, zo biechtte Augustinus, wat hinderde het de kleinen Gods, dat ze een zoveel trager geest hadden dan de professor, daar ze toch niet ver van God afdwaalden, om in het nest van de kerk veilig veren te krijgen. vHij ziet dat de kerk en de Schrift door een bevattelijke en gewone manier van spreken de menigte opnemen in de schoot ener heilige nederheid. Zo brengen ze veel meer mensen tot God dan wanneer ze niet met gezag optraden.'w Het zijn vooral de Psalmen, die deze theologie der nederheid bevatten. Augustinus zou ze willen uitzingen tegen de hoogmoed van het hele menselijke geslacht. Ook de brieven van Paulus, die hen, die met hun verstand niet ver kunnen zien, toch op de weg brengen, die leidt tot het zien. Daarin ligt voor hem het voordeel van de heilzame kruiden der kerk, die op de grond groeien, boven de geur der trotse cederbomen', waarmee de wijsgerige scholen vergeleken kunnen worden.'x

Er is weinig opzettelijke christologie in de Confessiones. Augustinus is in volle zin theoloog. Zijn boek staat ook niet in de toon der Christusmystiek, die in de middeleeuwen, bijv. bij Bernard van Clairvaux, zo sterk naar voren is gekomen. Er is geen grijpen van Christus' hoofd of voeten met woorden. Geen opzettelijk mediteren op zijn wonden. Heel sober is in dat opzicht de rede van de kerkvader. Evenmin komt de historische Christus uit de evangeliën duidelijk naar voren. Vooral in het tiende boek valt dat op, waar hij belijdt wat hij is in het jaar 397.

Augustinus spreekt veel over God en over de ziel. Niemand heeft daarover gesproken zoals hij. Het tiende boek weet de wonderen daarvan te verhalen op een wijze waarnaar de eeuwen niet moede worden te luisteren. Van beide weet de kerkvader in veel rijker taal en veel lichter visie te spreken dan enig ander theoloog. God is geen begrip achter Jezus dat men laat staan als men Jezus gevonden heeft. Neen, omgekeerd wordt Hij gezocht en Jezus is de weg en Hij wordt gevonden en het hele boek is één uitroep over wat het is Hem te vinden.

Zo tussen God en ziel staat Jezus Christus. Hij ontbreekt niet in het boek. Maar Augustinus' plastische woordkunst behoefde Hem geen gestalte te geven. Hij heeft gedaante en gestalte, al is het een andere dan die de wereld begeert. Eerder moet men zeggen dat de kerkvader Hem, met Paulus, meer naar de geest kent. Meer dan de meeste andere theologen. Christus doorwoont de hele biecht. Hij verklaart de hymnus en fletus daarvan. Hij is de waarheid van alle confessie en de ontkenning van alle presumptie. Bij Jezus vervliegt alle ijdelheid en ontstaat de vroomheid. Hij is het geheim van het gezag en de nederheid der kerk; haar autoriteit en humiliteit. En als de schrijver dan in dit opzicht de geestelijke figuur van Christus tekent, op die plaatsen in het boek waar hij het opzettelijk doet, dan geschiedt dat in klanken, die in kracht, warmte en gloed misschien slechts door de koraalvoorspelen van Bach in notenschrift geëvenaard worden. Op het eind van het zevende boek toont hij ons het Woord dat vlees geworden is, uit de evangeliën, tegenover het Woord en de Idee, die in de wolken blijven, van de platonische filosofie. Hij belijdt dat hij vroeger de weg zocht om kracht te krijgen tot het genieten van God, maar Hem niet vond. Tot hij Christus aannam, die de spijs der sterken met zijn aardse leven vermengde, om zo ook zelfs kinderen met goddelijke wijsheid als met melk te kunnen voeden. God is de spijs der sterken. Maar Augustinus kwam vroeger niet tot de genieting daarvan, omdat hij daartoe te zwak was. God was wel het onderwerp van zijn druk discours, maar dat onderwerp zou buiten Christus zijn ondergang geworden zijn. Want hij kon God niet aangrijpen, omdat hij niet in de laagte de tot hem neergehurkte Jezus als zijn God aanvatte. Hem ontbrak de liefde, die alles bouwt op het fundament der nederheid, Jezus Christus.y

De omschrijvende vertaling, die ik hier van enkele verspreide volzinnen uit het zevende boek gaf, bieden slechts een zwakke weergave van het lieven en loven, het naderen en neigen voor Christus, dat Augustinus in de taal der Confessiones doet.

Dit is de bedding waarin de Bekentenissen naar God uitgaan. Confessie, kerk, Christus, daardoor hebben wij de toeleiding tot Gods genadetroon. Steeds voller wordt de toon, steeds duidelijker de accenten, naarmate we van de eerste voortgaan tot de tweede en vandaar tot de Derde.

We willen thans nog luisteren naar de inhoud van de belijdenissen. Ten dele kan ik daarvoor verwijzen naar de korte samenvatting van Augustinus' levensloop vóór zijn doop, die ik, aan de hand van de Confessiones, reeds gaf. Er zijn twee lijnen in het boek. De eerste geeft wat de schrijver was; de tweede wat hij is. Maar ofschoon de eerste loopt door boek I-IX en de andere in boek X wordt getrokken, liggen ze toch niet in elkaars verlengde. Ze snijden elkaar. Wat hij is, na zijn Doop, dat was hij ook reeds daarvoor. Monnica zag hem in een droom staan in dezelfde geloofsregel als zichzelf, reeds op zijn twintigste jaar.z En vrome vrienden troostten haar meer dan eenmaal met wat ze wisten van zijn eeuwige bestemming.a De hymnus en fletus van de biecht van de kerkvader in 397 gingen reeds op tot de oren van God, in de lange jaren van zijn intellectuele en zedelijke afdwalingen, achter het gordijn van zijn leven, uit de mond van zijn vrome moeder.

Wat in het geweldige tiende boek beleden wordt over God en de ziel, dat staat 'in nuce' reeds in hoofdstuk 10 van boek VII, waar Augustinus een mystieke beleving uitbeeldt uit de tijd van zijn professoraat te Milaan. En het is tevens de vastlegging in woorden van wat hij samen met Monnica ervoer aan het venster te Ostia. - Omgekeerd is de Augustinus, die het gezag der kerk en der Schrift had leren eerbiedigen en haar eenvoud en gewone wijze van spreken leren liefhebben, de boeken der neoplatonici niet vergeten. Hij heeft ze meegedragen in de kerk, zoals hijzelf zegt, gelijk Israël het goud der Egyptenaren op Gods bevel meedroeg naar Kanaän.b Hij heeft, nu zijn ogen zijn opengegaan voor Christus' nederheid en de bitterheid van het kruis, de smaak voor | de hoogheid en schoonheid en de zoetheid Gods niet verloren.

Deze beide lijnen snijden elkaar. Dat ze dat doen en elkaar niet dekken en ook niet opvolgen, vormt het raadsel, het onoplosbare, het wonder van de Confessiones. Daaruit ontstaat wat Harnack genoemd heeft: de narcotische werking van het boek.c Het is ook de reden waarom het met een bepaalde kerkelijke opvatting niet precies overeenkomt.

De eerste van deze lijnen zou ik de horizontale willen noemen; de tweede de verticale. Een loopt van Cicero naar Ambrosius; de andere tekent de opvaart van de ziel naar God. Ik kom eerst op de horizontale.

Augustinus' boek beeldt de overgang uit van Romein tot christen. Merkwaardig verscholen staat aan 't begin de figuur van Cicero. Augustinus schrijft dat hij volgens het leerplan aan een boek van een zekere Cicerod was gekomen; de lezer herinnert zich dat boek. Een zekere Cicero. Kan iemand meer obscuur voorkomen in een biografie? Zielinski2⌫ in zijn Cicero im Wandel der Jahrhunderte vindt het blijkbaar te erg. Hij maakt er van: een zeker boek van Cicero.e Wat er niet staat. Herinnert de kerkvader zich nu nauwelijks de beroemde stijlmeester, die hij gewoon was als model op te stellen voor zijn leerlingen? Augustinus had een goed geheugen, ook in dit opzicht. Dat hij stijl-overwegingen kent, ook in zijn christelijke periode, daarvan getuigt elke bladzijde. Maar daarvan mag hij, als hij zijn geestelijke ontwikkeling beschrijft, toch wel een weinig afzien. Hij zegt het zelf: "Niet een werktuig tot scherping van de tong had ik in de Hortensius gevonden; niet door de uitwendige vorm, maar door de inhoud had het boek mij gegrepen."f Maar daaruit komt juist de vraag naar voren, die ons hier moet bezig houden, of er dan van de filosofische schriften van Cicero geen blijvende invloed op hem is uitgegaan. Men hoort er verder in de Confessiones zo weinig van. Het is alles manicheïsme en neoplatonisme, wat volgens het boek hem beïnvloed heeft. Is er geen echt Latijnse draad in de ontwikkeling van de kerkvader, geen lijn van Cicero naar Ambrosius? En is de stoot, die de Hortensius gaf, zuiver toevallig? Zodat, uit een biografisch oogpunt, er toch slechts van 'een zekere' Cicero sprake behoeft te zijn?

Ik meen dat dit ontkend moet worden. Iemand spreekt in 't algemeen veel minder over wat hem eigen is dan over de vreemde invloeden, die hij ondergaat. In ons land wordt vaak meer over Duitse theologie gesproken dan over Nederlandse. En toch volgen we een eigen lijn. Zo gaat het ook hier. In de Confessiones komt niet de manicheeër of de neoplatonist tot Christus, maar gewoon de Romein. En nu weet ik wel dat er een samensmelting van Latijnse en Hellenistische beschaving heeft plaats gehad, maar het Westen van het Rijk behoudt toch een eigen karakter. Het Griekse zit er hier slechts dun op.

Ik geloof dat het een fout is als men dit over 't hoofd ziet. En toch gebeurt het dikwijls. De invloed van de burgerlijke denkbeelden in 't Westen en van haar wijsgerige bewerking door Cicero is natuurlijk veel sterker geweest dan uit de tekst van het boek blijkt. De invloed van de filosofische schriften van Cicero heeft in de late Oudheid en daarna die van zijn retorische verre overtroffen. De retoriek verloor met het verval van het Rijk haar tribune. Ze werd een ijdel spel der scholen. Als Augustinus zijn ambt te Milaan neerlegt, dan keert in hem de waardige Romeinse geest zich af van deze woordenkramerij. Maar de wijsgerige moraal wordt in de kerk opgenomen en gechristianiseerd.

Ik wil, om dit te verduidelijken, een enkele lijn van Cicero naar Ambrosius en over hem naar Augustinus trekken.

Cicero kent tweeërlei standpunt voor een Romein, het nationale en het persoonlijke. Ten opzichte van het eerste, dat in de cultus uitkomt, geldt de regel, dat men de voorvaderen gelooft zonder gronden. Maar op het andere kiest men zelf. Dan is men wijsgeer. Cicero is in dat opzicht een echte Romein geweest, die praktisch, met het oog op het leven, zijn vragen beslist, of, als ze te diep gaan, ze openlaat. Op deze weg is Augustinus door de Hortensius gebracht. Maar bij zijn honger naar waarheid heeft hij hoe langer hoe meer vragen open moeten laten. - Een andere praktische Romein, Ambrosius, heeft hem er toen toe gebracht ook hier te geloven zonder gronden, dwz. gezag te laten gelden. Deze prefect in een bisschopsmantel weet dat wij dat ook in het rijk der waarheid en niet alleen in de wereld der gewoonte nodig hebben. Augustinus verheft de waarheid ver boven de gewoonte. Hij is christen en geen heiden. Maar in de Confessiones zijn cultus en filosofie verzoend. Voor de Griek blijft het dogma iets onpersoonlijks, voorwerp van aanbidding. Voor de Romein is het een zaak van dagelijkse gehoorzaamheid en zo blijft het voor het hele Westen. Het is merkwaardig dat niet Virgilius, als later Dante, Augustinus ten leidsman is geweest, maar Cicero. Virgilius is symbool van de cultus; Cicero van de praktijk.

De weg van Cicero naar Ambrosius zouden we in talrijke lijnen kunnen uitstippelen. Ik trek hier nog slechts één, die zeer belangrijk is en nauw met Augustinus' geestelijke ontwikkeling samenhangt. Veel heeft hij te stellen gehad met zijn ergernissen aan het Oude Testament. De leraar in de retorica, gevormd aan de fraaie periodes van Cicero, heeft een harde school moeten doorlopen voor hij de schoonheid van de Psalmen leerde erkennen. Maar nog meer dan om de taal gaat het hier om de inhoud. De Romeinse burger ergerde zich aan de rechtsbegrippen in het Oude Testament. Dat boek vond hij barbaars en onzedelijk. Hij kende niet "de ware innerlijke gerechtigheid, die niet oordeelt naar de gewoonte, maar naar de allerrechtvaardigste wet van de almachtige God. Een wet waardoor de zeden van landen en tijden naar de aard van land en eeuw gevormd werden, terwijl zij zelve overal gelijk bleef."g Hij is gewend te oordelen naar een publiek wetsartikel. Hij kan zich niet denken "een uit zichzelf lichtende rechtvaardigheid en een om zich zelve na te jagen geestelijke schoonheid, die het vleselijk oog niet ziet en die innerlijk aanschouwd wordt."h Hij kent niet, wat ik hier noodgedwongen voorlopig onvertaald moet laten, de 'articulus occulti temporis'. iWe willen trachten tot een vertaling daarvan te komen.

Cicero heeft, zoals bekend is, in een geschrift Over de plichten ook gehandeld van de botsing tussen verschillende plichten. Men moet zich dan, zo raadt hij aan, tot ervaren lieden wenden, die midden in het leven staanj Letten we nu op Ambrosius, die Augustinus geholpen heeft om zijn ergernis over het Oude Testament te overwinnen. Hij deed dat vaak door vergeestelijken van de verhalen. Maar nu doet bij het op een andere manier. De bisschop van Milaan heeft een Geestelijke plichtenleer geschreven, die tot op zekere hoogte een omwerking is van Cicero's Plichtenleer. De lieden die midden-in-het-leven, in laatstgenoemd boek, het conflict tussen plichten moeten oplossen, worden in de bewerking van Ambrosius lieden-buiten-het-leven. Hij wijst op de Levieten in Israël, die buiten de maatschappij stonden en daarom 't onpartijdigst konden beoordelen hoe men de conflicten in de samenleving moet oplossen.k Een merkwaardige en - men zal het Zielinski moeten toegeven - niet onbedenkelijke wijziging van Cicero's gedachte.l Wanneer men deze lijn: Cicero-Ambrosius regelrecht doortrekt, komt men bij de Jezuïeten terecht.

Augustinus heeft ze doorgetrokken en is daar toch niet uitgekomen. Hij is tenslotte niet tot Ambrosius maar tot Christus gekomen. Hij leert van de bisschop wel dat de strijd der plichten wijst op het bestaan van een andere, niet publieke, maar verborgen gerechtigheid. Maar in de Confessiones wordt dit tot een diepe beschouwing van de gerechtigheid Gods. Een 'zelflichtende rechtvaardigheid',m die men alleen door het geloof kan verkrijgen. Niet de gewoonte, ook niet de moraal, maar het oordeel zal uitmaken wie zijn plicht gedaan heeft. Dat is de vertaling van 'articulus occulti temporis'.

We zien dus hoe de gedachten zich wijzigden onder de invloed van het Evangelie. De antieke dapperheid, die haar hoogtepunt had in de zelfmoord, wordt in Ambrosius' Geestelijke plichtenleer martelaarsmoed. De sociale gerechtigheid begint bij hem op te gaan in de wijsheid, bedoeld als Godskennis, die buiten de maatschappij verleend is aan de kerk en haar dienaren, en wordt bij Augustinus: verborgen geloofsgerechtigheid, die uitsluitend Gods eigendom is en door hem als gave geschonken wordt. Cicero vindt het vanzelfsprekend dat niemand God dankt voor de deugd. De goden hebben ons het leven gegeven. Goed-te-leven, dat moeten we zelf doen.n Augustinus is de grote belijder van Gods genade, die uitroept tot God: geef ons wat Gij beveelt. Niet alleen het gebod, maar ook de gerechtigheid, de vervulling moet God geven.

Dit alles culmineert in de titel van ons boek: Confessiones. Voor Cicero is het een moreel axioma dat men zijn eigen fouten niet bespreken kan. Dat strijdt tegen het mannelijk decorum. Een enkele maal komt hij op de grens, maar dan vermant hij zich weer.o Augustinus stort zijn hele ziel en wezen uit in de confessie, voor de oren van de hele wereld. Belijdenis is hem het hoogste en zoetste. Wie zich naast de lezing van Augustinus' boek nog eens op negatieve wijze wil overtuigen van de grote betekenis van deze dingen, die legge daarnaast de Essais van Montaigne.3 Die bevatten ook een biecht, in fijne zelfanalyse misschien 't dichtst de Confessiones benaderend. Ook hem belet het decorum niet het voor de hele wereld te doen. Maar hij doet het niet voor God. Hij biecht bij zichzelf, zonder tranen, maar ook zonder blijdschap, zonder hymnus en fletus, schaamteloos zich zijn eigen fouten bekennend en... vergevend. Dat is de debâcle van het Romeins trots zelfbewustzijn buiten het Evangelie om.

De Confessiones vertegenwoordigen de voltooiing van het antieke persoonlijke leven onder invloed van het Evangelie. Ze zijn daarvan de schoonste en rijpste vrucht.

Er rest mij nog iets te zeggen over de verticale lijn in ons boek: God en de ziel. Hier is het niet meer de Romein die de aandacht trekt. Geen Cicero of Ambrosius. Zelfs geen Augustinus. Het historische treedt op de achtergrond . Zelfs Christus, de weg, treedt terug achter Hem, die het oor tegen het hart houdt als de biecht gedaan wordt 'met het roepen der gedachten'.p - Ik spreek er het laatst over en zal het ook het kortste doen. Het leent zich eigenlijk ook niet voor een herdenking, zelfs niet na 1500 jaren. Deze lijn is symbool van de eeuwigheid.

Men kan zeggen dat op iedere bladzijde van het boek het historische en het eeuwige elkaar raken. Dat maakt het zo diep en aangrijpend. Maar ze vallen toch niet samen. Het historische wordt niet mystisch opgeheven. En het eeuwige vloeit niet in historische bedding. Het eerste geschiedt althans minder dan in de middeleeuwse mystiek en het tweede minder dan in de Reformatie bij Luther.

Het tiende boek beeldt in woorden uit het zoeken van de ziel naar God. Het is eigenlijk een herhaling van boek I-IX; van de historische gang van Augustinus tot God. Maar nu valt die geschiedenis weg. Zelfs Monnica is er niet meer. Alleen God en de ziel. Anders begeert Augustinus niet te kennen. Prachtig wordt de vaart der gedachte beschreven, altijd hoger, boven alle schepselen; straks steeds dieper en dieper in de schuilhoeken der ziel en in de holen en gangen van het geheugen. Steeds fijner wordt de zielkundige ontleding tot de herinnering der herinnering en de herinnering van het vergeten toe. Ik vond U, zegt Augustinus, 'boven mij, in U'.q Eindelijk keert de gedachte, aan het slot, moede van haar vlucht, in de veilige armen van Christus terug.

Ik zie in dit boek de vastlegging in woorden van mystieke ogenblikken in Augustinus' leven, die ons bekend zijn uit boek VII, 10, en de heerlijke ervaring, samen met Monnica, uit het slot van boek IX. Is dat neoplatonisme? Zijn het geestelijke exercitiën, waarin de schrijver zich geoefend heeft als leerling van Plotinus? Is het Egyptisch goud op de christelijke woestijnreis meegenomen? Dat laatste enigszins, volgens zijn eigen verklaren. Maar hij ontkent het tot afgodendienst te hebben gebruikt. Hij heeft er God mee gediend. Het is goud in Gods tempel geworden.r Augustinus had reden het neoplatonisme dankbaar te zijn. Hij is het ook geweest. Het had hem verlost van de obsessie van zijn stoffelijk godsbegrip en hem dichter bij het Evangelie gebracht. Maar hij heeft altijd geweten wat het hem niet gegeven heeft. Wat hij in het tiende boek heeft geschreven zie ik als een uitbeelding van geloofsleven van volkomen oorspronkelijk type. Moeder en zoon hebben te Ostia geen geestelijke oefening uitgevoerd maar een zeldzame genade van God ontvangen. Zo ook de mystieke ervaring in boek VII. De theologie, die daaruit geboren wordt, raakt ons minder direct dan die, welke met Augustinus' historische ontwikkeling van Romein tot christen samenhangt en die naar Luther heen wijst. Deze theologie van God en de ziel wil echter ook altijd weer tot Christus inkeren. Ze completeert geestelijk de Confessiones. Ze voegt bij het geloof, dat onzienlijke dingen vasthoudt, de schouwende liefde. Ze is als Johannes naast Paulus.

Voetnoten

  1. a

    Zie p. 51, noot j.↩

  2. b

    Zie p. 34, noot b.↩

  3. c

    Zie p. 34, noot c.↩

  4. d

    Conf.V,8. MPL.32,712v. CSEL.33,100vv.↩

  5. e

    Conf.III,11. MPL.32,691v. CSEL.33,60vv.↩

  6. f

    Conf.Vl,6. MPL.32,724. CSEL.33,122v.↩

  7. g

    Conf. IX, 10. MPL. 32,774. CSEL. 33,217.↩

  8. h

    Ibid.↩

  9. i

    Conf.IX,11. MPL.32,776. CSEL.33,219.↩

  10. j

    Zie p. 53, noot r.↩

  11. k

    Conf. X, 4. MPL. 32, 781. CSEL. 33, 229.↩

  12. l

    Conf. X, 3. MPL. 32, 780. CSEL. 33, 227 v.↩

  13. m

    Conf. X, 3 en 4. MPL. 32, 781. CSEL. 33, 228 v.↩

  14. n

    Deze uitdrukking komt niet letterlijk zo in de Conf. voor. Vgl. echter VII, 7; IX, 12; X, 2.↩

  15. o

    Conf. X, 2. MPL. 32, 779. CSEL. 33, 227.↩

  16. p

    Conf. X, 2. MPL. 32, 780. CSEL. 33, 227.↩

  17. q

    Conf. X, 1. MPL. 32, 779. CSEL. 33, 226.↩

  18. r

    *Conf. VII, 20.* MPL. 32,747. CSEL. 33,166.↩

  19. s

    Conf. IX, 2. MPL. 32, 764. CSEL. 33, 198.↩

  20. t

    Conf V, 5, dat handelt over het manichëisme. MPL. 32,709. CSEL. 33,94: Vanitas est enim mundana ista etiam nota profiteri, pietas autem tibi confiteri.↩

  21. u

    Conf. IV, 16. MPL. 32, 704. CSEL. 33, 85 v.↩

  22. v

    Conf. IV, 16. MPL. 32, 706. CSEL. 33, 88.↩

  23. w

    Conf. VI, 5. MPL. 32,723. CSEL. 33,121 V.↩

  24. x

    Conf.IX,4. MPL.32,766. CSEL.33,202.↩

  25. y

    Conf. VII, 18 en 20. MPL. 32, 745 vv. CSEL. 33, 163 en 165 v.↩

  26. z

    Conf.III,11. MPL.32,691v. CSEL.33,60vv.↩

  27. a

    O.a. Conf. III, 12. MPL. 32,692 v. CSEL. 33, 62 v.↩

  28. b

    Conf. VII, 9. MPL. 32,741 v. CSEL. 33,156 v.↩

  29. c

    A. von Harnack, DG., dl. 3, p. 73. Vgl. p. 172.↩

  30. d

    Conf. III, 4. MPL. 32, 685. CSEL. 33, 48.↩

  31. e

    Th. Zielinski, Cicero im Wandel der Jahrhunderte, Leipzig 19123 p. 116: 'An eine gewisse Schrift Ciceros.' CSEL. 33, 48: In librum cuiusdam Ciceronis.↩

  32. f

    Conf. III, 4. MPL. 32, 685. CSEL. 33, 48 v.↩

  33. g

    Conf. III, 7. MPL. 32, 688. CSEL. 33, 54.↩

  34. h

    Conf. VI, 16. MPL. 32, 732. CSEL. 33, 139: Cogitare non possem lumen honestatis et gratis amplectendae pulchritudinis, quam non videt oculus carnis et videtur ex intimo.↩

  35. i

    Conf. III, 9. MPL. 32, 691. CSEL. 33, 59.↩

  36. j

    De officiis I, 147: Doctos homines vel etiam usu peritos.↩

  37. k

    De officiis ministrorum I, 50. MPL. 16, 108 vv.↩

  38. l

    Zielinski, Cicero im Wandel der Jahrhunderte, p. 112.↩

  39. m

    Zie p. 24, noot h.↩

  40. n

    De natura deorum III,86: Virtutem autem nemo umquam acceptam deo rettulit. Zie ook III, 87 en 88.↩

  41. o

    Vgl. p. 219, noot m.↩

  42. p

    Zie p. 18, noot o.↩

  43. q

    Conf.X,26. MPL.32,795. CSEL.33,255: In te supra me.↩

  44. r

    Zie p. 22, noot b.↩

Eindnoten

  1. 1

    N. publiceerde De Confessiones van Augustinus in Eltheto 84 (febr. 1930) nr. 5, p. 129-146. Het vormde de eerste vrucht van N.' hernieuwde studie van Augustinus, die haar uiterlijke aanleiding vond in het feit, dat in 1930 werd herdacht, dat Augustinus 1500 jaar tevoren gestorven was. Dat N. zich ook voordien reeds diepgaand met Augustinus heeft beziggehouden, blijkt o.a. uit Geloven op gezag (dl. 2, p. 135-152). De hernieuwde studie van Augustinus kreeg voor N. een bijzondere actualiteit door het herlevende heidendom in de jaren '30, waartegen de 'kritische waarde' van Augustinus bij uitstek zichtbaar werd (zie p. 32).

    De beginpagina's van het hier opgenomen artikel keren vrijwel ongewijzigd terug in het boekje, dat N. in 1933 publiceerde over Augustinus. Zie p. 33-38.

    In dit en in alle volgende stukken van N. over Augustinus wordt steeds, waar N. de Romeinse provincie Africa proconsularis op het oog heeft, Africa gedrukt.↩

  2. 2

    Th. Zielinski (1859-1944), van 1887-1922 hoogleraar te Petersburg, vanaf 1922 te Warschau. Zielinski onderzocht de nawerking van klassieke auteurs als Cicero; ook bestudeerde hij de geschiedenis van de godsdienst van de Oudheid. Hij was een typisch vertegenwoordiger van de klassieke filologie.↩

  3. 3

    Zie dl. 2, p. 161-166.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Het Koninkrijk der hemelenInhoudAugustinus →