O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De Heilige GeestInhoudIdsegahuizen-Piaam (1903-1910) →

Verzamelde Werken, deel 2 · p. 434–550

Het Koninkrijk der hemelen1

Ter inleiding

Wanneer bij het onderwijs der christelijke kerk gehandeld wordt over de bekende vijf 'stukken', die er het ijzeren bestand van uitmaken - het geloof, ⚑de wet, het gebed, doop en avondmaal - dan kan men zeggen, dat, voor de Reformatie, daarmee de delen van de eredienst werden toegelicht. Alleen voor de Tien geboden is dit minder duidelijk. Maar men kan de psalmen zien als vertegenwoordigers van de wet in de dienst.

Na de Kerkhervorming blijven deze vijf delen, maar de gemeente is minder uitsluitend op de liturgie aangewezen; zij leeft en leert ook heel sterk uit de Heilige Schrift. De Heidelbergse catechismus dankt zijn hoofdindeling in drieën aan de briek aan de Romeinen. Daardoor worden vooral de Twaalf artikelen tot een soort 'inzet'; een afzonderlijke, als door een cirkel omschreven aparte afdeling in het geheel.

Ik heb getracht mijzelf en anderen rekenschap te geven van de eisen, die daardoor aan de verklaring worden gesteld. De titel van dit boek drukt reeds uit, in welke richting ik de oplossing heb gezocht. De liturgische titel: Het geloof liet ik vallen. En verving die door de bijbelse: Het Koninkrijk der hemelen. Dwars door de onderwijzing omtrent zonde, verlossing en dankbaarheid, volgens Paulus' grootste brief, komt hier de belijdenis van het Koninkrijk Gods, volgens de evangeliën, naar voren.

Welke gevolgen dit heeft voor de verklaring van de zondagen 7-22, zal men bijna overal op de volgende bladzijden kunnen vinden.

De eerste zondagen zijn uitvoeriger behandeld dan de latere, omdat daarbij de algemene gezichtspunten ter sprake moesten komen, die deze toelichting beheersen.

Voor de tekst is de uitgaven van dr. J.N. Bakhuizen van den Brink gevolgd.2

Zondag 7

Vraag 20: Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden?

Antwoord: Neen, maar alleen degenen, die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen.

Vraag 21: Wat is een oprecht geloof?

Antwoord: Een oprecht geloof is niet alleen een zeker weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houde, dat ons God in zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus' wille.

Vraag 22: Wat is dan een christen nodig te geloven?

Antwoord: Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof in een hoofdsom leren.

Vraag 23: Hoe luiden die artikelen?

Antwoord: Ik geloof in God de Vader enz.

De Heidelbergse catechismus werd opgesteld om als leerboek voor de jeugd te dienen. Vandaar ook de indeling in vragen en antwoorden; een methode van onderwijs, die vroeger, meer dan thans, in gebruik was. Daarbij kwam het er op aan om van de beloften van het Evangelie, van de geboden der goddelijke wet en van de gebeden, die Christus ons geleerd heeft, korte en duidelijke bepalingen te geven, die de leerling zich kon eigen maken door ze van buiten te leren. In de nieuwere tijd kreeg men bezwaar tegen zuld een leerwijze; zowel tegen scherpe definities als tegen het van-buiten-leren; vooral bij het godsdienstonderwijs. Men schreef liever lesjes, waarin de onderwerpen werden geredeneerd. De leerling moest dan in zijn eigen woorden de inhoud leren weergeven en daarmee tonen dat hij het zich had toegeëigend.

Ofschoon ik erken dat aan de catechetische leerwijze gevaren verbonden zijn, heb ik er toch altijd bezwaar tegen gehad om er radicaal mee te breken. Althans wanneer dat zou betekenen, dat daarmee ook het geven van vaste formuleringen door de leermeester en het van-buiten-leren door de leerling in de ban zouden worden gedaan. Nog minder kan ik er veel voor voelen als men, volgens een der laatste methoden, de godsdienstige onderwerpen aan groepjes leerlingen in discussie geeft, om dan zo, van onderen op, tot begrip van de zaak te komen. Dit lijkt mij in strijd met het wezen der opvoeding; vooral der godsdienstige opvoeding.

Maar ook wanneer wij anders zouden willen, dan zouden wij toch genoodzaakt zijn bij de behandeling van de Heidelbergse catechismus met de ouderwetse leerwijze rekening te houden. Dat leerboek behandelt juist een drietal van die korte samenvattingen, waarvan men de delen op zijn vingers kan natellen en die kennelijk bestemd zijn om ze van buiten te leren. het zijn de Twaalf artikelen, de Tien geboden en de zes beden van het Onze Vader. Antwoord 22 noemt die artikelen ook een hoofdsom, dwz. een kort begrip van wat ons in het Evangelie beloofd wordt. De geboden staan, precies geteld, op twee tafelen en van elk van deze twee geeft Jezus in Mattheüs 22 : 36-40 nog eens weer de hoofdsom of het kort begrip. En niet anders staat het met het Onze Vader, waarvan antw. 118 zegt, dat Jezus daarin 'begrepen' heeft, dwz. een kort begrip gegeven heeft, van alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, waarom wij bidden.

Dat de Heid. Cat. zo te werk ging, is in overeenstemming met de praktijk van alle christelijke eeuwen. Ook in de middeleeuwen ging het kerkelijk onderwijs over het geloof, het gebod en het gebed en ging men daarbij uit van het drieërlei kort begrip, dat ook in ons leerboek behandeld wordt. Zo was het ook reeds in de oude kerk. Wanneer Augustinus een Handboekje schrijft over de christelijke waarheid, dan handelt hij over het geloof, de hoop en de liefde en hij doet dat aan de hand van de Twaalf artikelen, het Onze Vader en de Tien geboden.3

Men leerde ze ook steeds van buiten. In de oude kerk werd het geloof mondeling overgeleverd; men mocht het zelfs niet opschrijven. En later stond Karel de Grote er op, dat ieder christen het Credo, de wet en het gebed van buiten zou kennen. Luther vroeg ook weer datzelfde bij zijn kerkvisitaties4. - Zo zijn wij dan door een kerkelijke overlevering van bijna twintig eeuwen wel enigszins verbonden om niet al te afkerig te zijn van het begrip in geloofszaken. En evenmin om het geheugen daarbij niet geheel uit te schakelen. Hoe zouden wij, als redelijke wezens met een historie, ons dat ook kunnen veroorloven! Iedere ketter heeft zijn letter. Maar dat wil niet zeggen dat een goed christen er geen mag hebben. Het betekent alleen, dat die christen moet weten dat de letter zonder de Geest dood is. Om dat laatste goed te laten uitkomen, noemde Augustinus dan ook in zijn Handboekje de Twaalf artikelen het geloof, het Onze Vader de hoop en de Tien geboden de liefde.

Deze verbinding van letter en Geest of liever deze bezieling van de letter door de Geest is het eigenlijke onderwerp van zondag 7. Het begint al dadelijk in vr. en antw. 20, waar geleerd wordt, dat niet alle mensen, die het Evangelie gehoord hebben en de Twaalf artikelen van buiten kennen, zalig worden, maar alleen degenen die door het geloof geestelijk met Christus verbonden zijn, zodat zij in een verborgen gemeenschap met Hem komen te staan. Dat wil niet zeggen, dat zij dan ook kleine christussen zouden worden, maar het betekent, dat Hij voor hen de Christus wordt, de met de Heilige Geest gezalfde. En dat zij Hem zo worden ingelijfd, dwz. zo tot zijn lichaam, zijn lijf, zijn leden, zijn leven komen te behoren, dat de zalving des Geestes, die, zoals Psalm 133 het zo mystiek uitdrukt, "zijn baard en klederzoom doortrekt", ook op hen nedervloeit. Over die zalving en het deelhebben van de christen daaraan spreken wij verder bij zondag 12. Hier is het er ons alleen om te doen te laten zien, dat het toebehoren tot Christus tot hoofdkenmerk heeft, het aannemen van zijn weldaden. Het is precies andersom dan bij de verhouding tot Adam, onze stamvader. Zijn erfenis, de zonde en de daaraan verbonden schuld, kunnen wij niet verwerpen, ook al zouden wij het willen. Niemand ontkomt er aan. Zo is de betrekking tot Christus niet. Die is ook wel een verborgenheid, maar zij is niet fataal, niet noodlottig. Er komt Geest, er komen woorden, beloften, overreding, overtuiging, geloof bij te pas. Men is geen christen tegen wil en dank maar, zoals vr. 21 het zegt, door weten of kennis en door vertrouwen, dat Christus' weldaden, de vergeving der zonden, de eeuwige gerechtigheid en de zaligheid ons geschonken zijn.

Deze verborgenheid der godzaligheid (1 Tim. 3 : 16) is het tegendeel van een fataliteit. Zij is een verrassing, iets heel onverwachts. Het is een geschenk, 'louter genade' zegt vr. 21. Het is een openbaring; wel de openbaring van een verborgenheid, maar toch een openbaring. Genade is, in tegenstelling met zonde, geen erfgoed. Wanneer men ze toch ook zo zou willen noemen, dan moet dat althans in een heel andere zin worden gezegd. De zonde en de dood erven wij van onze ouders en deze zonde heet daarom ook wel erfzonde. De genade echter moeten wij van God erven, voor zover wij medeërfgenamen van Christus zijn (Rom. 8: 17). Zij wordt ook wel van geslacht tot geslacht gegeven, maar daarin blijft God vrij. Haar mededeling geschiedt in de vorm van geven en aannemen. Genade heeft tot bijvoeglijk sierwoord dat zij vrij is. Dat is haar voornaamste bepaling. Niet dat zij bovennatuurlijk is, wat Rome vooropstelt. Zij wil wel menselijk worden. Zij heeft zich bij Jezus gevoegd, toen Hij mens geworden is en heeft zich in Hem belichaamd. Zij is zijn wezen geworden (2 Kor. 13 : 13). Hij is er vol van (Joh. 1 : 14). En allen die Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden. Wanneer dat in Joh. 1 : 12 gezegd wordt, staat er uitdrukkelijk bij, dat dit kindschap niet uit den bloede is, dus niet van Adamswege, maar dat het een geboorte uit God is. Hier heerst een heel ander erfrecht. De noodwendigheden van zonde en dood gelden hier niet. De kinderen Gods erven met Christus de vrijheid, die het voornaamste goed der genade is. Wanneer wij deze vrijheid niet hebben, dan kunnen de vier vrijheden van Roosevelt5 ons niet baten.

Zo is er dan alle reden om die vraag te stellen of de mensen door Christus zalig worden gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden. Er blijkt een zeer belangrijk verschil te bestaan. God laat, om zo te zeggen, de zonde haar gang gaan. Zij plant zich voort met haar straf, de dood. Voor ieder die geboren wordt, ligt het doodvonnis gereed. De oude kerk zag dan ook vaak in de voortplanting de wortel der zonde. Dit is in zoverre waar, dat de zonde zich verbreidt langs de weg van de geringste weerstand. Zij bereikt daarmee, dat zij ook is van geslacht tot geslacht. Maar men hoeft haar niet aan te nemen; zij wordt meegegeven. De kinderen behoeven haar niet af te kijken van de ouders; integendeel, zij hebben vaak scherpe ogen voor de gebreken van dezen.

Dat God de zonde zo loslaat, in en op de wereld; dat Hij haar op haar eigen terrein zo weinig krachtig tegemoet treedt; dat Hij zijn zon laat opgaan over bozen en goeden (Matth. 5 : 45), is de grote ergernis, waardoor velen schipbreuk lijden in het geloof. Zij zouden willen dat God tegenover deze fataliteit ook met dezelfde middelen zou optreden. Dat Hij de bozen tot het goede zou dwingen, zodat er geen ontwijken aan was. Zoals men thans soms in de politiek een bepaald mensentype probeert te scheppen, door hem alles te onthouden wat het type onzuiver zou kunnen maken; en hem alles op te dringen, wat voor de vorming daarvan dienstig is. Wij hebben allen deze methodes om mensen te scheppen voor ogen, waarbij er geen eten en drinken, geen kerk en geen krant, en als puntje bij paaltje komt, geen licht en geen lucht meer overblijft voor degenen die anders denken en willen. Zo gaat God niet te werk en wij behoeven ons daaraan werkelijk niet te ergeren. Ook als het ons toeschijnt dat Hij daarin soms te ver gaat en het wel lijkt alsof de goddelozen door Hem worden voorgetrokken (Ps. 73).

God gaat zijn eigen weg. De weg der vrijheid; van beloften en geloof, de weg der kinderen. Dat het deze weg, de weg der vrijheid is, mogen wij niet vergeten, ook al zien wij hier in de Heid. Cat. Gods verkiezing en de predestinatie even aangeduid worden, wat in dit leerboek niet zo opzettelijk gebeurt. Dat niet allen door Christus zalig worden, vindt nl. niet hierin zijn grond, dat wij bij zondag 7 aan de mens toe zijn, nadat in zondag 5 en 6 over Gods verlossingswerk gesproken is. Het betekent niet dat het geloof nu de beslissende, de scheppende factor wordt. God blijft aan het werk, ook hier. Wanneer de duivelen en de goddelozen onrechtvaardig handelen, beschikt Hij toch zijn werk zeer wel (NGB., art. 13). God gaat tegen het noodlot van zonde en dood in en haalt sommigen daar onderuit. Niet door een tweede noodlot daartegenover te stellen en zo op het terrein van de Boze over te gaan. Maar door vrije verkiezing, met vrije genade, waarbij vele eersten de laatsten worden en vele laatsten de eersten (Matth. 19 : 30). Hij doet dan wat ons zo vaak ergert, en roept zondaars en niet rechtvaardigen tot bekering (Matth. 9 : 13). En dat gebeurt, zoals wij opmerkten, op de wijze der kinderen, door beloften en geloof.

Daarbij komt nu Christus in het middelpunt te staan. Adam staat aan het begin; Christus in het midden. Adam opent de droeve keten van oorzaak en gevolg, waarvan het einde de verdoemenis is. Christus wentelde de steen af van de put met levend water en daaromheen worden de herders verzameld (Gen. 29 en Joh. 4). Op dit onderscheid tussen begin en midden moet nadruk worden gelegd. Uit de keten der verdoemenis kan niemand uittreden. De een stoot de ander aan in zijn val, tot het einde toe. De roeping en de verkiezing echter gaan van het midden uit. De Zone Gods vergadert zich een gemeente van het begin der wereld tot aan het einde (vr. 54); van beide einden af. Iedere gedachte aan een noodlot wordt daardoor geweerd en welke voorstelling men zich ook van de verkiezing maakt, de gedachte van een doorgaan tot alle mensen, zoals dat van de zonde gezegd wordt (Rom. 5 : 12), kan men er niet aan verbinden. In dat 'neen' in antw. 20, maw. 'niet allen', ligt geen onafwendbaarheid opgesloten. De heerlijkheid van de bedeling der verzoening wordt er door uitgedrukt. Christus is geen eerste oorzaak uit de filosofie, maar de goede herder uit het Evangelie, die de schapen rondom zich vergadert. Het Evangelie is niet totalitair, het schakelt alles en allen niet gelijk, maar het is humaan; het rekent met de mens.

Zo staat Jezus dan in het midden. Maar hoe staat Hij daar? Calvijn geeft het juiste antwoord: Christus staat onder ons "gekleed in zijn Evangelie",a Zo wordt het ook in zondag 7 geleerd. Wanneer er gevraagd wordt, wat een christen nodig is te geloven, dan luidt het antwoord: Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt. En dan verder, dat het kort begrip van de beloften des Evangelies in de Twaalf artikelen te vinden is. Dat kan niet duidelijker. Christus staat midden in de gemeente en midden in de wereld, omhangen met deze beloften, waarvan er twaalf worden opgenoemd. Zoals Jezus op aarde rondwandelde, omringd met de twaalf discipelen, wier namen in de evangeliën worden genoemd.

Deze figuur van het christelijke heil is van ontzaglijk grote betekenis en men moet zich wel bedenken voor men gaat trachten daarin verandering te brengen. Een bekend Nederlands theoloog, de scherpzinnige Doedes, heeft in een werk over de Heid. Cat. aanmerking gemaakt op zondag 7. De vragen en antwoorden waren hem niet persoonlijk genoeg. Zij brachten niet voldoende een directe verhouding tussen Christus en de gelovige naar voren. Zij bleven hier en daar veel te zakelijk, als zij spraken van weten of kennis en van beloften, zelfs van artikelen. Hij had hier eigenlijk alleen gesproken willen zien van een geloof in Jezus Christus en dat willen uitgelegd zien als "het aannemen van Hem en het zich overgeven aan Hem".b Hij zou het meer in overeenstemming met het wezen der Reformatie hebben gevonden.

Bij de beoordeling van dit bezwaar komt alles aan op de vraag of wij door dat kleed, zoals Calvijn het noemde, en waarmee Christus omhangen is, de beloften van het Evangelie, moeten heendringen om op die wijze bij Christus zelf te komen of dat wij met art. 13 van onze Geloofsbelijdenis ons tevreden moeten houden met hetgeen Hij ons aanwijst in zijn Woord, zonder deze palen te overtreden. Ik houd dat laatste voor het enig juiste. Ik geef toe dat wij, tegenover Rome, er nadruk op moeten leggen en blijven leggen, dat het niet alleen een zeker weten of kennis is, niet iets voorlopigs, dat dan nog zaligmakend moet worden door iets dat er bijkomt, maar dat mag ons er niet toe brengen om het geloof in Jezus Christus voor te stellen als een zo regelrechte verbinding met de Heer, dat daarbij het Evangelie, de prediking, de sacramenten, de kerk, zouden wegvallen. Wanneer de apostolische zegenbede ons "de genade des Heren Jezus Christus" toebidt, dan wordt daarmee een zekere toeleiding van die genade niet uitgesloten, maar juist voorondersteld. Genade houdt toeleiding in. Ons verschil met Rome gaat niet over de noodzakelijkheid van genademiddelen, maar over de aard van de genade en van die middelen.

Iedere poging onzerzijds om een meer directe toegang tot Jezus Christus te verkrijgen dan door God verordend is, leidt tot kortsluitingen, die voor de kerk en voor de gelovigen persoonlijk noodlottig zijn. Het blijft bij Calvijns woord, dat Christus in ons midden staat "gekleed in zijn Evangelie". Zonder het Evangelie, zonder de prediking (Rom. 10: 14), zonder de evangeliën (Lukas 1 : 4), zonder de Brieven (Gal. 3 : 1), zonder de beloften van het Evangelie (antw. 22) en zelfs zonder een samenvatting daarvan, kunnen wij niet in Jezus Christus geloven. Wanneer dit niet het geval was, zouden Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes niet geschreven hebben en zou de oude kerk het Credo niet aan de dopelingen hebben overgeleverd. Jezus zou zelf telkens weer hebben moeten verschijnen of de kerk zou in geestelijke opwinding zichzelf telkens opnieuw een beeld van Hem hebben moeten scheppen. - Daarom is het niet onjuist, wanneer een rooms dogmaticus schrijft: "Het geloof is in het Nieuwe Testament objectief de som van meerdere aparte waarheden, die men later tot een eenheid samenvoegt en met een woord 'Geloof ... aanduidt.6c ' Het verschil tussen Rome en ons ligt ook hier weer alleen in een nadere bepaling; in dit geval van de aard van een 'aparte waarheid'.

Wij zullen dus goed doen, ons op dit punt bij Calvijn en bij de Heidelbergse catechismus te houden. Hier op aarde kennen wij ten dele (1 Kor. 13 : 9). Onze kennis is stukwerk (vert. Brouwer). Nog beter: bij gedeelten, zoals het ook in 1 Kor. 12 : 27 voorkomt. Het staat tegenover een kennen van "aangezicht tot aangezicht", zoals God ons kent (1 Kor. 13 : 12). Wij moeten bij het Woord leven zonder deze palen te overschrijden.

Deze waarschuwing is niet overbodig. Het heeft reeds in de oude kerk niet ontbroken aan pogingen om deze grenzen te passeren. Zo, wanneer men in de Griekse kerk de Heer, als ik het zo eens plastisch noemen mag, liturgisch trachtte op te roepen, zoals die vrouw te Endor, die Samuël deed opkomen (1 Sam. 28). Christus komt niet in ons midden, zoals de goden die uit de aarde opkomen onder de bezwering van bepaalde liturgische formules (1 Sam. 28 : 13), maar Hij komt met zijn Geest, die de herders om zich verzamelt en hen in alle talen het Evangelie doet verkondigen (Hand. 2) en hun, eveneens bij gedeelten (1 Kor. 12 : 27), zijn gaven meedeelt, zódat de een hand is, de ander voet; de een oor, de ander oog (1 Kor. 12 : 14-2 1).

Daarom was het ook veel meer naar de bedoeling van de apostolische leer, als men aan de avondmaalstafel de Heilige Geest aanriep, wat men de epiclese noemde. Jezus had immers ook zelf gezegd: "Het is u nut, dat Ik wegga" (Joh. 16 : 7). Deze vermaning heeft de Westerse kerk over het algemeen beter verstaan dan de Oosterse. Alleen heeft Rome de tegenwoordigheid van Christus in het midden der gemeente bij het Avondmaal toch weer zo weinig als door Woord en Geest bemiddeld opgevat, dat de consecratie toch weer op een bezwering gaat lijken.

Ook de omgang van een Franciscus van Assisi met Jezus en de mystiek der wonden, die daarmee samenhangt, zoekt zulk een directe toegang tot de Heer. Wel gaan zij niet buiten de evangeliën om, maar zij drukken de tekst zozeer, zij zoeken de ruimte voor Woord en Geest zo in te perken, dat het toch weer bijna een 'aangezicht tot aangezicht' wordt.

De Reformatie houdt zich tevreden met een kennis bij gedeelten. Met de hele christelijke kerk heeft zij er geen bezwaar tegen, dat er tussen Jezus Christus en ons Twaalf apostelen staan en zij wraakt het in Rome, dat deze kerk daarvoor weer de eenheid van het pausdom in de plaats stelt. Van zulk een aanschouwelijkheid van Christus in een aardse stedehouder wil zij niet weten. - Evenmin voelt zij zich te kort gedaan als zij met de kerk van alle eeuwen de kennis van de Heer voor haar ogen als gebroken ziet in de Twaalf artikelen. En zij protesteert er weer tegen, als Rome deze gebroken Christus aan de Heilige Geest uit handen neemt, om daarvoor de eenheid van een katheder in de plaats te stellen.

Men versta mij wel. Hiermee is niet gezegd, dat aan de Twaalf artikelen een plaats in of naast de Schrift zou worden toegekend. Deze artikelen zijn een symbool, een teken van de aard der bedeling des Geestes. Daarmee wordt aangeduid, dat de Heer zijn verdienste, zoals het in antw. 21 heet, aan de Heilige Geest ter uitdeling toevertrouwt en dat deze Geest ze als beloften aan de gemeente uitdeelt. Daarom is het tegen Gods wil, als wij dit werk weer op de aanschouwelijke éénheid van de Heer in de evangeliën zouden willen terugbrengen, op welke wijze en in welke vorm dit dan ook maar gebeurt.

Daarom dient het ook niet tot versterking van het geloof, als men uit de schat van de beloften van het Evangelie, waarvan de Twaalf artikelen ons de hoofdsom geven, een enkele naar voren brengt en die als het kort begrip van alle tezamen gaat aanwijzen. Ik denk aan de belijdenis, dat Jezus Heer is, uit het tweede artikel. Paulus zegt in 1 Kor. 12 : 3, dat niemand kan zeggen: 'Jezus is Heer', dan door de Heilige Geest. Dit was blijkbaar een uitroep, die de christenen in de eerste gemeenten lieten horen, als zij, op de wijze van Pinksteren, door de Heilige Geest gedreven werden; als zij in de bijeenkomsten begonnen te leren of andere gaven uit te oefenen. En het is deze liturgische roep, die men in onze kerkelijke kringen soms met een zekere exclusiviteit als samenvatting van 'Het Geloof' naar voren hoort brengen.

Maar dit is niet de enige gebedsschrei, die ons van deze christenen staat opgetekend. Zij riepen ook Abba, Vader (Rom. 8 : 15; Gal. 4 : 6) en ook daar brengt Paulus dat in nauw verband met het ontvangen van de Heilige Geest; op de laatste plaats schrijft hij de roep zelfs toe aan de Geest zelf. En tenslotte werd, zoals wij reeds zagen, ook de Heilige Geest aangeroepen. Daaraan herinnert ook het oudchristelijk lied Veni Creator Spiritus, waarvan wij een vertaling hebben in gezang 237.

Er is dus geen reden om de trinitarische spreiding, die in de oude kerk aanwezig was, en die in de Twaalf artikelen tot uitdrukking is gekomen, zodat men daar ook wel eens spreekt van drie artikelen, te versmallen. Een dergelijke vereenvoudiging van de verscheidenheid en de rijkdom van de beloften van het Evangelie en van de overvloed in ons belijden leidt tot verarming en verzwakking der gemeente. De veelheid der beloften is geen zaak van hindernis, maar van vreugde. En naarmate de waarheid op meer punten beleden wordt, sterkt zij het geloof.

De uitdeling van deze veelheid is aan de Heilige Geest toebetrouwd. Jezus zegt: Hij zal het uit het mijne nemen en zal het u verkondigen. En Hij zegt er uitdrukkelijk nog bij, dat Hij het uit de dingen des Vaders genomen heeft (Joh. 16 : 14, 15). Bij die uitdeling blijft de Heilige Geest ook niet staan bij het kort begrip van de beloften van het Evangelie, zoals wij dat in de Twaalf artikelen vinden. De uitreiking gaat verder en de verscheidenheid neemt toe. Wanneer Jezus in ons midden staat, gekleed in zijn Evangelie, dan doet het er, tot op zekere hoogte, niet toe, waar men dat kleed aanraakt, al was het ook 'de zoom' (Matth. 9 : 20); er zal altijd kracht van Hem uitgaan (Luk. 8 : 46).

Wanneer iemand door een bijbeltekst getroffen of getroost wordt, dan mogen wij die weldaad, als zij in het geloof aangenomen wordt, niet ongedaan maken door van de beweldadigde een zeer persoonlijke voorstelling van Jezus te vragen, zoals de Farizeeën dat deden met de blindgeborene (Joh. 9). Deze laatste antwoordde: "Of deze een zondaar is, weet ik niet; een ding weet ik, dat ik blind was en nu zie" (vs. 25). Wie Christus' weldaden aannemen, worden Hem ingelijfd, zegt de Heid. Cat. (antw. 20). Ook in de prediking moet er dus een zekere verbrokkeling van het Evangelie plaats hebben, zoals het brood des avondmaals voor onze ogen gebroken wordt.

Wanneer wij deze uitdeling des Heiligen Geestes gering zouden achten en onszelf zouden willen helpen, door daarachter Jezus Christus een eigen gestalte te geven, om dan met voorbijgang van de evangeliën en de Brieven met Hem in gemeenschap te treden, zouden wij op de goede weg zijn om onszelf een afgod te verzinnen naar de begeerten van ons eigen hart en dit zou dan niet het oprechte geloof zijn, waardoor wij Hem worden ingelijfd. Bij de oefening des geloofs versmade men daarom niet het eenvoudig en kinderlijk gebruik van een afzonderlijke belofte, een geloofsartikel of een bijbeltekst.

Van hieruit wordt ons nu de aard en het wezen van het oprecht of ware geloof duidelijk. Wij merken dat zondag 7 niet in de eerste plaats over het geloof handelt, maar over het Geloof. Niet hoofdzakelijk over een menselijke handeling, maar over het werk en de waarheid Gods. In de eerste plaats nl. over Gods weldaden en beloften en pas daarna over het aannemen van die weldaden en het geloven van die beloften. Men behoeft dus in deze zondag bij vr. 20 de verkiezing er niet in te brengen, zoals Kuyper dat doet, om God tegenover het geloof des mensen de voorstap te doen houden.d Die mag er wel in betrokken worden, als zij maar niet losgemaakt wordt van de weldaden en beloften; maar het is niet nodig om op die wijze God hier tegenover de mens te handhaven. Men vat deze zondagsafdeling geheel verkeerd op, als men meent dat hier de mens aan de beurt is, alsof de aard van het geloof belangrijker zou zijn dan zijn inhoud. Men vergist zich, als men haar zo leest, als zou het meer gaan over weten en vertrouwen en de verhouding tussen die beiden, dan over weldoen en beloven en de betekenis daarvan in het goddelijk Evangelie. De opstellers hebben hier zeker ook wel even gedacht aan het verschil met Rome ten aanzien van de aard van het geloof als daad van de zondaar, maar de polemiek heeft hen niet van de weg van het eenvoudige belijden afgebracht, welke weg zij in zondag 1 zo vroom hadden betreden. Wanneer men bij de beloften het eerst aan de Vader denkt (Hebr. 1 : 1) en bij de weldaden aan de Zoon, dan zal men dat bij het geloof allermeest doen aan de Heilige Geest. En zo wordt het dan ook in antw. 21 beschreven.

Deze beschrijving van het werk des Heiligen Geestes komt op merkwaardige wijze overeen met de belijdenis in het zgn. derde artikel. Daar wordt gesproken van de vergeving der zonden, de wederopstanding des vleses en het eeuwige leven. In antw. 21 beantwoorden daaraan, behalve de vergeving der zonden, ook de eeuwige gerechtigheid en de zaligheid. En de kerk en de gemeenschap der heiligen vindt men in dat antwoord terug als gezegd wordt, dat ze niet alleen aan anderen, maar ook mij geschonken worden. ⚑Zo staat dan dit beroemde antw. 21, dat met antw. 1 en antw. 60 een van de meest bekende uit de Heid. Cat. is, geheel in het teken van het werk des Heiligen Geestes. Wanneer het werk van die Geest is, de waarheid en het heil bij gedeelten weg te schenken, dan behoort het in de eerste plaats ook tot het wezen van een oprecht geloof, ze bij gedeelten, stuksgewijze aan te nemen. Zo leert ook Juist de Heid. Cat., die van zondag 8 tot zondag 22 zich met deze verdeling bezighoudt en bij die delen telkens vraagt: Wat nut u dit en wat nut u dat? Om dan eindelijk in vr. 59 te vragen: Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft?

Het geloof, zoals het hier, in zondag 7, beschreven wordt, gaat uit naar de drieënige God; Vader, Zoon en Heilige Geest; zoals ook blijkt uit zondag 8, Dat is het breedste en diepste geloof, dat er op de wereld geweest is en zal zijn. Het was er van de schepping af en het wordt gepredikt aan alle creaturen. Het hecht zich niet aan Jezus' aardse menselijkheid met uitsluiting van al het andere. Daarvan zegt de Heer: Raak mij niet aan; want Ik ben nog niet opgevaren (Joh. 20 : 17). Het geloof leert ons de harten opwaarts te heffen tot het Woord dat in den beginne was, door hetwelk alle dingen gemaakt zijn (Joh. 1 : 1-3). Het leert ons om ons niet alleen kennis en wetenschap te verschaffen van alle dingen, die door het Woord gemaakt zijn, maar er ook vertrouwen in te stellen en ze als zijn weldaden aan te nemen. Zo hecht het geloof zich aan alle dingen en vertrouwt, dat ze van God zijn en dat Hij zal zijn alles in allen.

Zulk een geloof is persoonlijk, maar het is ook zakelijk. Het kent wel Jezus van Nazareth uit de evangeliën; het weet van zijn geboorte, zijn lijden en sterven; van zijn omwandeling op aarde en van zijn prediking. Maar het maakt zichzelf van Jezus geen beeld, omdat Hij reeds "het beeld des onzienlijken Gods" is (Kol. 1 : 15). Het maakt geen voorbarige samenvatting van zijn leven, om dan in Hem een der menselijke idealen te eren, een held, een hervormer, een filantroop. Dat moet men ook bedenken, als men de veelheid en de zakelijkheid der Twaalf artikelen wil reduceren tot de eenvoud, de eenheid en de persoonlijkheid van een Jezus achter de evangeliën. De Heid. Cat. laat zien, hoe de Heilige Geest dit beeld van Jezus in stukken slaat, zodat Paulus zelfs zegt dat, indien hij Christus naar het vlees gekend heeft, hij Hem nochtans nu niet meer naar het vlees kent (2 Kor. 5 : 16), nu hij door de Heilige Geest in Hem is ingelijfd. Pas wanneer alle stukken door de Heilige Geest stuksgewijze zijn toegeëigend, pas dan kan er van een samenvatting sprake zijn. Maar dan ziet het beeld van Christus er heel anders uit dan wanneer het door ons, terstond of te vroeg, zou worden gevormd. Let maar op zondag 23, waar de vrucht van de samenvatting wordt beleden. Daar verschijnt niet een beeld van Jezus Christus dat voor ons enige aanschouwelijkheid zou hebben. De beeldenaar op de mens Jezus is door God geslagen en behoort het niet door ons te zijn en wij moeten de keizer geven wat des keizers is en Gode wat Gods is (Matth. 22 : 21). Bij zondag 23 wordt de gebrokenheid der Twaalf artikelen weer samengevoegd. Maar dan verschijnt er geen voor ons afgesloten beeld, waartoe wij achteraf een verhouding zouden moeten zoeken. Neen, dan zijn wij in het beeld reeds ingesloten.

Zondag 8

Vraag 24: Hoe worden deze artikelen gedeeld?

Antwoord: In drie delen. Het eerste is van God de Vader en onze schepping. Het andere van God de Zoon en onze verlossing. Het derde van God de Heilige Geest en onze heiligmaking.

Vraag 25: Aangezien er maar een enig goddelijk Wezen is, waarom noemt gij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest?

Antwoord: Omdat God zich alzo in zijn Woord geopenbaard heeft, dat deze drie onderscheiden personen de enige waarachtige en eeuwige God zijn.

Wij moeten beginnen met de lezer er opmerkzaam op te maken, dat de Heidelbergse catechismus uitgaat van het Evangelie, nader de beloften van het Evangelie (antw. 22). Dwz. van het geheel van Gods openbaring. Ook wanneer dat Evangelie door de Heilige Geest voor ons in stukken gebroken wordt, mogen wij dat geen ogenblik vergeten. Het zijn geen dode stukken waarheid, waarmee het geloof te doen krijgt. Het Evangelie gaat niet dood onder de handen van de Heilige Geest, zoals een bloem onder de handen van een leraar in de plantkunde, als hij haar determineert voor de klas. Wanneer de gelovige in de waarheid wordt ingeleid, wordt allesjuist levend; de letter wordt geest. De letter van de wet maakte iemand dood (Rom. 7); de Geest maakt levend (2 Kor. 3 : 6).⌫

Dit komt nu op treffende wijze tot uitdrukking in zondag 8. Wanneer er, zoals een goede leermeester dat graag doet, gedacht moet worden aan een verdeling van de stof, dan worden er geen zakelijke onderscheidingen gemaakt, maar dan moet de leerling zijn geloof leren verstaan door een onderscheiding in God te maken, die hem door God zelf is geopenbaard in de Schrift. De Twaalf artikelen zijn naar hun wezen zo persoonlijk, omdat het geloofsartikelen zijn. Geloof was immers ook een vast vertrouwen en dat vertrouwen wordt gesteld in beloften en die beloften zijn door God gedaan. En zo komt het dan dat, als wij van het Evangelie een hoofdsom of kort begrip maken en van dat kort begrip weer een kort begrip, zoals in zondag 8 gebeurt, wij daaruit het aangezicht Gods ons zien tegenlichten.

Daarom moeten wij bij zondag 8 niet onmiddellijk aan een 'diep stuk' denken, dat de theologen hier opwerpen. Deze zondag staat heel eenvoudig en natuurlijk in de rij. Voor de kinderen Gods, die het Evangelie geloven en alles wat daarin beloofd wordt, is er niets vanzelfsprekender dan dat hier over Vader, Zoon en Heilige Geest gesproken wordt. Daarnaar onderscheidde men immers ook al in de Twaalf artikelen weer drie artikelen. Maar nog veel natuurlijker en eenvoudiger wordt het, als men tot het Evangelie zelf teruggaat. Men kan het Nieuwe Testament niet lezen, als men daar Vader, Zoon en Geest niet onderscheidt. Men kan de christelijke prediking niet geloven als men het niet doet. Geen kind kan gedoopt worden. zonder dat. En geen gemeente de apostolische zegen ontvangen.

Daarop moet wel even de aandacht worden gevestigd. Want anders versplinteren wij dit mooie leerboek op een wanhopige manier. Na de Apostolische geloofsbelijdenis zou dan hier het dogma van Nicea, waarbij de leer der drieëenheid werd vastgesteld, aan de beurt komen. Dat is niet de bedoeling van dit leerboek. De Reformatie is begonnen met op de Schrift terug te gaan; met name op de Brief aan de Romeinen. Die heeft ook ten grondslag gelegen aan de hele indeling van de Heid. Cat. Daarop komen wij nog terug. Hier wijs ik er slechts op, om duidelijk te maken, dat dit geschrift er niet op uit is om te theologiseren, maar om op eenvoudige wijze te onderwijzen, vooral de jeugd. - Dit geldt te meer, omdat ook de dogmatische boeken uit de vroegere tijd der Reformatie eigenlijk niet anders bedoelen dan de Schrift te leren lezen.

Zo moeten wij dan ook zondag 8 lezen. Wij komen uit de veelheid van de beloften der Heilige Schrift. Wij verbijzonderen die overvloed met behulp van de Twaalf artikelen. En als het geloof dan nog verder gaat vereenvoudigen, dan komt het tot deze drie, Vader, Zoon en Heilige Geest. Dat is geen resultaat van redeneren, maar een vrucht van bijbellezen en van luisteren naar de prediking. Wanneer wij nu nog verder zouden gaan met vereenvoudigen, en van deze drie nog één maken, zou de rijkdom van het Evangelie voor ons verloren gaan. Deze drie onderscheiden personen zijn de enige, waarachtige en eeuwige God, zegt de Heid. Cat. - Wij kunnen niet van de éne God uitgaan om dan tot de drie personen te komen. Die weg bestaat niet voor ons. Wij ontmoeten de drie personen in de Schrift en in de lyrediking en dan belijdt de gelovige: dit is onze God; dit is de ene, de ware. Dit is geen zaak van rekenen maar van belijden.

Dat wij, van de kant der Heilige Schrift komende, niet verder kunnen vereenvoudigen dan tot deze drie personen, is een gevolg van de rijkdom der Godsopenbaring in de bijbel. Het is waar, wat de Nederlandse geloofsbelijdenis zegt, dat het ene, enige en eenvoudige wezen, dat wij God noemen, een zeer overvloedige fontein is van alle goede dingen. Daar wordt ook met nadruk bij gezegd, dat wij dat geloven en belijden. Ook daar, in art. 1 van die Geloofsbelijdenis, waar dat gezegd wordt, en waar met de éénheid schijnt te worden begonnen, is het geen zaak van rekenen; ook daar is het een volheid, een overvloed, die wij uit de Schrift leren kennen (art. 8).

Met deze overvloed, dit meervoud in God, kunnen wij gerust ernst maken. Wij behoeven de 25e vr., die de Heid. Cat. doet, niet te schuwen. Als er iets in dit leerboek staat, wat wij met vrijmoedigheid en zonder enige terughouding mogen belijden, dan is het dit antwoord, dat daarop gegeven wordt. En wij behoeven daarbij niet het gevoel te hebben, alsof wij het best doen met hier een kort en spoedig afgebroken antwoord te geven, alsof het weer zo'n 'lastige' vraag was, die men ons stelde, of een diepe verborgenheid, waarover wij bijna moeten zwijgen. Dat kan het worden als ook de kerk tot bespiegeling overgaat, wat soms nodig kan zijn om de dwaalleer te kunnen antwoorden of om de eigen geest bevrediging te schenken. Maar dat is hier geen van beide het geval. Vr. en antw. 25 staan op de natuurlijkste wijze tussen de Twaalf artikelen en de uitlegging die verder van elk dier stukken gegeven wordt. In deze vr. en antw. zit schot naar die verdere vragen, die aldus luiden: Waartoe dient ons dat? En: Wat nut u dat? Dat God zich openbaart als Vader, Zoon en Heilige Geest en dat dit de enige, waarachtige en eeuwige God is, is het allerduidelijkste wat ons uit de bijbel tegemoet komt. Het is klaarder dan al het andere wat er verder in staat. Wanneer wij de bijbel alleen maar openslaan valt hij ons in drieën uiteen. Het Oude Testament, de Evangeliën, de Handelingen der Apostelen met de Brieven. Dat is alsof dit boek zelf, wanneer het geopend wordt, spreekt: In de Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Zo behoeven wij eigenlijk niet naar bepaalde teksten te zoeken om zgn. de drieëenheid te bewijzen. Bijv. Mattheüs 28 : 19 met het doopbevel; 1 Korinthe 12 : 4-6, waar het gaat over Gods gaven, zijn bedieningen en zijn werkingen of 2 Korinthe 13 : 13, de bekende apostolische zegenbede staat. Zulke teksten zijn geen bewijsplaatsen, waarmee deze belijdenis zou kunnen staan of vallen, alsof Gods drievuldigheid ook slechts drie steunpuntjes zou hebben in de Heilige Schrift. Niets is minder juist. Zij beuren zich op uit de volheid van het geheel der Schrift, zoals een golf dat doet uit de zee.

De hele bijbelse geschiedenis verloopt trinitarisch. Het Oude Testament bevat alles wat er nodig is tot voorbereiding voor de komst van de Zoon. En van de Handelingen der Apostelen af is de bijbel een nabetrachting van die komst. Wanneer deze grote beweging in de heilsgeschiedenis niet voldoende was om ons de belijdenis van zondag 8 in de mond te geven, dan zouden een drietal teksten dat zeker niet vermogen.

Daarom geloof ik dat wij met Newman moeten zeggen, dat de Triniteit zelve geen mysterie is, maar dat het leerstuk der triniteit dat is.e Het geloof heeft met de drie personen zelf te maken, niet met het dogma daaromtrent. Ons geloofsleven beweegt zich in de Schrift ten opzichte van Vader, Zoon en Geest niet op een wijze, waarop iemand in een labyrint loopt te dwalen. Hij ziet in het trinitarisch beeld van God geen Medusahoofd, dat hem doet verstarren van schrik vanwege de afgrondelijkheid. Calvijn zegt juist andersom dat God buiten Christus voor ons een labyrint zou zijn.f

Tussen de personen, die samen de enige, waarachtige en eeuwige God zijn, beweegt het geloof zich kinderlijk en argeloos. Dit is het 'kindergeloof" zoals Luther de Twaalf artikelen noemde.g Dit is wat de wijzen en verstandigen verborgen is en de kinderkens geopenbaard (Matth. 11 : 25). Ons hele christelijk geloof is trinitarisch bewogen, zoals de Heilige Schrift zelve dat is.

Iedere bekering is dat op haar beurt en ieder gebed. Ook de bekering van de verloren zoon in de gelijkenis (Lukas 15) is dat, al heeft een groot kenner der christenheid gezegd dat er in het Evangelie geen plaats is voor de Zoon.h Dat de zwijnenhoeder zich in het verre land voorneemt om tot zijn vader te zeggen: "Maak mij als een uwer huurlingen" en dat hij dat in de armen van de vader toch niet uitbrengt, omdat hij metterdaad reeds als zoon is aangenomen, dat is zeker minstens evenveel waard als het 'om Christuswille' in onze dogmatiek en gebeden. Deze gelijkenis werd door de Zoon gesproken en Hij was het die het huurlingschap bij de thuiskomst liet wegvallen.

Zo is het ook met onze gebeden. Ofschoon wij hier onze kleine moeilijkheden hebben - schoolmeesters die wij zijn - en dan in het onzekere zijn tot wie der drie personen wij ons moeten richten, toch is elk oprecht gebed, evenals het oprecht geloof, een wandelen tussen de drie personen, die de énige God zijn.

Daarom is het ook onjuist wanneer men, zoals in oude verklaringen van de Heidelbergse catechismus vaak gebeurt, de éénheid Gods als iets afzonderlijks vooropstelt en zich daarmee dan uitvoerig gaat bezighouden, vooral met Gods eigenschappen. De Nederlandse geloofsbelijdenis, op het voetspoor van de Franse van 1559, geeft daartoe aanleiding, door in art. 1 de enige God en zijn eigenschappen voorop te stellen. Zij volgen daarin Melanchton in de Augsburgse confessie. Calvijn had echter in zijn ontwerp voor een Franse geloofsbelijdenis, dat hij aan de synode te Parijs toezond, met de Schrift willen beginnen om daarna op de triniteit over te gaan. Dit zou inderdaad zuiverden het geloof der kerk weergegeven hebben en wij mogen de opstellers van de Heid. Cat. dankbaar zijn dat zij deze meer kerkelijke en minder schoolse weg zijn gevolgd.

Wij hebben ons met een schools godsbegrip of met de vragen naar en de bewijzen voor het bestaan van God hier ook niet bezig te houden, zoals men vroeger eveneens wel eens deed bij deze zondag. Daartoe kan men komen als men van de afgetrokken idee van Gods eenheid en enigheid uitgaat. Wij komen hier echter van de kant van de Schrift en van het drieënig leven, waarvan dat boek vol is. Voor het kind Gods, dat zich daarin gelovig beweegt, is de vraag naar het bestaan van God even dwaas, als wanneer een gewoon kind aan zijn moeder zou vragen 'of vader wel bestaat'. Te midden van de rijkdom der trinitarische openbaring in de Schrift, klinkt zulk een vraag als iets absoluut onwezenlijks. Zij behoort in een belijdenis als deze niet thuis.

Daarom behoren wij over God steeds te spreken onder zekere relaties; betrekkingen allereerst tussen de drie goddelijke personen onderling en dan ook verhoudingen tot ons. Want hier is alles leven en beweging. Het is een goddelijke economie, waarvan iedere aardse huishouding met haar gegeven en niet te bediscussiëren verhoudingen een verre afbeelding is. Daarin bestaan de heerlijkheid, de weldadigheid, de heilzaamheid van het christelijk geloof. Een andere God dan deze God der schepping en der herschepping is er niet. Dit is de God van de raad des vredes, waar in het meervoud gesproken kan worden als in Genesis 1 : 26: "Laat ons mensen maken" of waaruit wij, zoals in Psalm 2 en 10 de flarden van een gesprek opvangen, als de Zoon wordt toegesproken. En in de heilsgeschiedenis, waarvan de bijbel verhaalt, breekt dit meervoud naar buiten uit, totdat het in het Nieuwe Testament op bijna iedere bladzijde aanwezig is. Daar is dan, niet alleen voor engelen, maar ook voor mensen hoorbaar, overal en onafgebroken, het samenspraken van Vader, Zoon en Geest. Het is er in de evangeliën, van Jezus' geboorte tot zijn opstanding, met name aan het kruis. Het is er van Pinksteren tot Openbaring, wanneer in gaven, ambten en werkingen (1 Kor. 12 : 4-6) de verscheidenheid en samenstemming van Vader, Zoon en Geest in de gemeente zich openbaart.

Wanneer wij dit meervoud, deze samenspraak, deze goddelijke beraadslaging tot een starre eenheid zouden willen terugbrengen, dan beleden wij niet meer de enige, waarachtige God. De Joden hebben de drievuldige verhoudingen en roerselen in het Oude Testament in hun eigen godsdienst versmoord door, in tegenstelling met het veelgodendom der omringende volkeren, de eenheid Gods te verabsoluteren. Zij verafgoodden het grote schema: Hoor, Israël, de Heer onze God is een énig Heer. - Daarom konden zij Gods gedachten en werken niet herkennen in de herschepping, toen in hun eigen midden het Woord vlees werd en de Heilige Geest werd uitgestort. Deze rijkdom der kennisse Gods konden zij niet bevatten. - Sterker is dit nog bij het mohammedanisme, dat de trinitarische belijdenis hartstochtelijk verwierp, nadat deze in de christelijke kerk een rijke ontplooiing had gevonden. De Islam heeft daarom geen kerk kunnen vormen, maar slechts een leger. Een leger - zoals een bekend wereldreiziger het heeft genoemd een leger van ongebroken, absoluut solidaire geest".i Een totalitaire godsdienst. "Een middeleeuwse vorm van nationaal-socialisme" (Kraemerj). De afwijzing van de trinitarische belijdenis maakt een rijkere ontplooiing van het leven, een historische ontslotenheid, een gemeentelijke sfeer met velerlei gaven en één Geest, onmogelijk.

Daarom moge hier nog iets staan over wat ik gaarne de trinitarische spreiding noem. Daartoe kan ik het best beginnen met te herinneren aan een, nu reeds enkele tientallen jaren geleden verschenen boek van de Engelse schrijver Sheldon, onder de titel: Wat zou Jezus doen?7 Daarmee is nog iets anders gezegd dan wat wij gewoonlijk de navolging van Christus noemen, waarover Thomas á Kempis of, zoals anderen willen, Geert Groote zijn beroemd boek geschreven heeft. De vraagstelling van Sheldon is een veel engere. En daardoor biedt zij ons hier een geschikt uitgangspunt. Het maakt een groot onderscheid of men spreekt over het gaan in de voetstappen van Jezus of over de navolging van Christus. Bij het laatste denken wij reeds meer in trinitarisch verband. Wij noemen de Gezalfde, de Messias, die in het Oude Testament door de Vader is beloofd en in de volheid des tijds in de wereld is gezonden. Degene, die men alleen door de Heilige Geest zo noemen kan. Van Hem zegt Luther dat men sommige werken van Christus kan navolgen en andere niet. Nauwelijks zou men kunnen vragen: Wat zou Christus doen? Hij heeft gedaan, wat Hij doen moest, tot Hij zeggen kon: Het is volbracht. Meer heeft de Christus op aarde niet te doen.

Maar wij kunnen verder gaan. Kan men bij de Vader ook van navolging spreken? Voor zover ik weet staat er eenmaal in de bijbel, dat wij "navolgers Gods" moeten zijn (Ef. 5 : 1). Daar heeft het betrekking op de schuldvergeving. De vijfde bede van het Onze Vader houdt hetzelfde in. Ook in de bergrede en in de gelijkenissen komt de navolging hier en daar even doorschemeren. Maar men voelt het hachelijke daarvan, als Jezus zegt: Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is (Matth. 5 : 48). Men merkt dat misschien het best als men hier zou vragen: Wat zou de Vader doen?

En nu voor de derde maal: Wat zou de Heilige Geest doen? Hier lijdt, als ik het zo mag zeggen, de navolging helemaal schipbreuk. Wij willen hier nu niet nagaan, waarom dit het geval is, maar eenvoudig constateren dat het zo is. Maar dan merkt men ook op zeer duidelijke wijze, welk een wijde spreiding er eigen is aan de belijdenis van Vader, Zoon en Heilige Geest, en hoe wij haar verarmen en verstarren, als wij de eenheid, in plaats van haar ook te belijden, gaan forceren of becijferen. Of wanneer wij, om aan een behoefte van een eeuw, een nood van ons kerkelijk leven, een verlangen naar dogmatische eenvoud, een mystieke of moralistische trek van onze vroomheid tegemoet te komen, het een of andere stuk van die brede belijdenis naar voren brengen en daarin de gezochte eenheid zoeken. Die eenheid houdt de ganse volheid der godheid in. En de belijdenis der eenheid is niet een schroomvallig zich terugtrekken voor het veelgodendom, maar een belijdenis in vervoering, die op één lijn staat met het "Abba, Vader"; het "Jezus is Heer"; het "Kom, Schepper Geest". De gemeente roept hier: Dit is de enige, waarachtige en eeuwige God!

Een dergelijke ervaring doen wij op, als wij bidden. Dan komen wij soms in moeilijkheden. Wie zullen wij aanroepen? Jezus leert ons om te beginnen met de Vader, die in de hemelen is, te noemen. Maar wil dat zeggen, dat er in het gebed geen plaats zou zijn voor de aanroeping van de Zoon? Stefanus bad: Heer Jezus, ontvang mijn geest (Hand. 7 : 59); waar Jezus aan het kruis bad: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. Jezus leert ons dat niet als een joodse rabbi. Zijn onderwijs deelt in de kracht van zijn werk, waardoor Hij de middelaar is tussen de Vader en ons. En wij kunnen daarom tot God niet spreken, zonder Jezus er in te betrekken. Wij kunnen over God niet spreken dan onder zekere relaties; maar wij kunnen ook tot God niet spreken, zonder datzelfde te doen. Ons gebed is niet zo beperkt en zo regelrecht als een aardse aanspraak. Het verliest zich min of meer in een heilige verlegenheid in de tegenwoordigheid van de drievuldigheid Gods. De economie van Gods wezen verwart en verwondert ons enigszins in ons bidden. Maar daarin bestaat juist het karakter van de bijbelse aanroeping, van het begin af aan (Gen. 4 : 26). Zij kan niet zo geconcentreerd zijn, omdat zij de enige, waarachtige en eeuwige God geldt, wiens eenheid een andere is dan die van de andere goden. - Dat zegt Jezus ons ook in het Onze Vader, met de woorden: die in de hemelen zijt. Onze Catechismus heeft dat goed begrepen en verklaart dat zo, dat wij van zijn hemelse majesteit niet aardselijk mogen denken (antw. 121). De aanroeping van deze Vader sluit de Zoon en de Geest niet uit. En zo is het ook met de aanroeping van de Heilige Geest. Zo oppervlakkig gezien ligt zij ons individueel nog verder dan de aanspraak aan de Zoon. Maar toch oefenen wij haar telkens uit in het kerklied en zij is ons ook in het persoonlijk gebed nader dan wij soms mogen menen.

Wanneer wij zouden denken, dat dit uitgesloten is, omdat de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen (Rom. 8 : 26), dan denken wij weer aards. Dan denken wij te weinig in relaties. Deze verhouding van bidden en aangebeden worden, van roepen en aangeroepen worden, van zuchten en aanblazen is 'in de hemelen' niet omkeerbaar. Zoals bij Christus het opvaren het nederdalen insluit (Ef. 4 : 9), zo ook bij de Heilige Geest het geven (1 Kor. 12 : 4) het gegeven worden (Rom. 5 : 5), de spiratie de inspiratie.

Deze spreiding van Gods drievoudigheid geeft ook aan het christelijk geloof een breedte en een allesomvattende onderscheidenheid, die de kerk nooit of te nimmer mag inruilen voor een of andere krampachtigheid. Dat gebeurt reeds wanneer wij bij het bidden het 'onze' weglaten, dat Jezus ons geleerd heeft en God rechtuit als 'vader 'aanspreken. Wie dat aanhoort voelt ook, waarom er bij staat: 'die in de hemelen zijt.' Dit 'vader' heeft inderdaad iets krampachtigs, dat trinitarisch ontspannen moet worden; het is te aards. De 'eerste persoon', zoals de kerk Hem noemt, is pas door trinitarische bemiddeling onze Vader en Hij is dat niet door generatie (Hebr. 1 : 5; Ps. 2 : 7), maar door adoptie (aanneming). Ook is Hij dat niet met uitsluiting van de meeste anderen, zoals onze aardse vaders, maar juist in gemeenschap met anderen. Daarom staat er dan ook 'onze'. Dit vaderschap loopt over de Zoon en over de broeders en wij kunnen alleen Vader zeggen door aanneming (Rom. 8 : 15).

Soortgelijke verstarringen van onze belijdenis van de enige, waarachtige en eeuwige God ontstaan er nu ook, wanneer wij Jezus op zulk een exclusieve, uitsluitende wijze onze Heer noemen, dat daardoor de kinderlijke verhouding tot de Vader schade lijdt. Als de gehoorzaamheid des geloofs ten koste van de blijdschap overspannen wordt. - Reeds de mozaïsche wet maakt de gelovigen niet tot knechten van een willekeurige Heer, maar tot bondgenoten van een genadig Vader. Israël kent Hem als zodanig (Jes. 63 : 16). In de Tien geboden staan in het midden het gebod van de rust en dat van het eren der vaderlijke liefde. En de hele gehoorzaamheid berust er op een verhouding van wederzijdse trouw (Jer. 3 : 14). - Daarom moet men ook zeer voorzichtig omgaan met het woord 'slaaf' in het Nieuwe Testament, in verbinding met Christus. Nieuwere vertalingen gebruiken het, waar de Statenvertaling het woord dienstknecht heeft gekozen. Dat laatste klinkt veel minder hard. Het is een verdienste van de Nieuwe vertaling, dat zij hierin bij de Statenvertaling gebleven is. De verhouding van Heer en knecht is zeker ook in het Nieuwe Testament aanwezig, maar zij mag niet on-trinitarisch worden verscherpt. - Daarbij zou ook aan de Heilige Geest te kort gedaan worden. Deze toch is de Geest der vrijheid (2 Kor. 3 : 17) en daarmede wordt ook de verhouding tot de enige, waarachtige God bedoeld.

Paulus leert dat overal en Jezus zegt het ook: Zo zijn dan de zonen vrij (Matth. 17: 26). Tenslotte kan ook met de Heilige Geest afgoderij bedreven worden, wanneer Hij uit de relaties wordt losgemaakt, waarin wij Hem, volgens zondag 8, moeten belijden. Geestdrijverij noemen wij dat met een zeer bekend en eigenaardig woord. Het is een zonde die binnen de christelijke kerk vaak bedreven is. Men kan zeggen dat de kerkgeschiedenis er vol van is. Nooit mogen wij vergeten, dat de Vader zich door bepaalde beloften aan ons gebonden heeft, waardoor zijn werkingen bepaald zijn; dat de Zoon ambten en bedieningen heeft ingesteld, waardoor zijn genade wordt uitgedeeld. Alleen in dit trinitarisch verband kunnen de geestelijke gaven vruchtdragend zijn (1 Kor. 12 : 1-11).

Wanneer deze economie, deze goddelijke huishouding geëerbiedigd wordt, zal de vaart van het schip der kerk zonder grote schade kunnen geschieden.

Zondag 9

Vraag 26: Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?

Antwoord: Dat de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft en die ook door zijn eeuwige raad en voorzienigheid nog onderhoudt en regeert, om zijns Zoons Christus' wille mijn God en mijn Vader is; op welke ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziele verzorgen en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren, dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een getrouw Vader.

Bij de bespreking van deze zondag moeten wij beginnen met even stil te staan bij het opschrift boven de zondagen 9 en 10. Het luidt: Van God de Vader en onze schepping en geeft het eerste aan van de 'drie delen', die in zondag 8 genoemd zijn. - Daarbij mogen wij echter vooral niet vergeten, dat de hele verdeling, die in laatstgenoemde zondag gemaakt is. een onderverdeling is van het tweede der drie stukken, waarin de hoofdverdeling ons leerboek uiteenlegt (vr. en antw. 2). Met andere woorden: in zondag 9 gaat het ook over onze verlossing, al staat straks weer boven de zondagen 1l - 19 afzonderlijk, dat die handelen over onze verlossing, in onderscheiding van wat in 9 en 10 gebeurt.

Deze opmerking is van belang, omdat zij de aard van de uitlegging van zondag 9 en 10 bepaalt. Wij moeten daarom op deze verschillende verdelingen van de stof, die de Heidelbergse catechismus behandelt, wat nader ingaan.

De hoofdverdeling van de Heid. Cat. is ontleend aan Paulus' Brief aan de Romeinen, waar in hoofdstuk 1 : 1-3 : 20 de ellende; van hoofdstuk 3 : 20 tot hoofdstuk 8 : 39 de verlossing en van hoofdstuk 12 tot het einde de dankbaarheid besproken wordt. Dit is derhalve een zuiver bijbelse divisie en is geboren uit exegese, uitlegging, zoals men dat van de hele Reformatie kan zeggen. De hoofdverdeling is dus soteriologisch; zij houdt zich aan de weg, waarin een zondaar rechtvaardig voor God wordt en een verlorene een kind van God. De verdeling die in zondag 8 ondernomen wordt daarentegen, is trinitarisch en beschrijft de werken van de drie onderscheidene personen in het goddelijk wezen.

Uit een oogpunt van samenstelling en ordening zijn aan dit gebruik van twee verschillende verdelingen nadelen verbonden. Zij grijpen in elkaar in en storen de onderwijzing tot op zekere hoogte. Men ziet dat dadelijk als men er opmerkzaam op wordt, dat zondag 11 eigenlijk aansluit bij vr. 18, waar geleerd wordt dat onze Heer Jezus Christus ons tot onze verlossing geschonken is. Die verbinding is veel duidelijker en eenvoudiger dan de overgang van zondag 9 en 10, die over schepping en voorzienigheid gaan, op zondag 11, die over de naam Jezus handelt. Dat de Vader ons verzorgt (9) en dat de dingen ons niet bij toeval toekomen (10), is geen dringend argument om onze zaligheid alleen bij Jezus te zoeken (vr. 29). De bestaande volgorde is hier natuurlijk te verklaren uit de Twaalf artikelen, maar stoort de oorspronkelijke soteriologische verdeling.

Dat ons leerboek nu toch zo is ingericht vindt zijn verklaring in de geschiedenis der Reformatie. Aanvankelijk hielden Luther en Melanchton zich nauw aan de bijbelse onderwijzing, die men historisch kan noemen. Met name aan genoemde Brief aan de Romeinen. De heilsweg wordt beschreven; wel als een weg Gods en niet methodistisch, maar toch zo, dat de waarheid van het Evangelie in zulk een vorm wordt aangeboden, dat zij tot de toeëigening is versneden. De waarheid wordt hier echt tot Woord en dat Woord moet, zoals men het vroeger een beetje 'dierbaar' noemde, 'recht gesneden' worden. Het Evangelie wordt, zoals bij Paulus, tot brieven uit de hemel, in vertrouwelijke en indringende stijl geschreven.

Daarom is het geloof ook de draad, waaraan in de Heid. Cat. de kralen van Gods beloften geregen zijn. Men lette daarvoor slechts op antw. 20 en 59. En daarom wordt er bij het geloof nadruk op gelegd, dat het niet alleen een zeker weten of kennis is, maar ook een vast vertrouwen (antw. 2 1). Het Evangelie, zoals het ons hier in de prediking door de Heilige Geest vlakbij gebracht wordt, komt eigenlijk niet in de vorm van heilsfeiten, maar van heilswoorden. Dat is ook het bijzondere van ons leerboek, waar deze heilswoorden telkens beloften heten en waarin elk heilsfeit beproefd wordt op zijn nut voor ons; waarin die feiten worden versneden tot brood voor de zielen.

Dit was bij het begin der Reformatie en in de vroegste godgeleerde geschriften de manier, waarop het Evangelie werd gebruikt. Men kreeg de zekerheid en de verzekerdheid, als ik het zo eens mag zeggen, niet uit de feiten, maar uit de woorden. Het Evangelie was Gods Woord. Men wist met Paulus, dat het geloof uit het gehoor is. Men onderstelde niet iets, noch in het Woord, noch in het sacrament, maar men hoorde de belofte. En zoals een Frans prediker het uitdrukte: "Zodra ik het hoorde, geloofde ik het."k

Waarom wordt deze behandelingswijze, met de daarbij behorende Paulinische verdeling naar zonde, verlossing en dankbaarheid, nu in de Heid. Cat. en in de hele Reformatie doorbroken door de trinitarische, met de daarbij behorende verdeling? - Daarvoor zijn verschillende redenen aan te geven. Maar de voornaamste is wel deze: de Reformatie bleef een christenheid, ja, zij wilde weer opnieuw een christenheid worden. Men mocht dan roepen: Liever Turks dan paaps, het oecumenisch besef is van het begin af aanwezig geweest. De zgn. oecumenische symbolen, waarvan de Twaalf artikelen het voornaamste is, wilde men niet prijsgeven. Het trinitarisch dogma, het palladium dier symbolen, bleef aan beide zijden gelden.

Men ziet al spoedig de invloed van dit oecumenisch motief. In de Augsburgse confessie treedt het heel duidelijk op. De Institutie van Calvijn heeft een trinitarische indeling. Onze Nederlandse geloofsbelijdenis heeft die ook. De woord- en predikvorm wordt voor een deel door de symboolvorm afgelost. - Dit heeft iets voor, zelfs zeer veel. Het brengt klaarheid en bevattelijkheid in de leerboeken en belijdenissen. Ik heb er bij de bespreking van zondag 7 al op gewezen, dat zulk een hoofdsom of kort begrip van het Evangelie grote diensten kan bewijzen en dat het niet goed is ze restloos op te offeren aan een leerwijze in gespreksvorm of aan een pastorale dogmatiek. - Maar het schept wel problemen en gevaren, als een onderwijzing, die in wezen pastoraal is en in brieven, gesprekken of preken zou kunnen worden meegedeeld, de vorm van een symbool krijgt, zoals de Institutie van Calvijn.

Dit klemt te meer als er, zoals reeds bij de Augsburgse confessie en nog veel duidelijker bij de Heid. Cat., een mengvorm ontstaat, waarin de beide bestanddelen of leervormen elkaar zeer gebrekkig doordringen en naast elkaar blijven bestaan. Dan moet men goed toezien en er zich rekenschap van geven, welke invloed dat op het onderwijs en de stof heeft. Van de samenvoeging van de soteriologische en de trinitarische indeling kunnen wij laatstgenoemd leerboek gerust het klassieke voorbeeld noemen. En het is juist bij zondag 9 en 10 dat wij aanleiding hebben daarop de nadruk te leggen.

De trinitarische leervorm, of liever: belijdenisvorm, brengt mee, dat, na het noemen van de drie personen, eerst gesproken wordt over de Vader. En als er sprake is van de Vader in de Twaalf artikelen, dan brengt dat mee, dat ook de almachtige Schepper des hemels en der aarde genoemd wordt. Er wordt echter van de schepping niet gerept. Er wordt alleen gezegd, dat de Vader in wie wij geloven, ook de Schepper is. Geen andere god heeft de wereld geschapen dan de Vader van onze Here Jezus Christus.

Nu trekt het al dadelijk onze aandacht, dat deze bijvoeging uit de Twaalf artikelen in zondag 8 en in het opschrift boven de zondagen 9 en 10 verzakelijkt wordt, doordat er wél van de schepping gesproken wordt. Daarvoor is hier echter in het schema van de Brief aan de Romeinen eigenlijk geen plaats. Er waren heel andere dingen aan de orde. Daar kwamen we God tegen met zijn wet in de handen; terwijl zijn toorn van de hemel werd geopenbaard (Rom. 1 : 18). En zo was het ook bij de hoofdverdeling van de Heid. Cat., waarin de eerste ontmoeting met God in de wet plaats heeft (antw. 3). De ontmoeting is reeds veel persoonlijker dan toen God de mens uit het stof der aarde formeerde en de adem in zijn neusgaten blies (Gen. 2 : 7). Zij brengt ons dadelijk in de pastoraal en in de preek.

Nu moet men zeggen, dat in de Heid. Cat., in zondag 9, van de schepping verder weinig werk wordt gemaakt. Er wordt alleen even aangeroerd, dat God de wereld uit niets geschapen heeft. Overigens gaat het over de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus en over de zorg, die Hij voor zijn kinderen draagt. Alleen voor zover de voorzienigheid, die meer bepaald in zondag 10 behandeld wordt, reeds in zondag 9 even aangeroerd wordt, gaat het enigszins in het algemeen over de voortgezette werkzaamheid van de Schepper. Maar daarbij mogen wij toch ook weer niet over het hoofd zien, dat in zondag 10 die voorzienigheid ook aan zijn vaderlijke hand wordt toegeschreven. Wij zouden dus eigenlijk moeten zeggen, dat er in zondag 9 niet of bijna niet over de Schepper, laat staan over de schepping gesproken wordt, maar alleen over de Vader uit zondag 1, zonder wiens wil geen haar van mijn hoofd kan vallen. Maar daar is die vaderlijke zorg reeds een onderdeel van de bewaring door Jezus Christus, die met zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft en door wiens bewaring er in wordt voorzien, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet (antw. 1). Dat houdt dus in, dat de zorg en de voorzienigheid, waarover het in zondag 1 en nu ook in zondag 9 gaat, een andere is dan die algemene, die wij gewoonlijk met voorzienigheid aanduiden en die meer bepaald over 'alle schepselen' (zondag 10) gaat. Hier is bedoeld de bewaring door Jezus Christus van degenen die Hij verlost heeft. Men mag niet anders zeggen dan dat deze beiden, de bewaring door Jezus Christus en de algemene voorzienigheid Gods in zondag 9 en 10 min of meer vermengd worden. De verlossing, die bij zondag 11 pas aan de orde komt, wordt hier reeds als een voldongen feit in aanmerking genomen. Dat komt doordat deze tweede verdeling in drieën, die ons leerboek, midden in het tweede stuk (antw. 2) van de eerste verdeling, invoegt, ontleend is aan een symbool, een Credo, een liturgisch stuk en niet aan een schriftlezing, de Brief aan de Romeinen. Zij is, zoals wij reeds eerder opmerkten, trinitarisch en niet soteriologisch. Het is een belijdenis van de drie personen en geen beschrijving van, geen bericht omtrent, geen aanprijzing van de heilsweg. Deze Vader uit de Twaalf artikelen is - laat mij het zo mogen zeggen - een andere dan de God, met wie Paulus begint in Romeinen 1 : 18 en van wie daar wordt gezegd, dat de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen. En ook een andere dan waarvan sprake is in het eerste stuk van de hoofdverdeling van de Heid. Cat., die aan die brief van Paulus is ontleend, en waarin gezegd wordt dat God zich schrikkelijk vertoornt over onze zonden (antw. 10). De Vader uit het Credo, die daar liturgisch beleden wordt, is de Vader uit de evangeliën, uit de bergrede. Dit Credo denkt er echter niet aan over de schepping te gaan spreken, zoals men uit het opschrift van zondag 9 en 10 zou moeten opmaken, maar belijdt alleen, dat Hij geen andere God is dan die, welke de wereld heeft geschapen.

De Vader uit de Twaalf artikelen is de Vader uit het Koninkrijk der hemelen. Hij is veel meer de God der toekomst dan die van het verleden. In de schepping laat Hij zijn zon opgaan over bozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Matth. 5 : 45). Dat doet Hij als 't ware met zijn linkerhand, zoals Jezus met zijn linkerhand de schattingpenning betaalt (Matth. 22 : 19-21) of een stater (Matth. 17 : 27). Maar zijn welbehagen is het de zijnen het Koninkrijk te geven (Luk. 12 : 32). De andere dingen zullen hun toe geworpen worden, min of meer achteloos. Zij moeten niet vragen: wat zullen wij eten of wat zullen wij drinken of waarmede zullen wij ons kleden? Want al deze dingen zoeken de heidenen (Matth. 6 : 31 en 32). Dat zij dat nodig hebben, weet de hemelse Vader wel. Zij moeten eerst het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid zoeken; al het andere komt wel. Ieder gebed, ook dat waarin de bede om het dagelijks brood of het brood-voor-morgen voorkomt, moet dan ook beëindigd worden met een lofprijzing van dat koninkrijk (Matth. 6 : 13).

Wanneer het eerste artikel van het Credo derhalve in de zin der evangeliën beleden wordt, gaat het hier zo weinig over de schepping en de algemene voorzienigheid, dat men eerder zou moeten zeggen, dat deze laatste hier als een heidense religie wordt ter zijde geschoven. Daarom valt het in de Heid. Cat. te loven, dat hij op de schepping als zodanig zo weinig ingaat en, in aansluiting aan zondag 1, gaat spreken over de hemelse Vader uit de evangeliën.

Wanneer de opstellers hier consequent waren geweest, zouden zij dan echter de zondagen 9 en 10 daarmee geheel in overeenstemming hebben moeten brengen. Zij hadden reeds in zondag 8, bij de verdeling van de Twaalf artikelen, moeten spreken van God de Vader en onze verkiezing. En zij hadden als opschrift boven zondag 9 moeten zetten: Van God de Vader en van zijn koninkrijk. - Dit ware de plaats geweest, waar het Koninkrijk der hemelen of het koninkrijk Gods, dat nu zo spaarzamelijk in de onderwijzing betrokken wordt, had kunnen behandeld worden, in plaats dat het nu alleen aan het slot, bij de bespreking van het Onze Vader, in vr. 128, even te voorschijn komt. Dat God de Heer der toekomst is, meer nog dan die van het verleden, zou dan beter tot uitdrukking zijn gekomen. Het eschatologisch gehalte van dit leerboek zou er door zijn verhoogd.

Vanzelfsprekend zou dan de leer der voorzienigheid, die nu, vooral in zondag 10, zulk een algemeen-religieuze allure krijgt, meer in de zin der evangeliën zijn voorgesteld. De leer der voorzienigheid, zoals die reeds in zondag 9 wordt geformuleerd, werd in de christelijke onderwijzing en in de confessies meestal wel opgenomen, maar zij is toch niet specifiek-christelijk. Zij behoort ook tot de natuurlijke theologie en bekleedt zelfs bij iemand als de heiden Plutarchus, de 'dominee van Cheronea',8 een veel bredere plaats dan onder, ons. In de Augsburgse confessie bijv. wordt zij slechts even genoemd in art. 1 en dan niet bij de Vader maar bij de énige God, naast de eigenschappen Gods in het algemeen. Die eigenschappen zijn in de Heid. Cat. terecht buiten behandeling gebleven; men had datzelfde hier beter ook met de voorzienigheid kunnen doen. Een trinitarische verdeling waarbij, zoals hier, de voorzienigheid zo sterk naar voren komt, is zeker niet juist. Zij is niet op de juiste wijze aan de evangeliën ontleend. Veel minder zuiver dan de soteriologische verdeling in antw. 2 aan de brief aan de Romeinen is ontleend. - Wie zich daarvan wil overtuigen, herinnerd zich, hoe er in de meest heidense periode onzer geschiedenis, sedert Willibrord hier de kerk stichtte, wel bezwaar gemaakt werd, als iemand de voorzienigheid minder ernstig nam, maar niet, als hij de wet van God terzijde schoof, om van het koninkrijk Gods maar helemaal niet te reppen.

Daarom moeten wij ons afvragen, hoe zondag 9 (en 10) er zou hebben uitgezien, als de opstellers hadden gedaan, wat wij als een mogelijkheid in het midden brachten. Als zij hier hadden gesproken over Gods koninkrijk en de verkiezing, en als zij deze met elkaar in verband hadden gebracht. - Het koninkrijk zou dan in de plaats der schepping zijn getreden. De toekomst in de plaats van het verleden. De gerechtigheid (Matth. 6 : 33) zou de verzorging (antw. 26 en Matth. 6 : 31) op de achtergrond hebben gedrongen en deze beide zondagen zouden een minder vroom en meer gelovig karakter hebben vertoond. Meer strijd en minder berusting zou men er uit hebben beluisterd. Bij het noemen van de Vader onzes Heren Jezus Christus zou men niet in de eerste plaats gedacht hebben aan wat Hij éénmaal heeft gewrocht en aan zijn regering over wat Hij toen schiep, maar men zou bedacht hebben dat Hij altijd werkt (Joh. 5 : 17) en de God der werkingen heet, die eigen zijn aan het nieuwe verbond (1 Kor. 12 : 6). En die wijzen niet op deze, maar op 'de toekomende eeuw' (Matth. 12 : 32). De werken der herschepping zouden niet alleen aan de Heilige Geest, maar ook aan de Vader zijn toegeschreven. Men zou zijn regering niet afgegrensd hebben tegenover het toeval, zoals zondag 10 doet, maar tegenover de werken des duivels, zoals het Evangelie doet (1 Joh. 3 : 8).

Deze afdelingen, met name zondag 10, zouden daardoor een meer specifiek christelijk karakter hebben gekregen en de trinitarische verdeling, aan de hand van de Twaalf artikelen, zou minder storend in de soteriologische hebben ingegrepen. - Juist omgekeerd zou de behandeling van het oudchristelijk Credo ten opzichte van de Vader dan als een noodzakelijke aanvulling van de zondagen 2-4 hebben gediend. Immers de hoofdindeling van de Heid. Cat. is toch eigenlijk ook trinitarisch. De drie stukken uit vr. 2 moeten ook beurtelings aan één der drie personen toegeëigend worden. Welnu, wanneer dit gebeurt, valt het eerste stuk, over zonde en ellende, aan de Vader toe. En dit gedeelte is dan niet alleen in omvang opvallend klein, waar er slechts een drietal zondagen aan gewijd is, maar nog veel meer onvolledig, daar alleen over de wet in haar oordelende en verdoemende kracht gesproken wordt. Wel wordt in vr. en antw. 3 de schepping van de mens even genoemd, maar dit geschiedt meer terloops en daarmee wil alleen de vooronderstelling, de achtergrond, gegeven worden, waartegen de val en de ellende uitkomen. In werkelijkheid gaat het hier over de Wetgever, de Koning der eeuwen (1 Tim. 1 : 17). - Wat op die wijze over de Vader gezegd wordt, is op zichzelf juist en meer in overeenstemming met de Schrift dan de behandeling in zondag 9 en 10. Maar dit 'eerste stuk' is in zondag 2-4 niet volledig beschreven. Niet alleen de wet, maar ook het Evangelie komt de Vader toe. "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe" (Joh. 3 : 16). De wet is verre de geringste helft van de werken des Vaders. Het Evangelie des koninkrijks is het veel grotere deel. Over dat koninkrijk moet gesproken worden, als het over de Vader gaat. En daarvoor was nu juist gelegenheid geweest bij de behandeling van het Credo. De eenzijdigheid, waartoe de zielenood, waaruit de Reformatie geboren werd, aanleiding gaf, zou daardoor zijn opgeheven. En waar de Brief aan de Romeinen, en daarmee ook de Heid. Cat., de aandacht zo strak gericht houdt op de zielkunde des geloofs, in verband met de wet (Rom. 7), daar zou bij het naar voren brengen van het koninkrijk ook de meer uitwendige ellende uit de evangeliën in het gezichtsveld zijn betrokken. De nood der blinden, kreupelen, geraakten, doven, armen, van de duivel bezetenen. En dat niet uit een oogpunt van algemene voorzienigheid, die ook de heidenen belijden, maar in verband met het nabij-zijn van het Koninkrijk der hemelen. Door het verband met dit Koninkrijk zou ook ten opzichte van dit soort ellende, de Lazarus-ellende (Luk. 16), de gerechtigheid Gods naar voren zijn gekomen, zoals die gerechtigheid bij Paulus en Luther de grote ontdekking uitmaakte in verband met de ellende van zonde en schuld, de tollenaars-ellende (Luk. 18). Daarover wil ik dan verder spreken bij de behandeling van zondag 10, die eigenlijk één stuk is met de vorige.

Zondag 10

Vraag 27: Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods?

Antwoord: De almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde mitsgaders alle schepselen gelijk als met zijn hand nog onderhoudt en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede en alle dingen niet bij geval, maar van zijn vaderlijke hand ons toekomen.

Vraag 28: Waartoe dient ons, dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid onderhoudt?

Antwoord: Dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwe God en Vader, dat ons geen schepsel van zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in zijn hand zijn, dat zij tegen zijn wil zich noch roeren noch bewegen kunnen.

Wij dienen nu eerst te vragen, wat dat voor een gerechtigheid is, die wij noemden in verband met het koninkrijk des Vaders, dat Hij, naar zijn welbehagen, de zijnen geven wil en dat het voorwerp van Jezus' prediking uitmaakte. Wij hebben al gehoord, hoe Jezus daarover sprak in onderscheiding van, en in tegenstelling met de bezorgdheid, waartegen de voorzienigheid Gods gepredikt kan worden en die aanleiding heeft gegeven tot het opstellen van zondag 10 in het bijzonder. De vrucht van deze prediking kan zijn, wat deze zondag noemt: een goed toevoorzicht op God de Vader, die beantwoordt aan zijn voorzienigheid. Dit toevoorzicht is iets anders dan het vertrouwen op de schenking van de vergeving der zonden in zondag 7. Maar het is ook niet hetzelfde als wat Jezus bedoelt, als Hij aanspoort om allereerst het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid te zoeken (Matth. 6 : 33). Wanneer Jezus dat doet, dan is zijn bedoeling niet om zorgen te stillen, maar om zorgen te wekken. Niet die, welke men ook bij de goede heidenen kan verwachten en die betrekking hebben op eten, drinken en kleding, doch die andere, die bij een burger van het koninkrijk Gods thuis horen. Het zijn de zorgen omtrent de vrede (Matth. 5 : 19); de barmhartigheid (: 7); de vergevingsgezindheid (: 24); de reinheid 27); de waarheid (: 33); de lijdzaamheid (: 38); de mededeelzaamheid 42); de liefde tot vijanden (: 43). Dat alles is de gerechtigheid, die Jezus' discipelen moeten zoeken, als zij in het koninkrijk Gods willen ingaan. Als zij daarnaar leren hongeren en dorsten, als dat hun eten en drinken wordt, dan zullen ze verzadigd worden (: 6); als zij daarmee zich gaan kleden, dan is dat hun bruiloftskleed.

Zij zullen in die gerechtigheid overvloediger moeten zijn dan in die der Farizeeën en schriftgeleerden, anders zullen zij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan (: 20). Zij zullen het niet zo ten halve moeten doen als deze. Want er zal in Gods rijk geen jota of tittel, geen puntje van een i buiten werking blijven (: 18). Zij zullen volmaakt moeten zijn als de Vader, die in de hemelen is (: 48). Dwz. zij zullen het moeten zoeken met hun hele persoon. Niet op twee gedachten hinken. In Gods koninkrijk kan men niet God dienen én de Mammon (6: 24). Niemand kan twee heren dienen. "Gij zult liefhebben de Here, uw God, met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand en met geheel uw kracht. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf' (Matth. 22 : 37-39).

Daarom mag men bij het oefenen van die gerechtigheid geen bijoogmerken hebben. Geen aalmoezen doen om van de mensen gezien te worden (Matth. 6 : 1); en evenmin bidden (: 5) of vasten (: 16) met die bedoeling. En wanneer men bidt, moet men eerst denken aan God, zijn heiligheid, zijn koninkrijk, zijn wil, voordat men bidt om het eigene; het brood voor morgen; de vergeving der zonden; de verlossing van de boze.

Wanneer wij deze gerechtigheid van het koninkrijk Gods overzien, dan valt het moeilijk te ontkennen, dat wij hier in een andere sfeer zijn dan in die van het 'goed toevoorzicht' en van loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbarejaren, spijs en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, waarover onze zondag handelt. En als wij dan bovendien het laatste gedeelte van Mattheüs 6 lezen, waar de schatten in de hemel gesteld worden tegenover die op de aarde en waar de bezorgdheid voor de leeftocht als een zoeken der heidenen tegenover het zoeken van het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid wordt gesteld, dan is wel duidelijk, dat men moeilijk kan ontkomen aan de keuze, wat men nu als het bijzondere werk van de Vader zal noemen: de voorzienigheid of het doen komen van het koninkrijk; het geven van spijs en drank of het schenken van gerechtigheid.

Deze opvatting wijkt te zeer van de gewone interpretatie van de Heid. Cat. af, dan dat ik mij niet verplicht zou voelen haar nog verder toe te lichten en te trachten haar nader te rechtvaardigen. Daartoe wil ik beginnen met er op te wijzen, dat de kerkhistorie aantoont, hoe de Reformatie in de beginne de neiging had om het koninkrijk Gods tegenover de empirische kerk weer naar voren te brengen. Luther heeft in 1521 niet alleen over De vrijheid van een christenmens, maar ook over De babylonische ballingschap en over De christelijke Duitse adel geschreven. De gerechtigheid, waarover het daarbij ging, had niet alleen betrekking op de inwendige rechtvaardiging van de zondaar, maar eveneens op het verbreken van alle geweld des duivels in de staat. Daarin kwam de Hervorming overeen met vroegere pogingen tot vernieuwing, zoals die van Savonarola in Italië en die van Wyclif in Engeland. Wat de beweging van Luther en Calvijn hiervan onderscheidde was het feit, dat het Koninkrijk meer van binnen uit tevoorschijn breekt en een inwendige gerechtigheid als voorwaarde stelt, zoals Jezus dat ook in het Evangelie wil en zoals Paulus dat in zijn prediking en brieven als het wezen van het christelijk geloof heeft beschreven. Het mogen geen werken wezen, die op ons goeddunken of menseninzettingen gegrond zijn. Zij moeten uit waar geloof, naar de wet Gods, Hem ter ere geschieden (zondag 23). Deze gerechtigheid moet overvloediger zijn dan die der Farizeeën en schriftgeleerden, zegt Jezus (Matth. 5 : 20). Met een uitwendige kerkhervorming achtte de Reformatie de christenheid niet voldoende gebaat.

Maar dit wil niet zeggen dat men bij het inwendige wilde blijven staan, evenmin als dat Jezus' bedoeling is in de evangeliën. Juist dat 'van binnen uit' gaf aan deze kerkvemieuwing die expansieve en explosieve kracht, waardoor zij het gelaat der westerse wereld zo zeer veranderd heeft. Daarin zulk baanbrekend werk te hebben verricht, is de wereldhistorische betekenis van Calvijn geweest.

Er valt echter in de Kerkhervorming een breuk op te merken, die men niet zonder grote schade voor de verdere toekomst van de protestantse, in het bijzonder de gereformeerde christenheid, uit het oog, kan verliezen. De oorspronkelijke opdringende kracht van het koninkrijk des Vaders, dwars door wat ook de kerk nu eenmaal als scheppingsordinantiën in haar natuurlijke theologie had getolereerd en vastgelegd, was in het begin zo groot, dat Luther zelf geschrokken is van de verwachtingen, die zijn prediking had opgewekt. Het is het bekende conflict met Karlstadt en de scheiding met de dopersen. Wij kunnen hier niet treden in een uitvoerige beoordeling daarvan. Wij constateren voorlopig alleen dat er voor de zonen der Reformatie, ten opzichte van het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid, sommige onbetaalde rekeningen liggen en dat er wissels zijn die men niet steeds op aan ieding kan weigeren. Jezus zelf heeft de verhouding tussen de inwendige en de uitwendige gerechtigheid behandeld in de gelijkenis van de beide schuldenaars (Matth. 18 : 21-27). Een bezinning daarop is nodiger en nuttiger dan een onderwijzing in de natuurlijke theologie en de scheppingsordinantiën en in verband daarmee een terugbuigen van de Reformatie naar Rome. Deze zgn. scheppingsordinantiën hebben voor de hervormers, tegenover de dopersen, zeker betekenis gehad en zij hebben dat ook nog voor ons.

Maar zij behoren meer tot de wijsheidsliteratuur dan tot de profetische prediking. Zij zijn vaak dat, wat een wijs zoon uit de tucht zijns vaders aanneemt (Spr. 13 : 1). Maar het is lang niet altijd zeker, dat zij door de hemelse Vader als wetten in zijn Koninkrijk worden erkend.

De zonen der Reformatie zijn, inderdaad met een zekere wijsheid, huns weegs gegaan. Zij hebben de schepping ook gezien als een complex van zekere weerstanden, die men tot op zekere hoogte te eerbiedigen heeft; waarmee men op zijn minst rekening heeft te houden. Mozes hield in zijn wet reeds rekening met de handigheid van de harten der Israëlieten (Matth. 19 : 8) en een andere schepping dan een min of meer verharde, kennen wij ook thans niet. Datgene wat verhard is, hebben wij toch als door God getolereerd aan te zien en met die lankmoedigheid Gods te rekenen.

Deze consideratie kan echter nooit definitief zijn. Jezus wil bij de vraag van de scheidbrief, die wij zopas aanroerden, ook niet vergeten hebben, dat die toelating er van den beginne niet geweest is. - En nu heeft de Reformatie op dit punt wel gezondigd. Zij heeft op sommige punten, vooral ten opzichte van de openbare gerechtigheid, de schepping in de plaats van het Koninkrijk geschoven en op die wijze aan die gerechtigheid afbreuk gedaan. - Dit is niet over de hele lijn in dezelfde mate geschied. Men moet zeggen dat het in de lutherse wereld in sterkere mate gebeurde dan onder de gereformeerden. Dat kan men juist duidelijk opmerken op het stuk van de voorzienigheid. Niet allereerst in de dogmatiek en de catechese, maar in de prediking en in de liturgie, die meer onmiddellijk de grondstemming van een geloofstype verraden.

De lutherse vroomheid heeft het aanzijn gegeven aan een aantal klassieke gezangen, waarvan zeer vele in de toon van het 'goede toevoorzicht' zijn gesteld. Men kent die liederen uit onze gezangenbundel. Het 'Een vaste burcht' van Luther klinkt daar door heen als een stem uit het koninkrijk. Vergelijkt men nu met die Duitse gezangen het kerklied der calvinistische kerken, de psalmen, dan is het onderscheid duidelijk. In de psalmen regeert over het algemeen niet de berusting, ofschoon die er niet geheel in gemist wordt. Maar als men vraagt wat er in een psalm is, dan moet het antwoord zijn: rumoer en oproer. Hier wil God op zijn troon stijgen en wonen op de lofzangen Israëls (Ps. 22 : 4). En het is dan ook niet te verwonderen, dat het Lutherlied de bewerking is van een psalm.

Er is dan ook verschil tussen luthersen en gereformeerden ten opzichte van de verhouding tot de roep om het koninkrijk Gods bij de doopsgezinden. De luthersen hebben deze laatsten van zich afgestoten. Zij hebben later als stillen in den lande, hier en daar tot in Rusland toe, een zekere ideale broederlijke samenleving georganiseerd, in eigen kring. - De gereformeerden hebben hen en hun trachten naar het koninkrijk van waarheid en vrede in zich opgenomen. Als ik één persoonlijke herinnering hier mag opnemen, dan deze. In november 1944, toen ik bezig was in razend tempo mijn pastorie te ontruimen voor de Duitsers, stelde een der mijn huis bezettende soldaten zich aan mij voor als 'ein Mennoniter'. Hij was een der uit Rusland verplaatste, in Oost-Duitsland teruggekeerde kolonisten van dietse stam. Een prachtige, blonde jongen; van uiterlijk een toonbeeld van trouw en goedheid. Ik reikte hem geroerd de hand en merkte op dat het hartverheffend was overal en in alle omstandigheden op deze wereld broeders te ontmoeten. - Steeds heb ik de overtuiging gehad en ook meermalen uitgesproken, dat de gereformeerde de tweelingbroeder is van de doopsgezinde. Hij heeft alleen iets meer rekening gehouden met de schepping-als-weerstand en met een zekere nuchterheid zich daarnaar geregeld. Hij heeft compromissen aangegaan, die de dopersen afwezen. Maar nooit heeft hij zich zo ongereserveerd neergelegd bij bestaande instellingen en toestanden als de luthersen. In het hervormde geloofsleven is het geloof aan het nabij-zijn van het koninkrijk Gods nooit geheel weggezonken. In sommige tijden heeft het rumoer en het oproer uit de Psalmen in hun geschiedenis en leven de toon aangegeven. Zij hebben niet geheel vergeten, dat het koninkrijk do or Jezus gezien is als een zuurdeeg, dat het hele leven moet doorzuren (Matth. 13).

Van dit oproer des koninkrijks in de schepping merkt men zeer weinig in de beide zondagsafdelingen, die wij bezig zijn te behandelen. In de Nederlandse geloofsbelijdenis is dat anders. Daar wordt bij de belijdenis van de Vader eveneens gesproken van de schepping (art. 12) en van de voorzienigheid (art. 13). Maar de inhoud en de toon zijn geheel verschillend. Bij de schepping gaat het al dadelijk over de 'ambten' der schepselen en over hun dienst aan de mens "ten einde de mens zijn God diene". De engelen moeten Gods zendboden zijn en zijn uitverkorenen dienen. De boze engelen, die gevallen zijn, de duivelen, heten daar "moordenaars loerende op de kerk en ieder lidmaat". En in art. 13, bij de behandeling der voorzienigheid, gaat deze belijdenis door. Zij spreekt van de grote en onbegrijpelijke macht Gods, "dat Hij zeer wel en rechtvaardig zijn werk beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddelozen onrechtvaardig handelen". Over "de rechtvaardige oordelen Gods, die ons verborgen zijn". Daarover "dat Hij de duivelen in toom houdt en al onze vijanden". Daarbij wordt ook wel gesproken van Gods "vaderlijke zorg" en dat er geen haar van ons hoofd kan vallen zonder zijn wil, maar het verband maakt de toon heel anders. Wij bevinden ons hier midden in de strijd rondom Gods kerk, het verbreken van de werken des duivels en de zorg Gods voor zijn rijk en voor de daartoe uitverkorenen.

Dat blijkt ook uit de volgende artikelen, waarin de belijdenis van deze voorzienigheid als vanzelf overgaat in die van de val. Want art. 14 noemt wel de schepping van de mens, maar handelt eigenlijk over zijn val; evenals het noemen van de schepping der engelen de inleiding vormt op een getuigenis over de val der engelen. De duivelen slepen de mens mee in hun val. De vrije wil wordt ontkend. En zo komt dan het hele menselijk geslacht in de zonde te liggen, die erfzonde heet (art. 15). Daaruit worden de uitverkorenen gered door Gods eeuwige verkiezing (art. 16), die in Christus "zich zelf begeven heeft om hem (de mens) te zoeken" (art. 17).

Door deze vergelijking van de Heidelbergse catechismus met de Nederlandse geloofsbelijdenis zijn enkele dingen nu wel heel duidelijk geworden. Ten eerste, dat het eerste van de Twaalf artikelen, dat over God de Vader handelt, hier in een echt gereformeerde geloofsbelijdenis heel anders besproken wordt dan in de beide daaraan gewijde zondagen. De schepping wordt niet opzettelijk behandeld maar komt slechts voor als achtergrond van de val. De voorzienigheid wordt veel minder algemeen genomen en wordt betrokken op de kerk, waarin de Vader de uitverkorenen laat dienen door de goede engelen en hen beschermt tegen de duivelen. De val wordt in al zijn rampzalige gevolgen nagegaan, zodat het duidelijk wordt dat uit dit massale verderf alleen de goddelijke barmhartige verkiezing redden kan.

Op die wijze komt er op deze plaats der christelijke belijdenis iets anders te voorschijn dan in de Heidelbergse catechismus. De nood, waarover het gaat, is veel groter dan die van vruchtbare en onvruchtbare jaren, regen en droogte, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede. Het koninkrijk Gods is niet spijze en drank, maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door de Heilige Geest (Rom. 14 : 17). Alles is vol rumoer en oproer en temidden daarvan komt God dan aan de regering door het offer van zijn Zoon. Aan de mensheid, die Hem op de wang geslagen heeft, keert Hij ook de andere toe. En zo ontstaat "de bediening der verzoening" (2 Kor. 5 : 18), waarin de Vader de wereld met zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus. Daarin zijn dan weer de verscheidene ambten gegrond, die God aan de schepselen had toegedacht en die in het werk van Jezus Christus worden gerecapituleerd (Ef. 1 : 10) en door Hem aan zijn apostelen en aan zijn kerk opgedragen.

Zo wordt het klaar dat hier alles moet uitlopen op de menswording van Jezus Christus (art. 18). Deze evidentie ontbreekt juist geheel bij de overgang van zondag 10 op zondag 11.

Geldt dit van het koninkrijk, het doet dat ook ten opzichte Van de verkiezing, waarvoor wij hier ook een plaats hadden gevraagd bij de behandeling van het eerste artikel van het Credo. Deze wordt beleden in art. 16 van de Nederlandse geloofsbelijdenis.9 Waarom Calvijn haar in zijn Institutie elders heeft besproken, kunnen wij hier niet nagaan. Maar in de Franse geloofsbelijdenis van 1559, waarvoor hij het concept heeft opgesteld, staat zij op een plaats, die overeenkomt met de Nederlandse geloofsbelijdenis.

Wij hebben reeds opgemerkt dat de aansluiting der artikelen volkomen vanzelfsprekend schijnt. De verkiezing geschiedt uit de massale verlorenheid van ons geslacht. Zij is gericht op de mens Jezus Christus en in Hem op degenen, die in Hem geloven. Zij brengt mee een roeping tot de ambten en diensten, die het schepsel door zijn val had verwaarloosd en zij betekent een vergadering van het verlorene en afgedwaalde onder het hoofd Jezus Christus, de overste leidsman en voleinder des geloofs (Hebr. 2 : 10), die hen zal voeren naar het koninkrijk des Vaders.

Wanneer de voorzienigheid Gods op deze wijze wordt geconcentreerd op de rode draad, die er door de hele bijbel loopt; wanneer zij wordt gespecialiseerd op de grote doeleinden Gods in de heilsgeschiedenis, dan komt alles veel scherper te staan. Zij wordt een hachelijk werk Gods, dat niet gedaan is met het afwenden van een onvruchtbaar jaar, maar dat door de duivel en zijn engelen, die als moordenaars loeren op de kerk, wordt aangevochten. Niet alleen de schepping, maar ook de voorzienigheid loopt dan uit op een scheiden, waarbij het welbehagen des Vaders het richtsnoer vormt en tegelijk zijn gerechtigheid. God is barmhartig en rechtvaardig, zegt art. 16 van de Nederlandse geloofsbelijdenis. Maar deze barmhartigheid en rechtvaardigheid bestaan in God zelf ongescheiden. Zijn rechtvaardigheid is tegelijk barmhartig en zijn barmhartigheid rechtvaardig. Maar daardoor scheiden zij juist zo scherp en zo geheel anders dan wij het gewend zijn. De onbarmhartige rechtvaardigen komen aan de linkerhand en de onrechtvaardige barmhartigen aan de rechterhand te staan in de dag des oordeels (Matth. 25 : 31-46). Die laatsten noemt Jezus de "gezegenden mijns Vaders" (vs. 34) en zij zullen, zegt Hij verder, het koninkrijk beërven, dat hun bereid is van de grondlegging der wereld. Zo gaan de rechtvaardigen door Gods rechtvaardigheid verloren en de onrechtvaardigen worden door zijn barmhartigheid behouden. Dit is nog een andere voorzienigheid dan die, door welke Hij regeert over rechtvaardigen en onrechtvaardigen en zijn zon laat opgaan over bozen en goeden (Matth. 5 : 45). Hier is de gerechtigheid van Gods koninkrijk de maatstaf. Deze gerechtigheid is even paradoxaal, even verwarrend voor onze morele begrippen als de gerechtigheid, die Luther vond, toen hij ontdekte dat God de zondaar rechtvaardigt. Deze vondst was meer persoonlijk, maar zij geldt ook voor de publieke gerechtigheid in het rijk. Zij zijn twee kanten van éénzelfde zaak. Zij geldt voor de voorzienigheid, de onderhouding en regering in het koninkrijk. Zij geldt voor de verkiezing, waardoor dit rijk wordt bevolkt. Daarbij zal het niet gaan naar de wetten der erfelijkheid van zonde tot zonde, maar daardoor beurt de Vader van keuze tot keuze zijn erfgenamen uit de zonde. Het is waar, wat Luther zegt: men kan, zegt hij, de zonden niet van een mens afdoen, zoals het wit van een muur.l Veeleer moet de mens worden weggenomen, zodat de zonde een overblijfsel vormt.

Nu kan men zeggen dat de Heidelbergse catechismus de val met zijn gevolgen reeds eerder behandeld heeft, nl. in zondag 3, waar eveneens al sprake is geweest van de schepping, en dat in vr. 20 de verkiezing even doorschemert, ofschoon zij niet met name wordt genoemd. Inderdaad is dit het geval en wij hebben er bij de behandeling van zondag 7 reeds op gewezen. Bij de hoofdverdeling van ons leerboek is het eerste stuk, dat handelt over de zonde en de ellende, dan ook de plaats, waar over de werken des Vaders moest worden gesproken. Dit gebeurt dan ook; echter zonder dat het uitdrukkelijk gezegd wordt. En het heeft plaats op een juistere wijze dan in zondag 9 en 10, omdat hier de schepping geheel als achtergrond van de val behandeld wordt. Het gezichtspunt, van waaruit de werken des Vaders hier worden gezien, is de gerechtigheid, de wet, en zo komt deze behandeling van de werken des Vaders dan ook veel meer overeen met die in de Nederlandse geloofsbelijdenis dan de bespreking daarvan bij de Twaalf artikelen. Dit blijkt ook daaruit, dat bij de laatste vraag met antwoord van het eerste stuk, bij vr. en antw. 11 dus, de verkiezing, de tegenstelling van zijn barmhartigheid en zijn rechtvaardigheid, heel duidelijk te voorschijn komt.

In één opzicht blijft dit alles echter onvoldoende. Wij hebben er, bij de beschouwing van de plaats die de Twaalf artikelen in ons leerboek innemen, reeds op gewezen, dat deze trinitarische invoeging een voordeel kan betekenen, voorzover zij gelegenheid biedt om, tegenover de soteriologische structuur de hoofdverdeling, de openbare gerechtigheid, het koninkrijk en de verkiezing met haar ambten en diensten naar voren te brengen. Nu dit echter in zondag 9 en 10 ten enenmale ontbreekt, kan een verwijzing naar de zondagen 2-4 geen uitkomst brengen. Want hier gaat het over de persoonlijke gerechtigheid voor de wet Gods, zoals in Romeinen 7. Van het koninkrijk en de verkiezing tot ambten is hier geen sprake. Alleen in zondag 3 zou men daarvan iets kunnen vinden, waar het wezen van het beeld Gods gevonden wordt in "ware gerechtigheid en heiligheid". Daarmee is gezegd, dat de mens in Gods koninkrijk thuis hoort, in een rechts- en heiligheidsorde. Daarom acht ik het ook een kapitale fout in de Kirchliche Dogmatik van Barth, als hij deze trek in het beeld Gods in de mens afwijst en daarvoor in de plaats stelt een vormelijke overeenkomst met het goddelijk wezen, het bestaan in een relatie, wat dan bij de mens plaatsvindt in de betrekking van man en vrouw.m Bij de prediking, ook der schepping, gaat het niet om de vormen, maar over de oordelen Gods (NGB., art. 13); over lijn koningschap en verkiezing.

Zoveel dan over het 'eerste stuk', ten opzichte van het koninkrijk en de verkiezing. Ons rest nog een andere bedenking onder de ogen te zien, die men tegen de gegeven voorstelling zou kunnen inbrengen. Men kan vragen of datgene, wat wij behandeld wilden zien bij de werken des Vaders, de gerechtigheid des koninkrijks, de openbare ambten, de publieke heiligheid, niet voldoende is behandeld bij de verklaring van de Tien geboden en daar dan met een uitvoerigheid, die bij zondag 9 en 10 niet mogelijk ware geweest. Immers in zondag 34 is sprake van de ware religie en in de volgende zondagen komen de eredienst, de openbare zedelijkheid, de gerechtelijke eed, de kerkedienst met haar ambten, de overheid, het wereldlijke zwaard, het huwelijk, de eigendom, de rechtspraak. En dit alles wordt bij de behandeling van het tiende gebod, voor zover het niet reeds bij elk gebod afzonderlijk gedaan is, nog eens bijzonder toegespitst op de gerechtigheid van Gods koninkrijk, zoals Jezus die in de bergrede heeft gepredikt.

Dit is een argument. Maar het is tevens een argument voor iets anders. Namelijk daarvoor, dat de behandeling van de wet, niet slechts als tuchtmeester tot Christus maar ook als afkondiging van Gods openbare gerechtigheid, meer vooraan moet staan, zoals dat ook in de eerste uitgaven van Calvijns Institutie en in Luthers Grote Catechismus en elders het geval is10. Daardoor zou dan als vanzelf de belijdenis van de Vader een rijkere worden dan zij nu is. Of, wanneer men de soteriologische orde van de hoofdverdeling behouden wil, dan wordt daardoor temeer geboden, deze bij de trinitarische indeling der Twaalf artikelen op dit punt aan te vullen. Anders geeft de belijdenis van de Vader een zeer gebroken, zo niet mystificerend beeld. In de zondagen, die over de ellende handelen, is het dan de handhaven van zijn wet, die zich schrikkelijk vertoornt over onze aangeboren en werkelijke zonden. En in zondag 9 en 10 is het ineens de goede God, die alles ten beste keert, zonder dat daarbij gedachtenis is aan zijn ontzaggelijk en hachelijk koninkrijk, waarin de duivelen als moordenaren loeren; waarin men de linkerwang moet toekeren als men op de rechter geslagen wordt; waarin niet de rechtvaardigen, maar zondaars geroepen worden (Matth. 9 : 13).

Wanneer hier de wet behandeld werd naar nieuwtestamentische uitlegging, zou de belijdenis van de Vader niet alleen rijker worden, maar er zou ook grotere eenheid komen in zijn beeld. Hier en ginds zou de wonderbare gerechtigheid Gods, die tegelijk barmhartigheid en rechtvaardigheid is, gelijkelijk uitkomen. Wij zouden inwendig minder verschrikt zijn en uitwendig minder zelfverzekerd. De noodzakelijkheid om de Heid. Cat. naar de zijde van het openbare leven uit te bouwen, zou dan volledig tot haar recht kunnen komen. Zolang dit leven blijft ingebouwd in het gevoelen der dankbaarheid, blijft het toch altijd overwegend persoonlijk. - Zulk een prediking zou ons niet steeds, zoals nu bij zondag 9 en 10 het geval is, in de gevallen schepping terugzetten, om van daaruit op een vroom toevoorzicht, dikwijls gepaard met onvrome lijdelijkheid, aan te dringen, maar zou ons oproepen tot onze ambten in het koninkrijk Gods en tot geloof in de komst van dat rijk.

Dit is niet slechts een vraag van dispositie ten opzichte van een oud leerboekje. Het is, afgezien van de Heid. Cat. en van het gebruik dat daarvan gemaakt wordt in onze leerdiensten en leergangen, nog meer een tijdvraag van de eerste orde. De prediking van de voorzienigheid, zoals die ook in 't algemeen onder ons gangbaar is, is niet krachtig genoeg om te werken in de bediening der verzoening, waarvan Christus het middelpunt en de middelaar is. Er zijn misschien eeuwen geweest, zoals de achttiende, waarin deze half-natuurlijke theologie bevrediging schonk aan op harmonie gerichte zielen. Toen echter Lissabon op 1 november 1755 voor twee derde werd verwoest door een aardbeving, werden deze zielen hun vroomheid schier bijster. - In onze eeuw is de ligging der geesten een andere en de ergernissen zijn ook van andere aard. Zij hebben minder of in het geheel geen betrekking op de natuurlijke theologie en op een leer der voorzienigheid, die daaraan is georiënteerd. Zij zijn niet ontleend aan de schepping als zodanig; en de moeiten, die de moderne mens had met het conflict tussen bijbel en natuurwetenschap, zijn verouderd. Men komt ze eigenlijk alleen nog tegen in overleefde kringen. - De werkelijke ergernissen onzer eeuw worden genomen aan het koninkrijk Gods, omdat het niet komt. De debácle van het evolutiegeloof der negentiende eeuw heeft een geestelijke afgrond geschapen, waarvan de woestheid en ledigheid ons angst aanjagen. Maar deze angst is alleen te verdragen, omdat er een latente hoop leeft op de komst van Gods koninkrijk. Deze hoop is gegrond, want zij rust op de belofte van het Evangelie. Zij hoopt ook niet op lange termijn. Zij zet het koninkrijk niet in het laatste artikel harer belijdenis, of achterin haar catechismus, maar voorin of middenin. Ook dat is gerechtvaardigd. Het berust op de woorden van Jezus zelf, dat het Koninkrijk der hemelen nabij gekomen is.

Maar hier liggen dan ook de ergernissen. En daarover willen wij niet getroost zijn door een vroom, maar dikwijls wat slap voorzienigheidsgeloof. Het gaat nu niet over regen en droogte, voorspoed of tegenspoed, rijkdom of armoede. Het gaat om de openbare gerechtigheid; om waarheid of leugen; om Godsdienst of afgodendienst; om beeldendienst of een dienen van God in geest en in waarheid. Het gaat, ook op de dorpen, om kerk of kroeg. Het gaat ook om het buitenste of het binnenste van de drinkbeker (Matth. 23 : 25); om liefde of haat; om doodslaan of de andere wang toekeren; om oorlog of vrede. Het gaat om één of twee rokken; het gaat om rein of zwijn (2 Petr. 2 : 22).

Hier liggen de ergernissen voor ons geslacht en niet daar, waar ze in 1755 lagen. Waarom zien wij het koninkrijk Gods niet, daar het toch nabij gekomen is? Gij zijt toch onze Vader (Jes. 63 : 16)?

Zondag 11

Vraag 29: Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is Zaligmaker, genoemd?

Antwoord: Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost; daarbenevens. dat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is.

Vraag 30: Geloven dan die ook aan de enige Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf, of ergens elders zoeken?

Antwoord: Neen, maar zij verloochenen met de daad de enige Heiland Jezus, ofschoon zij met de mond Hem roemen; want van tweeën één: of Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, of die deze Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hun zaligheid van node is.

Wie de bange vraag bij zich voelt opkomen, waarmee wij onze toelichting van de vorige zondag besloten, voelt het horen van de naam Jezus als een weldaad. De schier ondraaglijke spanning tussen de empirische werkelijkheid en het nabije Koninkrijk der hemelen wordt er door ontladen. De naam klinkt als een: Zie, hier ben Ik! Het is niet de Vader zelf, maar de Zoon, die door de Vader in de wereld gezonden is. Hij begint zijn prediking met de oproep: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Matth. 4: 17).

Juist aan deze prediking ontvlamden de ergernissen onzer eeuw. Zij kweekte een opstandige gezindheid, omdat zij als een goddelijke bespotting klonk en zij wekte daardoor de verbeten wil om de zaak zelf ter hand te nemen. - Deze opstandigheid is voor God niet de ergste gesteldheid van het mensenhart. Zij is soms zelfs hoopvoller dan het 'goede toevoorzicht'. waarvan vr. 28 sprak. Er is voor het koninkrijk Gods meer te verwachten van de Saulussen, die de verzenen tegen de prikkels slaan dan van de Gamaliëls, die Gods water over Gods akker willen laten lopen. De laatsten horen in de naam Jezus een naam zoals er vele zijn, bijv. Theudas of Judas (Hand. 5 : 36, 37). Maar de anderen kunnen dat niet. Daarvoor is hun ergernis en opstandigheid te groot. Zij hebben echter de goddelijke kans, dat zij door God worden verkoren tot een ambt in zijn koninkrijk. Dan noemt Jezus hun zelf zijn naam (Hand. 9 : 5) en zakt hun opstandigheid ineen. Zij weten dan, waarom Hij Jezus genoemd wordt. Omdat Hij hen zalig maakt en van hun zonden verlost en dat bij niemand anders die zaligheid te zoeken of te vinden is. Deze naam overwint hen en maakt hen levenslang tot knecht van deze Heer. Wee hun!, als zij de opdrachten niet vervullen, die Jezus hun geeft (1 Kor. 9 : 16). Zij hebben hun ambt in het koninkrijk gevonden en daarbij vergeleken achten zij voortaan al het andere schade en drek (Fil. 3 : 8). - Toch is het een verborgenheid, dat de naam Jezus een enige naam is; dat er 'onder de hemel' geen andere naam (is), ... door welke wij moeten zalig worden (Hand. 4 : 12); dat God "hem een naam gegeven (heeft), welke boven alle naam is, opdat in de naam van Jezus zich zou buigen alle knie" (Fil. 2 : 9, 10). Deze naam had wel een heerlijke betekenis, zoals vele andere persoonsnamen dat ook hebben. Het is de Griekse vorm van Jozua. Maar dat is het niet slechts, wat in antw. 29 ligt opgesloten. De naam is hier geen familienaam, maar is door God zelf gekozen (Matth. 1: 21). Het is de goddelijke vertaling van Immanuël, God met ons, zoals de oudtestamentische profeet het had voorzegd (Jes. 7 : 14). Bij de aankondiging aan Jozef, die Mattheüs weergeeft, wordt daarnaar uitdrukkelijk verwezen.

Hier hebben wij dan de aanwijzing van de goddelijke verkiezing, die dit kind heeft laten voorspellen en aankondigen uit alle kinderen Rachels (Matth. 2 : 18) en die deze naam heeft uitgezocht om uit te drukken, wat naar zijn eeuwige wil was weggelegd voor de gevallen mensheid. Straks, bij zondag 12, zal er sprake zijn van de ambten, waartoe Jezus verkoren is en zal worden gevraagd naar de betekenis van de naam Christus, die Hem wordt toegelegd. En zo sluiten deze zondagen geheel aan bij de inhoud, die de beide vorige zondagen zouden hebben gehad, als daar gehandeld was over het koninkrijk Gods, de verkiezing en de ambten, zoals wij daarover hebben gesproken. Een positief argument dus te meer daarvoor, na het negatieve, toen wij er op wezen, dat die aansluiting thans wordt gemist.

Dit is de Naam, die de Zoon Gods, toen Hij op de wereld kwam, heeft aangenomen. Straks, bij zondag 14, zal er sprake zijn van de menselijke natuur, die Hij heeft aangenomen, maar ons leerboek begint met de naam. Het is een oude stelregel, dat alle kennis met de naam begint. En deze regel gaat het allereerst en het allermeest op voor het Evangelie.

Het is de moeite waard om daar even bij stil te staan. Want niet met al onze kennis is het zo gesteld. Het gaat wel op voor wat wij onze historische kennis kunnen noemen. Dat is die kennis, waarin, op de een of andere wijze, enig gezag geldt, zodat de gronden van ons voor-waarhouden, ons van buiten toekomen. Daartoe behoren ook nog grote partijen van onze kennis der natuur; zoals wij ook een deel daarvan de 'natuurlijke historie 'noemen. Wij kunnen zeggen, dat dit soort kennen, het kennen dat met de naam begint, tot aan het opkomen van de moderne natuurwetenschap en van het moderne denken in het algemeen zeer overwegend is geweest. Toen echter omstreeks het begin der zeventiende eeuw - ontstond er een fel protest tegen het vertellen van historiën op gebieden, waar men zelf wilde zien en denken. Zien in de natuurwetenschap en denken in de wijsbegeerte. En in verband daarmee werd het gezag afgewezen en werd de autonomie naar voren geschoven. Niet met de naam wilde men beginnen, maar met de intuïtie, de evidentie, de klaar en scherp onderscheiden gedachte.

Begon deze manier van kennen aanvankelijk behoedzaam en schroomvallig, en waagde zij zich eerst slechts aarzelend buiten de grenzen van de exacte wetenschappen, van lieverlede werd dit optreden anders. Men werd onvoorzichtig en driest en paste deze methode ook toe op de terreinen van de geest; op de historie in het algemeen en op de godsdiensthistorie in het bijzonder. De ouderen onder ons weten hoe groot de verwoestingen zijn, die met name de gepopulariseerde natuurwetenschap onder ons heeft aangericht. En nog lang nadat in de wetenschap zelve de kentering naar een beter inzicht zich reeds had voltrokken. Wij mogen, bij de prediking van het Evangelie en bij de onderwijzing in de christelijke geloofsleer, gerust weer bij de Naam beginnen. Wij hebben zelfs een beetje kritiek, als onze Nederlandse geloofsbelijdenis in artikel 1 spreekt van één enig en eenvoudig geestelijk wezen "hetwelk wij God noemen". Reeds Melanchton had het zo. Maar het klinkt alsof het denken voorafging en de naam volgde; alsof niet God zelf aan ons, maar wij Hem zijn naam gegeven hadden. God is echter al het derde woord in de bijbel en aan Mozes heeft God zijn naam zelf geopenbaard (Ex. 3 : 14).

Zo beginnen wij ook met de naam Jezus. Die is het eerste wat de Zoon Gods, toen Hij op de wereld kwam, heeft aangenomen. Onze kennis van het Evangelie is nog veel meer historisch dan die van de gewone geschiedenis. Hier geldt het gezag nog veel meer in strikte zin. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods (Rom. 10 : 17). Van Jezus wordt eerst de naam gepredikt, in de beide aankondigingen aan Jozef en aan Maria, en daarna komt al het andere. Iemands naam kan men niet bedenken, als hij niet wordt medegedeeld. Die moet men helemaal op gezag aannemen. Hij is historisch. - En dit geldt het allermeest van de naam 'Jezus'. Want dit is, naar zijn werkelijke betekenis, een énige naam onder de hemel. Andere namen kan men, zoals Adam dat deed bij de dieren, misschien nog afleiden uit de aard der te noemen wezens. Maar deze naam is absoluut historisch. De zin en de volheid daarvan werd er door God zelf ingelegd. Eerst door profeten en eindelijk door engelen heeft Hij hem bekend gemaakt.

Daarom klinkt de naam 'Jezus' ons ook niet in de oren als een eigennaam uit de geschiedenis, maar als een Evangelie. Wie evangeliseren wil, kan dat nooit korter doen dan door deze naam te noemen. Het noemen daarvan kan iemand redden. Het kan een teken zijn, waardoor de wereld overwonnen wordt. - Weliswaar niet op Joodse of heidense wijze, om met de naam de duivelen te bezweren. Dat merkten die zeven zonen van Sceva, die dat probeerden (Hand. 19 : 13-16). Maar wel als deze naam als een goddelijke boodschap gepredikt wordt. Wanneer God deze naam noemt, dan is dat het 'er zij licht!' in de herschepping. Dan kan in het licht van 'God met ons' al het andere zijn plaats krijgen.

Daarom behoren wij met die naam Jezus ook zeer eerbiedig om te gaan. Wel niet zoals de Joden met de Godsnaam Jahwe in het Oude Testament, als zij hem niet dorsten te noemen, maar toch wel met een gevoel dat daarop uit de verte lijkt. Evenals het licht bij de schepping is deze naam immers het eerste, wat bij de herschepping uit de mond Gods uitgaat. De naam is als het ware nog warm van Gods adem. Niet alleen is alle ijdel noemen van de naam Jezus een vloek, maar wij zouden er als christenen ook niet aan denken om, na Hem, die naam aan te nemen of te geven. Hij is door God uitverkoren en tot zijn Evangelie geheiligd. Wij noemen ons christenen, naar de ambtsnaam van Jezus. Wij kunnen zijner zalving deelachtig zijn (zondag 12). Dat is lang niet zo direct. Maar zijn naam kunnen wij niet deelachtig zijn. Wanneer wij Hem daarmee aanspreken zeggen wij ook: Here Jezus. Wij noemen ons niet Jezuïeten en de pijnlijkheid, waarmee deze titel ons in de oren klinkt, wordt niet alleen veroorzaakt door de historie van deze orde, maar ook reeds door de vrijpostigheid tegenover God, die daaruit spreekt. De naam 'Jezus' is een Evangelie; hij houdt voor ons de zaligheid in. Hij kan de laatste klanken bevatten, die van onze sterfelijke lippen zullen komen. En bij niemand anders is enige zaligheid te zoeken of te vinden. God heeft niet tweemaal het licht geschapen en Hij kan ook maar éénmaal zulk een naam geven. Maria kan niet helpen bij het verlossingswerk en geen van de anderen, die de kerk wel eens heiligen noemt, kan dat. Wie dat meent, doet iets van zijn eigen zaligheid af. Hij waagt het niet meer met de enige, ware God, zoals Hij zich in zijn Woord geopenbaard heeft, maar hij zoekt het wat dichterbij. In plaats van godsdienst wordt het heiligendienst; misschien wel beeldendienst. Deze zonde heeft lang als een verre reminiscentie in ons leerboek nageklonken; althans zo kwam het ons voor. Kuyper kon, in zijn verklaring van de Heid. Cat., omstreeks het begin dezer eeuw, nog schrijven dat dit gevaar onder ons niet zo dreigend meer was. Wel zag hij het toen ook nog wel, onuitroeibaar, in allerlei vormen dreigen, maar dan vond hij het meer in de bijkomstige dingen.n

Dit staat thans anders. Nu de dreiging van de 'overheden en de machten', waarvan Paulus in zijn brieven soms spreekt (Rom. 8 : 38 vv.), zo groot geworden is, zijn wij in gevaar hulp te zoeken bij soortgelijke tussenwezens tussen God en ons. Dit is een vorm van religie, die zo oud is als onze wereld. Reeds in Genesis 6 lezen wij van een onheilige vereniging van zulke tussenwezens en de mensen en van de geweldigen, die daaruit geboren werden. Ook onze tijd kent weer zijn 'reuzen' (Gen. 6 : 4). Figuren die door de sterkte van hun arm, hun halve almacht en door de mate waarin zij geen wet buiten zichzelf erkennen, een hypertrofie vertonen van het menselijke en tot een soort demonen uitgroeien. Deze caesarenwaanzin heeft ons werelddeel niet gekend, sedert het christendom zijn invloed merkbaar in het publieke leven deed gevoelen. Met het eerste zinken van het Romeinse rijk is hij verdwenen. Diocletianus (285-305) heeft er nog iets van. Maar later hebben noch Karel V noch Lodewijk XIV noch zelfs Napoleon dit type vertoond. De straling die er van Jezus uitging, verhinderde de wasdom van deze woekeringen der humaniteit.

Nu zij zich weer gaan vertonen, is de verleiding daar, om op hetzelfde vlak van het bovenmenselijke 'zaligheid en welvaart' (vr. 30) te zoeken. Tegen de demon zouden wij dan de heilige moeten plaatsen. Wij zouden de incarnatie, de vleeswording van Christus, zich moeten laten voortzetten. Hij zou de aanvoerder worden van een leger van halve christussen en zijn naam zou niet meer de énige zijn, die onder de hemel genoemd wordt, waardoor wij kunnen zalig worden, maar daar zouden vele zulke namen komen, die wij voor God konden noemen. Wanneer wij ons hulpeloos gevoelen tegenover totalitaire machten, waarbij alles in een demonische hiërarchie staat opgesteld, dan is de verzoeking groot om God niet te bidden, ons van de boze te willen verlossen, maar om deze formatie over te nemen; althans sommige partijen daarvan, om zo tegenover iedere stelling iets gelijksoortigs te kunnen plaatsen. Daarmee schijnt men een kans te krijgen staande te blijven in de boze dag (Ef. 6 : 13). Omdat de kerk ook een aardse gestalte heeft, is dit voor haar steeds een verlokking geweest. In de tijd van de uitbreiding der christelijke kerk in het Romeinse rijk, bestond het heidendom in de vorm van zulk een hiërarchische demonie. De kerk is toen aan de bovenbedoelde verzoeking niet geheel ontkomen. Rome ziet de heiliging van de zondaar als een verheffing boven de menselijke natuur, een zekere vergoddelijking. Zaligheid is ene trap, heiligheid een andere.

Thans komt de verzoeking opnieuw tot ons. Het is nu voor ons niet meer alleen een vraag uit de zestiende eeuw, waarvan de nagalm ons nog bereikt in een vraag en antwoord uit een oud leerboek, maar het gaat nu en heden ten dage om onze zaligheid, om ons heil, om onze toekomst en die van de kerk, en om de komst van Gods koninkrijk. Het is voor Rome opnieuw een vraag, evengoed als voor ons. Maar voor ons is het door de nabijheid en de macht van Rome een dubbele verzoeking. De macht ener totalitaire organisatie en de mogelijkheid om te vertrouwen op en te geloven aan de bescherming en de voorbede van heiligen, die geacht worden dichter bij God te zijn dan wijzelf, oefent op de zielen een sterke aantrekkingskracht. Zij vinden het angstig maar die éne naam te kennen, die éne Jezus tot hun Zaligmaker te hebben en voelen zich niet zeker van hun heil, als daar niets bij en tussen komt. De hedendaagse machtscomplexen hebben een ongoddelijk en toch bovenmenselijk karakter, zoals de wetenschap dat in onze dagen ook heeft. Het schijnt een onbegonnen en een nutteloos werk daartegenover slechts de naam Jezus te stellen. Wanneer het zal gaan om Rijk tegen rijk, een burgerschap der heiligen tegen een aardse politiek; als de dingen, waarom het gaat, waarheid of leugen, macht of recht, oorlog of vrede de zorg om de eigen zaligheid verre te boven en te buiten gaat, ligt het dan niet voor de hand dat de christenen zich samenvoegen in een verband, dat in de oudheid van een hiërarchische demonie is afgekeken en in onze tijd daaraan weer tot voorbeeld heeft gestaan? Zullen wij niet dat gezag, dat het hoogste is en, zoals onze koningin het in haar kerstrede van 1948 zeide, het diepst doordringt, het gezag van Gods koninkrijk, waarin het nederste wordt itverkoren, laten varen, en ons vertrouwen gaan stellen op 'overheden', die dichterbij zijn en toch ook boven onze natuur?

Daartegen komt nu ons leerboek in antw. 30 in verzet. De naam Jezus is exclusief. Hij is door God uitverkoren om gedragen te worden door zijn Zoon, die Hij in de wereld heeft gezonden. En juist deze uitverkiezing maakt al het andere klein. Wanneer wij daarnaast of daartegenover andere namen en machten laten opkomen, verdonkeren wij de glorie van de naam Jezus. Op zijn predestinatie, zijn bestemming tot Zaligmaker, komt alles aan. Wanneer het God behaagt, de troon van zijn koninkrijk te bevestigen op zulk een nederige wijze en wanneer Hij dat de beste politiek acht voor zijn regering, dan mogen wij niet wijzer zijn dan Hij. Nu Jezus onze Heer is, worden wij het meest regelrecht door God zelf geregeerd, zonder dat andere machten zich daartussen kunnen dringen. En nu het Woord vlees geworden is, komt God door Jezus nader tot ons dan langs elke andere weg. De vernietiging van het Woord door het aannemen van de naam Jezus en de vernedering van Jezus in het lijden en de dood (Fil. 2 : 4-1 1) zijn de machtigste instrumenten, waardoor de wereld overwonnen kan worden en het geloof daarin is de kracht, die God daarvoor oproept (1 Joh. 5 : 4). Niet de naam van Jezus laat zich meedelen, zodat wij ons daarmee zouden kunnen sieren. En niet de vleeswording van het Woord in Jezus laat zich voortzetten in de zgn. 'heiligen', zodat zij meer van de goddelijke natuur zouden hebben dan de andere mensen. Deze dingen kunnen slechts éénmaal geschieden. Alleen de predestinatie, de goddelijke verkiezing, kan in Jezus Christus ook de gelovigen omvatten en ook individueel aan hen vastgemaakt worden (2 Petr. 1 : 10), omdat God deze niet uit handen geeft en het een vrije keuze blijft. Degenen die Jezus de zijnen noemt, zijn Hem door de Vader gegeven (Joh. 17 : 6).⌫

Zondag 12

Vraag 31: Waarom is Hij Christus, dat is Gezalfde, genaamd?

Antwoord: Omdat Hij van God de Vader verordineerd is en met de Heilige Geest gezalfd tot onze hoogste Profeet en Leraar, die ons de verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomen geopenbaard heeft; en tot onze enige Hogepriester, die ons met de enige offerande zijns lichaams verlost heeft en voor ons met zijn voorbidding steeds tussentreedt bij de Vader; en tot onze eeuwige Koning, die ons met zijn Woord en Geest regeert en ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt.

Vraag 32: Maar waarom wordt gij een christen genaamd?

Antwoord: Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo zijner zalving deelachtig ben, opdat ik zijn naam belijde en mijzelf tot een levend dankoffer hem offere en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere.

Wij moeten thans spreken, niet meer over de eigennaam van Jezus, maar over zijn ambtsnaam. Er wordt nu gevraagd, waarom Hij Christus heet. Daarmee wordt gevraagd naar het werk, waartoe de Vader Hem bestemd heeft, verordineerd zegt de Heidelbergse catechismus; en waartoe Hij Hem opdracht heeft gegeven.

Het is hier de plaats om allereerst iets te zeggen over wat een ambt is. In ons kerkelijk leven en in onze theologie maken wij gewoonlijk onderscheid tussen ambten en diensten. Ook in de kerkorde, die thans in behandeling is, worden zij onderscheiden. Toch komt men daar van verschillende zijden tegen op met het argument, dat 'ambt' vroeger alle soorten van dienst betekende, ook nog wel in de tijd der Hervorming. Dit is ongetwijfeld juist. - Het woord is ontstaan uit 'ambacht'. Dat laatste werd in de middeleeuwen voor alle diensten gebruikt, zowel hogere als lagere. Zelfs de keizerlijke waardigheid heette wel eens ambacht.

Toen nu naast 'ambacht' door samentrekking 'ambt' ontstond, is men van lieverlede het eerste voor de lagere, het laatste voor de hogere diensten gaan gebruiken. Voor kerkelijke diensten raakte 'ambacht' geheel in onbruik en zo bleef in de kerkelijke taal het woord 'ambt' alleen beschikbaar voor de meest gevestigde kerkelijke diensten.o ⚑Daarbij komt dan nog, dat voor de ambten in de kerk een wettige roeping of verkiezing wordt gevorderd, die geacht wordt van Godswege te zijn geschied, als zij heeft plaats gehad. Daarom kan de kerk de onderscheiding van ambten en diensten moeilijk ontberen. Want ook wanneer roeping en verkiezing ook een verborgene en innerlijke kunnen zijn en sommige diensten in verband daarmee in historische en praktische betekenis soms ver boven de gewone ambten kunnen uitgaan, dan moet de orde van de dienst toch door deze onderscheiding gehandhaafd blijven.

Deze orde nu vindt haar grond in de ambtelijke vervulling van Jezus' verlossingswerk. Het is nl. niet zo, dat Jezus op aarde gekomen is en dat Hij nu het werken van de zaligheid van zondaren tot stand gebracht zou hebben door aan de zijnen een vermenging van de goddelijke en de menselijke natuur mee te delen. Ook wanneer Hij spreekt van de wijnstok en de ranken (Joh. 15), dan is dat niet zijn bedoeling. De menselijke natuur heeft Hij aangenomen om daarin zijn werk te volbrengen. En dat heeft Hem aan het kruis gebracht. Dat was nodig voor zijn middelaarswerk. Aan die natuur, ontvangen van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria, kunnen wij geen deel hebben. En aan zijn goddelijke natuur, zijn Zoonschap van nature, evenmin. Wij kunnen slechts aangenomen kinderen van God worden. Christus' persoon, waarin deze naturen onvermengd aanwezig zijn, blijft dus voor ons onmededeelbaar.

Zijn vernedering en verhoging zijn dat in strikte zin ook. Wij kunnen de vernedering van Christus, van Gode-evengelijkheid tot godverlatenheid, niet meemaken en wij kunnen evenmin het plaatsbekledende van zijn opstanding en van zijn zitten ter rechterhand Gods navolgen en ons iets daarvan laten mededelen. De vrucht daarvan is voor ons; het 'nut', zoals de Heid. Cat. het telkens noemt. Hij werd veroordeeld, zegt ons avondrnaalsformulier, "opdat wij voor het gericht Gods zouden vrijgesproken worden". Hier heersen de tegendelen en niet de delen. De oordelen Gods maken hier onderscheid. Dit zijn werken van Christus, die wij niet kunnen navolgen.

In beide opzichten, zowel wat het deelhebben aan de goddelijke natuur betreft, als ten opzichte van de mystieke vereniging met de vernederde en verhoogde Christus, gaat Rome over de grens, die God in zijn Raad en in zijn Woord getrokken heeft. Onze natuur wordt niet vergoddelijkt en wij zijn niet bestemd de stigmatisatie te ontvangen of in een gemeenschap met de opgestane Heer te leven, die de aardse huwelijksliefde vervangt.

Daarom is het niet toevallig dat het drievoudig ambt van de Zaligmaker in de kerk pas bij de Reformatie duidelijk beleden wordt. In de oude kerk was er meestal slechts sprake van twee ambten, het priesterlijke en het koninklijke. Ook Thomas Aquinas, de grote kerkleraar der middeleeuwen, is op dit punt nog niet helder en scherp. Calvijn echter heeft sedert 1545 voor het eerst het profetisch ambt duidelijk aan de beide andere toegevoegd en de betekenis van deze leer voor ons geloofsleven ontvouwd. - Dit hangt onmiddellijk samen met de duidelijke onderscheiding tussen naturen en ambten, die de hervormers maken. Ook Luther en Melanchton, die aanvankelijk bij het tweevoudig ambt blijven staan, weten op dit punt toch reeds duidelijk bescheid. Zij wijzen er soms op, dat de naturen van Christus ons niets aangaan, maar dat het aankomt op zijn werk. Zij willen daarmee niet zeggen, zoals de moderne vertolkers van hun geschriften wel hebben gewild, dat zij de oudchristelijke leer van de beide naturen van Christus zouden minachten, maar zij bedoelen dat de ambten ons veel nader staan en wij daarbij meer onmiddellijk betrokken zijn en er in kunnen delen. - Zolang wij blijven staan bij het priesterlijk en het koninklijk ambt, staat deze tweevoudige onderscheiding toch eigenlijk nog gelijk met die tussen de beide zgn. staten van Christus, de vernedering en de verhoging. Als priester vernedert de Heer zich en geeft zich voor ons over; als koning wordt Hij verhoogd en regeert Hij ons. Deze beide 'staten' volgen dan ook op elkaar; zij vertolken de gang van het Evangelie, historisch. Bij de drie ambten kan dat niet het geval zijn; zij doordringen elkaar veel meer en voorzover zij gescheiden zijn, zijn zij toch van den beginne af alle drie aanwezig en blijven dat tot het einde. - Bij de beide staten worden de beide naturen van Jezus meer op elkaar betrokken. In de vernedering wordt God mens; in de verhoging wordt de mens Jezus vergoddelijkt. Hier kan men niet van ambten spreken. In deze staten kunnen wij ook niet delen; althans niet in de strenge zin van dat woord. Alleen mystisch, zoals Paulus zegt dat wij met Christus gekruisigd worden (Gal. 2 : 20) en met Hem opstaan (Rom. 6 : 5).

Wanneer het drievoudig ambt van Jezus nu beleden wordt, dan wordt inderdaad ook meer afstand genomen van zijn naturen, maar ook van zijn staten. Wij belijden niet, zoals de roomsen dat doen, een zekere vergoddelijking van onze natuur in het werk der verlossing. Wij zoeken Hem zijn vernedering niet na te doen in een opzettelijke, bij de roomsen soms ver doorgevoerde kruisiging des vleses; een ascese, die gaan kan tot de grenzen van een vernietiging van het menselijke. Ook trachten wij zijn verhoging niet zelf te bereiken door ons daartoe in mystische oefeningen te werpen. Dit loopt uit op een dalen en klimmen langs de ladder van een kosmische mystiek, zoals de neoplatonisten die oefenden in het begin van onze jaartelling. Luther heeft zeer terecht gezegd dat wij sommige werken van Jezus niet kunnen navolgen.

Met het oog op dit alles heeft de klare belijdenis van Jezus' drievoudig ambt, zoals die na de Reformatie, vooral op het voetspoor van Calvijn, wordt gevonden, grote betekenis. Dat is niet maar alleen een kwestie van leerstellige aard, maar het werkt diep door in het geloofsleven en in de daardoor geschapen levensvormen. Jezus is de middelaar Gods en der mensen (1 Tim. 2 : 5). Hij is dit niet als een tussenliggende natuur, lager dan die van God en hoger dan die van de mensen, waarin wij God zouden kunnen ontmoeten. De kerk leert terecht dat beide naturen ook in Hem onvermengd blijven. - Hij is de middelaar, omdat Hij een werk heeft te doen, dat Hem door God is opgedragen. Dit is de meest naar ons toegekeerde zijde van God. Daartoe is Hij mens geworden. Men mag dat laatste niet weer verduisteren door er op te wijzen, dat het Woord van eeuwigheid ook reeds profeet, priester en koning was, omdat deze functies anders niet konden voorkomen bij de mensen, die naar zijn beeld geschapen zijn. Hier gaat het over de ambten, die aan de mens Jezus zijn opgedragen.

Als zodanig had men Hem 'eeuwen lang' verwacht. Het volk Israël heeft lang uitgezien naar de komst van de Messias. Wel is die verwachting er al van den beginne, volgens de bijbel, en komt zij als verlangen ook bij de heidenen voor. Maar onder Israël is zij, bij de profeten en in de psalmen, gekomen tot het ontwerpen van een beeld, waaruit Jezus de plichten van zijn ambt heeft saamgelezen.

Allereerst behoort daartoe wat het Oude Testament reeds bij oppervlakkige lezing te zien geeft: de aanwezigheid in Israël van profeten, priesters en koningen. Door hen handelt God met zijn volk. Ieder bijbellezer kent vele hunner namen. Zij zijn met de geschiedenis van dit volk zo saamgeweven, dat men zou kunnen zeggen, dat hun lotgevallen die historie uitmaken. - Zij hebben ook geen van drieën iets bovennatuurlijks, zoals dat bij andere volkeren wel het geval is. Goddelijke eer wordt hun niet toegebracht; zij doen wel het werk Gods en worden daartoe geroepen of gezalfd. Dit is het karakter van hun middelaarschap. Het zijn geen tussenwezens; er is niets demonisch aan hen. Maw. niet hun natuur, maar hun ambt onderscheidt hen van andere mensen. Maar ten opzichte van dat ambt moest er dan ook een duidelijke aanwijzing zijn, dat God hen daartoe verordineerd had.

Zo hadden dan reeds in het Oude Testament de profeten, priesters en koningen van Godswege opdrachten, die in het ambt van de Gezalfde, de Messias, de Christus, worden saamgevat. De Christus treedt geheel in het mensenleven in en vervult daarin, wat God stuksgewijze reeds vroeger aan anderen had opgedragen. En ook na zijn aardse verschijning gaat de uitoefening van zijn ambten door, ook in de christenen, zoals de tweede vraag met antwoord van deze Zondag ons leren. - Wij hebben reeds gezien, dat dit van de menswording en van de vernedering en de verhoging niet geldt. Daarom is het ook niet juist om de uitoefening van de drie ambten te vergelijken met de drie functies van het menselijk wezen: kennen, zich-geven en regeren, zoals Bavinck doet in zijn dogmatiek.p Of zoals hij het kort zegt: het hoofd, het hart, de hand. Daarbij wordt dan weer te veel op de natuur teruggegrepen. En dat moet bij een beschouwing van de drie ambten van de Christus juist vermeden worden. De bijbel kan ons daarvoor reeds dadelijk waarschuwen, als hij de profeet niet het hoofd, het verstand van God noemt, maar 'de mond' van God (Ex. 4 : 16). Daardoor wordt de hele reeks uit de natuur naar de geschiedenis verschoven.

Wanneer wij dan vragen, waar deze drie ambten dan wél uit genomen zijn, dan moet het antwoord luiden: uit de theocratie, het koninkrijk Gods in deze zondige wereld. Dit koninkrijk trad aanvankelijk en bij voorafschaduwing in de verschijning bij het volk Israël en het is bij de vleeswording des Woords 'nabij' gekomen. Door de inplanting in dit koninkrijk worden het karakter en de uitoefening van deze ambten bepaald. Op dit verband van koninkrijk en ambt heb ik boven reeds telkens gewezen. Hier is het dan de plaats om in verband daarmee en op grond daarvan de aard van elk dezer drie aan te duiden.

Daarbij moet voorop staan, dat de Christus deze ambten op zich genomen heeft, nadat Hij mens geworden is en dat Hij gekomen is om ze op zich te nemen als Zaligmaker. Daarmee staan ze midden in de noden en ellenden van een gevallen wereld. Daarom passen hier geen bespiegelingen over de natuur van de Logos, het Woord, althans niet naar de zijde van zijn eeuwige existentie. Alleen voor zover dit Woord, zoals in het evangelie van Johannes, in deze mens Jezus in de verschijning treedt, kan het ook hier in de oefening des geloofs betrokken worden. Omdat deze mens Jezus alleen "uit kracht zijner Godheid" (antw. 17) deze ambten kon vervullen. Maar overigens valt bij het middelaarswerk en bij deze ambtsvervulling alle nadruk op de menselijke zijde van Jezus' werk. Hij vervult deze roeping als onze plaatsbekleder.

Dat deze ambten worden vervuld in een gevallen wereld; dat zij de organen zijn van het nabij-gekomen Koninkrijk der hemelen; dat het maw. messiaanse ambten zijn en dat zij niet in de schepping maar in de herschepping hun grond hebben, komt al dadelijk heel duidelijk uit bij wat de Heid. Cat. zegt van Jezus' profetie. Hij is gezalfd "tot onze hoogste profeet en leraar, die ons de verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomen geopenbaard heeft". Daarmee staat Jezus dan in de rij der profeten, waardoor "God voortijds en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken heeft" (Hebr. 1 : 1). Maar Hij is de hoogste en Hij heeft ook boven de profeten een uitnemender naam geërfd, zoals ook boven de engelen (Hebr. 1 : 4). Want de schrijver van de Brief aan de Hebreeën noemt Hem op de eerst aangehaalde plaats niet profeet, maar Zoon. - Bovendien ligt in dat 'hoogste' opgesloten, dat na Jezus geen profeet van het Godsrijk meer komen zal. Het is nu zo nabijgekomen dat de profetie overbodig wordt. Nu de verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomen geopenbaard is, is er voor een latere profeet geen plaats meer. Nu zullen er apostelen moeten worden uitgezonden. - Dit is alleen te verstaan van het koninkrijk uit. Als de profetie een openbaring was van Gods verstand, als zij in de schepping gegrond was, dan valt niet in te zien, waarom zij zou moeten ophouden. Nu dat wel het geval is, blijkt daaruit, dat de zaak heel anders staat.

De profetie openbaart niet in het algemeen Gods raad en wil; zij is geen filosofie van de geest. Het is geen extase, geen mystiek, waardoor de nietige mens in de zevende hemel zou worden opgetrokken of een inzicht zou krijgen in Gods afgrondelijkheid, door nederdaling (Rom. 10 : 7). Het is de raad Gods van onze verlossing en die wordt vervuld en geopenbaard tegelijk door de menswording van de Zoon. Dan komt het woord 'nabij u', zoals Paulus het noemt in de laatst aangehaalde plaats. - Daarom heet de profeet de mond Gods (Ex. 4: 16). Het zien, het schouwen is een hemelse werkzaamheid. Zij wordt uitgeoefend als het volmaakte zal gekomen zijn (1 Kor. 13 : 10). Nu kennen wij ten dele en - zo staat er bij - wij profeteren ten dele (: 8). Dit geschiedt door het woord; door het belijden met de mond (Rom. 10 : 10). Door dat belijden - zegt Paulus - zijn wij hier zalig, niet door het zien. En de Zaligmaker, Jezus, heeft dit profetisch ambt op zich genomen. Een ambt, waarbij Hij geheel en volkomen de mond Gods wordt, zodat zijn profetie Evangelie mag heten. Een mond die zo duidelijk spreekt, dat ook de doven horen. En zo nabij, dat, door de Heilige Geest, het woord in onze mond en ons hart is (Rom. 10 : 8).

Dit Evangelie is dan de volle openbaring van Gods verborgen raad en wil van onze verlossing. Het Evangelie is niet iets dat de profeten vooraf geheel konden bekend maken. Het is geen waarheid die te voren al duidelijk en klaar geweten kon worden, zoals de kennis der extase of der mystiek, die, als ik het zo mag noemen, altijd gereed ligt. Wanneer Jezus de profetieën aanhaalt met een "Heden is deze Schrift in uw oren vervuld" (Luk. 4 : 21), dan betekent dat een 'acte van presentie'; een 'Zie, hier ben Ik'. Juist deze 'acte' houdt de meerderheid van de Zoon boven de andere profeten in. Daarom wordt Hij hier de hoogste profeet genoemd. De vervulling betekent niet een aanvulling van een reeks met een ontbrekend deel, maar het is een betaling aan God met zijn eigen persoon, waardoor ieder onderdeel van de profetie pas waar wordt. In die zin is ieder onderdeel van de evangelische geschiedenis een volkomen openbaring van Gods verborgen raad en wil. Men kan zeggen dat die raad eigenlijk nog verborgen bleef, niettegenstaande de profetieën, totdat Jezus hem heeft bekend gemaakt door de vervulling.

Dit is de raad des vredes, waarin werd verordineerd, dat God zijn eniggeboren Zoon zou geven. Men heeft het vaak zo voorgesteld, dat de besluiten van deze raad een eeuwigheid lang gereedlagen, om dan te worden vervuld op een tijd, die God goeddacht. De kerkleer stelt het meestal ook zo voor. - Toch zijn daartegen bedenkingen in te brengen. Het is de vraag of zulk een voorstelling van toepassing is op de daden van een God, voor wie duizend jaren zijn als de dag van gisteren (Ps. 90: 4). De Vader van onze Here Jezus Christus is niet de God, zoals Plato zich die dacht, en die "altijd wiskunde doet",q eeuwige, onveranderlijke waarheden. Hij is, zoals Pascal zegt, "de God van Abraham, Izaäk en Jakob en niet die der filosofen". Wanneer deze beroemde gedachte van de schrijver der Pensées enige betekenis heeft, dan zeker in verband met wat ons nu bezighoudt. De God van de aartsvaders is de God der geschiedenis. Zijn eeuwigheid is minder onbewogen dan die der filosofen. Hij spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er (Ps. 33 : 9). Zou men zo ook niet mogen en niet moeten zeggen, dat Gods besluit, wanneer het genomen is, ook geschiedt? En dat omgekeerd zijn raad niet eerder vaststaat dan Hij hem gaat uitvoeren? Zou God verklaren dat Hij geen ding doet in Israël, zonder het eerst aan zijn knechten de profeten bekend te maken; en zou het een vaste formule kunnen zijn bij hun zending, dat God dan 'vroeg op' is, als het hier een bekendmaking gold, waarbij geen haast was? In de trinitarische raad des vredes zit schot naar de geschiedenis toe. Het gaat hier over een koningschap dat komt, niet over een, dat er al is. Dat was ook reeds min of meer het geval bij liederen als de psalmen 93, 96, 97, 99. Als daar staat dat de Here regeert (St. V.), dan moet men eigenlijk lezen: De Here is aan de regering gekomen. Maar bij het Koninkrijk der hemelen in het Nieuwe Testament wordt het pas helemaal duidelijk. Daar staat het rijk helemaal in het teken van het 'komen'. En de blijdschap van het Evangelie wordt er helemaal door bepaald.

Dit alles is slechts van waarde voor het geloof, als het mag aannemen, dat achter deze haast van het Evangelie geen onbewogen God staat, geen God der filosofen, maar een God die 'vroeg op' is om de hoogste profeet en leraar te zenden, omdat in de bange nacht van de raad des vredes het besluit is gevallen, dat de Vader zijn eniggeboren Zoon zou geven. Alleen wanneer het profetisch ambt op deze wijze een achtergrond in Gods raad krijgt en een perspectief in zijn Koninkrijk, alleen dan kan het in één belijdenis genoemd worden met het priesterlijke, waarbij het: "Mijn God! mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten?" ons spanningen in Gods werk verraadt, waarvan de filosofen niet weten, maar die ons in de bijbel worden geopenbaard.

Ik heb wat langer bij deze dingen stilgestaan dan de ruimte, die voor deze zondag beschikbaar is, eigenlijk veroorlooft. En wel omdat het mij nodig scheen in verband met het geheel van onze beschouwing over de Twaalf artikelen. Wij moesten hier aanwijzen, in aansluiting aan onze bespreking van de zondagen 9 en 10, dat het koninkrijk en de verkiezing Gods hier moeten worden gezien als achtergrond van het drievoudig ambt van de Christus. Dit deden wij voor het profetische ambt. Thans moet dit nog meer in het kort geschieden voor het priesterlijk en het koninklijk ambt. En tenslotte dient te worden verklaard hoe onze christen-naam samenhangt met het ambt, dat Jezus op zich nam. Dat het koninklijk ambt hier niet gezien moet worden in verband met de schepping, maar met het komende rijk, spreekt voor wie de evangeliën kent, wel bijna vanzelf. Jezus is reeds in het kerstevangelie "de geboren Koning der Joden" (Mattheüs 2), gezocht bij de kindermoord van Bethlehem. Hij moet soms de Joden ontwijken, als zij Hem willen uitroepen. In zijn gelijkenissen omsluiert Hij de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen en dan gaat het over een heer of een koning, die de dienstknechten wachten, als hij "buitenslands reizende" is (Matth. 25 : 14). Of het is de heer des huizes, die weer "buitenslands" reisde en die een wijngaard verhuurde (Matth. 21 : 33). Dan is het telkens niet een vorst, die midden tussen zijn onderdanen woont, maar een heer die komen zal. Jezus noemt die wijngaard ook met zoveel woorden "het koninkrijk Gods" (Matth. 21 : 43) en Hij spreekt van "de steen, die de bouwlieden verworpen hebben" (vs. 42). Dat slaat op de Zoon, die na de dienstknechten gezonden wordt en met het oog op wie deze gelijkenis gesproken wordt. Hij is door die heer des huizes uitverkoren tot deze hachelijke en dodelijke zending. Dat vormt het middelpunt of de scharnier, waarop heel de huishoudkunde van deze heer des huizes draait en die ons herinnert aan de goddelijke economie in de heilige Drieëenheid; aan de raad des vredes, die achter het Evangelie schuilt. Door die Zoon heeft "de goede God ... zichzelf begeven" om ons te zoeken (NGB., art. 17). En dit is het koningschap, dat Jezus als een zijner ambten op zich heeft genomen. Dit ambt is niet gescheiden van het profetische; deze Koning wandelt in de rij der profeten naar Jeruzalem, "dat de profeten doodt" (Matth. 23 : 37). Hij draagt als koning het "spotkleed" en de doornenkroon. En zijn titel staat straks in drie talen boven zijn hoofd aan het kruis. Dit alles moeten wij wel bedenken als wij het koninklijk ambt van Jezus beschouwen. Het volgt niet in tijdsorde op zijn profetisch en priesterlijk werk, maar is er onlosmakelijk mee vervlochten. Ook kan men Jezus' woorden en handelingen niet over de drie ambten verdelen. Dat is het kenmerk van de valse profeten en de valse christussen. Zulke profeten willen van het kruis en de nederlaag niets weten (1 Kon. 22; Jer. 28). En deze christussen verheffen zich "boven al wat God genaamd wordt" (2 Thess. 2 : 4). Zij willen profeteren zonder meer of regeren zonder meer en in een raad des vredes hebben zij niet gezeten. De ware Christus echter is profeet en koning tegelijk; Hij is Nathan en David samen (2 Sam. 12). Wanneer het koningschap voor Hem een verzoeking wordt, verdedigt Hij zich met het profetische woord (Matth. 4 : 1-7). Deze ambten, zoals Jezus ze draagt, hebben wel hun voorafschaduwing in het Oude Testament, waar ze ook reeds in gebroken gestalte voorkomen, maar om hun waar karakter te leren kennen, moet men ze geloven en belijden naar hun betekenis in het koninkrijk Gods, zoals Jezus dat leert in zijn gelijkenissen en uitgeoefend heeft in zijn vervulling van wat er geschreven staat.

Daarom is het ook als uit Jezus' mond genomen, wat Amos zegt: "Ik ben geen profeet en geen profetenzoon" (Amos 7 : 14). En het is volkomen in deze lijn, als Hij zijn intocht in Jeruzalem doet, "gezeten op een ezelin" (Matth. 21 : 5). Dat is het koningschap der profetie (Zach. 9 : 9). - Ook zijn priesterschap is geen voortzetting van dat van Aäron, maar Jezus is priester en koning tegelijk "om der wille van Melchizedek" (Ps. 1 10). Zijn offerdienst sluit aan bij die, welke in den beginne was, toen hij geheel afhankelijk was van Gods uitverkiezing. "De Here zag Abel en zijn offer aan; maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan" (Gen. 4 : 5).

Over het priesterlijk ambt afzonderlijk zal ik hier niets meer zeggen. Daarvoor zullen wij gelegenheid hebben bij de behandeling van zondag 15 en 16. Ik wil er hier alleen nog eens op wijzen, hoe de verbinding van koninkrijk, verkiezing en ambt, die wij in de Nederlandse geloofsbelijdenis zo duidelijk aangegeven vonden, en die in de Heid. Cat. min of meer schuilgaat wegens het naar voren brengen van schepping en voorzienigheid in zondag 9 en 10, noodzakelijk moet worden vastgehouden, als men de drie ambten van Jezus recht wil belijden. Dat blijkt ook wel als men artikel 31 aandachtig leest. Het komt uit in de wijze waarop het verborgene van Gods raad en wil bij het profetisch ambt wordt benadrukt. Dat is juist een kenmerk van de nieuwtestamentische profetie van het Koninkrijk der hemelen, die Jezus uitspreekt in gelijkenissen. - Hetzelfde geldt van Jezus' koningschap, dat geen andere gestalte heeft dan die, waarvan de trekken in de prediking van het koninkrijk worden aangewezen. Jezus' onderdanen zijn de blinden, de doven, de kreupelen, de geraakten, de van de duivel bezetenen, de armen, de hongerigen en de dorstigen naar de gerechtigheid. Onder hen oefent Hij zijn ambt uit. Dat ligt trouwens ook opgesloten in wat de Heid. Cat. zegt aan het slot van antw. 31, dat deze Koning ons met zijn Woord en Geest regeert en ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt. Het rijk der voorzienigheid uit zondag 10 wordt in het Evangelie geradicaliseerd tot een verkiezing van de onvoorziene zijde: de armen en de kranken. Het evenwicht tussen rijkdom en armoede wordt hier verbroken. Ook de Heid. Cat. moet daaraan getuigenis geven in zondag 12.

Zo en niet anders staat het ook ten opzichte van de verkiezing. Ik wees daarop reeds naar aanleiding van het priesterschap. De valse christussen zijn een gevaar juist voor de uitverkorenen, die zij zouden willen verleiden (Mark. 13 : 22). Met het Christus-zijn correspondeert onmiddellijk het uitverkoren-zijn in en door Hem. Wanneer Petrus beleden heeft, dat Jezus is de Christus, zegt Jezus: Heb ik niet u twaalf uitverkoren (Joh. 6 : 70)?

Deze ambten zijn van het koninkrijk en de verkiezing daartoe niet te scheiden. Alleen in dat verband kunnen zij in hun volle betekenis worden beleden.

Ons rest nog om iets te zeggen over de laatste vr. en antw. van deze afdeling. De drie ambten worden gedeeld door de uitverkorenen. Zij zijn lidmaten van Christus; zij zijn zijn lichaam. En zij zijn deze zalving, die Hij ontving, deelachtig.

Bij de ambten is mogelijk, wat bij de naturen en bij de vernedering en de verhoging, in eigenlijke zin althans, onmogelijk was. Wel moeten wij ook nu nog goed toezien, dat er geen vermenging ontsta. Het ambt van 'Christus' is een enig ambt. Christenen worden geen kleine Christussen. Zij kunnen niet als Hij Profeet, Priester en Koning zijn. Niet de hoogste, de enige, de eeuwige. Maar bij het werk van Christus is er een deelhebben, een deelachtig-zijn mogelijk, dat bij de naturen en bij de vernietiging en de vernedering onmogelijk is. Daarom vraagt de Heid. Cat. hier ook niet: Wat nutten u deze drie ambten van Christus, al zou die vraag heel goed gesteld kunnen worden. Neen, de houding van de gelovige is hier actief. Zij het dan ook, dat zij gevolg is van een passieve deelname; een mede-gezalfd worden door de Heilige Geest. - Deze samenloop van activiteit en passiviteit is er wel altijd bij het geloof, ook als het geldt wat in Christus onmededeelbaar is, zijn majesteit en godheid. Het geloof is een werkzaam iets. Maar hier bij de ambten is het toch nog weer anders. Zij geven een activiteit aan het geloof en aan de belijdenis, die verder gaat dan het 'nut', dat het geloof voor zichzelf uit de beloften van het Evangelie trekt. Hier, bij de ambten, denken wij er ook aan, wat God en de naaste aan ons geloof hebben. - Bij het noemen van het geloof is de Heid. Cat. er altijd op uit om de betekenis daarvan, als een actief beginsel, te verkleinen. Zo in vr. en antw. 6 1, waar gezegd wordt, dat ik niet "vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben". En dat wordt zeer terecht gezegd. - Maar bij de zalving met de Heilige Geest moet men met een kleinering voorzichtig zijn. Hier is niet alleen een aannemen, maar ook een deelnemen aan wat van Christus is. De ambten moeten niet alleen geoefend worden, zoals het geloof, maar ook uitgeoefend. De waardigheid van deze ambten en de betekenis van de zalving mogen wij niet ontkennen, zoals wij dat bij het geloof kunnen doen.

Zo zien wij dan ook in de Handelingen der Apostelen en in Paulus' brieven, dat de gelovigen de Heilige Geest ontvangen en dat zij daardoor allerlei genadegaven krijgen en aangesteld worden tot velerlei ambten (1 Kor. 12-14; Hand. 19 : 1-8; Hand. 13 : 1-3). Het zijn niet deze buitengewone gaven en bijzondere ambten, waarover de Heid. Cat. hier spreekt. Hier is sprake van wat aan ieder christen zonder onderscheid is opgedragen. Maar wij moeten dat evenzeer denken in de vorm van gave en ambt. Het geloof is niet een oprecht geloof, als het daarin zijn volmaking niet vindt. Het is - zo moet men belijden - niet alleen een zeker weten en een vast vertrouwen (zondag 8), maar ook een ontvangen van gaven en een aanvaarden van ambten. Deze activiteit en actualiteit mag aan het christen-zijn niet ontbreken. Wij moeten Jezus Christus niet alleen aannemen, maar ook aan zijn zalving deelnemen.

Op die wijze alleen komt de verbinding van koninkrijk, verkiezing en ambt tot haar recht. Wat in antw. 32 van de naam 'christen' gezegd wordt, krijgt alleen zijn volle betekenis, als men het ziet in verband met het komende Godsrijk. Wanneer Paulus zijn apostolisch ambt ontvangen heeft en te Efese komt (Hand. 19) en als de discipelen aldaar de zalving des Geestes ontvangen hebben, spreekt hij met hen, hun aanradende de zaken van het koninkrijk Gods (vers 8).

De Nederlandse geloofsbelijdenis noemt in artikel 12 hier dingen, die God aan een iegelijk schepsel gegeven heeft, nl. zijn wezen, zijn gestalte en gedaante, en verscheidene ambten. Van deze vier wordt in het Koninkrijk der hemelen het vierde, het ambt, tot volle ontwikkeling gebracht of liever door zijn waarheid vervangen. Toen de Zoon mens werd, heeft Hij zichzelf ontledigd, zijn wezen afgelegd (Fil. 2 : 7); en zijn menselijke gedaante heeft Hij nog eens vernederd in de dood (vs. 8). Hij had geen gedaante en er was geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben (Jes. 53 : 2). Zelfs een koning in Israël werd niet gekozen om 'zijn gestalte' (1 Sam. 16 : 7). Alles gaat op in het ambt, als het koninkrijk Gods komt. God wil zijn alles in allen (1 Kor. 15 :28). En voor die ambten heeft Hij het dwaze en het zwakke uitverkoren, opdat Hij de wijzen en het sterke zou beschamen (1 Kor. 1 : 27).

Deze deelname aan Christus' ambten, het deelachtig-zijn aan zijn zalving, is voortaan het wezen, de gestalte en de gedaante van de christen. Dit is zijn actualiteit, zijn bestaansvorm voor de toekomst. Daarom kan men hem ook beter aan zijn werk herkennen dan aan zijn natuur of aan zijn gestalte en figuur. In dit opzicht bestaat er een zekere gelijkvormigheid met Christus, die men immers ook beter uit zijn werk dan uit zijn naturen en staten kan kennen. Het 'wezen van het christendom', waarnaar men vaak gezocht heeft, is moeilijk te beschrijven. De natuur van de christen is een verborgenheid en wie die zoekt te bepalen, verliest zich gemakkelijk in onvruchtbare vooronderstellingen en bespiegelingen. Men denke slechts aan wat Rome leert over de natuur der genade en de mededeling daarvan in de sacramenten. Of bij ons aan de wedergeboorte en de veronderstellingen daaromtrent bij de doop. - Christenen kennen elkander beter uit hun ambten; de wijze waarop zij Christus' naam belijden; zich tot een levend dankoffer Hem offeren en met een vrij en goed geweten in dit leven tegen de zonde en de duivel strijden.

Daarom is ook het grootste gevaar dat de christen in deze wereld dreigt, dat zijn ambten op hun beurt weer een te duidelijke figuur, gestalte en gedaante zullen krijgen. Christus is de hoogste Profeet, de enige Hogepriester en de eeuwige Koning. Hij kan als zodanig op aarde geen opvolger hebben. Hij bekleedt deze ambten in het koninkrijk Gods. Alleen door deelname, als lidmaat van Christus, kan de christen aan dit werk meedoen. Wanneer zijn ambt zich verzelfstandigt, als het een aardse figuur aanneemt onder de gestalten der schepping, dan is het bederf van het beste het slechtste. Ieder kan weten hoe groot dit gevaar is. Dat de kerk haar hoofd op aarde wil zien en dit hoofd niet hiernamaals in eeuwigheid met Christus, maar nu reeds in de tijd over alle schepselen wil regeren. Of dat de christen zijn naam gebruikt als een vaste, gegeven vorm in deze wereld, zonder te bedenken dat hij als kind des koninkrijks een toekomstige figuur is. Zulke "kinderen des koninkrijks", zegt Jezus, "zullen uitgeworpen worden" (Matth. 8 : 12). Christenen zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn. Aldus sprak Jezus (Luk. 20 : 36).

Zondag 13

Vraag 33: Waarom is hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn?

Antwoord: Omdat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zoon Gods is. Maar wij zijn om zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.

Vraag 34: Waarom noemt gij Hem onze Here?

Antwoord: Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of zilver, maar met zijn dierbaar bloed gekocht en van alle heerschappij des duivels verlost en ons alzo zich tot een eigendom gemaakt heeft.

De 33e vraag, met het daarbij behorende antwoord, staat er niet om te komen op het kindschap Gods der gelovigen, maar is bedoeld om toe te lichten wat in de Twaalf artikelen bedoeld is met de uitdrukking 'zijn eniggeboren Zoon'. Deze belijdenis omtrent Jezus Christus wil hier verduidelijkt worden door de tegenstelling met de titel, die in de Heilige Schrift vaak door de christen gedragen wordt, die van 'kind Gods'. Het bijbels taalgebruik brengt mee, dat daar het zoonschap of kindschap vaak wordt genoemd om daarmee aan te duiden, waarbij men behoort. Dat kan God zijn of de duivel, maar de toepassing bepaalt zich daar niet toe. De bijbel spreekt ook van kinderen des lichts of der duisternis enz. Wanneer er echter sprake is van kinderen Gods, dan wordt de verhouding tot God niet zo in het algemeen bedoeld, maar dan komen alle aspecten van het heil des Evangelies daarbij in aanmerking. Het zijn weer het Koninkrijk en de verkiezing, die men daarbij in het oog moet houden. De kinderen Gods zijn de kinderen des Koninkrijks en zij zijn door God daartoe uitverkoren. Zij zijn door Hem aangenomen. Men kan niet zeggen dat deze zondige mensen zomaar bij God behoren; dat het een soort hogere wezens zijn; dat zij in de sfeer Gods leven. Zij zijn vaak als een brandhout uit het vuur gerukt; maar het Koninkrijk der hemelen, dat Jezus predikt, is nu voor hen tot een blijde boodschap, een evangelie geworden.

De vraag in zondag 13 is nu, in welke zin wij Jezus' zoonschap moeten verstaan. En dan wordt daarbij nadruk gelegd, niet op de overeenkomst met het kindschap bij ons, maar juist op het verschil. Jezus is niet op die wijze door God tot Zoon aangenomen, zoals wij tot zijn kinderen. Er is in de evangelische geschiedenis geen ogenblik aan te wijzen, waarop Jezus tot Zoon van God zou zijn verheven. Niet bij de doop, toen een stem uit de hemelen gehoord werd: "Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in dewelke Ik mijn welbehagen heb" (Matth. 3 : 17). En evenmin bij de opstanding, waarvan Paulus zegt, dat hij daardoor krachtiglijk bewezen is te zijn de Zoon Gods (Rom. 1 : 4). Wanneer dat zo was, dan zou dat betekenen, dat Jezus op veel plechtiger en krachtiger wijze tot Kind van God was aangenomen dan wij en dat Hij het dan ook op verhevener wijze zou zijn dan wij. Maar dan zou Jezus toch ook op een punt des tijds als zodanig zijn aangenomen. En dit is het nu juist wat hier in zondag 13 wordt ontkend. Jezus is, zo wordt hier gezegd, de eeuwige, natuurlijke Zoon van God en dat geldt van Hem alleen.

En hier staan wij nu voor de grote verborgenheid van het Evangelie, waarmee ons geloof staat of valt. Paulus zegt in 1 Korinthe 15 dat, als Christus niet is opgewekt, ons geloof ijdel is. Maar datzelfde geldt in nog sterkere mate hier. Als Jezus niet de eeuwige, natuurlijke Zoon van God is; als Hij een mens is, die in het Evangelie tot Zoon verheven wordt, dan is ons geloof ijdel. Het is leeg; heeft geen inhoud. Want wij kunnen alleen geloven in God. Wij zouden wel kunnen geloven aan een mens, die de titel van Zoon Gods ontving, maar een geloof in de ware zin des woords, een oprecht geloof, zoals de Heid. Cat. het noemt, zou het niet zijn. Voorwerp van zulk een oprecht geloof kan alleen God zijn. Daarom staat er in de Twaalf artikelen ook driemaal: 'Ik geloof in.' Bij de Vader, bij de Zoon en bij de Heilige Geest. - Dat was de grote betekenis van de kerkvader Athanasius, dat hij is opgekomen voor het eeuwige Zoonschap van Jezus en door die belijdenis (van Nicea in 325 na Chr.) heeft Christus als Koning mede zijn kerk bij de verworven verlossing beschut en behouden (zondag 12).

Daarmee is nu echter niet gezegd, dat wij voor ons geloof hier weer op de naturen van Jezus teruggezet zouden worden, nadat wij in zondag 12 de deelachtigheid aan zijn zalving hebben gevierd. Wanneer dat zo was, zou Christus in zondag 13 weer verder van ons af gaan, nadat Hij in zondag 12 met zijn ambten nabij gekomen was. Zo is het niet bedoeld, als hier afstand geschapen wordt tussen zijn zoonschap en ons kindschap. Want dan zouden wij weer, zoals Rome dat doet, de leer van Jezus' ambten op de achtergrond schuiven en de zaligheid moeten zoeken door een zekere deelname aan zijn goddelijke natuur. Om de gemeenschap met Jezus niet te verliezen, als zijn zoonschap wordt verheven als iets dat Hem alleen toekomt, zouden wij dan ook de natuur der gelovigen moeten verheffen door het aannemen van een instorting van een aan God verwant wezen. Wij hebben daarover reeds gesproken bij de vorige zondagsafdeling.

Die kant wil echter de Heid. Cat. niet uit. Dat blijkt ook wel heel duidelijk hieruit, dat vr. 33 staat tussen de leer van de ambten van Jezus en de verklaring van zijn titel als onze Here (vr. 34), waar de betekenis van zijn ambten als het ware in één woord, Here, wordt samengevat. Aan deze volgorde was dit leerboek trouwens reeds gebonden door de opeenvolging der artikelen in het Credo. Dit gedeelte spreekt over de vernedering van de Zoon Gods en niet over zijn verhoging. In zondag 14 komt de incarnatie en in 15 de passie. De pijl der verlossing vliegt hier niet, van ons af gerekend, 'verderaf', maar 'dichterbij' (1 Sam. 20: 21, 22). Naarmate de Zoon hoger Naam ontvangt, daalt de Zaligmaker dieper in onze ellende. Want om de maat van zijn vernedering is het hier te doen. "Die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar zichzelf ontledigd heeft" (Fil. 2: 6 NBG.). Dat Hij dat doen wil en gedaan heeft, daarvoor is zijn eeuwig Zoonschap de ware reden en daarom moest het duidelijk door de gemeente worden beleden. Wij hebben niet nodig een mens, die tot God verheven wordt, maar een God die tot mens ontiedigd en vernietigd wordt.

En daarbij staat niet de goddelijke natuur voorop, maar de goddelijke gezindheid; die gezindheid (NBG.), welke ook in Christus Jezus was (Fil. 2 : 5). Wij, de aangenomen kinderen, zijn niet altijd zo gezind. De apostel moet er ons toe vermanen. De "eeuwige, natuurlijke Zoon van God" wel. Van Hem kan men verwachten dat Hij zich laat ontvangen van de Heilige Geest en geboren worden uit de maagd Maria. Deze gezindheid om zichzelf te ontledingen, te vernederen, is veel meer aan God eigen dan aan ons. En als wij belijden dat Jezus van nature de Zoon Gods is, dan gaan wij derhalve niet van Jezus' ambten weer 'verderaf, maar komen 'dichterbij'. De enige, die deze ambten zou willen en daarom ook zou kunnen aanvaarden, is Gods eniggeboren Zoon. - Zondag 12 staat tot op zekere hoogte nog in het teken van de verwachting. Het gaat daar over de Messias, de Christus, die van God de Vader is verordineerd. Althans wordt het werk van Jezus Christus daar nog slechts voorlopig en samenvattend beschreven. Maar nu komt van zondag 13 af de vraag aan de orde, wie deze ambten op zich genomen heeft en hoe hij dat gedaan heeft. De belijdenis volgt dan verder de loop van de goddelijke historie der evangeliën.

Wij moeten dus, als wij van een goddelijke natuur horen spreken, de kant der heidenen niet opgaan, die ook volgens de apostel Paulus van de schepping der wereld aan de onzienlijke dingen Gods uit de schepselen hebben verstaan en doorzien en op die wijze zijn eeuwige kracht en goddelijkheid hebben ontdekt (Rom. 1 : 20). Dat is dat zoeken en tasten, waarvan Paulus op een andere plaats spreekt (Hand. 17 : 27). Dat is een tasten naar Gods natuur. Paulus zegt er ook bij, dat zij het dichterbij moeten zoeken. - En dat leert ons nu juist het Evangelie. Daar staan de wil en de gezindheid Gods voorop, die naar ons zoeken en tasten en die ons in Jezus Christus gevonden hebben. Ik wijs nog eens op dat prachtige artikel 17 van de Nederlandse geloofsbelijdenis: "Wij geloven dat onze goede God ... zichzelf begeven heeft om hem (de mens) te zoeken, toen hij al bevende van Hem vlood, en heeft hem getroost, belovende hem zijn Zoon te geven." Van die zijde moeten wij ons gewennen aan de goddelijke natuur te denken. Dan kunnen wij geloven en behoeven niet meer te speculeren.

Daarom blijkt ook hier weer zo duidelijk, hoezeer Rome tegen het Evangelie ingaat, als het de matigheid zoekt in een verhoging van de menselijke natuur tot een zekere goddelijkheid. En als het het wezen der genade in de vergoddelijking zoekt en die genade door de sacramenten laat meedelen. Daarom is de belijdenis van de ambten van Christus, zoals die bij de Reformatie tot klaarheid is gekomen, van zoveel betekenis, omdat wij daarna niet meer terug kunnen. Wij moeten dan verder tot het aanvaarden van die ambten door Jezus; tot de gezindheid die daarvoor nodig is; tot het eeuwige, natuurlijke zoonschap, dat die gezindheid kan opbrengen; tot de daad der menswording, waarin deze gezindheid tot uiting komt.

En wanneer wij dan gemeenschap zoeken met Jezus, door de Heilige Geest, dan zal dat moeten geschieden door het deelhebben aan die zalving des Geestes; door het lidmaatschap aan zijn lichaam; door de medewerking aan zijn ambten. Dat is alleen mogelijk als wij ons door God laten vinden op de plaats zelf, waar wij al bevende van Hem vloden, en niet als wij tot de natuur van de eeuwige Zoon zoeken op te klimmen. Dat is een heidense zuurdesem, waarmee de roomse leer doortrokken is. - Genade is die goddelijke gezindheid, waarmee Hij ons belooft ons zijn Zoon te geven. En als Hij dat gedaan heeft is zij de gezindheid van die Zoon, om zichzelf te ontledingen en mens te worden. En als Hij dat gedaan heeft is het zijn gezindheid om zich als mens te vernederen tot de dood des kruises (Fil. 2 : 8). Daar worden wij dan eindelijk gevonden. 'Dichterbij' kan het niet. Waarom zouden wij daarvan weer een 'verderaf' maken en naar God gaan zoeken en tasten als de heidenen? ⚑Dit moet gezegd worden van de natuur van het zoonschap. Ons rest nog ook iets in het midden te brengen over de eeuwigheid daarvan. Ook hier dreigt het gevaar dat de kerk de zaligheid elders zou zoeken dan daar, waar God haar voor ons bereid heeft. Nu niet bij de heiligen of bij ons zelf maar ergens elders (vraag 30). En in dit geval wel bij de Zoon, maar niet bij de Christus; niet bij de ambtsdrager die onze Here geworden is; niet bij de Zoon die God in de volheid des tijds uitgezonden heeft en die toen uit een vrouw geworden is (Gal. 4 : 4). Niet de Zoon, die in de Twaalf artikelen en in zondag 13 wordt bedoeld en van wie in het volgende artikel en in de volgende zondag wordt beleden, dat Hij is ontvangen en geboren.

Wat wij van de natuur Gods gezegd hebben, nl. dat deze geen voorwerp van speculatie maar van geloof behoort te zijn, dat geldt ook van zijn eeuwigheid. Het Evangelie geeft ons duidelijk bescheid omtrent de eeuwigheid van de Zoon. Wij moeten haar leren verstaan door gelovig op zijn geboorte en zijn dood te letten, hoe paradoxaal dat ook moge klinken, Als de eeuwigheid van het zoonschap de grond zal zijn, waarom Hij onze Zaligmaker kan zijn en waarom wij die matigheid bij niemand anders hebben te zoeken of te vinden (antw. 29), dan kan dat niet zulk een rustige eigenschap zijn, als wij ons daaronder soms denken. God is eeuwig op een veel troostvoller wijze dan de theologie dat vaak leert. Die eeuwigheid komt uit in de belofte dat Hij zijn Zoon zal geven (NGB., art. 13). En dit geven van de Zoon betekent diens geboren worden en sterven. Daarin komt weer de eeuwigheid van het Zoonschap uit; het is een eeuwige liefde (Jer. 31 : 3).

In artikel 1 van de Geloofsbelijdenis wordt onder de eigenschappen Gods de eeuwigheid het eerst genoemd. En dan wordt van dit eeuwige Wezen gezegd, dat het een zeer overvloedige fontein van alle goed is. Dit komt zeer klaar uit, als wij de eeuwigheid van de Zoon belijden. Het Evangelie heeft geheel de vorm van zulk een fontein, ontspringende uit de eeuwigheid.

Maar dan moeten wij ons de eeuwigheid ook denken, zoals wij haar door het geloof leren kennen en haar niet tot een voorwerp van bespiegeling maken. Wij krijgen anders een eeuwigheid uit de mens en naar de mens en niet voor de mens. Wanneer wij bij 'eeuwigheid' denken aan een duurzaam zijn of aan de velden der onsterfelijken, zoals de heidenen dat deden, dan spreken wij meer uit de filosofie dan uit het geloof. - Het bedenken van de eeuwige Zoon gaat in omgekeerde richting en Hij wil ook dat wij bij brood en beker niet aan een rustige eeuwigheid zullen denken, maar aan de actieve, zaligmakende, troostende eeuwigheid, de eeuwige liefde, die sterker is dan de dood (Hoogl. 8: 6). Hij wil dat wij dan aan zijn dood zullen gedenken en die dood zullen verkondigen.

Deze gelovige belijdenis van de eeuwigheid van het Zoonschap van Jezus zal beslissende betekenis hebben voor de wijze, waarop wij spreken over het koninkrijk Gods en over de verkiezing Gods, die, zoals wij bij de behandeling van het eerste artikel hebben aangewezen, de achtergrond moeten vormen van het tweede (de Twaalf artikelen tel ik nu eens met Luther als drie artikelen). Ik spreek nu opzettelijk niet over tijd en eeuwigheid; dat kan gemakkelijk een wijsgerige beschouwing opleveren. Het koninkrijk en de verkiezing, dat zijn de vormen, waarin de eeuwigheid en de tijd zich in het Evangelie aan ons openbaren. Ik denk aan de generatie van de Zoon volgens Psalm 2. En dan valt al dadelijk op, dat in die psalm dezelfde volgorde is op te merken als in de Heid. Cat. Eerst is er sprake van zalving en ambt (vs. 6) en daarna van de generatie (vs. 7), terwijl wij, afgaande op het gebruik dat de theologie vaak van dat laatste vers gemaakt heeft, het omgekeerde zouden verwachten. In de psalm echter dient het besluit van de generatie, waarvan de Zoon verhaalt, tot uitvoering van de zalving. Het is een proclamatie en de koningen worden dan vermaand zich te laten tuchtigen. Hier is geen bespiegeling over een rustende eeuwigheid, maar verkondiging uit een Evangelie, waarin alles met haasten geschiedt. Het is een stuk uit de historie, die moet dienen om Gods volk zalig te maken.

Dit is geheel in overeenstemming met wat andere psalmen zingen van het koninkrijk Gods. Wanneer daar gezegd wordt dat "de Here regeert" (Psalm 93, 97), dan betekent dat eigenlijk, dat de Here de regering aanvaard heeft en dat het koninkrijk Gods nabij gekomen is. Precies dezelfde proclamatie waarmee Jezus optreedt als Hij begint het Evangelie te verkondigen (Matth. 4: 17; Mark. 1 : 15). Het eeuwig Koninkrijk is een rijk in beweging. Naarmate zijn eeuwigheid zichtbaar wordt, is het 'dichterbij' ons. Wij zijn slechte pleitbezorgers Gods als wij aanraden het 'verderaf' te zoeken. - En juist waar het in de bijbel een eeuwig Koninkrijk wordt genoemd, staat er bij dat het het rijk is "onzes Heren en Zaligmakers Jezus Christus" (2 Petr. 1 : 11). Dat is precies de taal van vr. 34 en vr. 29 van de Heid. Cat., waar het eeuwig zoonschap ook aan beide kanten is geflankeerd met de titels 'Zaligmaker' en 'Here'.

Ook is het zeer opmerkelijk dat in die tweede brief van Petrus de verkiezing nauw met dit eeuwig koninkrijk verbonden wordt. Wie zijn roeping en verkiezing vastmaakt, zal ingaan in dat koninkrijk (vs. 10). - Daarom moet er hier nog op gewezen worden dat het aangenomen-kindschap, evenmin als het natuurlijke zoonschap, een zaak is van bespiegeling. Hoeveel vrome goddeloosheid zou er vermeden kunnen zijn, wanneer daarop was acht gegeven. De verkiezing staat onmiddellijk in verband met de komst van het koninkrijk. Zij is een troostrijke fontein der zaligheid. Jezus is zelf door God uitverkoren (Luk. 23 : 35) en Hij is weer begonnen met de twaalven te kiezen. - Ook deze verkiezing zou weliswaar geen kracht en geen bestand hebben als zij niet een eeuwige was. Evenmin als het zoonschap van Jezus voldoende zou zijn tot onze zaligheid, als Hij alleen een aangenomen kind was en geen Zoon van nature en als Hij niet ook de eeuwige Zoon was. En zo zou ook het koninkrijk geen blijde ingang kunnen geven en niet geloofd kunnen worden, als het geen eeuwig koninkrijk was. - Maar zoals dat eeuwige zoonschap en dat eeuwig koninkrijk door hun eeuwigheid niet verhinderd worden om nabij te zijn en in het heden geopenbaard te worden; juist zoals de eeuwigheid en de natuurlijkheid van de Zoon Hem bereid maken om geboren te worden en te sterven en zoals de eeuwigheid van het koninkrijk Gods voor de wereld de troonsbestijging van Jezus Christus betekent, zo staat het ook met onze eeuwige verkiezing. Er is vaart en haast in Gods verkiezing, zoals ook in het Evangelie een spoeden is. Het is de haast der liefde, die een vuurbrand uit het vuur moet rukken (Zach. 3 : 2) of van een ontijdig geborene moet gezien worden (1 Kor. 15 : 8).

De eeuwigheid Gods is geen beletsel voor God om in het heden tegenwoordig te zijn. Duizend jaren zijn in zijn ogen als de dag van gisteren (Psalm 90 : 4). Die eeuwigheid is juist de pees, die de pijl der verlossing aandrijft naar zijn doelwit. Gods eeuwige besluiten worden op het laatste ogenblik genomen.

Wij moeten thans nog spreken over vr. en antw. 34. Wij hebben iets langer, misschien, met het oog op de voor deze zondag beschikbare ruimte, te lang stilgestaan bij de vorige vr. en antw. Maar deze dingen schenen mij van bijzonder belang te zijn. Daarom worde nu deze zondag verder kort besproken. - Zijdelings heb ik bij de behandeling van zondag 8 reeds iets opgemerkt over wat de gemeente belijdt als zij Jezus haar Here noemt. Ik wees er toen op, dat een concentratie van de waarheid op het 'Jezus is Heer' of 'Christus is Heer', niet mag dienen om de trinitarische breedheid onzer belijdenis te verengen. Daarop kom ik thans niet weer terug.

Wanneer Jezus hier in de Twaalf artikelen onze Heer genoemd wordt, herinnert ons dat in de eerste plaats aan de aanspraak, waarmee de discipelen in de evangeliën soms tot Hem komen of aan de titel, waaronder Hij in het verhaal voorkomt, in het bijzonder bij Lukas en Johannes. Die naam betekent dan meer dan rabbi of meester en Hem wordt daarmee goddelijke eer gegeven. - Volgens de Handelingen en de brieven is hij dan ook de vaststaande betiteling van de opgestane Heer. Toch was die naam in de eerste christelijke gemeenten geen rustig, mededeelbaar dogmatisch bezit van de gelovigen. Men hoorde er nog een aanspraak in, een aanroep tot Jezus, zoals bij Stefanus als deze zijn geest in Jezus' handen geeft (Hand. 7 : 59). Datzelfde blijkt ook uit wat Paulus in 1 Kor. 12 : 3 schrijft: Niemand kan zeggen: Jezus is Here, dan door de Heilige Geest (NBG.). Die belijdenis is daar in de gemeente een geestelijke gave, een profetie. Het is een openbaring, tegelijk met het ontvangen van de Heilige Geest. Zoals dat 'ook reeds bij Petrus het geval was, toen Jezus vroeg: Wie zegt gij dat Ik ben (Matth. 16 : 15)? Wanneer de christenen dan ook wel genoemd worden "allen, die allerwegen de naam van onze Here Jezus Christus aanroepen" (1 Kor. 1 :2 NBG.), dan betekent dat meer dan een uitspraak van wat wij een geloofsbelijdenis noemen, als wij daaronder een enigszins leerstelling geschrift verstaan. In het N.T. is de uitspraak 'Jezus is Heer' een charismatische uitroep, te vergelijken met het spreken in tongen of talen. En als het dat later niet meer in die mate is, dan blijft het nog een liturgische uitspraak, die met bewogenheid door de gemeente of door de enkele gelovige, bijv. bij de doop, wordt gedaan.

Dat is ook nog het geval in de Twaalf artikelen, die de westerse vorm zijn van de oudchristelijke doopbelijdenis. En dat is ook het schone van antw. 34, dat het in die bewogenheid deelt. Want wel getuigen alle antwoorden van de Heid. Cat. van grote innigheid en ligt er een 'mystiek waas', zoals men het genoemd heeft, over dit boek, maar dat geldt toch weer bijzonder van dit antwoord, dat ons terugvoert naar de beroemde eerste vr. en antw., waar van de enige troost in leven en sterven getuigd wordt en waar deze, evenals in antw. 34, hierin gevonden wordt, dat wij het eigendom zijn van Jezus Christus; en waar ook gesproken wordt van zijn dierbaar bloed en van het geweld des duivels. - Daar wordt echter eveneens belijdenis gedaan van de bewaring des hemelsen Vaders en van de verzekering door de Heilige Geest. En uit dat trinitarisch verband mogen wij de belijdenis uit antw. 34 ook niet losmaken.

Zondag 14

Vraag 35: Wat is dat gezegd: Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria?

Antwoord: Dat de eeuwige Zone Gods, die waarachtig en eeuwig God is en blijft, ware menselijke natuur uit het vlees en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes, aangenomen heeft, opdat hij ook het ware zaad Davids zij, zijne broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.

Vraag 36: Wat nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?

Antwoord: Dat Hij onze middelaar is en met zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.

Wij komen nu tot de geboorte van de tweede Adam, die door Paulus, in onderscheiding van de eerste, die hij een levende ziel noemt, als een levendmakende geest betiteld wordt. En dan moet men zeggen, dat deze tweede Adam, wederom in onderscheiding van de eerste, zichzelf het eerst levend gemaakt heeft. De eeuwige Zone Gods, die in het vorig artikel werd beleden, heeft de menselijke natuur aangenomen. Hij is bij zijn geboorte actief geweest, zoals Hij het ook zou zijn bij zijn sterven (Luk. 23 : 46) en bij zijn opstanding. - Dit onderscheidt de geboorte van Jezus van elke andere geboorte en wie hier met het ontleedmes in de Twaalf artikelen zou willen insnijden om dit stuk weg te nemen, zoals heden ten dage ook onder rechtzinnige christenen soms gebeurt, schendt daarmee het Evangelie. Dat kan niet geschieden zonder dat men Jezus ook tot een 'aangenomen kind' maakt en Hem het eeuwige en natuurlijke Zoonschap ontneemt.

Reeds bij de schepping op de zesde dag, als het aan de mens toekomt, is er bij God een verhoogde activiteit. Men zou, als men het goed wil verstaan, de schepping van de mens ook reeds een 'aannemen' kunnen noemen van Godswege. "Het is niet meer dat bevelende en heerschappij voerende woord" zegt Bossuet in zijn Histoire universelle; "het is een zachter woord, ofschoon niet minder van kracht".r11 God is er zelf meer bij betrokken. Maar dit geldt nu nog veel meer bij de schepping van de tweede Adam. De hele raad des vredes, alle profetie vormt er de achtergrond van. De activiteit van de eeuwige Zone Gods is hier tot haar hoogste graad gestegen. Hier het allerminst is Hij een 'aangenomen kind', en hier het allermeest is Hij het die zelf de menselijke natuur aanneemt, terwijl Hijzelf waarachtig en eeuwig God blijft.

Daarom moet elke gedachte dat een of ander, op geheel natuurlijke wijze geboren mens, een gewoon Adamskind, door Hem zou zijn uitverkoren voor zijn incarnatie, zijn vleeswording, worden verworpen. De incarnatie gaat veel dieper en de predestinatie van de tweede Adam komt veel hoger af. De Zoon is zo weinig een aangenomen kind, dat Hij het zelf is die het vlees aanneemt; en Hij is het zelf die voorbestemd is om alles onder één hoofd samen te vatten (Ef. 1 : 10 NBG.). De herscheppende werkzaamheid van de Zone Gods kan alleen recht beleden worden, als wij uit het Evangelie aannemen, dat het eeuwige Woord nog veel meer bij het vlees betrokken was dan toen Adam geschapen werd. Toen was het de adem Gods, die aan het stof werd ingeblazen. De adem des levens (Gen. 2 : 7), die het maakte tot een levende ziel. Nu is het de Heilige Geest, waardoor vlees en bloed uit de maagd Maria werd aangenomen. En dat is nu niet meer de ongerepte menselijke natuur van Adam en Eva in het paradijs, maar het is het vlees dat "tot niets nut" is (Joh. 6 : 63) en waarmee men de wet der zonde dient (Rom. 7 : 26). Het materiaal, waaruit de tweede Adam zich tot een levendmakende geest geschapen heeft, is niet langer onschuldig, zoals het stof, dat God in den beginne formeerde. En daarom kan dit artikel van de ontvangenis en geboorte van Jezus niet recht beleden worden, als men de Zone Gods een reeds ontvangen of geboren Adamskind laat aannemen. De oude verhouding tussen levensadem en stof ligt dan reeds vast en er is geen ruimte meer voor de wording van een levendmakende geest. Alles kan dan niet onder één hoofd gebracht worden en de uitverkiezing van Christus wordt dan versmald tot die van die éne enkele mens, die Hij heeft aangenomen. De natuur, die de Zone Gods heeft aangenomen, is iets veel meer algemeens. Deze natuur wordt, vooral in het evangelie van Johannes, vlees genoemd. Het Woord is vlees geworden (Joh. 1 : 14). En wanneer dit het stof is, waarin de levendmakende geest ingaat; wanneer het de gevallen natuur is, die de Zone Gods aanneemt; als het onze zonden zijn die Hij aandoet als zijn bekleding, niet alleen als een uitwendig kruis, maar ook als een innerlijke vloek, als olie in zijn beenderen (Ps. 109 : 18), dan krijgt de schepping van de tweede Adam haar volle maat. - En zo staat het nu in de bijbel, dat Christus zonde voor ons gemaakt is (2 Kor. 5 : 21) en dat God, zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, de zonde veroordeeld heeft in het vlees (Rom. 8 : 3). - Het is Kohlbrugge geweest, die in een beschouwing over Mattheüs 1, aan deze diepe betekenis van de menswording een geweldige uitdrukking heeft gegeven.s

Zo moet dan in het Credo en in de Heidelbergse catechismus blijven staan, dat Jezus is ontvangen van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria. Met een ascetische levensbeschouwing bij het begin onzerjaartelling en een minachting van het huwelijk heeft dat niets te maken. Wanneer wij deze pijler van onze belijdenis zouden wegtrekken, zou er meer vallen. Wij kunnen met Paulus zeggen, dat de prediking dan 'ijdel' zou worden.

In het Koninkrijk der hemelen, waarin Jezus geboren is en waarbij de engelen gezongen hebben, gelden andere maatstaven en verhoudingen dan in de eerste schepping. Daarvan weten wij niets, als het ons door de hemelse Vader niet wordt geopenbaard. Wij zouden dan niet weten dat Jezus de Christus is (Matth. 16 : 16). Wij zouden ook niet weten dat het Heilige, dat uit Maria geboren is, Gods Zoon is (Lukas 1 :35). Wij zouden van Jezus' opstanding ook geen kennis dragen. Van al deze dingen, die wij in ons Credo belijden, weten wij niets buiten de bijbel om. - In dat koninkrijk geldt een andere voorzienigheid dan die van eten en drinken en kleden. Hier gaat het om de gerechtigheid (Matth. 6 : 33). Er bestaat ook een andere vorm van verwantschap. Jezus noemt zijn discipelen zijn broeder en zuster en moeder (Matth. 12 : 46-50). - Zo is ook de genealogie in het Koninkrijk der hemelen een andere. De kinderen Gods worden niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren (Joh. 1 : 13), "namelijk die in zijn naam geloven" (vers 12). En deze genealogie is nu in voorbeeldige en oorspronkelijke zin op Jezus van toepassing. - De beschouwing van Kohlbrugge over Mattheüs 1 is daarom van zo grote betekenis, omdat hij laat zien dat de Zoon van God langs de ladder des geloofs in de wereld afdaalt. Men moet dit hoofdstuk leggen naast Hebreeën 11, waar getoond wordt, hoe wij door het geloof verstaan, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid (Hebr. 11 : 3). Al de mannen en vrouwen die daar genoemd worden, zien de wereld voor hun ogen ontstaan; het koninkrijk komt nabij hen. - Zo is ook de afstamming van Jezus in het Evangelie. Abraham en Maria en de anderen ontvangen hun kinderen door het geloof-, ontvangen ze van de Heilige Geest en zo is Jezus de Zoon Abrahams. Als het niet langs deze weg gaat, kan God Abraham zelfs uit de stenen wel kinderen verwekken (Matth. 3 : 9). - Daarom moeten ook de ontvangenis en geboorte van Jezus geheel in dit licht gezien worden. Het is een artikel in een Credo en geen stukje van een gewone stamboom.

Daarom vraagt de Heidelbergse catechismus dan ook, wat die heilige ontvangenis en geboorte van Christus voor ons geloof betekenen. Welke bate wij daarvan hebben, zoals het in zondag 23 heet van het geloof aan al de Artikelen. - En het eerste wat daarop gezegd wordt is, dat Hij onze Middelaar is. Daaruit blijkt reeds dat ons leerboek deze ontvangenis en geboorte niet als iets natuurlijks beschouwt, dat ook bij de 'aangenomen kinderen' plaatsvindt. Dan zou het geen heilsfeit zijn en de blijdschap waarmede de gemeente haar Kerstfeest viert, ware een vergissing. Neen, deze ontvangenis en geboorte betekenen de wijze, waarop de eeuwige, natuurlijke Zoon van God 'onzer een' wordt. Hij is gestorven als wij, maar toch was zijn dood een geheel andere. En zo staat het nu ook met zijn ontvangenis en geboorte. Evenals zijn dood gepredikt moet worden, zo ook zijn geboorte. En dat geschiedt ook steeds in de kerk.

Daarom gaat het hier ook niet over de vereniging van lichaam en ziel; over creationisme of traducianisme, dwz. de vraag of God telkens een nieuwe ziel schept of dat deze van de ouders wordt overgedragen. Over deze vereniging van lichaam en ziel gaat het hier evenmin als het bij de opstanding van Jezus over de hereniging van lichaam en ziel gaat. De Twaalf artikelen zijn een belijdenis van heilsfeiten in het koninkrijk Gods en niet van gebeurtenissen in de schepping. In het koninkrijk Gods gaat het om de gerechtigheid, die tegenover de zonde openbaar wordt. Daarom is, in zondag 17, op de vraag naar het nut van de opstanding, ook het eerste antwoord, dat Christus ons de gerechtigheid deelachtig maakt. En niet anders is het hier bij zondag 14. Ook hier komt het aan op de schuldvergeving, het bedekken van onze zonde. En wel meer bijzonder van de zonde, waarin wij ontvangen en geboren zijn, die de kerk gewoon is de erfzonde te noemen. Over deze dingen gaat het in dit artikel van ons Credo en daarin is de Zone Gods werkzaam, als Hij ontvangen en geboren wordt. Hij is dan niet passief, zodat de geboorte van Jezus het dode punt zou zijn tussen de profetie en het Evangelie. Reeds hier is Hij werkzaam in de dingen zijns Vaders en is Hij Middelaar Gods en der mensen (1 Tim. 2: 5).

Dat het over deze dingen gaat en dat bij Jezus' ontvangenis en geboorte de grote hoofdzaken der prediking in geding zijn, staat ook duidelijk in dezelfde brief aan Timotheüs. Wij lezen daar: En buiten twijfel, groot is het geheimenis der godsvrucht:

"Die zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, ⚑opgenomen in heerlijkheid" (1 Tim. 3 : 16 Vert. NBG.).

Jezus' geboorte en opstanding staan hier in de rij met de verkondiging onder de heidenen en het geloofd worden in de wereld. Zij behoren tot dezelfde orde.

Daarom moet men zich bij de prediking en in het geloof ook aan deze orde houden. Het is helemaal verkeerd om bij de opstanding van Jezus de leer der onsterfelijkheid er bij te brengen. En zo deugt het ook niet, als men bij Jezus' geboorte een oneerbiedig onderzoek naar het vaderschap gaat instellen. Om dezelfde reden heb ik bij de behandeling van zondag 9 en 10 bezwaar ingebracht tegen de invoering van de leer der voorzienigheid en de overtuiging uitgesproken, dat hier de leer van het koninkrijk Gods een plaats had moeten krijgen. - Ditmaal echter, bij zondag 14, ging ons bezwaar tegen anderen en zeker niet tegen de opstellers van de Heidelbergse catechismus.

Wanneer wij ons dan houden aan de eisen des Koninkrijks, dan moeten wij zeggen dat het Woord en het vlees, de Zone Gods en de menselijke natuur, die Hij aannam, niet bij elkaar passen. Niet zoals ziel en lichaam bij elkaar passen. Vleeswording is hier eigenlijk een veel beter woord dan menswording. God in het vlees, dat is een even ontzaglijk heilsfeit als God aan het kruis en God in het graf. De kerk heeft meestal meer bezwaar gehad tegen die beide laatste verbindingen dan tegen de eerste, ofschoon zij zich ook bij die laatste zeer dicht gewaagd heeft. Het is misschien niet goed om de prediking op zulke paradoxen te brengen. Maar bij de vleeswording is er wel reden om te waarschuwen, dat de tegenstelling niet te zeer verzacht mag worden. Dit kan licht geschieden als men liever gaat spreken van menswording en in verband daarmee dan allerlei gevolgtrekkingen maakt, die met de prediking van het Koninkrijk niets te maken hebben. Zo, als men zegt dat de mensheid door de menswording is geëerd en als het ware op een zekere troon verheven. Van daar uit komt men dan weer tot het stellen van een culturele betekenis der menswording. Iets, waarnaar men hier in de Heid. Cat. tevergeefs zal zoeken.

Wanneer de incarnatie, zoals de vleeswording met een vreemd woord veelal genoemd wordt, op deze wijze tot een harmonische intrede van God in het mensenleven wordt gemaakt; als men de dissonanten niet meer hoort, die optreden als de Zone Gods de menselijke natuur aanneemt, dan gaat dit stuk voor de prediking verloren. Het wordt dan een schema voor de liturgie, een beginsel voor de wetenschap of een richtlijn voor politiek en cultuur. In de bijbel en in het Credo is echter de vleeswording de grondvorm voor het kruislijden. En wanneer zij ook positieve aspecten heeft, dan sluiten deze toch meer bij de opstanding aan dan bij de mens, die uit de eerste Adam is geboren. Zij hebben betekenis voor het Koninkrijk der hemelen meer dan voor de aardse rijken. Een regelrechte voortzetting van de incarnatie, hetzij in de heiligen, hetzij in het instituut der kerk of in het avondmaal of in de liturgie of ook in de cultuur, bestaat er niet. Evenmin als van het kruislijden van Christus. De enige wijze, waarop zij de kerk en het geloof ten goede kan komen, is bij wijze van nuttigheid of bate. Deze wat ouderwets aandoende woorden van de Heidelberger mag men vertalen zoals men wil, als men maar niet in het verlengde van de incarnatie gaat staan, alsof men op de een of andere wijze ook een weinig van nature een kind van God was geworden. Christus is "ons ten goede" mens geworden, zoals Hij nu "ons ten goede" (zondag 18) in de hemel is. De ontvangenis en de geboorte van Jezus zijn geen mysterie, dat wij in ons bestaan kunnen horen ritselen en dat wij door mystische contemplatie of diepe bespiegeling op het spoor zouden moeten komen. Christus is geopenbaard in het vlees, niet in ons maar voor ons. En het enige middel, waardoor wij daarvan 'nuttigheid' kunnen hebben, is de prediking. Deze is niet voor de 'heiligen', maar voor de armen van geest. Hunner is het Koninkrijk der hemelen (Matth. 5 : 3). Het is zoals het middeleeuwse rijmpje zegt:

"'t Vleesgeworden Woord
Bij arme liên te huis behoort."12

Deze arme lieden zijn degenen die in zonde ontvangen en geboren zijn. Hun wordt geboodschapt dat Christus met zijn onschuld en volkomen heiligheid deze zonde voor Gods aangezicht bedekt; zij staan bij de prediking, tegenover het vleesgeworden Woord. De genade dier bedekking wordt hun niet bij de doop ingegoten, zoals Rome wil. Zij wordt hun aangezegd door het Woord en door het sacrament en zij kunnen die aanzegging slechts door het geloof aanvaarden. Zij krijgen daardoor geen nieuwe natuur, bij gelijkenis aan die van de Zone Gods verwant, zoals Hij, in de gelijkheid des zondigen vleses gekomen is. Er is ook in het sacrament geen ineenvloeiing van de goddelijke en de menselijke natuur. Zij blijven, als bij Jezus' menswording, gescheiden. Hij heeft de menselijke natuur aangenomen. Wij worden niet meer dan aangenomen kinderen. Wij kunnen de genade van onze Here Jezus Christus, de bedekking voor Gods aangezicht van onze erfzonde, niet anders dan door het geloof aannemen. Het is niet zo, zoals Newman fantaseerde, dat de zielen der pas gedoopte kinderen, gesteld dat men ze kon zien, ons als cherubijntjes zouden voorkoment - Vondel noemt ze ook zo in zijn bekende rei13 - terwijl de meerderheid der volwassen christenen er uit zouden zien: overdekt en bezoomd met de littekens der zonden. Van zulk een mysterieuze ingieting ener hogere natuur weet de Heilige Schrift en weet de Heid. Cat. niet. Wij mogen degenen, die in Jezus Christus geloven, niet anders aanzien dan God dat doet volgens zondag 23, alsof zij nooit zonde gehad, noch gedaan hadden. Een zo strenge scheiding van aangeboren en daadzonde, zoals Rome die maakt, en waarbij de 'nuttigheid' van Christus' heilige ontvangenis en geboorte tot de erfzonde beperkt zou blijven en enkel in de doop toebediend, is in strijd met de koninklijke royaliteit van het rijk, waarin de armen worden zalig gesproken en waarin een schuld als van tienduizend talenten zonder meer wordt kwijtgescholden (Matth. 18 : 27).

De 'bate' van Christus' vleeswording komt ons toe door de prediking, evengoed als die van zijn lijden en sterven. En ook wanneer deze ons worden betekend en verzegeld door doop en avondmaal, dan mogen wij deze beide niet streng van elkander scheiden. Wij worden ook in Jezus' dood gedoopt (Rom. 6 : 3) en in het avondmaal worden ook het vlees en bloed afgebeeld, waaruit Hij bij zijn menswording de menselijke natuur heeft aangenomen. Het sacrament zowel als het Woord is een boodschap van toerekening; een teken dat onze zonde voor Gods aangezicht is bedekt.

Het is niet toevallig, dat wij hier weer voor Jezus de naam Middelaar tegenkomen, nadat die titel in vr. 15 als het ware voor Hem is gereedgemaakt. Daar werd in het algemeen naar een middelaar gevraagd en geantwoord dat het zulk een moest zijn, "die een waarachtig en rechtvaardig mens is en nochtans sterker dan alle schepselen, dat is, die tegelijk waarachtig God is." In vr. en antw. 18 werd dan reeds gezegd dat onze Here Jezus Christus die Middelaar is. - Maar nu, in antw. 36, komen wij pas aan de werkelijke vervulling van wat vroeger in de vr. 15-17 enigszins scholastisch was doorgedacht en in de vr. 18 en 19 uit de Schrift was afgeleid.

En dan herhalen wij nog eens de reeds vroeger gemaakte opmerking, dat de Heid. Cat. deze behandeling van achteren naar voren ook bij de behandeling der Twaalf artikelen min of meer voortzet. Eerst wordt de naam en worden de ambten, die de Middelaar zal dragen, besproken. Daarna wordt Gods eniggeboren Zoon beleden als degene, die daartoe was gesteld. En nu, in zondag 14, wordt ons geleerd hoe de Zone Gods tot dat werk ingaat. En als wij beleden hebben dat Hij de ware menselijke natuur heeft aangenomen, dan pas valt weer het woord Middelaar. En de troost van die naam wordt regelrecht afgeleid uit de ontvangenis door de werking des Heiligen Geestes en de geboorte uit Maria. - Jezus is onze Middelaar als mens. Dat Hij de Zone Gods is, blijft daar niet buiten. Maar dat Hij Middelaar genoemd wordt en die naam kan dragen, geschiedt om der zonde wil. Daartoe moet Hij vlees worden. Het Koninkrijk der hemelen daalt het diepst in de zonde en de dood; het daalt neder ter helle, om zondaren zalig te maken. Want in dat rijk is de liefde volmaakt en deze liefde is sterker dan de dood. En Jezus, de Koning in dat rijk, laat zich tot zonde en vloek voor ons maken en met de misdadigers gerekend worden (Luk. 22 : 37). Daarom moeten wij bij het middelaarschap ook niet denken aan een derde natuur tussen God en mens in, die wij dan deelachtig zouden kunnen worden. Het is God niet te doen om een spel met de naturen te drijven. Het is bij het middelaarswerk bittere ernst. Hier is geen sprake van parallelle naturen, die ten opzichte van elkaar in een zekere rust verkeren. De Zone Gods heeft de menselijke natuur nodig om door haar onder te duiken in de zonde en de dood, om die voor Gods aangezicht te bedekken en te niet te doen. Als zodanig is Hij onze Middelaar.

De lijn der verlossing loopt daarom niet evenwijdig met de schepping, maar toont ten opzichte van deze in de vernedering en de verhoging een geheel andere figuur. De Middelaar, "de mens Jezus Christus" (1 Tim. 2 : 5), is verschenen om de ambten op zich te nemen, die niemand bekleden kon, die niet "tegelijk waarachtig God is" (antw. 15). Deze ambten corresponderen echter niet met onze vermogens, verstand, hart en wil. Dan waren het geen middelaarsambten. Het zijn zonde, dood en hel, waarop het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt betrekking hebben. Zo staat in antw. 32 dat een christen moet belijden, offeren, tegen de duivel strijden. Dat zijn zijn ambten. En deze ambten verkreeg hij door zijn deelhebben aan de zalving van Christus. Deze bekleedt ze naar de volle maat van het Koninkrijk der hemelen.

Ook hier blijkt dus weer dat wij de incarnatie niet moeten zien als iets voorlopigs. Zij is niet maar een scheppen van de voorwaarden, waaronder het verlossingswerk kon beginnen. Geen neutrale vereniging van de Zone Gods met het vlees. Het 'vlees' betekent hier reeds meer dan wat het bij de schepping was. In het Koninkrijk der hemelen is het de gevallen natuur. Het is niet maar lichaam, menselijk lichaam, of ook, in wijder zin, lichaam en ziel, zodat wij aan de zonde en de schuld bij Jezus' geboorte nog niet zouden behoeven te denken. Dan zou hier van het werk en de ambten van Jezus nog niets inkomen. Er zou alleen natuur en geen genade in de incarnatie zijn. En deze natuur zou dan door de doop sacramenteel kunnen worden medegedeeld, in overeenstemming met het roomse genadebegrip. Wel wordt de erfzonde daardoor weggenomen, maar meer door instorting van een andere natuur dan door bedekking. - Op deze wijze zou het sacrament des doops een heel ander karakter krijgen dan dat des avondmaals.

Aan deze dwaling wordt alleen de pas afgesneden als wij met de Heid. Cat. belijden, dat de Zone Gods door de vleeswording onze Middelaar is geworden en dat Hij Middelaar is door de vervulling van zijn ambten. Dan ziet ieder, dat het aannemen der ware menselijke natuur niet een voorbereiding is, maar een aanvaarding. Daarmee daalt de Zone Gods midden in zonde, dood en hel. Zoals Hij later is begraven en nedergedaald ter helle, zo bedekt Hem hier reeds onze zonde. En alleen zo kan Hij onze zonde voor Gods aangezicht bedekken.

Zondag 15

Vraag 37: Wat verstaat gij door het woord: geleden?

Antwoord: Dat Hij aan lichaam en ziel, de ganse tijd zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde zijns levens, de toorn Gods tegen de zonde des gansen menselijken geslachts gedragen heeft, opdat Hij met zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste en ons genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierve.

Vraag 38: Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden?

Antwoord: Opdat Hij, onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zoude, bevrijdde.

Vraag 39: Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruisigd is, dan of Hij een andere dood gestorven ware?

Antwoord: Ja; want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op zich geladen heeft; dewijl de dood des kruises van God vervloekt was.

Het eerste wat ons opvalt bij de overgang tot deze nieuwe afdeling is wel, dat over het leven van Jezus, tussen geboorte en dood, met geen enkel woord gesproken wordt. Alleen dat: "de ganse tijd zijns levens", uit antw. 37, komt hier in aanmerking. - Wanneer wij vragen waarom in dit leerboek de geschiedenis der evangeliën niet gevolgd wordt, dan is natuurlijk het antwoord bij de hand, dat wij hier te doen hebben met een verklaring van de Twaalf artikelen en dat daarin geen artikel voorkomt, dat betrekking heeft op Jezus' omwandeling. De vraag wordt daardoor verschoven naar dat Credo en wij moeten er ons rekenschap van geven, waarom het daar niet voorkomt.

Ons eerste antwoord zal moeten zijn, dat die artikelen geen samenhangend verhaal willen geven, maar een belijdenis; nader een doopbelijdenis. Daarin worden de stukken opgenoemd, waaraan de zaligheid hangt, en daarom kan de Heid. Cat. ook zeggen, dat het een hoofdsom is van al wat ons in het Evangelie beloofd wordt (vr. 22). Al deze artikelen worden dan verder op hun 'nuttigheid' onderzocht, dwz. in hoeverre zij tot onze zaligheid moeten dienen.

Zulk een belijdenis zal zich uit de aard der zaak beperken tot de hoofdzaken der prediking; de heilsfeiten. Eenvoudige vormen van zulke artikelen vinden wij reeds in het N.T. o.a. in 1 Timotheüs 3 : 16, dat ik bij de behandeling van de vorige zondag heb aangehaald en uitgeschreven. Naast de prediking heeft ook de liturgie daarop invloed uitgeoefend en het kerkelijk jaar, de feiten die op de christelijke feestdagen worden herdacht. En zo valt het niet te verwonderen dat de Twaalf artikelen van de vleeswording direct overgaan op de Passie en Pasen.

Daarbij komt dan nog iets anders. Nu niet in verband met de wording van de Twaalf artikelen, maar met het karakter van de prediking. Wanneer wij er aan denken, welke vorm het Evangelie krijgt bij de apostel Paulus, dan wordt er een zekere noodzakelijkheid zichtbaar aan deze reductie van de evangelische geschiedenis op de grote heilsfeiten. Deze apostel kon niet prediken als hij eenvoudig de geschiedenis der evangeliën vertelde. Hij moest het Evangelie als een boodschap Gods laten spreken en dan pas werd zijn rede een prediking. Hij laat dan horen, dat Jezus geen mens is met een gewone levensgeschiedenis, maar het vleesgeworden Woord. Het leven van Jezus is zelf een verkondiging des Woords en daarom is iedere prediking, die dit leven vervlakt tot een aaneenrijging van gelijkwaardige gebeurtenissen, waaraan men dan zelf een betekenis moet geven, een ijdel-maken van de verkondiging. Het Evangelie is geen menselijk verhaal, maar een goddelijk Woord. Jezus is zelf het Woord.

Wanneer dit zo is, dan verstaat een ieder dat uit het Evangelie bepaalde stukken naar voren moeten komen. Het gaat er mee als met iemand, die spreekt. Dan krijgen niet alle woorden dezelfde klemtoon, maar sommige wijken terug naar de achtergrond, terwijl op enkele de volle nadruk valt. Zo gaat het nu ook in het Evangelie, als het verkondigd wordt en met het vleesgeworden Woord, als het beleden wordt. Dan worden de oordelen Gods hoorbaar en de beloften van het Evangelie. Op die wijze bestaat het Koninkrijk der hemelen. Het is een regering Gods door Woord en Geest.

Zo heeft Paulus dan gepredikt, als hij de tweede Adam verkondigt, geworden uit ene vrouw, geworden onder de wet (Gal. 4: 4); en dat Hij is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. En zo schrijft hij: Indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees (2 Kor. 15 : 16). Hij kent nu de gepredikte Jezus.

Zo moet men het zien als de Twaalf artikelen dadelijk van Jezus' ontvangenis en geboorte op zijn lijden overgaan. Daarom had Kuyper gelijk, als hij niet moede werd te betogen, dat het schrijven van Levens van Jezus op een misvatting van het Evangelie berustte; en evenzo meester Merckens en De Hartog als zij ook de onderwijzers terugriepen van het vertellen van de bijbel naar de aanwijzing van de raad Gods daarin en tot de ontdekking van het rijk.14

In zondag 15 wordt nu gevraagd naar de betekenis van het lijden van Christus. Dit is wel het middelpunt van de evangelieverkondiging. Wanneer Paulus wil zeggen welke Christus hij wil prediken, dan weet hij dat niet beter te doen dan door te verklaren, dat het de gekruiste is (1 Kor. 2 : 2). Niet alsof daarmee nu alles reeds gezegd zou zijn. Maar toch wel zó, dat nu niemand zich meer vergissen kan omtrent het karakter van zijn prediking. Hij verkondigt de Zoon, geworden onder de wet (Gal. 4 : 4), die gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen hij geleden heeft, hoewel hij de Zoon was (Hebr. 5 : 8). Dit lijden onder de wet, waartoe Hij gesteld was en waartoe Hij was uitverkoren, is het hart der prediking. En deze toetssteen geldt zo mogelijk in onze dagen nog meer dan ooit te voren. Enerzijds is de ergernis aan de zwakheid, de weerloosheid, de zachtmoedigheid van Jezus wel nooit zo bewust gevoeld en openbaar uitgesproken als thans. Tot deze God aan het vloekhout (Deut. 21 : 23) heeft men geen lust. - En anderzijds is lijden zozeer synoniem geworden met leven; de dood heeft op zo brutale wijze het schepsel naar de keel gegrepen, dat alleen het kruis van Christus de band met de Vader die in de hemelen is nog in wezen houdt, omdat overal elders de twijfel en de wanhoop de hoop schijnen te doven. In het Evangelie komt op de klacht: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" een antwoord. Het komt op de paasmorgen en sedert is dat antwoord de hoop van het menselijk geslacht geworden. Hoe donker de bladen van de evangeliën dan ook gekleurd mogen zijn en hoe vreselijk de woorden: toorn Gods en verdoemenis, die wij in zondag 15 tegenkomen, ook mogen klinken, zij passen toch en blijven passen in de verkondiging van het Evangelie, de blijde boodschap, die God aan zijn kerk heeft toebetrouwd. Wanneer wij met een oppervlakkig optimisme, dat de tekenen der tijden niet zag, en met een zacht humanisme, dat de vreselijke ernst des levens niet onderkende, geneigd zijn geweest de taal des bijbels, de terminologie der kerkleer en de woordenschat der prediking als verouderd te beschouwen, dan is de hel, waarin Christus is nedergedaald bij zijn kruislijden, wel zo vreselijk over ons losgebroken, dat die kritiek ons geslacht op de lippen besterft. En wie zich daar toch tegen inzet, die schijnt geen andere keus gelaten te zijn dan de grimmige beslotenheid tot verbeten opstand tegen het koningschap van de Zone Gods en de cynische aanvaarding van de leugen, de verbittering en de wreedheid als de toekomstige componenten van het menselijk leven.

Het antwoord, dat de Heidelbergse catechismus geeft op de vraag naar het woord: 'geleden', is niet sentimenteel en ook niet somber. Het spreekt ons van genade, gerechtigheid en het eeuwige leven. Het lijden, waarvan hier sprake is en dat zo waarachtig zijn naam verdient als geen ander, is niet zonder uitzicht. De overste leidsman en voleinder des geloofs heeft voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis verdragen en schande veracht (Hebr. 12 : 2). Daarom moet men dit artikel van Jezus' lijden ook zien als een van de beloften, waarvan in zondag 7 sprake was.

Wanneer dit echter vooraf is vastgesteld, moet de volle diepte van dit lijden worden gepeild. Het Evangelie is geen aansporing tot optimisme, een licht opvatten van wat zwaar weegt, maar het geeft een gegronde hoop, die steunt op een werk Gods, dat volbracht is. Die hoop rekent met het vréselijkste en het ergste wat er van ons leven te zeggen valt. Wij zijn hier in het midden van het Koninkrijk der hemelen, waar het vuur der goddelijke gerechtigheid op het witst is aangestoken; waar de dag des Heren komt, "brandende als een oven" (Mal. 4 : 1). En toch is het geen hel, maar een hemel, waar het eeuwige leven verworven wordt. - Hier wordt de toorn Gods geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen (Rom. 1 : 18). Maar deze toorn tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht wordt gedragen door Jezus. - Het vreselijkste woord dat in de bijbel voorkomt, verdoemenis, is hier van letterlijke toepassing. Maar van deze verdoemenis worden wij door het lijden van Jezus Christus verlost. Zij is er niet meer voor degenen, die in Jezus Christus zijn (Rom. 8 : 1).

Wanneer wij dan dit antwoord van de Heid. Cat. op ons laten inwerken, dan blijkt ons hoezeer het nodig is, op de samenhang der Twaalf artikelen te letten. Wij mochten het vorige artikel niet verklaren buiten verband met dat over het lijden. Daarom moet hier opgemerkt, hoe ongerijmd het zou zijn, wanneer de ontvangenis en geboorte van Jezus aanleiding zou geven om te zeggen, dat de mensheid-daardoor is geëerd, terwijl bij het lijden, waarvan dadelijk daarop wordt gesproken, wordt beleden, dat Jezus de schande en de vloek gedragen heeft. Deze gezichtspunten liggen zo ver uiteen, dat zij niet te verbinden zijn. Het ene is een naturenleer, het andere de prediking van een middelaarswerk, van een ambtsvervulling; meer bijzonder van een priesteirlij k offer. Wij moeten de eenheid van deze beide artikelen daar vinden, waar Paulus dat doet in Fil. 2 : 4-1 1, als hij de menswording als ontlediging en vernietiging beschrijft en het kruislijden als een vernedering. Deze beide liggen in elkaars verlengde. - Zo moeten wij ook deze beide artikelen verklaren. De Zone Gods toont zijn goddelijke natuur hier het allermeest in de gezindheid om te redden en zalig te maken. En de menselijke natuur komt voor onder de gezichtshoek van onder de toorn en de verdoemenis te liggen. Daarom is zondag 15 de beste commentaar op zondag 14. De vereniging van de Zone Gods met onze menselijke natuur vormt de Middelaar, die niet gekomen is om ons te eren, maar om ons te redden.

Het lijden van Jezus Christus is plaatsbekledend. Men is gewend dit woord alleen in deze verbinding te gebruiken, omdat het ons hier het meest toespreekt. Het zou ook meer algemeen kunnen worden toegepast. Wanneer de Middelaar onze borg genoemd wordt, gebeurt dat ook. Daarom moeten wij er voor waken dat wij de plaatsbekleding niet in het lijden als zodanig zoeken, alsof ieder lijden een verzoenende kracht zou hebben. Ik denk aan het vasten van Gandhi15 en aan verwante menselijke belevenissen. Wij zouden dan Christus' zoenoffer humaniseren en er een religieus verschijnsel van maken naast andere. En dit zou in strijd zijn met onze apostolische geloofsbelijdenis. Het lijden heeft een zekere vloekafwentelende kracht, maar aan zichzelf overgelaten komt het daarmee niet gereed. De hel brengt geen verzoening. Het Koninkrijk der hemelen moet nabij komen, als het lijden zaligmakende kracht zal krijgen. Zo wordt in de tweede zaligspreking aan de treurigen ook niet zonder meer troost beloofd, maar in verband met het koninkrijk. Het is niet de droefheid naar de wereld, maar de droefheid naar God die daar bedoeld is. De treurigheid en het lijden, die in het Koninkrijk der hemelen een verzoenende kracht hebben, staan in verband met de predestinatie, met een ambt, dat door God is opgedragen. De zalving daartoe door de Heilige Geest is nodig en deze is het die Jezus had "niet met mate" (Joh. 3 : 34). Het is het middelaarsambt, de priesterlijke dienst, die Jezus bekleedde.

In dit ambt was Hij niet voor zichzelf gekomen. Hij kwam omdat de rol des boeks met zijn naam vervuld was (psalm 40, oude berijming). Hij kwam in wat de theologie de staten van de Middelaar noemde. Daarmee zijn geen toestanden bedoeld, waarin iedereen komen kon, maar daarmee wordt een van rechtswege toegekende positie aangeduid. Wat Jezus leed moet men daarom niet fysisch of psychisch trachten te doorgronden, maar men moet het meten met de maten die in het koninkrijk Gods gelden. Men moet het trachten te benaderen door te letten op de posities, de ambten, de opdrachten, die de Zone Gods, naar de raad des vredes, die tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest is gehouden, heeft te bekleden of uit te voeren. Ook wanneer er bij het kruis, en daarom ook bij het heilig avondmaal, sprake is van vlees en bloed, dan kunnen toch vlees en bloed ons niet openbaren, hoe wij de dood des Heren moeten verkondigen. Evenmin als vlees en bloed het Petrus konden leren dat Jezus de Christus was, maar alleen de Vader, die in de hemelen is (Matth. 16 : 16). Evenzeer als het bij de opstanding van Jezus niet gaat over lichaam en ziel, doch om het gerechtvaardigd worden door de Geest (1 Tim. 3 : 16). Zo gaat het ook bij het kruislijden om de dingen van het Koninkrijk der hemelen. Zij moeten ons geopenbaard worden. Wat de toorn Gods is en dan de toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht, dat gaat ver uit boven wat wij uit lichamelijke pijn of zielesmart zouden kunnen afleiden. Wij kunnen dat slechts van lieverlede, in meeleven met de belijdenis der kerk, enigszins uit de verte leren beseffen. En de volle ambtsvervulling van Christus, profetisch, priesterlijk en koninklijk, moet daarbij door het geloof in het oog gevat worden. Profetisch, als ieder kruiswoord uit een psalm genomen wordt en dan zijn volle waarheid krijgt in Jezus' mond. Koninklijk, als de Heer op de belijdenis, dat Hij de Christus is, de Zone Gods (Matth. 26 : 64), de moordenaar de ingang in het paradijs belooft. - Maar toch allereerst priesterlijk, als Hij ons met het enige zoenoffer van de eeuwige verdoemenis verlost.

Deze priesterlijke bediening van Jezus was naar de ordening van Melchizedek, zoals de Schrift het noemt (Hebr. 5 : 6). Van deze priesterlijke orde zegt de brief aan de Hebreeën, dat zij zwaar is om te verstaan. Het is een hogere en meer oorspronkelijke orde dan die van Aäron, wiens bediening in de levitische wetten was vastgelegd. De ordening van Melchizedek is niet wettelijk maar profetisch geregeld. De omtrekken daarvan zijn wijder. Deze orde wordt niet vervuld door gebod op gebod en regel op regel (Jes. 28 : 10, 13). Voor de bediening van dit priesterschap is een nieuw verbond nodig en wanneer deze offerande aan het kruis volbracht wordt, staan Johannes en Maria vol ontzetting bij deze openbaring van de toorn Gods. Het Koninkrijk der hemelen, waarvan dit kruis en deze offerande het brandende midden der gerechtigheid zijn, is tevens het rijk, waarin ieder, die op de rechterwang geslagen wordt, ook de andere toekeert. Hoe de bediening van deze Hogepriester, tot wie God gesproken heeft: Gij zijt mijn Zoon (Hebr. 5 : 5), zal zijn, dat leest Hij van stap tot stap af uit de wil des Vaders, als Hij, al tastende van psalm tot psalm en van profetie tot profetie, tot in de hittigheid des toorns, het duister der verlatenheid, de eenzaamheid van de vloek en de verlorenheid der verdoemenis is nedergedaald, omdat Hij de menselijke natuur had aangenomen en de broederen in alles moest gelijk worden (Hebr. 2 : 17).

Dit alles kan niet nageleefd en ingeleefd worden, maar het moet door de Vader in de hemelen geopenbaard worden aan wie Hij wil. Het is de binnenste verborgenheid van het koninkrijk Gods, waarin de gerechtigheid overvloediger is dan der Farizeeën en Schriftgeleerden (Matth. 5 : 20). De profeten hebben daarvan iets gezien, als zij getuigden dat de straf die ons de vrede aanbrengt, op Hem was en dat door zijne striemen ons genezing is geworden (Jes. 53).

Dit alles wordt door de Heidelbergse catechismus met nadruk geleerd als hij zegt, dat Jezus de ganse tijd zijns levens op de aarde dit lijden heeft gedragen. Het is niet iets dat Hem op het einde, door een samenloop van omstandigheden, overkomt. Het is veel meer dan een feit uit de politieke en kerkelijke geschiedenis van het Joodse volk. Het is heiligschennis, als men van het leven van Jezus een roman maakt. - Het dragen van de toorn Gods is ook niet een crisis in Jezus' Messias-loopbaan, als zou de mislukking van zijn zending Hem op het laatste ogenblik tot zulk een opvatting van zijn werk hebben gebracht. Daartegen komt ons leerboek op, als het spreekt van "de ganse tijd zijns levens". De evangeliën zeggen het ook, dat Jezus wist, en er zijn discipelen op voorbereidde, dat Hij veel lijden moest. Toen Petrus Hem als de Christus beleed, begon Hij dadelijk over dat lijden te spreken, om de aard van zijn zalving aan hen duidelijk te maken (Matth. 16). En met de Vader spreekt Hij daarover in Gethsemané, als Hij bidt dat die drinkbeker van Hem mocht worden weggenomen. Maar reeds bij het begin van Jezus' werk, bij de verzoeking in de woestijn, ging Hij niet met vlees en bloed te rade, maar met wat de Vader in zijn Woord over zijn ambt had doen schrijven. Aan dat Woord hield Hij zich de ganse tijd zijns levens.

Zo moeten wij volle ernst maken ook met Jezus' mensheid. Niet alleen wat betreft de zwakheid des vleses, maar ook wat aangaat de van rechtswege aan het vlees toegewezen positie van onder de toorn Gods te zijn. In deze hel is Christus nedergedaald. - Hij deed het zonder zonde. Reeds door zijn geboorte begon Hij onze zonde voor Gods aangezicht te bedekken. Maar wel is Jezus in deze positie van het vlees gekomen. Anders had de vleeswording geen plaatsbekledende betekenis kunnen hebben. En dat had zij, evengoed als het kruislijden. Daarom leert de Schrift dat onze Heer niet zondig was, maar tot zonde is gemaakt. "Want die, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem" (2 Kor. 5 : 21). Hij is gekomen in de van rechtswege aan het vlees, dat Hij heeft aangenomen, toegewezen positie.

Deze plaatsbekleding in het lijden van Jezus Christus schijnt ons soms alleen maar een juridische constructie van theologen, bijv. bij de middeleeuwer Anselmus in zijn boek Waarom God mens geworden is. Dit zou terecht zijn, als wij haar niet aan de profetie, maar aan het menselijk recht ontleenden. Hetzelfde is het geval, als wij spreken van Jezus' betalen met zijn bloed. - Zodra wij echter deze dingen tot uitdrukking horen brengen in de taal der oudtestamentische profeten, zoals die van Jesaja 53, of ze beluisteren uit de vurige prediking van de apostel Paulus, dan worden zij tot een Evangelie, waardoor de harten worden geopend (Hand. 16 : 14). Daar is geen verklaring die minder juridisch is, dan dat onze Heer ons met zijn dierbaar bloed heeft gekocht en ons alzo tot zijn eigendom gemaakt heeft (vr. 34).

Maar ook wanneer wij onze verlossing in deze aangrijpende profetische of apostolische taal horen verkondigen of in de troostende antwoorden van de Heid. Cat. zien verklaard, dan moeten wij niet aan de roering des gemoeds alleen blijven hangen, alsof de christelijke mystiek op zichzelf van groter waarde zou zijn dan het recht. Het gaat hier om de liefde Gods, maar ook om het recht Gods. Alleen maar, Gods gedachten zijn zoveel hoger dan onze gedachten, als de hemel hoger is dan de aarde. Bij het kruis worden de liefde en het recht geopenbaard, zoals zij in het Koninkrijk der hemelen tot ons komen, dat de grond is van een nieuwe schepping. Op deze grondslag moeten alle dingen opgebouwd worden. Dit is het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen (Ef. 2 : 20).

Zondag 16

Vraag 40: Waarom heeft Christus zich tot in de dood moeten vernederen?

Antwoord: Omdat vanwege de gerechtigheid en de waarheid Gods niet anders voor onze zonden kon betaald worden dan door de dood van de Zoon Gods.

Vraag 41: Waarom is Hij begraven geworden?

Antwoord: Om daarmede te betuigen, dat Hij waarachtig gestorven was.

Vraag 42: Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het, dat wij ook moeten sterven?

Antwoord: Onze dood is geen betaling voor onze zonden maar alleen een afsterving der zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.

Vraag 43: Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis?

Antwoord: Dat door zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.

Vraag 44: Waarom volgt daarna: nedergedaald ter helle?

Antwoord: Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Here Jezus Christus door zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in zijn ganse lijden, maar inzonderheid aan het kruis, gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

Zondag 16 begint met een vraag en antwoord, waarin ingegaan wordt op die eisen der goddelijke gerechtigheid, waarop wij wezen aan het slot van de vorige afdeling. Het is de gerechtigheid van het Koninkrijk der hemelen, die zover boven onze juridische normen uitgaat, als de hemel hoger is dan de aarde. Het is, zoals wij reeds opmerkten, de gerechtigheid, die voorschrijft om de andere wang toe te keren, als men op de rechterwang geslagen wordt; om haastig welgezind te zijn tegen de wederpartij (Matth. 5 : 25). Die beveelt om de boze niet te wederstaan (5 : 39); de vijand lief te hebben; wel te doen degenen, die ons haten (vers 44). Deze zelfde gerechtigheid is het, waarvan in antw. 40 sprake is en die de dood van de Zoon Gods noodzakelijk maakt.

Hier is dezelfde gerechtigheid, die Jezus op het oog heeft in de gelijkenis van de twee schuldenaars, waarin Hij ons leert dat God de grootste schulden zonder meer kwijtscheldt en zich schrikkelijk vertoornt, als wij het onze schuldenaars niet willen doen zonder betaling.

Komt God hier nu met zichzelf in strijd of komen onze gedachten over God met elkaar in strijd? Dat laatste zal altijd het geval zijn en ook bij onze uitlegging van de Schrift zal dat gemakkelijk plaats hebben. Maar ten opzichte van de mening des Geestes kan dat niet gezegd worden. Het moet dezelfde gerechtigheid zijn in het ene en in het andere geval. Maar ons gezicht op die eenheid zal altijd gebrekkig blijven, zolang het geloof geen aanschouwen wordt. Dat onze verhouding tot God door de Schrift en door de kerk vaak in rechterlijke categorieën wordt omschreven, is een kenmerk juist van de aard van de openbaring in Jezus Christus. Onze verhouding tot God is niet natuurlijk, niet direct, niet organisch, maar ontleent haar vorm aan het ambt van een Middelaar. Reeds de verhouding van Schepper en schepsel schept afstand; maar de betrekking tot God, waarin wij nu staan als zondaren; en het werk van de Middelaar, zoals dat ons in het Evangelie is geopenbaard, doen dat nog veel meer. De Zone Gods is geworden onder de wet, dat is een nadere bepaling van zijn wording uit ene vrouw. Niet de zwakheid, maar de ongehoorzaamheid aan het gebod is het eerste, wat de Schrift van onze stammoeder weet te verhalen. Dat Rome door de leer van de onbevlekte ontvangenis van Maria dit verband, dat Paulus in Gal. 4 : 4 legt, losmaakt, is in strijd met wat de Schrift ons leert over Jezus' middelaarswerk.

Volgens de bijbel is onze betrekking tot God na de val heel sterk door de wet bepaald. Dit is bittere noodzakelijkheid. Dit blijkt ook hieruit dat de wet tot Christus toe steeds in betekenis toeneemt. "De Wet is bovendien ingekomen", zegt Paulus (Rom. 5 : 20). - Zelfs de heidenen, die de wet niet hebben, zijn zichzelf een wet (Rom. 2 : 14). Zo vanzelfsprekend is het juridische element, dat in de Godsopenbaring aanwezig is.

Dit wettelijke, het bestaan van een handschrift, dat tegen ons is (Kol. 2 : 14), heeft God ook in zijn heilsplan opgenomen. Een verhouding, waarin de wet een zo grote rol speelt, kan en mag niet naturalistisch vervaagd worden. Er is geen geleidelijke overgang tussen God en ons en ook daarom heeft de belijdenis van Jezus' middelaarschap en ambten zo grote betekenis, omdat daardoor verhinderd wordt dat wij, zoals Rome doet, de goddelijke en de menselijke natuur op een zekere wijze zouden vermengen.

Wij moeten daarom overeenkomstig de leer der verzoening, zoals die hier ook in zondag 16 wordt gegeven, het gericht blijven eerbiedigen, dat ook in die verzoening over ons gaat. Ook de gerechtigheid, die thuis hoort in het Koninkrijk der hemelen, wist de grenzen niet uit; keert de waarden van de dingen niet om en beweegt zich niet aan de andere zijde van het onderscheid tussen goed en kwaad.

Hoe dit te verenigen is met Gods volmaaktheid, waarmee Hij zijn zon laat opgaan over bozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Matth. 5 : 45); met de gelijkenis van de verloren zoon; met die van de Farizeeër en de tollenaar; met de vijfde bede uit het Onze Vader; met Jezus' blijkbare voorliefde voor het gevallene en verlorene, dat kan in geen geloofsbelijdenis of catechismus volkomen tot uitdrukking worden gebracht. Zeker heeft de kerk soms de gerechtigheid van het koninkrijk Gods te zeer in de vormen van en met de terminologie van het menselijk recht trachten weer te geven. Maar de heerlijkheid en de goddelijkheid van het Evangelie zou verdwijnen, als uit de prediking de rechtvaardiging door het geloof kwam weg te vallen, met de daarmee verbonden aanneming tot kinderen (adoptie); eveneens een rechtskundige term. Deze rechtvaardiging van de zondaar, die tegelijk zondaar kan zijn en in Gods ogen rechtvaardig, is een oordeel Gods van zo grote genade en gunst, dat daarmee het Evangelie wel staat of valt. Van ons wordt niet gezegd - aldus Luther - dat wij rechtvaardig zijn, maar wel dat wij gerechtvaardigd zijn.u Dit is een goddelijke uitspraak, waarin Gods oneindige goedheid en vergevende liefde zo klaar uitkomt, dat de gelijkenis van de verloren zoon en wat verder in de evangeliën van Gods mildheid te lezen staat, daarmee niet in strijd kan komen. - Deze rechtspraak Gods, zoals die op Golgotha over de zonde gaat, voltrekt zich bovendien aan zijn eigen geliefde Zoon. Jezus is niet een Jood uit de dagen van keizer Augustus, maar Hij is de eeuwige Zone Gods, die de menselijke natuur heeft aangenomen. Hij is volgens de raad Gods onder de wet en onder de vloek gekomen en draagt nu de toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht. Dit plaatsbekledend lijden, dat de wet en het recht handhaaft, dat God God laat blijven en de zonde veroordeelt in het vlees (Rom. 8 : 3), is tevens de hoogste openbaring van de goddelijke liefde. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3 : 16). God behoudt zijn recht en waarheid, maar Hij geeft zijn Zoon. Hoger kunnen recht en waarheid in deze wereld wel nooit gesteld worden; ieder die in onze tijd meeleeft, spitst daarbij de oren. Het is een motto voor de prediking onder het huidige geslacht. - Maar ook nergens kan de liefde Gods, zijn genade en barmhartigheid klaarder verheerlijkt worden dan op Golgotha. Het kost Hem zijn Zoon, zijn enige, die Hij liefheeft, Jezus (Gen. 22). Het rechtsgeding, dat God met de mens heeft en dat, als er geen verzoening komt, tot de ondergang van morgen- en avondland leidt en tot de eeuwige verdoemenis, heeft God met zichzelf uitgestreden, opdat wij de vrede en de blijdschap zouden hebben. Er is maar één weg, waarlangs deze beide tot ons kunnen komen, nl. door de prediking van het Evangelie. Alle andere wegen zijn nu en voor altijd afgesloten. Want de waarheid struikelt op de straat en wat recht is kan er niet ingaan (Jes. 59 : 14).

Vr. 41 wil weten, waarom Jezus begraven is. De Heidelbergse catechismus antwoordt dat daardoor betuigd wordt, dat Hij waarlijk gestorven is. Barth heeft ergens geschreven, dat dit het beste bewijs is, dat Hij mens geworden is; omdat allen begraven worden.v Inderdaad is de begrafenis de duidelijkste herinnering daaraan, dat de mens stof is en tot stof wederkeert (Gen. 3 : 19). De Heid. Cat. gaat hier dieper dan de opmerking van Barth, voor zover deze laatste bedoelt de ijdelheid van het menselijke aan te wijzen, dat in de dood geheel tot verleden is gereduceerd. Wij kunnen echter in de begrafenis van Jezus ook een zelfstandig heilsfeit zien, in verband met de overwinning op de dood. De Twaalf artikelen stellen de trappen der vernedering lapidair achter elkaar, waarbij de volgende telkens dieper wordt uitgehouwen dan de vorige. Gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle. Er is ook bij Calvijnw en in de Heid. Cat. iets van het geweldige en goddelijke en heil-zame van deze graden van vernedering verloren gegaan. Het begint reeds bij de verklaring van het 'begraven', dat slechts als exponent van het 'gestorven' wordt gewaardeerd. En het wordt geheel duidelijk, als het 'nedergedaald ter helle', in strijd met de afdaling, betrokken wordt op het 'gekruisigd'. Blijkbaar remt dat ook reeds de verklaring van het symbool bij het 'begraven'.

Nu zijn in de Schrift de aanwijzingen, die in de richting van het 'nedergedaald ter helle', als laatste trap der vernedering gaan, heel schaars. Maar van het 'begraven' kan men dat niet zeggen. Jezus' begrafenis wordt omstandig verhaald en bekleedt daar een zelfstandige plaats. De vrouwen willen Jezus balsemen. De Twaalf artikelen belijden daarmee, dat de Here Jezus de dood niet alleen als ogenblik, maar ook als duur heeft doorgemaakt. Alleen komen de drie dagen in wondere tegenstelling te staan met de Egyptische voorstellingen, die aan de balseming ten grondslag liggen. - De begrafenis is een werk van de Middelaar, die ons in alles gelijk geworden is, Uitgenomen de zonde. En toch, zoals wij ons het kruislijden niet kunnen indenken aan de hand van wat het lijden voor ons betekent, lichamelijk en geestelijk, zo evenmin het begraven-zijn van Jezus. Deze drie dagen zijn in het middelaarswerk iets anders dan een verificatie van de dood alleen. Het is ook niet hetzelfde als het uitzichtsloze, wat in sommige psalmen zo sterk naar voren komt, bijv. in psalm 88. Na drie dagen is ook dit werk volbracht en ontvangt Jezus zijn geest uit de handen des Vaders terug. Wat in het 'begraven' opgesloten ligt, kunnen wij het best leren belijden aan de hand van sommige gedeelten uit de brieven van Paulus, zoals Rom. 6 : 4 en Kol. 2 : 12, waar de apostel de doop er mee in verband brengt. De Heid. Cat. had dan hier ook wel kunnen vragen: Wat nut ons de begrafenis van Jezus Christus? Hij doet dat ook zijdelings in antw. 43. en daar wordt het begraven-zijn genoemd.

Er is enige verwantschap tussen de belijdenis van Jezus' ontvangenis en geboorte en die van zijn begrafenis. Beide worden met de doop in verband gebracht. Bij beide is de Middelaar, menselijkerwijze gesproken, passief. Maar naar het Evangelie eerder actief, terwijl het lijden de passie heet. Van de geboorte heet het dat Hij is geopenbaard in het vlees. Bij zijn graf, dat Hij is gerechtvaardigd in de geest (1 Tim. 3 : 16). En bij beide spelen de engelen een rol. Hij is gezien van de engelen, staat er in de verborgenheid der godzaligheid, die in de laatst aangehaalde tekst is vervat. Dat kan slaan zowel op de openbaring in het vlees, als op het gerechtvaardigd zijn in de geest. Daartegenover staat, dat Jezus bij zijn lijden in Gethsemané het bijzetten van engelen afwijst.

Zo moeten wij dan in de verborgenheid van Jezus' grafligging ook een element van activiteit belijden voor de Zone Gods. Er is een voorbereiding voor de opstanding, waarvan wij uit de evangeliën niets weten, evenmin als van de daad der opstanding zelve. Deze verborgen handeling van de Middelaar is zo verrassend, dat zij op de paasmorgen de discipelen geheel in verwarring brengt. De moordenaar is al in het paradijs en dan lopen de vrouwen nog met specerijen. En datzelfde element van verrassing behoudt het graf in de prediking ook voor ons. Het is een accent op het voorlaatste kruiswoord. "Als nu God op de zevende dag volbracht had zijn werk ... heeft Hij gerust" (Gen. 2 : 2). Toen was de eerste Adam geschapen; nu is hij in het graf gelegd. En hij zal niet weer opstaan. De tweede Adam zal op de paasmorgen verschijnen. De Zone Gods is geopenbaard in het vlees. Hij wordt nu gerechtvaardigd in de geest. Ook op dit stuk van het symbool slaan de vraag en het antwoord van zondag 23: Wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft? - Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben.

Met dit onderscheid tussen vlees en geest wordt nu echter weer niet gedacht aan lichaam en ziel. Het graf wordt in het Credo niet als een antropologische aangelegenheid beleden. Het wil geen antwoord geven op de vraag, waar de ziel van Jezus die drie dagen geweest is. Ook bij het 'begraven' gaat het om rechtvaardiging en om de gerechtigheid van het Koninkrijk der hemelen. De dood van Jezus is geen schijndood en ook zijn ziel deelt in deze bezoldiging der zonde. De zonde, waartoe Christus gemaakt is, is een zaak van de hele mens.

Maar voor de Zone Gods, die het Evangelie ons predikt, is deze graflegging niet enkel symbolisch. Hier ontmoet Hij de laatste vijand, die Hij moet te niet doen. De rust in het volbrachte werk is voltooiing. Er is een rechtvaardiging van de zondaar; er is ook een rechtvaardiging van de begravene. Deze laatste betekent opstanding en de Heid. Cat. begint straks in zondag 17 met het nut der gerechtigheid, die Christus door zijn dood verworven had. Dit slaat niet in de eerste plaats op de zonde, maar op het graf. Niet alleen op de vloek, maar nog meer op de gevolgen daarvan. De oude kerk heeft dat ook zo opgevat en - zo meende de nieuwere dogmengeschiedenis - een fysische verlossingsleer gehad.16 - Ik geloof niet dat dit juist is. De tweede Adam, die uit het graf opstaat, is geen herhaling van de eerste, minus de sterfelijkheid. Het is de Adam met gerechtigheid en heiligheid. Want deze zijn het juist, die de tweede Adam door zijn menswording, lijden en graflegging heen in Gods koninkrijk wil oprichten. Zonder gerechtigheid, zegt Augustinus op een bekende plaats in zijn Staat Gods, is de staat een roversbende.x En met die staat bedoelt hij, naast Rome, het hele gemenebest der mensheid. Ook wanneer in de oude kerk, onder invloed van de tijdgeest, de onsterfelijkheid soms eenzijdig als het nut van Christus' graflegging is gezien, dan behoeft men, uit reactie daarop, nog niet enkel te letten op de rechtvaardiging van de zondaar. De rechtvaardiging van de begravene heeft in het Evangelie ook een grote plaats. Het is niet nodig daarbij vooral te letten op de voortzetting van het leven na de dood. Het Evangelie laat ons in Jezus' werkzaamheid als Heiland der wereld, in zijn genezingen, uitwerpen van duivelen, opwekkingen van doden een tegenstelling met het graf zien, die veel meer dan lichamelijk is. Het is een openbare, blijde gerechtigheid, die de lammen doet opspringen, hun bed opnemende als een trofee. En die de doden doet opstaan.

Dit ligt toch ook eigenlijk opgesloten in vr. en antw. 42 van de Heid. Cat. ⚑De vraag: Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het, dat wij ook moeten sterven? - met het daarop volgende antwoord - vooronderstelt toch eigenlijk wat ik de rechtvaardiging van de begravene noemde. Hij wordt wel begraven, maar het is niet meer de bezoldiging der zonde. Hij wordt wel begraven, maar dat is een middel om eindelijk verlost te worden van de zonde (Rom. 7 : 24). Hij wordt wel begraven, maar het is tegelijk (simul) een doorgang tot het eeuwige leven. Ik voegde het woord 'tegelijk' in, naar analogie van het bekende: zondaar en tegelijk rechtvaardige. Hier is oneindig veel meer dan een belofte van onsterfelijkheid. Het is veel stelliger; heeft veel meer inhoud. Dit is het eigenlijke antwoord op vr. 41. Christus' graflegging is de graflegging van de oude Adam, van het vlees dat Hij heeft aangenomen, van de zonde, waartoe Hij gemaakt is. Zij is voor de tweede Adam een doorgang tot het eeuwige leven. In het graf heeft het middelaarswerk voortgang.

Bij vraag 43 grijpt ons leerboek nog eens terug naar de offerande en de dood van Christus aan het kruis. Dit wekt enigszins de bevreemding van de leerling, omdat wij ons reeds hebben beziggehouden met de betekenis van de graflegging. Ik heb er ook reeds eenmaal op gewezen, dat bij de behandeling van dit artikel een zekere aarzeling bij de Heid. Cat. valt op te merken, alsof hij schroom heeft om voort te gaan tot het 'nedergedaald ter helle'. De trappen der vernedering worden daardoor niet duidelijk uitgebeeld. Deze aarzeling is hier, bij vr. 43, wel het duidelijkst zichtbaar en evenzo de oorzaak daarvan, nl. het feit, dat bij vr. 44 de nederdaling ter helle ter sprake moet komen. De catecheet, die bij het 'begraven' reeds zeer sober geworden is, waagt het niet, nu nog een stap verder te doen en maakt 'volte face'. Daarvoor in de plaats geeft hij hier een stukje geloofsascetiek, dat op zichzelf wel van waarde is, maar bij de beschrijving van het middelaarswerk niet helemaal past. Het had beter na zondag 23 gestaan. - Het is daarom geen wonder, dat deze vraag hier de tegenspraak heeft opgewekt van een theologie, die zich van die van Calvijn onderscheidt door een nòg sterker nadruk leggen op het volbracht-zijn van Jezus' werk. Ik bedoel die van Kohlbrugge en van de daarbij op dit punt zich aansluitende dialectische theologie. Ook dr. Oorthuys wijst daarop, in zijn mooi boek De eeuwige jeugd van Heidelberg, bij de behandeling van deze vraag.y Ik kan daarop hier niet verder ingaan.

Wel moet nog even stilgestaan bij vr. 44. Dat Calvijn en zo ook de Heidelberger hier vooral soberheid hebben betracht, is zeker in overeenstemming met de Heilige Schrift. En wel van Genesis tot openbaring. Overal toont de bijbel terughouding, als hij komt op de grenzen van wat, mythologie' heet. Ook bij de vorming van de canon heeft dit beginsel sterk meegewerkt. De kerk is hem op dat spoor gevolgd en is slechts zeer schuchter ingegaan op zulke aanduidingen, die op een grens schenen te wijzen. Zo bijv., in verband met het 'nedergedaald ter helle', bij 1 Petr. 3 : 18 en 19 (NBG.): Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest, in welke Hij ook is gaan prediken aan de geesten in de gevangenis. Deze teksten herinneren aan het vroeger, bij zondag 14, door ons aangehaalde 1 Tim. 3 : 16. Vooral als wij daar niet met de nieuwe vertaling, die ik toen volgde, lezen: door de Geest, maar 'in de geest', wat meer in overeenstemming is met het oorspronkelijke.

Maar ook wanneer wij niet anders kunnen doen dan deze schuchterheid, die bij de Reformatie nog groter wordt, prijzen, dan is daarmee niet gezegd dat wij de verborgenheid der godzaligheid (1 Tim. 3 : 16) zouden moeten verkleinen. Het is dunkt mij moeilijk tegen te spreken, dat er bij de trappen of graden van Christus' vernedering een climax is in het symbool. En deze gaat bij de verklaring van Calvijn, door de Heid. Cat. gevolgd, verloren. Wanneer wij bij het 'nedergedaald ter helle' nog iets verder gaan, ook wat de verborgenheid betreft, dan bij het 'begraven', dan belijden wij daarmede: Ie. dat de nederdaling ter helle de hoogste exponent is van het volbracht-zijn van Christus' openbaring in het vlees; 2e. dat Hij daarom in de geest zijn middelaarswerk heeft voortgezet ook tegenover de dood en de gedoden (Ez. 37); 3e. dat ook dit werk plaats heeft in de sfeer der gerechtigheid, waarin het Koninkrijk der hemelen openbaar wordt. Zo leiden deze trappen der vernedering als vanzelf naar de verhoging. Wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden (Matth. 18 : 4). Men ziet de nederdaling ter helle ook wel als de eerste schrede der verhoging.

Zondag 17

Vraag 45: Wat nut ons de opstanding van Christus?

Antwoord: Ten eerste heeft Hij door zijn opstanding de dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door zijn dood verworven had, kon deelachtig maken. Ten andere worden ook wij door zijn kracht opgewekt tot een nieuw geestelijk leven. Ten derde is ons de opstanding van Christus een zeker pand onzer zalige opstanding.

Hier is dadelijk het eerste, wat de Heidelbergse catechismus op de paasmorgen ontdekt, dat Christus de dood overwonnen heeft. En dat moest, want anders kon Hij ons de gerechtigheid, die Hij aan het kruis verworven had, niet deelachtig maken. Tussen zijn graflegging en zijn opstanding valt het heilsfeit van de overwinning van de laatste vijand (1 Kor. 15 : 26), die wij belijden in het artikel van de nederdaling ter helle.

De eerste vrucht daarvan is de opstanding. Deze schuilt ook zelve nog in de verborgenheid, waarin de nederdaling ter helle zich aan ons oog onttrekt. Er zijn wel getuigen van het opgestaan-zijn, maar niet van het gebeuren der opstanding. De fysieke en - als ik het zo noemen mag - de mythologische kanten van deze dingen blijven zorgvuldig voor onze nieuwsgierige blikken verborgen. Zoals Jezus niet voor de ogen van het verwonderde Jeruzalem van de tempel naar beneden wil springen, bij de verzoeking door de boze, zo staat Hij ook niet voor de ogen van zijn discipelen op 'in de geest', maar Hij verschijnt aan hen in een lichaam. De gerechtigheid, die Hij door zijn dood verworven had, en die Hij aan de dood heeft ontwrongen, wil Hij ons deelachtig maken. Het is Hem te doen om de vestiging van het Koninkrijk der hemelen waarvan die gerechtigheid de inwendige orde is. Vooral ook hier, bij de opstanding, moeten wij de gerechtigheid, die Christus ons wil schenken, niet uitsluitend beperken tot de rechtvaardiging van de zondaar, waartoe vr. 60 in zondag 23 enige aanleiding geeft. Vr. 59 weet immers, dat het rechtvaardig zijn voor God slechts voorwaarde is voor het kindschap Gods en de erfenis van het eeuwige leven. Het symbool geeft tot zulk een beperking allerminst aanleiding. Het noemt als de gaven, die aan de kerk geschonken zijn: de gemeenschap der heiligen, de vergeving der zonden, de opstanding des vleses en het eeuwige leven. De gerechtigheid, waarvan hier sprake is in zondag 17, is derhalve al dadelijk niet een individuele, maar een gerechtigheid in de gemeenschap. Ook wanneer Jezus ons leert bidden, zegt Hij: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Deze vergeving is gemeenschappelijk en wederkerig. Zij is de gerechtigheid van het koninkrijk Gods. - Verder noemen de Twaalf artikelen dan de wederopstanding des vleses en een eeuwig leven.

Dit alles behoort tot de gerechtigheid, die Jezus ons kan geven, omdat Hij de dood heeft overwonnen. Dit alles heeft Hij door zijn dood verworven. Daartoe is Hij gerechtvaardigd in de geest, nadat Hij is geopenbaard in het vlees. - Deze tegenstelling van vlees en geest is echter een geheel andere dan die, welke het idealisme maakt als dit het stoffelijke en lichamelijke als zodanig van minder betekenis acht. Zulk een idealisme heeft zich vaak, ook in de kerk en de theologie, vermengd met de waarheid der apostolische prediking. Het was er in de oude kerk in de vorm van het platonisme, dat het lichaam een kerker achtte voor de ziel. Het was er ook nog bij Augustinus, de vader van het Europese kerkelijk denken, in de vorm van het neoplatonisme, een verfijnd naturalisme. - Het was er weer in de grote Duitse speculatieve systemen, die men een filosofie van de geest kan noemen en die zulk een grote invloed hebben geoefend op de theologie en de prediking der negentiende eeuw.

Dit alles mag niet verward worden met de gerechtigheid, die Jezus door zijn dood verworven had; het mag niet vermengd worden met zijn gerechtvaardigd worden in de geest. Daarvoor is een grendel geschoven door de verbinding van deze gerechtigheid des koninkrijks met de opstanding van Jezus. De tegenstelling van vlees en geest, die daarbij gemaakt wordt in het N.T., is een geheel andere. Zij is analoog met die van zonde en genade, met dood en eeuwig leven, met verloren zijn en behouden worden, met verlaten worden en aangenomen worden. Dat heeft met de tegenstelling van lichaam en ziel niet te maken. Jezus zegt dat God beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel (Matth. 10 : 28).

Daarom moeten wij het paasevangelie ook niet benaderen van die zijde. Reeds dadelijk daarom niet, omdat het gepredikt moet worden. Lichaam en ziel kan men niet prediken noch ook het onderscheid tussen beide. De onsterfelijkheid kan men ook niet prediken, alleen leren. Maar de gerechtigheid, die Christus door zijn dood verworven heeft, is wel het ware onderwerp van de Evangelieverkondiging. Wanneer Maria Magdalena Jezus ziet, na de opstanding, zegt Jezus: Raak Mij niet aan! En tot Thomas, die voor het geloof in de opstanding deze eis gesteld had, zegt Hij: Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben (Joh. 20 : 29). En omgekeerd zegt Hij tot de elve: Tast Mij aan en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, gelijk gij ziet, dat Ik heb (Luk. 24 : 39). Deze discipelen hebben nog niet geleerd de opstanding van Jezus op de rechte wijze te benaderen. Zij zien Jezus óf te veel als een lichaam, óf te zeer als een geest. Petrus verstaat het op het Pinksterfeest, bij de uitstorting van de Heilige Geest. Dan laat hij de psalmen spreken: "Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten en zult uw Heilige niet overgeven om verderving te zien. Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging voor uw aangezicht" (Hand. 2 : 27, 28). Daar hebben wij het drieërlei nut, dat de Heid. Cat. vindt in de opstanding: de rechtvaardiging in de geest van de begravene; de opwekking tot een nieuw leven en de verheuging over onze zalige opstanding.

Daarom is apologetiek op Pasen uit de boze, of liever uit de Boze. Omdat dit zo is, zegt Jezus: Het is u nut, dat Ik wegga (Joh. 16 : 7). De Trooster ... die zal u alles leren (14 : 26). Ten opzichte van dit heilsfeit past alleen een blijde uitroep: De Heer is waarlijk opgestaan! Het Russische paasfeest. Wondere coïncidentie der geschiedenis.

Deze uitroep geldt dan niet alleen een enkel historisch feit, dat met moeite zou kunnen worden gestaafd tegen de historische kritiek. Hij maakt echo's wakker in hemel en op aarde. ⚑"Hij is verschenen aan de engelen is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld."

1 Tim. 3: 16 (Vert. NBG.).

Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping, want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is voor alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem; en Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente. Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is. Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed des kruises, alle dingen weder met zich te verzoenen door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is (Kol. 1 : 15-20 NBG.).

Ik heb deze teksten in volle lengte uitgeschreven om de echo's te laten horen, die in het Koninkrijk der hemelen van alle kanten worden gewekt door de opstanding van Jezus. De schepping van de tweede Adam is een heel ander werk dan die van de eerste; want Hij is geen levende ziel, maar een levendmakende geest (1 Kor. 15 : 45). Alle maatstaven voor de betekenis van Jezus' opstanding, die wij aan de eerste schepping ontlenen, de verhouding van stof en geest, van lichaam en ziel, doen het niet. Wat het wel doet, kan ons slechts gepredikt worden.

En zo heeft dan de Heidelbergse catechismus zoals wij reeds zagen, zijn antwoord ook gegeven. Eerst de nieuwe gerechtigheid, dan het nieuwe leven en tenslotte de nieuwe vreugde. En dit alles beleden in de talen, zoals de Heilige Geest die geeft uit te spreken. - Niet terecht gelegd naar de wijsheid der wereld, maar in de dwaasheid der prediking (1 Kor. 1 : 21). Gepredikt onder de heidenen. En toch ook: geloofd in de wereld.

Wat die gerechtigheid is, welke Christus heeft verworven, daarover spraken wij reeds. Zij bleef niet beperkt tot de rechtvaardiging van de enkele zondaar. Zij had niet alleen op de tollenaar betrekking, maar ook op de arme Lazarus; op Bartimeüs de blinde; op de moordenaar aan het kruis; op de weduwe met het penningske; op het loon van de arbeiders in de wijngaard; op de zwervers op de wegen en tussen de heggen.

Wij moeten thans stilstaan bij het nieuwe leven, dat de Heidelbergse catechismus in de tweede plaats noemt. Wat hebben wij daaronder te verstaan? Is daarmee bedoeld de opstanding van de ziel, terwijl dan in de derde plaats de opstanding van ons lichaam zou komen? Zo ongeveer dr. Kuyper in zijn verklaring van de Heid. Cat.z Deze theologie gaat dan uit van de schepping en vindt daarin de deling van de mens in lichaam en ziel, die door de zonde in disharmonie zouden zijn geraakt. Op dezelfde wijze als zij bij de verklaring van het drievoudig ambt van Jezus Christus aanknoping zoekt bij de vermogens van verstand, hart en wil. Zo bij de belijdenis van Christus' opstanding dan bij de onderscheiding van lichaam en ziel. Het eerste 'nut' van Christus' opstanding, de gerechtigheid die Jezus door zijn dood verworven had, zou dan moeten zijn dat de rechte verhouding tussen lichaam en ziel weer werd hersteld. Op dezelfde wijze ongeveer als Plato bij de mens onderscheidt tussen de rede, de inborst en de begeerte; terwijl dan de gerechtigheid de goede harmonie tussen deze drie zou betekenen, zodat zij worden tot wijsheid, dapperheid en matigheid.17

Deze hele voorstelling, waarbij de herschepping niet anders dan een herstel van de gestoorde elementen en vermogens der schepping zou zijn, draagt zeer duidelijk haar filosofisch en idealistisch merk op het voorhoofd. De gerechtigheid, die Christus door zijn dood verworven had, is geen harmonie der sferen en der harten, in de macrocosmos en in de microcosmos, waarmee ook Augustinus soms nog afgoderij bedrijft als hij haar verheerlijkt als de vrede (de pax). Deze 'pax Romana' in de politiek en de 'pax ecclesiae', de katholiciteit, in de kerk, kan licht worden tot het 'rust in vrede' van het graf. Zij is dat ook geworden voor het Romeinse rijk en kan het ook worden voor de roomse kerk.

Dan had Pascal de verhouding tussen de orden, de rijken, beter gezien. Hij onderscheidt tussen dat van de lichamen, dat der geesten en dat van de liefde.a Zij zijn voor hem van verschillende rang. Het woord harmonie zou hier geheel misplaatst zijn. De oneindige afstand tussen lichaam en geest beeldt de oneindig meer oneindige afstand tussen geest en liefde af. De groten in het rijk der stof noemen zich prinsen en koningen; die in het rijk van de geest, zoals Archimedes, behoeven zich geen prins te noemen, al zijn zij het in hun orde. Zo hebben de heiligen ook hun eigen orde. Jezus behoefde zich geen koning te noemen; maar hoe schittert Hij in zijn eigen rijk, in dat der liefde!

Deze visies van Pascal, waarin ernst gemaakt is met de transcendentie, geven een beter handvat voor de prediking van de gerechtigheid, die Jezus door zijn dood verworven heeft, en voor de betekenis daarvan met het oog op een nieuw leven en op onze zalige opstanding. Hier is ook nog een zekere analogie tussen de verhouding van lichaam en geest en die van geest en liefde. Maar deze analogie schuilt weg in een oneindige oneindigheid en raakt zelfs voor ons geloof bijna verloren. Zij is weggelegd voor het aanschouwen en is er nog niet voor het zien door een spiegel, als in raadselen (1 Kor. 13 : 12 Vert. NBG.). Het Koninkrijk der hemelen, dat in Jezus Christus nabij gekomen is, komt in zijn eigen orde en zijn gerechtigheid is veel meer dan een herstel van de harmonie tussen lichaam en ziel. In deze hoogste orde, zegt Pascal, wordt Jezus "gezien van de engelen".b

Zo is dan het nieuwe leven, waartoe wij worden opgewekt door zijn kracht, meer een leven uit een komende gerechtigheid, die reeds verworven is, dan een leven naar een bekende gerechtigheid, die nog door ons verworven moet worden. Harmonie in het vlees komt er niet. Maar de gerechtigheid van de geest werkt en doodt door haar kracht het vlees. Dit vlees, de oude Adam, zo predikte Kohlbrugge terecht, is met Christus begraven.c Hij doet dat enigszins in tegenstelling met het 'wordt begraven' van antw. 43. En nu staat de poort tot het nieuwe leven wagenwijd open. Het geloof is de ademhaling, die tot dat nieuwe leven dienen moet. Gij hebt er van, zei Luther, zoveel als gij er van gelooft.d

Dat het zo met het nieuwe leven gesteld is en dat wij het alleen hebben, voor zover wij het geloven, daarvan is het derde 'nut' van de opstanding van Christus een duidelijk teken. Want die beide, het nieuwe leven en onze zalige opstanding, moeten in dit opzicht toch wel op een lijn staan. Het zijn beide vruchten van Christus' gerechtigheid; zij liggen beide aan de overzijde. - Welnu, onze zalige opstanding is openbaar en zonder enig tegenspreken een zaak uitsluitend van het geloof. Wij hebben daarvan enkel een zeker pand. Het enige wat wij daarvan in handen hebben, is de opstanding van Christus, waarvan wij ook alleen door het geloof zekerheid hebben. Immers, het is een artikel in een Credo, een geloofsartikel. Daarover spreken wij dan nog bij zondag 22.

Zondag 18

Vraag 46: Wat verstaat gij daarmede: opgevaren ten hemel?

Antwoord: Dat Christus voor de ogen zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.

Vraag 47: Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft?

Antwoord: Christus is waarachtig mens en waarachtig God. Naar zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

Vraag 48: Maar zo de mensheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?

Antwoord: Ganselijk niet; want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overal tegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en nochtans persoonlijk met haar verenigd blijft.

Vraag 49: Wat nut ons de hemelvaart van Christus?

Antwoord: Ten eerste, dat Hij in de hemel voor het aangezicht zijns Vaders onze voorspraak is. Ten andere, dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, zijne lidmaten, ook tot zich zal nemen. Ten derde, dat Hij ons zijn Geest tot een tegenpand zendt, door welks kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods en niet wat op de aarde is.

Bij de hemelvaart herhaalt zich dezelfde ergernis voor ons denken, die er bij de opstanding was. Alleen maar, in nog hogere graad. Toen was het de tegenstelling van lichaam en ziel, waarvan wij zo moeilijk konden loskomen. Wij raakten in de verzoeking een harmonie tussen deze beide als vrucht van Christus' gerechtigheid te postuleren en het hele paasevangelie te laten ondergaan in een apologetische voordracht over de onsterfelijkheid. Thans dreigt een dergelijk gevaar, maar nu zou het struikelblok, waarover wij de prediking zouden laten vallen, een onbijbelse tegenstelling van hemel en aarde zijn. In de allerplatste vorm, wij zouden gaan bazelen over boven en onder, in verband met het Copernicaanse wereldbeeld. Wij zouden het gaan hebben over de antieke voorstelling van de aarde als een schijf, met daarboven een gewelf. Ik hoor nog uit mijn studententijd de toen zeer bekende en veel gelezen professor Eucken uit Jena op een thee bij professor Valeton zeggen, dat hij zulk een heilsfeit niet kon aanvaarden, alleen reeds om Copernicus.18

Dit soort bezwaren waren het, die vooral in de negentiende eeuw velen hun apostolisch Credo hebben doen kwijtraken. Bezwaren tegen de schepping, tegen de opstanding, tegen de hemelvaart, tegen het zitten aan de rechterhand Gods. Met vele andere, daaraan verwante moeilijkheden. De natuurwetenschap maakte ravage in de Twaalf artikelen. - Deze ergernissen waren al eeuwenlang voorbereid door de wijze, waarop in de kerk een natuurlijke Godskennis als ladder was gebruikt naar de geopenbaarde kennisse Gods. Viel nu die trap om, dan was men van het Evangelie afgesneden.

Dit is niet de enige ergernis, die men aan het Evangelie neemt en niet de grootste. Misschien zelfs de geringste. Maar het is een zeer populaire en favoriete ergernis. Degenen, die er mee werkten, dachten iets groots te verrichten. Men sprak van een dageraad. En men dekte zich er mee tegen de prediking.

Ik geloof niet, dat deze steen des aanstoots thans nog altijd de betekenis heeft, die hij gehad heeft. Het gaat niet langer om de buitenbolwerken; de aanval is nu gericht op het centrum, het forum van de stad Gods. Niet over de natuurlijke religie, maar over de geopenbaarde gaat het conflict. Over de betekenis van de nederheid Gods, de zin van het lijden, de macht van het kruis, de kracht van het medelijden, de werking der genade. De ware ergernissen zijn openbaar geworden en uiten zich met brutale felheid, zonder deksel. En de wereld houdt de adem in en houdt zich het hart vast bij dit conflict tussen hemel en aarde.

En hier zijn wij dan bij zondag 18 terug, bij de hemelvaart en bij vr. 46: Wat verstaat gij daarmede: opgevaren ten hemel? En bij onze moeilijkheid, hoe wij dit artikel moeten benaderen, als het een geloofsartikel zal blijven; als het tot onze zaligheid dienen moet; en als wij mede daardoor rechtvaardig voor God (vr. 59) zullen kunnen worden.

Wat reeds bij de opstanding begint, dat zet zich bij de hemelvaart door. Ik bedoel het: Raak Mij niet aan (Joh. 20 : 17), dat Jezus tot Maria Magdalena zeide. De hemelvaart betekent een nog veel duidelijker: Raak Mij niet aan. Het geopenbaard zijn in het vlees is volbracht; het gerechtvaardigd worden in de geest is begonnen. Dit is de ware afstand tussen aarde en hemel, die bij de hemelvaart gepredikt moet worden. Het is niet een hoogmoedige afstand, maar een nederige, een barmhartige, een nederbuigende, een zich uitstortende goedheid. Want anders zal de Trooster niet komen (Joh. 16 : 7). Jezus' hemelvaart schept de afstand, de ruimte, die er nodig is voor het komen van de Geest, voor het geloof, voor de rechtvaardiging door het geloof. Zo baat ons ook dit artikel daartoe, om in Christus voor God rechtvaardig te zijn (zondag 23). Vr. 46 zegt het ook, dat Christus van de aarde ten hemel is opgeheven en dat Hij ons ten goede daar is. Dat 'ten goede' wil in de eerste plaats zeggen, dat Hij zijn belofte kan vervullen; dat Hij de Heilige Geest kan zenden. Want de hemel, dat is de plaats, van waar de Heilige Geest nederdaalt, zoals Jezus van de aarde opvaart.

Zo zien wij ook hoe alles weer zijn betekenis krijgt van het Koninkrijk der hemelen uit. Deze naam krijgt bij de hemelvaart zijn meest lokale en tegelijk zijn meest geestelijke betekenis. Het gaat hier niet om 'onder' of 'boven', om Ptolemaeüs of Copernicus. Hier wordt de rechtvaardigheid Gods gepredikt, de gerechtigheid. Hier wordt men gerechtvaardigd door het geloof en hier is Jezus zelf het pand, de Heilige Geest het tegenpand, vr. 49, van onze hemelse erfenis. Hemel en aarde, dat heet in de prediking van het Koninkrijk der hemelen nu voortaan: de Zone Gods en de Heilige Geest of het Woord en de Geest.

En ook hier gaat het weer over de gerechtigheid. Jezus zal wederkomen om te oordelen de levenden en de doden. Maar wat van Gods gerechtigheid in het O.T. en in het Evangelie geldt, dat zal daar ook waar blijven. Zijn gerechtigheid en de onze, dat is een verschil als van hemel en aarde. De Christus, die de Trooster op de aarde zendt, die daartoe ons ten goede daar is, die zal ook zelf als de Christus consolator wederkomen. De zender zal niet minder zijn dan de gezondene. Het pand niet geringer dan het tegenpand. Het 'dies irae' (dag des Heren) dient niet, als in Goethes Faust, om een arme zondares te doen bezwijmen. Jezus liet zich door haar de voeten natmaken met tranen en afdrogen met de haren van haar hoofd en kussen en zalven (Luk. 7 : 38). Zo was Hij op aarde. Hij zal alzó komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien henenvaren (Hand. 1 : 11). Het juridische, in de zin, zoals wij dat bij de behandeling van zondag 15 zijn tegengekomen, wordt daarmee niet uitgeschakeld. Daarvoor staat het laatste oordeel ook te geweldig in de evangeliën getekend door Jezus' eigen mond (Matth. 25 : 31-46). Maar het mag niet in zulke vormen worden gepredikt en beleden dat, zoals vaak in de middeleeuwen geschiedde, Jezus' middelaarschap achter zijn rechterschap schuil gaat. Dit is mede een der oorzaken geweest, dat Rome steeds meer de Maria-dienst bevorderde.

Vr. 47 en vooral vr. 48 komen dan met een bedenking in de trant van zondag 5 en 6, vragen die ons ietwat scholastisch aandoen en waardoor de historische samenhang der Twaalf artikelen hier enigszins gestoord wordt. Het antwoord op vr. 47 is zeer schoon en het tweede gedeelte daarvan zeer indrukwekkend en geliefd. Maar de samenhang van wat hier gezegd wordt met onze rechtvaardiging door het geloof is moeilijker aan te wijzen dan bij de vragen, die zich aan de orde der geloofsartikelen houden. Deze vragen verwarren ook enigszins de prediking van de trappen der vernedering en der verhoging en grijpen terug op de onderscheiding der naturen. Zij volgen niet zuiver de belijdenis van het middelaarswerk en de voortgang die daarin is. Bij de behandeling van dat werk kan moeilijk telkens worden stilgestaan bij de onderscheiding der naturen. Dat werk vordert een zekere eenheid des persoons.

Wilde men hier toch scheiding maken, dan zou men dat althans moeten doen in aansluiting aan het beledene omtrent Jezus' ontvangenis en geboorte. Als men daar, zoals wij op het voetspoor van Kohlbrugge gedaan hebben, in de menswording niet een eren van de menselijke natuur ziet, maar belijdt dat het vlees aan de Zone Gods schande en vloek heeft gebracht, dan moet men hier, bij vr. 47, ook datzelfde doen. De oude Adam is met Hem gekruisigd en begraven. En het vlees in deze zin heeft Jezus in het graf achtergelaten. In dat vlees was Hij geopenbaard en bij de opstanding is Hij gerechtvaardigd in de geest. In die geest is Hij ten hemel gevaren en zo dient het geloof van de hemelvaart dan ook, evenals alle andere artikelen, daartoe, dat wij in Christus voor God rechtvaardig zijn en erfgenamen des eeuwigen levens (vr. 50). Deze menselijke natuur, die Christus heeft aangenomen, dit vlees, dat tegen de Geest begeert (Gal. 5 : 17), vaart niet ten hemel. Zelfs degenen, die in Christus Jezus zijn, zijn niet in het vlees, maar in de Geest (Rom. 8: 9).

Daarom zegt ook Paulus: Wij kennen van nu aan niemand naar het vlees en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees (2 Kor. 5 : 16). Wat Christus zeker naar de hemel heeft medegenomen, dat is de gerechtigheid, die Hij door zijn dood verworven had; de offerande, die Hij als de enige hogepriester de Vader opdraagt. De ziener van Patmos ziet Hem dan ook als een lam, staande als geslacht (Openb. 5 : 6). Niet onze materie hebben wij in de hemel tot een zeker pand, dat Hij, als het Hoofd, ons, zijne lidmaten, ook tot zich zal nemen (antw. 49), maar dit offer, deze gerechtigheid van het Koninkrijk der hemelen, dit volgens de raad des vredes geslachte lam. Alleen in deze beschamende vorm hebben wij ons vlees in de hemel.

Wat de Zone Gods dan verder medegenomen heeft van de aarde, toen Hij ten hemel voer? Daarvan geldt zeker het "Raak Mij niet aan!" dat Jezus tot Maria zeide en dat door de hemelvaart nog meer nadruk krijgt. Het geldt niet alleen van de handen, maar ook van de gedachten. Wanneer wij zijn Geest hier op aarde tot een tegenpand hebben, door wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods (antw. 49), en wanneer iemand, die de gave heeft, hier door de Geest reeds 'geheimenissen' (1 Kor. 14 : 2) spreekt, hoe groot moet dan wel het geheimenis zijn van het pand, dat wij na de hemelvaart in de hemel hebben.

Jezus Christus is in de hemel voor het aangezicht zijns Vaders onze voorspraak. Deze heerlijke gedachte springt uit deze zondagsafdeling als met gulden letters geschreven naar voren en sluit zich aan bij wat in antw. 46 stond: dat Hij ons ten goede daar is. Dit past ten volle in de vorm van een belofte, waar de Twaalf artikelen genoemd zijn een hoofdsom van al wat ons in het Evangelie beloofd wordt. Welnu, dit is een echte belofte. - Het valt ook weer zuiver onder de verzekering van zondag 23, dat de bate van het geloof in deze artikelen hierin bestaat, dat wij in Christus voor God rechtvaardig zijn. - En het is ten slotte een beschrijving van wat wij van het koninkrijk Gods mogen verwachten, waarin Gods plaatsbekledende gerechtigheid het middelpunt is. Want als de Zone Gods onze voorspraak is, dan rechtvaardigt Hij ons voor God en bedekt onze zonden voor diens aangezicht, "opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem" (2 Kor. 5 : 21 Vert. NBG.). In Hem worden wij dan gerechtvaardigd in de geest.

Zondag 19

Vraag 50: Waarom wordt daarbij gezet: zittende ter rechterhand Gods?

Antwoord: Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij zichzelf daar bewijze als het Hoofd zijner christelijke kerk, door wie de Vader alle ding regeert,

Vraag 51: Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?

Antwoord: Eerstelijk, dat Hij door zijn Heilige Geest in ons, zijn lidmaten, de hemelse gaven uitgiet. Daarna, dat Hij ons met zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.

Vraag 52: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?

Antwoord: Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgericht hoofd Hem, die zich tevoren om mijnentwille voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft, tot een rechter uit de hemel verwacht, die al zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot zich in de hemelse blijdschap en zaligheid nemen zal.

Na de hemelvaart komt daarbij, als een afzonderlijke trap der verhoging, het zitten ter rechterhand Gods. Zoals reeds uit de vorige zondag bleek, waar sprake was van de voorspraak, die Christus voor ons in de hemel wilde wezen, zit de Heer daar ook als Middelaar en keert Hij niet als Zone Gods in het goddelijk wezen terug. Zijn werk als Middelaar gaat door, al is het in heel andere vorm. De vernietiging en vernedering is ten einde. Een heel andere staat des levens is nu voor Hem bestemd en een heel ander werk is Hem nu opgedragen. Hij is nu niet meer in het vlees, maar in de geest en als zodanig zal Hij zich daar bewijzen als het Hoofd zijner christelijke kerk.

Toch moeten wij voorzichtig zijn en toezien, dat wij de troost van het Evangelie onszelf niet roven door een te aardse voorstelling van deze leer van vernedering en verhoging. Wij doen daarom het best met ook hier weer aanknoping te zoeken bij de leer der drie ambten van Christus. Deze ambten waren het immers, waaraan wij, zoals vroeger werd aangewezen, deel kunnen hebben (zondag 12), omdat wij Jezus' zalving deelachtig zijn. Daarachter stond dan de belijdenis van Christus' vernedering en verhoging en als laatste achtergrond de waarheid van zijn godheid en mensheid. Aan die beide laatste, de vernedering en verhoging en de verbinding van godheid en mensheid, de vleeswording, konden wij in eigenlijke zin niet deelnemen. Daarom moeten wij daarmee communiceren door de ambten van Christus heen. En hier ligt de eigenlijke scheidslijn tussen Rome en ons.

Het veiligst doen wij derhalve als wij, nu Christus tot zijn heerlijkheid inging, onze belijdenis niet regelrecht richten op de nieuwe staat, waartoe de Middelaar overging, en ook niet gaan speculeren over de verhouding van zijn goddelijke en menselijke natuur, maar beginnen met te vragen naar zijn ambten aan de rechterhand Gods. En dan blijkt ons al dadelijk hoe heilzaam dat is. Immers wij zouden geneigd zijn om bij de verhoging allereerst aan de hoogheid van Christus te denken en te menen dat Hij hier op aarde wel een Heiland is geweest, vol van genade en waarheid (Joh. 1 : 14), maar dat Hij nu voortaan een heel andere kant van zijn wezen naar ons toekeert en wij zouden ons Hem vooral als rechter kunnen voorstellen, voor wie wij meer vrees koesteren dan dat wij toevlucht tot Hem zouden zoeken. Zo is men er dan ook toe gekomen, zoals wij reeds opmerkten, om Maria, de moeder des Heren, als de eigenlijke middelaarster te eren, nu Jezus zo hoog is gezeten aan de rechterhand des Vaders.

Deze omkering van de apostolische prediking kan bij ons geen voet krijgen, als wij ons tot de verhoogde Heer laten leiden door de prediking van zijn ambten, zoals de Reformatie dat heeft gedaan. Deze ambten mogen immers niet van elkander worden gescheiden. Wij kunnen niet zeggen dat Jezus, bij zijn omwandeling, eerst profeet is geweest; daarna priester, bij zijn lijden en sterven; en dat Hij dan verder, na zijn opstanding zijn koninklijke waardigheid zou zijn gaan uitoefenen. Het eerste wat de Heid. Cat. bij Jezus' hemelvaart zegt is, dat Hij in de hemel onze voorspraak is, een functie van het priesterlijk werk. En wanneer in antw. 49 wordt gezegd, dat Hij ons zijn Geest tot een tegenpand zendt, dan is dat de Geest der waarheid; de Geest der profetie. Pas in vr. 50 komt er sprake van de regering van Jezus Christus.

Zo moeten wij dan onze Heer en Middelaar Jezus Christus bij zijn zitten aan de rechterhand Gods belijden te zijn even dezelfde, die zich tevoren om onzentwille voor Gods gericht gesteld en al de vloek van ons weggenomen heeft (antw. 52). Deze verwachten wij tot een rechter uit de hemel. En dat 'even dezelfde', dat in de door ons gebruikte tekst niet staat, maar dat voorkomt in vele uitgaven van de Heid. Cat., duidt niet maar een dunne draad der identiteit aan, maar heeft een vol belijdenisgewicht. Er zit erkentelijkheid, vertrouwen, dankbaarheid in. Jezus is nog die Hij was, toen Hij de kinderkens zaligsprak, de armen van geest, de barmhartigen, de vredemakers. Hij is aan de rechterhand Gods nog altijd de vriend van tollenaren en zondaren, de zoeker van het verlorene, de rechter die tegen de overspelige vrouw zei: Zo veroordeel Ik u ook niet (Joh. 8 : 11). Pas wanneer wij dit hebben vastgesteld; als wij beleden hebben, dat de Middelaar Gods en der mensen in de hemel alle drie ambten op dezelfde wijze, dwz. naar dezelfde gerechtigheid van het Koninkrijk der hemelen blijft oefenen, pas dan kan recht worden gevraagd, wat zijn verhoging, zijn zitten aan de rechterhand Gods, betekent. En dan antwoordt de Heid. Cat., dat deze verdere trap der verhoging daartoe is geschied, opdat Hij zich daar bewijze als het Hoofd der christelijke kerk, door wie de Vader alle ding regeert. - Dat er een onderscheid is tussen Christus' openbaring in het vlees en zijn gerechtvaardigd zijn in de geest, dat weet ieder, die na de evangeliën de Handelingen der Apostelen heeft opgeslagen. De regering der kerk door haar Hoofd begint reeds bij de apostelkeuze, al zien wij haar daar nog maar in een soort karikatuur (Hand. 1). Maar zij blijkt zoveel te klaarder en toont zich te machtiger bij de roeping van Saulus (Hand. 9). Zij komt ons tegen uit het optreden van de twaalve te Jeruzalem (Hand. 1-12); uit dat van de beide zeven-mannen, Stefanus en Filippus (Hand. 7 en 8) en verder uit het apostolaat van Paulus (Hand. 13-28). - Dit alles is ook een geschiedenis van het werk van de Middelaar, evengoed als wat in de evangeliën staat op getekend. Maar wij merken nu, dat Hij verhoogd is; dat Hij zit aan de rechterhand Gods; dat Hij het Hoofd is zijner christelijke kerk; dat God door Hem alle ding regeert.

Nu wij dit hebben neergeschreven of gelezen, moeten wij even pauzeren. Wij hebben het overgeschreven uit de Handelingen der Apostelen. Stefanus en Paulus zien Jezus aan de rechterhand Gods. Paulus wordt op zijn reizen door de Geest verhinderd of geleid. De hemelvaart en het zitten ter rechterhand Gods zijn daar eigenlijk nog geen geloofsartikelen der kerk geworden. Het zijn heilsfeiten uit het nabij gekomen koninkrijk Gods, al is Jezus niet meer in het vlees, maar in de geest. De hele gemeente verwacht ook het laatste, de wederkomst van Christus, als zeer aanstaande.

In de Handelingen der Apostelen staan de christenen dus nog niet met beide voeten in wat wij thans de kerk noemen. Men zou kunnen zeggen dat de hemelvaart de overgang van het Koninkrijk der hemelen naar de kerk betekent, maar dat is toch slechts zeer ten dele juist. Het koninkrijk Gods, zoals zich dat in de evangeliën in Jezus openbaart, blijft nog toeven. Het laatste wat de discipelen aan Jezus vragen bij de hemelvaart is, of Hij nu in Israël het koninkrijk weer zal oprichten (Hand. 1). De verschijningen van Jezus, waarvan de evangeliën verhalen en die op de Opgestane betrekking hebben, zetten zich in de Handelingen voort, maar nu is het de Opgevarene, die verschijnt. De geschiedenis der Godsopenbaring en de komst van zijn koninkrijk zijn nog niet afgesloten. - Allermeest blijkt dit uit de uitstorting van de Heilige Geest, die Jezus had beloofd. De komst van de Heilige Geest betekent niet een derde rijk, zoals het door sommige groepen in de kerk later soms werd geleerd. Het is niet een nieuwe openbaring, nadat het Evangelie zou zijn verbleekt als te uitwendig. Neen, zulk een scheiding is er tussen de evangeliën en de Handelingen niet. De verhoging van Jezus weerspiegelt zich in dat laatste boek, zoals zijn vernedering wordt beschreven in de evangeliën. Er is een verhaal van zijn verhoging, evengoed als van zijn vernedering.

Daarom staat dit boek der Handelingen dan ook in de bijbel. Dat wij het Handelingen der Apostelen noemen, moet ons niet voorbij doen zien, dat het eigenlijk de Handelingen zijn van Hem, die aan de rechterhand Gods zit. Ook deze dingen moeten gepredikt worden, zoals Jezus' geboorte, zijn lijden, zijn dood, zijn opstanding.

Dit alles moet wel in acht genomen worden, als wij met zondag 19 belijden, dat Christus ter rechterhand Gods zit als Hoofd zijner kerk en dat God door dat Hoofd alle dingen regeert. Wat daarmee gezegd wordt, geldt allereerst van de apostolische gemeente, die de regelrechte voortzetting is van Jezus' verkeer met de twaalve. Deze gemeente verkeert onder de directe regering en het ingrijpen van haar Hoofd. De kerkerdeuren gaan voor Petrus open; de leugen van Ananias en Saffira wordt met de dood gestraft. De Heilige Geest zondert Paulus en Barnabas af te Antiochië (Hand. 13). Onze belijdenis heeft dus betrekking ook op de historie van de Handelingen. Het is niet zó, dat de belijdenis van Jezus' vernedering historisch zou zijn en die van zijn verhoging stichtelijk. Dit mogen wij bij de verklaring van het zitten ter rechterhand Gods wel goed voor ogen houden.

Want hier loopt alles nog uit op de belijdenis van de Heilige Geest in zondag 20. Het heilswerk gaat nog door. Wij zijn nog binnen de trinitarische cirkel en de uitvoering van de raad des vredes. - Dat is nu bij de opstanding ook wel het geval en toch vragen wij daar ook reeds regelrecht naar het nut. Maar daar zijn wij gewaarschuwd. - Hier echter, bij Christus' zitten ter rechterhand Gods, zouden wij gemakkelijk louter stichtelijk kunnen worden, omdat het zou kunnen schijnen, dat Jezus' persoon en werk zich in de eeuwigheid verliezen. Daarom moet met nadruk gewezen worden op het feit, dat wij in de bijbel zijn regering in zeer concrete vorm voor ons zien in het tweede boek van Lukas. - Wat wij gewoon zijn de christelijke kerk te noemen, is een aan het Koninkrijk in tijd en hoop veel verder ontzonken toestand en wij hebben er ons voor te wachten, dat wij Jezus' regering over de apostelen belijdende, ze ons te regelrecht zouden toeëigenen. Rome doet dat voor haar kerk en eigent zich een regeermacht toe, die alleen aan Christus toekomt. Ook dit werk van de Middelaar, de regering, is plaatsbekledend. Ook met zijn regering der gemeente, zoals wij die in de Handelingen zien, bedekt Hij onze kerkelijke zonden voor Gods aangezicht. Augustinus dacht bij het primaat van Petrus niet alleen aan diens belijdenis, maar ook aan zijn verloochening.e ⚑Pas wanneer wij deze juiste verhouding hebben beleden, kunnen wij vragen naar het nut, dat de heerlijkheid van ons Hoofd ons brengt. De hemelse gaven, die Christus in ons, zijn lidmaten, uitgiet, vinden wij weer allereerst in de apostolische gemeente. Wanneer wij daarvan geen kennis droegen door de Heilige Schrift, zouden wij misschien nauwelijks weten, wat ons leerboek daarmede bedoelt. Het zijn de hemelse gaven, die de wereld vaak tevergeefs zoekt in de kerk. Het beeld dat het Nieuwe Testament ons daarvan tekent, is anders. De uitstorting van de Heilige Geest was een zich herhalend werk van de aan de rechterhand Gods zittende Heer en zij ging gepaard met een verscheidenheid van gaven, zo groot, dat Paulus in de gemeente van Korinthe worstelen moet om daarin een zekere orde te bewaren (1 Kor. 12-14). - Wij zullen goed doen bij onze belijdenis van deze uitgieting van gaven ook niet af te zien van deze historische voortgang in Christus' verhoging. Anders worden die gaven voor ons iets vaags en algemeens, terwijl de heilsgeschiedenis steeds concreet is. Dit nut, waarvan de Heid. Cat. hier spreekt, kan ook alleen werkelijk worden, als deze uitstorting en uitgieting ons gepredikt worden; en als wij horen, hoe deze gaven in het koninkrijk Gods worden verdeeld. De kerk die wij zijn, kan pas iets zijn door de kerk die wij belijden. En de kerk die wij belijden, is een deel van het middelaarswerk van de verhoogde Heer; een uitgieting van hemelse gaven. Wij hebben daarvan kennis, zoals wij ook konden hebben van Jezus' werk in zijn vernedering. De Handelingen der Apostelen zijn daarvan de oorkonde. Alleen zo hebben wij zekerheid omtrent die hemelse gaven. Zij mogen voor ons niet samenvloeien met natuurlijke gaven. En ook alleen op deze wijze kan de kerk voor ons een geloofsartikel zijn. De kerk is geen regelrechte voortzetting van de incarnatie, noch in de heiligen, noch in de sacramenten, maar een vrucht van het middelaarswerk in zijn geheel.

Daarbij komt nu echter een tweede bemiddeling, nl. door de Heilige Geest. Wij naderen de derde afdeling van het Apostolicum: de belijdenis van de Heilige Geest, waarnaar zondag 20 vraagt. Er is, zoals wij herhaaldelijk hebben gezien, tussen de vernedering en de verhoging ook een tegenstelling van vlees en geest. Wanneer Paulus in 2 Kor. 3 : 17 schrijft: "De Here nu is de Geest", dan betekent dat weliswaar niet, dat de Heer en de Geest worden gelijkgesteld, maar toch wel, dat het middelaarswerk van de verhoogde Heer een bediening des Geestes is. Daarbij moeten wij nu weer niet aan een natuurlijk verschil tussen vlees en geest denken. Daar is in de bijbel de belangstelling niet op gericht. De Geest is het die oordeelt en zo komen wij ook hier weer uit bij het koninkrijk Gods en bij de gerechtigheid, die daarvan het wezen is. Wanneer de Heer de Geest genoemd wordt, dan wil dat zeggen, dat Hij het is, in wie de zondaar gerechtvaardigd wordt en met wie de doden opstaan. Het vlees dat daar tegenover staat, is het leven in ongerechtigheid en het dood zijn in zonden en misdaden. Het slaat ook op het gestorven en begraven zijn.

Daarom is ook het laatste, waartoe ons Credo bij de belijdenis van Jezus Christus komt: het artikel van de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden. Daarop lopen alle andere trappen van vernedering en verhoging uit. Dat wil zeggen, dat zij ook in dit licht moeten worden gezien. De vleeswording is reeds een goddelijk oordeel, een stellen van de Zone Gods onder de wet. Het lijden is een dragen van de straf, die ons de vrede aanbrengt (Jes. 53 : 5) en de opstanding van Jezus is een weg om ons gerechtigheid deelachtig te maken (zondag 17). Dit alles wordt als het ware samengevat in het laatste oordeel. Dan blijkt wat Paulus wilde zeggen toen hij schreef: De Heer nu wil zeggen: de Geest (Vert. Tekst en Uitleg). Dwz. de Heer neemt ons niet, zoals wij ons zelf gevoelen en zoals wij zijn, als ons hart ons moest oordelen. God is meerder dan ons hart (1 Joh. 3 : 20). Zo veroordeel Ik u ook niet, zeide Jezus. Dit oordelen; dit: ons rechtvaardigen in de geest, nadat de zonde veroordeeld is in het vlees, is het laatste wat hier van Jezus beleden wordt in de staat der verhoging.

De Heidelbergse Catechismus verklaart dit artikel ook op deze wijze. Hij vat het allereerst op als een troost voor de gelovigen. Er wordt ook aan herinnerd, dat deze rechter dezelfde is, die zich te voren voor Gods gerecht gesteld heeft om onzentwil en die de vloek van ons weggenomen heeft. Wij verwachten niet een andere, maar dezelfde Jezus Christus. En het geloof aan deze wederkomst maakt ons nu reeds rechtvaardig voor God. De bate van het geloof in dit artikel wordt ons getoond in zondag 23. Omdat Jezus onze rechter zal zijn, zijn wij rechtvaardig voor God. Zijn werk gaat tenslotte op in dit oordeel.

Daarom zijn wij het Hem schuldig, dat wij in onze belijdenis ook op dat leven dezelfde', dat in sommige uitgaven staat, de nadruk leggen. Wij mogen niet aan het eind een andere, de Heiland der wereld vreemde figuur in ons Credo invoegen. De rechter uit de hemel mag voor ons de heilandsgestalte hier op aarde niet overschaduwen. Wij hebben er vroeger al op gewezen, dat dit in de kerk wel eens het geval is geweest en nog kan zijn.

Zondag 20

Vraag 53: Wat gelooft gij van de Heilige Geest?

Antwoord: Eerstelijk, dat Hij tesamen met de Vader en de Zoon waarachtig en eeuwig God is. Ten andere, dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een oprecht geloof Christus en al zijn weldaden deelachtig make, mij trooste en bij mij eeuwig blijve.

Wij komen nu tot het derde stuk van de Twaalf artikelen. En het eerste wat ons daarbij treft is wel, dat deze zondag zo kort is. Vooral na de vele vragen en antwoorden, die betrekking hadden op Jezus Christus en zijn werk. Nu ligt dat natuurlijk mede aan de bouw van het apostolisch Credo, waar ook kortweg gezegd wordt: Ik geloof in de Heilige Geest. - Ook mag men niet vergeten dat het zgn. 'derde artikel' ook geacht kan worden helemaal over de Heilige Geest te gaan. Immers de kerk kan men zien als de tempel des Heiligen Geestes; de gemeenschap der heiligen als de gemeenschap des Heiligen Geestes (2 Kor. 13 : 13). En zo zijn ook het geloof aan de vergeving der zonden, de hoop op de opstanding des vleses en de liefde des eeuwigen levens de drie grote gaven, die de Heilige Geest ons schenkt, als Hij ons Christus en al zijn weldaden deelachtig maakt.

Toch blijft deze kortheid in de verklaring ons opvallen. Kuyper heeft in zijn verklaring van de Heid. Cat. naar een reden gezocht. Hij wees er op, dat in de middeleeuwen het werk van Christus in alle breedheid was uitgebeeld en voor ieders bewustzijn in duidelijke vormen stond getekend. Terwijl het werk van de Heilige Geest in de mystiek was schuilgegaan. Bij de Reformatie was dan het verzet vooral uitgegaan tegen de veruitwendiging van Christus' werk, terwijl men te weinig kritiek had op de mystiek.f

Deze opmerking is zeker juist. De derde persoon der drieëenheid kon niet zo klaar worden beleden als de tweede. Het ging er mee zoals het bij Rome met de leer der naturen van Christus ging. In de leer der sacramenten smolten deze naturen tot op zekere hoogte samen. De instorting der genade betekende een verheffing van de menselijke natuur boven het eigen peil. Zo betekende de mystiek ook een aanraking van het menselijke met het goddelijke, die in vele gevallen tot aan en tot over de grenzen van een vermenging leidde. Door beide, de sacramentele en de mystische genade, kon de belijdenis van de Heilige Geest niet tot de rechte ontwikkeling komen. Zij ging schuil achter die van de genade.

Van deze middeleeuwse verhoudingen droeg de Reformatie aanvankelijk nog duidelijk de sporen. Luthers eerste geschriften zijn mystisch getint. Men wraakte wel heel scherp de opvatting der genademiddelen, maar men stelde niet even klaar daarvoor in de plaats een aanwijzing van het eigen werk des Heiligen Geestes. - Dit is in de kerken der Reformatie van grote invloed geweest. De forse inzet bij de leer der genademiddelen kon niet lang gehandhaafd blijven en er burgerde zich in wat men 'een nadere reformatie' noemde, maar die in werkelijkheid neerkwam op een nawerking van de middeleeuwse mystiek. In alle protestantse landen heeft deze beweging heel ver om zich heen gegrepen. - Was er een klaarder belijdenis geweest van de persoon en het werk des Heiligen Geestes, dan zou de 'innigheid' (Schortinghuis19) van het christendom er bij velen evengoed geweest zijn, maar zij zou een ander type hebben vertoond. Het zou meer de naam van geloof en minder die van vroomheid hebben verdiend. - Zoals het nu liep bouwde men vaak zelf aan de 'trappen des geestelijken levens' (Theod. á Brakel20) die in zekere zin evenwijdig liepen aan de trappen der vernedering en der verhoging van Jezus Christus. Door dit parallellisme was dan eigenlijk de plaats van het werk des Heiligen Geestes reeds bezet door menselijke oefeningen. In werkelijkheid was hier dezelfde heiligingsleer als bij Rome.

De rechte belijdenis des Heiligen Geestes heeft niet alleen invloed op de leer der genademiddelen, zoals die bij de Reformatie zo duidelijk was, maar ook op de leer der genade zelve, zoals dat in de Institutie van Calvijn zo klaar is. Maar de plaats, die daardoor vrij kwam voor de Heilige Geest, is in de kerkleer slechts gedeeltelijk ingenomen. Wanneer men nagaat, welk een plaats deze Geest in het N.T. inneemt en dat Hij, na het heengaan van de Christus consolator, een andere Trooster heet (Joh. 14 : 16), dan schuilt daarin een rijke belijdenis. Deze belijdenis verdient zeker in de kerk niet mystisch gedoken te blijven, maar moet steeds klaarder worden uitgezegd.

Tussen de belijdenis van Christus en die van de Heilige Geest bestaat geen evenwijdigheid, zodat men zou moeten gaan denken aan de onderscheiding van objectief en subjectief en het werk van de laatste een soort inwendig spiegelbeeld van dat van de eerste zou moeten zijn. De verhouding moet geheel anders wezen. Men kan zeggen dat het werk van de Heilige Geest dat van Jezus Christus omvat. Men kan de bijbel ook van achteren naar voren lezen. Zoals in het artikel van de wederkomst van Christus en van het laatste oordeel eigenlijk het hele middelaarswerk besloten ligt, zo is weer de belijdenis van de Heilige Geest nog meer omvattend. Elke gedachte van concurrentie moet hier uitgesloten blijven. Het is dezelfde God, die wij in het Credo onder deze drie namen van Vader, Zoon en Heilige Geest belijden. Wanneer wij deze Geest noemen, dan is het er zover vandaan dat wij daarmee eigenlijk helemaal bij ons zelf zouden gaan staan, geheel aan deze zijde van God, dat wij veeleer kunnen en moeten zeggen dat wij dan geheel aan de andere zijde plaats nemen. De belijdenis van de Geest is de meest omvattende. De Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods (1 Kor. 2 : 10). Hij omvat de hele schepping en herschepping. In den beginne is het de Geest Gods, die op de wateren zweeft (Gen. 1 : 2), nog voor het Woord uitging. En aan het einde zijn het de Geest en de bruid die tot het Woord zeggen: Kom (Openb. 22: 17). - Zo omvat Hij ook het hele werk der verlossing en der vleeswording. Jezus is ontvangen van de Heilige Geest en Hij wordt op aarde vervangen door de Heilige Geest. Dit is in overeenstemming met het wezen Gods. God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid (Joh. 4 : 24 Vert. NBG.). ⚑Wanneer wij nu verder vragen wat uit deze omvatting door de Heilige Geest volgt voor de verhouding van de herschepping tot de schepping en de verlossing, dan geeft Jezus daarop zelf het antwoord. Hij zal het uit het mijne nemen en zal het u verkondigen (Joh. 16 : 14). Daarbij, bij dat mijne, hoort ook Israël en de wereld, die Johannes 'het zijne' noemt (Joh. 1 : 11). Niets kan gelaten worden zoals het is. Alles moet met Christus gerechtvaardigd worden in de geest. Van alle dingen moet de gerechtigheid overvloediger worden dan zij was. Maw. het Koninkrijk der hemelen moet komen en dat kan niet anders zijn dan een zo overvloedige gerechtigheid Gods over alle dingen, dat het een uitstorting moet heten. De Heilige Geest wordt uitgestort. En dit is de hele vorm des Geestes en der prediking, dat zij uitgestort worden als een overvloed Gods. Alles krijgt een andere naam. Adam heet nu voortaan Christus. De zondaar heet een rechtvaardige. De verloren zoon krijgt een ring aan de vinger. Het verloren schaap wordt gevonden. Die veel vergeven is, heeft veel lief. De tollenaar wordt een apostel. Die zeven duivelen had zal met Jezus in het Evangelie gepredikt worden. Een moordenaar is de eerste, die met Jezus het paradijs binnengaat. De armen, de treurigen, de hongerigen en dorstigen worden zalig gesproken en het Koninkrijk der hemelen wordt hun beloofd.

Dit mag met recht een uitstorting genoemd worden. Dit is de vrucht van de vleeswording; daarvan dat Jezus zonde voor ons gemaakt is. De Heilige Geest kan het uit het zijne nemen. Maar Hij is zelf ook God; dezelfde God met de Vader en de Zoon. En deze overvloed; deze omvatting aller dingen, waarmee God in het zijne grijpt; deze uitstorting des Geestes en der gaven; dit noemen met nieuwe namen; en dit met Christus overzetten uit een staat van vernedering in die der verhoging - dit alles is het werk en het wezen van God de Heilige Geest.

Daarom dient ons belijden er voor te waken dat wij de Heilige Geest niet als een zaak beschouwen, een gave enkel van God. Wel wordt in de bijbel de Geest een gave genoemd (Hand. 2 : 38), maar er wordt ook gezegd dat God zijn Zoon gegeven heeft (Joh. 3 : 16). Wij ontmoeten God in de Heilige Geest, zoals wij Hem in Jezus Christus ontmoeten, door een nieuwe bemiddeling. Wel mag deze verdere bemiddeling niet onafhankelijk worden gedacht en beleden van de Middelaar Jezus Christus. Maar zij is evengoed een toekering van God zelf. Niet enkel een gave of kracht die van Jezus Christus uitgaat.

Zo leert ons de Schrift, dat de genade van onze Here Jezus Christus geen kracht is, die ons wordt ingegoten, waarbij de Heilige Geest geheel in de schaduw der genade komt te staan. Genade is dan iets goddelijks en niet meer een eigen oordeel Gods. - De genade wordt ons gepredikt. De wereld kan alleen gered worden, wanneer zij door God genomen wordt voor wat zij niet is. En deze oordelen Gods worden ons in de prediking aangezegd en door de Heilige Geest aan de harten verzegeld. Overal waar deze verzegeling plaats heeft gehad, is een nieuw schepsel geboren. En zo is het geen siernaam, wanneer de Heilige Geest herschepper wordt genoemd. Het is inderdaad scheppen. Maar het ware wezen van alle scheppen, scheiding maken, wordt hier geheel zichtbaar. Dan blijkt het dat het Koninkrijk der hemelen de ware schepping is. Daarin staan de oordelen Gods op de voorgrond. Iedere trap in de vernedering en verhoging van Christus is zulk een oordeel. Bij de menswording komt Christus onder de wet opdat wij onder het Evangelie zouden komen. Het kruis betekent dat Christus de straf draagt, opdat wij zouden vrijgesproken worden. De opstanding, dat de gerechtigheid, die Hij door zijn dood verworven had, ons ten goede komt; de hemelvaart, dat Hij onze voorspraak wordt bij de Vader. En zijn zitten ter rechterhand Gods staat reeds helemaal in het teken van het laatste oordeel, de scheiding van de schapen en de bokken, ter rechter- en ter linkerzijde.

Dit alles doet ons zien dat de komst van het Koninkrijk der hemelen in een reeks oordelen bestaat. En elk van die oordelen maakt vele eersten tot laatsten en vele laatsten tot eersten. Niemand voldoet daar aan de wet Gods door zijn eigen gerechtigheid, maar door de hem toegerekende. In het Koninkrijk der hemelen is men niet zalig, maar wordt men zalig gesproken. De zaligheid bestaat in de zaligspreking. Deze gerechtigheid Gods, deze vrije genade, deze verkiezing zonder enige reden in iemand zelf dan zijn ellende, roept een wereld uit het niet te voorschijn in veel strenger zin dan dit bij de schepping het geval kon zijn. Ieder kind van God vindt hierin zijn vreugde en zijn kracht, dat het door God gehouden wordt voor wat het niet is.

In de Handelingen der Apostelen zien wij nu, hoe God de Heilige Geest door de prediking van deze oordelen de wereld laat oproepen tot het Koninkrijk Gods. Dat de kerk gepredikt wordt kan men eigenlijk niet zeggen. Zij ontstaat onder de prediking, daar waar het Evangelie des Koninkrijks geloofd wordt. Zij wordt ingericht en ontvangt ambten en gaven. Maar men kan niet zeggen dat zij voorwerp der prediking is.

Van de Heilige Geest belijden wij, dat Hij bij ons zal blijven. Een andere Trooster zal niet meer komen en de openbaring der verborgenheid zal niet worden voortgezet. De kerk is geen voortzetting van deze openbaring, geen voortzetting van de incarnatie. In zoverre is het werk des Geestes rugwaarts gericht op dat van Jezus Christus. Pinksteren betekent geen apotheose, geen vergoddelijking van een groep uitverkorenen. Ook al is Jezus verhoogd en is Hij de Heer, dan heeft toch de uitstorting des Heiligen Geestes en de daardoor gewekte verkondiging ook evengoed betrekking op zijn vernedering. De komst des Heiligen Geestes ligt niet zozeer in het verlengde van Jezus' verhoging en het ontstaan der kerk evenzo weer niet in het verlengde van de uitstorting des Geestes. Het is de fout van Rome, dat het deze dingen op die wijze ziet.

De verhouding is een geheel andere. De Heilige Geest vat het komen van Christus als het ware van terzijde op. De prediking is even dicht bij Jezus' vernedering als bij zijn verhoging. Zij ziet het, zoals Paulus, als uit twee momenten bestaande: kruis en opstanding. Ook deze beide momenten ziet de prediking niet in elkaars verlengde maar als deel en tegendeel, pand en tegenpand, vraag en antwoord, zoals de Heilige Geest ook zelf het tegenpand genoemd wordt van het pand dat wij in de hemel hebben voor onze hemelse erfenis. Daarom bestaat het Evangelie voor de kerk en de prediking niet in de vorm van een voortgaande geschiedenis, die men in de eredienst zou moeten opvoeren, om er iets aan te hebben en om zo door deelname aan die liturgische uitbeelding ook enigszins ten hemel te varen. Zo doet het thans de Oosterse kerk. De belijdenis des Heiligen Geestes is haar zwakke punt.

De Heilige Geest breekt om zo te zeggen het werk van Jezus Christus in stukken, zoals het avondmaalsbrood voor onze ogen verbroken wordt, en Hij deelt die stukken uit, opdat wij door die spijze gesterkt zouden worden. Dat doet de Heid. Cat. ook met de Twaalf artikelen, en vraagt telkens wat het nut is van elk deel. En dat gebeurt evengoed met de artikelen, die Jezus' vernedering belijden, als die welke zijn verhoging uitzeggen. Ons geloof leeft evengoed bij het kruis als bij de opstanding. Dit is de oordeelsvorm waaraan de werking van de Heilige Geest herkenbaar is en die in de hele bijbel zijn aanwezigheid verraadt. Men herkent hem reeds in de boom der kennis des goeds en des kwaads uit het paradijsverhaal. De hele bijbel kan, van terzijde gezien, worden benoemd als Wet en Evangelie.

Bij Paulus kan men nu zien hoe het werk des Geestes er dan komt uit te zien. Zijn brieven staan ook in de bijbel, evengoed als de evangeliën. Maar zij geven helemaal geen voortzetting van het Evangelie. Zij stellen zich naast het Evangelie en lezen Gods oordelen er uit af. "Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Here Jezus Christus" (Rom. 5: 1). Dat is de bate, die ook zondag 23 uit het geloof aan alle beloften van het Evangelie trekken zal. - Soms ook beeldt de apostel alle trappen van vernedering en verhoging achter elkaar af (Fil. 2 : 4-1 1). Maar niet om de gemeente op de top daarvan te zetten, doch om haar te vermanen tot nederigheid. De een moet de ander uitnemender achten dan zichzelf. In Romeinen 7 en 8 stelt hij het geworden-zijn onder de wet en het gerechtvaardigd-zijn in de Geest, tegen elkaar over. Nu niet als een beschrijving van de openbaring van Gods gerechtigheid in Jezus Christus zelf, maar als een karakteristiek van de macht van de goddelijke oordelen over hen, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest (Rom. 8 : 1). ⚑Zo is dan het werk des Heiligen Geestes een openbaar werk. Er is niets op de wereld, dat meer publiek is dan de prediking van het Evangelie. Op Pinksteren werd het Evangelie dadelijk in alle talen der wereld bekend gemaakt. Het werk des Geestes is, zo te zeggen, een openbaar ambt in het koninkrijk Gods en zijn uitstorting iets dat op alle vlees plaats heeft. Het is een rechtspraak, die reeds vooruitgrijpt op het ogenblik, dat elks oog Jezus Christus bij zijn wederkomst zal zien. - Daarom is het niet volgens de Schrift wanneer wij alleen belijdenis zouden doen van de verborgen werkingen van de Heilige Geest, alsof Hij toch alleen maar weer een kracht ware en geen God. Wanneer wij het werk des Geestes beperken tot zulk een werking in het menselijk hart of zijn vermogens, waar Hij dan de wedergeboorte tot stand brengt of het vermogen om te geloven inplant, dan zijn wij toch eigenlijk weer op de weg van Rome geraakt, dat aan de genade een verborgen zakelijkheid toekent, maar daardoor dan ook de betekenis van de belijdenis des Heiligen Geest verkleint.

Wanneer wij met de belijdenis van de Heilige Geest de kant van veronderstellingen opgaan, dan komen wij bij de speculatie, de filosofie, het idealisme terecht. Dat idealisme is juist een wijsbegeerte van de geest. Geest is dan niet meer God, maar een met de natuur in wisselwerking staand principe; een hogere trap der natuur of een tegenspeler van de natuur. - Op dezelfde weg geraken wij, als wij niet zuiver speculatief, maar psychologisch de aard en de weg des geloofs onderzoeken. Wanneer men een psychologie des geloofs of des ongeloofs zoekt te geven, die men beide niet zozeer als een gave of een oordeel, als wel als een noodwendigheid wil laten zien, zodra bepaalde psychologische factoren aanwezig zijn.

Daarom belijden wij dan dat de geest, die het geloof in onze harten werkt, de Heilige Geest is, die eeuwig God is. Dat dit geloof een gave is, die in het openbaar geschonken wordt. De Heilige Geest werkt het - zegt zondag 7 door het Evangelie, door de openbare prediking. - Ook de andere gaven des Geestes hebben dat publieke. De vreemde talen zijn een teken voor de ongelovigen; de profetie evenzo voor de gelovigen (1 Kor. 14 : 22). En zo staat het ook met de gaven der gezondmakingen en der regeringen (12 : 28). In dat opzicht verschilt de economie des Geestes niet zoveel van die, welke wij in de evangeliën aantreffen. Men kan niet zeggen dat het Koninkrijk der hemelen op de Pinksterdag plotseling schuilgaat in de Geest.

Daarom horen wij straks ook bij zondag 21, dat de Zone Gods zich een gemeente vergadert door zijn Geest en Woord. Deze twee moeten verbonden blijven. Zonder het Woord zou de Geest een spooksel zijn en Hij heeft, evenals Jezus bij zijn verschijningen (Luk. 24 :39; Hand. 1), lichamelijkheid. Weliswaar van een hogere orde dan de onze, maar nog veel meer overtuigend (1 Kor. 14 : 24, 25). Waar de Heilige Geest werd uitgestort, werden zielen toegebracht (Hand. 2 : 41).

Zondag 21

Vraag 54: Wat gelooft gij van de heilige algemene christelijke kerk?

Antwoord: Dat de Zone Gods uit het ganse menselijk geslacht zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door zijn Geest en Woord, in eenheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.

Vraag 55: Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?

Antwoord: Eerstelijk, dat de gelovigen, allen en een ieder, als lidmaten aan de Here Christus en al zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijne gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden.

Vraag 56: Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?

Antwoord: Dat God, om des genoegdoens van Christus' wille, al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.

Wanneer hier gevraagd wordt naar de kerk, dan is wel te bedenken, dat het hier een geloofsartikel geldt. Men heeft dat vaak duidelijk zoeken te maken door te onderscheiden tussen de zichtbare en de onzichtbare kerk. De onderscheiding is niet uitgevonden door de latere piëtisten om een 'inwendig christendom' te leren, maar komt ook in de Institutie van Calvijn voor. Deze laatste onderscheidt tussen de kerk, die in de Twaalf artikelen beleden wordt, en waar, behalve aan 'de zichtbare kerk'g ook gedacht wordt aan alle uitverkorenen, met inbegrip dergenen die reeds ontslapen zijn. Bij de zichtbare denkt Calvijn aan de ambten en de sacramenten. Voordat hij daarover gaat handelen, waaraan het vierde boek van zijn Christelijke Onderwijzing is gewijd, doet hij in een korte lofprijzing belijdenis van de kerk, in wier schoot God zijn kinderen wil vergaderen. De kerk waaraan men gelooft, omdat men ze niet ziet, omdat er - zo schrijft de reformator - vaak geen verschil kan worden opgemerkt tussen de kinderen Gods en de wereld, tussen zijn eigen kudde en de wilde dieren.h Deze woorden uit de tijd der Kerkhervorming zijn nog scherper dan die van Augustinus, als hij schrijft dat er soms schapen buiten en wolven binnen de kerk zijn.i - Deze onzichtbare kerk noemt Calvijn moeder. En hij acht het tegen het goddelijk recht om deze onzichtbare kerk te scheiden van de zichtbare, opdat degenen die God Vader noemen, ook de kerk voor moeder mogen hebben.j

Deze uiteenzetting laat ons zien, dat er bij de Reformatie ten opzichte van de kerk, die men gelooft en belijdt, een grote mate van soberheid in de uitspraken geoefend werd. Ook dat stond wel in verband met het feit, dat in de roomse onderwijzing der middeleeuwen eigenlijk geen afzonderlijk leerstuk van de kerk aanwezig was. Wel was er een uitvoerige leer over de sacramentenen de ambten. Maar de kerk zelve als moeder, met haar wezen en kenmerken, bleef meestal een latente vooronderstelling. - Het ging er enigszins mee als met de belijdenis van de Heilige Geest, die verkommerde onder de brede ontwikkeling van de leer der sacramentele genade. - En zoals de hervormers toen al hun krachten besteedden aan de bestrijding van de mechanisering van de genade en niet dadelijk konden toekomen aan de consequenties, die dit meebracht, nl. de noodzakelijkheid om de belijdenis van de Heilige Geest klaarder en breder uit te spreken, zo ging het nu ook bij de belijdenis der kerk. Men had handen vol aan de hervorming van de kerkregering en aan een nieuwe belijdenis omtrent de sacramenten. Maar de uitspraken over het wezen en de kenmerken der ware kerk bleven zeer bescheiden en in vele opzichten niet afdoende en voor de praktijk der godzaligheid tot op zekere hoogte onzeker.

Zo kwam het, dat hier later veel in te halen viel, evenals bij de belijdenis van de Heilige Geest. Er is op dit gebied reeds veel gedaan, maar de achterstand lijkt mij nog op verre na niet ingehaald. Er liggen nog vele onbetaalde rekeningen, die, vooral op het gereformeerde kerkelijk erf, de sekten aan de kerk hebben aangeboden. Het werk van de Heilige Geest en de bewerktuiging der kerk, zoals die beide in de bijbel, in de Handelingen der Apostelen en in de brieven, ons zijn getekend, tonen ons een akker des geloofs, der hoop en der liefde, die nog goeddeels braak ligt.

De gevolgen daarvan liggen onder ons aan de dag. De Reformatie is geschrokken toen de dopersen met de belijdenis van de Heilige Geest en van het Koninkrijk der hemelen een proef gingen nemen. De dronkenheid en uitzinnigheid, waarmee dit geschiedde, hebben haar tot een nuchterheid gebracht, die meer een tijdelijk politiek bestand dan de komst van Gods koninkrijk heeft gediend. De leer der predestinatie en der publieke gerechtigheid, die de pijlers zijn van het Koninkrijk der hemelen, werd in grote kringen in ongunstige zin verkerkelijkt, zodat de ware kerk haar aangezicht verloor en de predestinatie enerzijds en de gerechtigheid anderzijds, buiten Christus en het drievoudig ambt om, en buiten de christelijke ambten en bedieningen om, zonder contact met de akker der wereld, als droombeelden werden nagejaagd.

Welke resultaten deze kerkelijke terughouding in het land van Luther heeft gehad, is maar al te bekend. Op het gereformeerde erf heeft het koninkrijk Gods nooit opgehouden te lokken. De doperse inslag bleef hier altijd merkbaar. Vergelijkenderwijs was hier een bereidheid tot aanpassing aan de toekomst, die de revolutie uitschakelde. Dit is in Angelsaksische landen niet geheel te verklaren uit een werelds utilisme, maar heeft een diepere, geestelijke grond. Daar staat echter tegenover dat het koninkrijk Gods ook dikwijls tot een Angelsaksische 'slogan' geworden is, waarmee de diepten Gods worden omzeild.

Deze dingen moeten ons brengen tot een nieuw luisteren naar de Schrift, wanneer wij de heilige, algemene, christelijke kerk belijden. In de Handelingen der Apostelen is de kerk niet zo los van het koninkrijk, als wij dat in onze dogmatieken vaak voorstellen. Het tweede boek van Lukas geldt ook voor ons geloof en dat is hetzelfde als het geloof aan het Evangelie. Wat daar geopenbaard wordt van het werk des Heiligen Geestes is geen verlengstuk, dat Paulus aan het Evangelie maakt, omdat het Koninkrijk der hemelen Jezus bij de handen afgebroken is en dat nu kerk heet, omdat het de naam van koninkrijk niet meer verdient. Neen, het is nieuw werk van God de Heilige Geest, waarin alle vorige werken Gods zijn opgenomen en waardoor alle dingen opnieuw geschapen worden. Alles wordt daar overstraald dooi de glans van de verhoogde Heer. Door het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid des Vaders. Het was eigenlijk al begonnen in het Evangelie; bij Zacheüs; bij de vrouw met de albasten fles vol kostelijke nardus; bij de moordenaar aan het kruis, die men de eerste martelaar kan noemen, een getuige van Jezus Christus, een vroege Paulus. Maar nu wordt het uitgestort over alle vlees en gepredikt aan alle creaturen. - Vergelijk de discipelen in de evangeliën met de apostelen na Pinksteren. Deze aarzelende, alles misverstaande jongeren met de voortvarende, in de Schriften ingeleide getuigen van na de uitstorting des Heiligen Geestes. Denk aan Stefanus, die Jezus ziet aan de rechterhand Gods en aan Paulus, die zijn glorie ziet en zijn stem hoort. Let er op hoe deze apostel de stroom der gaven, die over de gemeente wordt uitgestort, moet afdammen, om hem te laten vloeien in de bedding der liefde, die hij bezingt in 1 Kor. 13.

Dit alles is ook 'de fide', het is geloofszaak, een artikel in het Credo. Niet alleen naar zijn onzichtbare zijde, maar ook naar zijn verschijning. Het is geen voortzetting van de incarnatie, zoals Rome meent. Zelfs geen overname van Christus' ambten, geen successie van zijn middelaarschap. De verhoogde Heer blijft het hoofd zijner Kerk en de Zone Gods vergadert zich een gemeente uit het ganse menselijke geslacht door zijn Geest en Woord, in enigheid des waren geloofs en Hij onderhoudt en beschermt haar. Men mag niet zeggen dat dit een zaak is van groei, zoals Newman heeft geleerd.21 Deze biologische, negentiende-eeuwse gedachte is aan de bijbel vreemd. Het Woord Gods wies (Hand. 6 : 7), maar de gemeente blijft staan in het teken der herschepping. Zij hangt aan de verkiezing en de krachten, die zij ontvangt, komen naar haar toe uit de toekomst, de wederkomst van Christus, en niet uit de wortel ener eigene, hogere natuur. Zij leeft van de gaven, die zij van de Heilige Geest ontvangt. En wanneer deze bron opdroogt is het met haar gedaan. Een rooms kerkhistoricus heeft de opmerking gemaakt, dat de kerk reeds spoedig verneveld zou zijn, als zij naast de gaven ook niet de ambten had gehad, die haar in stand hielden.22 Deze opmerking is misschien juist, maar zij is niet 'de fide'. Ook een geraamte blijft in stand, lang nadat het leven gevloden is.

De verhouding van het koninkrijk Gods en de kerk-in-de-bijbel en daarom van de kerk als geloofsartikel, is dus niet zo eenvoudig. Zij is eenvoudig voor het geloof, maar reeds de belijdenis heeft er moeite mee. Zij is eenvoudiger voor de liturgie dan voor de catechismus; eenvoudiger voor de catechismus dan voor de dogmatiek. In de liturgie kunnen wij zingen:

"U looft d'Apostelschaar in heerlijkheid, o Heer!
Profeten, martelaars vermelden daar uw eer,
Door heel uw kerk wordt steeds, daar boven, hier beneden,
In strijd en zegepraal, uw grote naam beleden;
Zij looft, o Vader! U, oneindig in vermogen,
Onpeilbaar in verstand, onmeetbaar in meedogen."k

Deze staat Gods, zoals Augustinus hem noemt, is van de Handelingen der Apostelen uit bezongen. Men kan hem van het koninkrijk Gods niet scheiden. Er is sprake van strijd en zegepraal; van boven en beneden. Het is het komende rijk, een nieuwe schepping. En het is nabij gekomen. Christus' wederkomst werd als aanstaande verwacht. De gaven des Geestes, die in 1 Kor. 12-14 voorkomen, vormen een tegenpand tegenover de tegenwoordigheid van Christus in de evangeliën. De kerk, waarin zij niet meer voorkomen, is niet zonder meer dezelfde. De paus kan geen opvolger van Petrus zijn. Dat is een anomalie. Men kan aardse groei-vormen niet zo maar voor 'de fide' verklaren. De kerk des bijbels, die in de Apostolische geloofsbelijdenis beleden wordt en die een onderpand is van de komst van het Koninkrijk der hemelen, is alleen maar geloofszaak. Zij heeft, evenals alle geloofsartikelen, gelding, nut, bate. Maar deze gelding en dit nut zijn, evenals bij alle andere artikelen, niet regelrecht. Christus is de Zoon van nature; wij zijn aangenomen kinderen. Zijn natuur wordt ons niet ingegoten. ⚑- Christus is voor ons gestorven; en toch moeten wij ook nog sterven. En zo staat het ook met de kerk als geloofsartikel, als voorwerp onzer belijdenis. Zij is een gave des Geestes, een openbaring van het koninkrijk Gods. Zij is allereerst geloofszaak. Zij groeit niet in de historie naar ons toe en wij groeien niet naar haar toe. Zij moet wassen en wij moeten minder worden. Kerk in die zin kunnen wij slechts zijn volgens de wet des koninkrijks; dwz. door de gerechtigheid Gods; door de rechtvaardiging in de geest; door de eeuwige, vrije verkiezing, die ons op het laatste ogenblik ook tot haar vergadert.

Dit is ook wel, na de redenen die wij boven hebben opgegeven, de laatste reden die Calvijn zal hebben genoopt, in het vierde boek van zijn Institutie de kerk van het Apostolicum met een enkele "eervolle vermelding",l zoals hij het noemt, af te doen en dan verder over te gaan tot de orde van de dag, de bespreking van wat hij de zichtbare kerk noemt en tot de kritiek op de gegroeide en misgroeide kerk op de zeven heuvelen. - Calvijn is daarbij niet tot volle klaarheid gekomen ten opzichte van de regelen die bij de afleiding uit de kerk onzer belijdenis in acht genomen moeten worden. Omtrent de gelding, het nut, de bate dier belijdenis is hij niet tot volle zekerheid gekomen. Ook de Heidelberger vraagt hier niet: Wat nut u de vergadering der kerk. Alleen in zoverre als ook op dit artikel slaat de vraag uit zondag 23: Wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft? - alleen in zoverre doet hij dat. Maar dan geldt het de persoonlijke zaligheid en niet de openbare gerechtigheid en de uitverkiezing tot de ambten.

Wanneer Calvijn dan toch tracht de gelding van dit artikel voor de ambten en de tucht te bepalen, dan schemert daarbij toch telkens door, dat ook hij ten opzichte! van de apostolische kerk afstand zoekt te bewaren. De afleiding draagt zeer duidelijk de sporen van een zekere indirectheid, ja onzekerheid en aarzeling. Ook de wijze, waarop hij de successie verwerpt en de dienaar des Woords "een mannetje uit het slik verrezen" noemt.m

Maar deze kerkrechtelijke vragen volgen wij hier niet verder. Alleen wilde ik nog opmerken dat, zoals de gemeente in de Handelingen als een onderpand van het Koninkrijk der hemelen aan het geloof geschonken is, er in de geschiedenis der christelijke kerk weer van tijd tot tijd exemplaire verschijningen voorkomen, tot welke wij weer geen regelrechte verhouding hebben en die wij niet gewoonweg kunnen navolgen. Ik denk bijv. aan de theocratie te Genève in de dagen van Calvijn. - Zij staan lang niet op één lijn met de eerste gemeente te Jeruzalem, zij geven slechts een aanduiding van de wijze, waarop de kerk in de historie 'nut' verkrijgt van haar geloof in de heilige, algemene, christelijke kerk, die de Schrift ons heeft geopenbaard. Daarbij is de eigenlijke successie en daarmee is tegelijk de gedachte aan groei uitgesloten en gebrandmerkt. Het zijn spiegelingen, tegenpanden van het grote tegenpand, onderpanden van de Staat Gods, het Koninkrijk der hemelen. Daartussen dringen de eeuwen zich dan in. - Maar ook in die eeuwen is de Geest niet ledig. Het heimwee naar het Koninkrijk kan niet helemaal insluimeren. Het beeld nooit geheel verstarren. De onrust van de eerste Pinksterdag blijft altijd woeien onder ieder bestand en nimmer kan vergeten worden, dat zalig zijn gesproken degenen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Soms zijn het stillen in den lande, die zich benaarstigen om hun roeping en verkiezing vast te maken (2 Petr. 1 : 10) of om huns zelfs zaligheid te werken met vreze en beven (Fil. 2 : 12). Kwakers of andere denominaties, die het koninkrijk niet kunnen vergeten en die het 'nut' van het geloof in de heilige, algemene, christelijke kerk zoeken uit te dragen in de geest en zo ook met hand en voet rechtvaardig te worden voor God.

Na deze meer uitvoerige bespreking van vr. en antw. 54, moet ik kort zijn over de overblijvende van deze zondag. Dit kan te eerder omdat zij eigenlijk onderdelen zijn van de belijdenis van het vorige artikel. Het artikel van de gemeenschap der heiligen komt pas vrij laat in het symbool voor, nl. in een geschrift van een bisschop omstreeks 400.23 Luther hield het in zijn Grote catechismus voor een invoeging en wilde in plaats van gemeenschap, gemeente lezen, zodat het enkel een herhaling van het vorige artikel zou zijn.n Daarin had hij wel geen gelijk; communio sanctorum moet wel met gemeenschap der heiligen worden vertaald. De moeilijkheid zit niet in het eerste, maar in het laatste woord. Het is nl. niet zeker of met 'heiligen' mensen of heilige dingen, sacramenten zijn bedoeld. Het spraakgebruik der oude Griekse kerken schijnt in die laatste richting te wijzen. Calvijn vat het artikel zo op, dat de heiligen, dat zijn de gelovigen, alle weldaden gemeen moeten hebben, die God hun schenkt; met behoud echter van de verscheidenheid. Voorzichtig voegt hij er bij, dat de politieke ordening niet mag worden ondermijnd, waarbij het aan ieder vrijstaat, zijn vermogen privaat te bezitten.o Deze laatste woorden, die trouwens steun vinden in wat Petrus zegt in Hand. 5 : 4, hebben tot achtergrond de beweging der wederdopers, die een verregaande goederengemeenschap nastreefden. Wat Rome heden ten dage tegenover het communisme leert, komt vrijwel met Calvijns nadrukkelijke afwijzing van een expansie der kerkelijke gemeenschap op politiek terrein overeen. Maar in Calvijns dagen betekende dit een versterking van de grens tussen geloof en politiek, kerk en staat, vergeleken met de oudere christenheid en ook met de middeleeuwen. Deze terughouding tegenover het artikel van de gemeenschap der heiligen heeft voor de calvinistische wereld gevolgen gehad, die haar een zekere hardheid heeft gegeven in het private recht en in het strafrecht, die, in verband met het opkomen der nationale staten, die wereld vaak in sterke mate van de belijdenis van dit artikel hebben vervreemd. De openbare gerechtigheid kwam dan in schrijnende tegenstelling met de gerechtigheid van het Koninkrijk der hemelen en met de kerk uit het Apostolicum. Rome heeft enerzijds, door zijn nauwere aansluiting aan de middeleeuwen, een meer sociale ligging; soms ook een zachtere houding in het strafrecht. Anderzijds echter heeft het de greep naar het Koninkrijk der hemelen bij de Reformatie niet meegemaakt. Het verlangen dat daaruit sprak, en dat de hele middeleeuwen door nooit tot rust was gekomen, is ook door de schrik der reformatoren, waarop wij reeds eerder hebben gewezen, niet tot staan gekomen. De gerechtigheid, die Jezus vraagt van degenen die in het koninkrijk Gods zullen ingaan, moet overvloediger zijn dan die der Farizeeën en der Schriftgeleerden; overvloediger, zoveel te meer, dan die der heidenen, het natuurrecht. Deze centrale waarheid uit het Evangelie, die het thema vormt van Paulus' brief aan de Romeinen, is het uitgangspunt der Reformatie. En hoe groot ook de ijver van Calvijn is geweest om, tegenover de uitzwieringen van de wederdopers naar het Koninkrijk der hemelen, een orde der kerk in de plaats te stellen en de communio sanctorum dienovereenkomstig te beperken, er blijft een principieel onderscheid op dit punt tussen Rome en de Reformatie. Onze 'histoire contemporaine' is een bijzonder duidelijke illustratie daarvan.24

Ons rest nog vr. 56: Wat gelooft gij van de vergeving der zonden? en het antwoord, dat de Heidelbergse catechismus daarop geeft. Allereerst valt ons daarbij op, dat ons leerboek bij de vergeving der zonden niet alleen denkt aan de dagelijkse zonden of de daadzonde, maar ook aan onze zondige aard, waarmee wij al ons leven lang te strijden hebben; de erfzonde, waarmee wij ter wereld komen. En dan moet daarbij worden opgemerkt, dat de vergeving der zonden, zoals die hier voorkomt, nu niet in verband gedacht moet worden met de doop, maar met de prediking en het lidmaatschap van de kerk. Welnu, deze vergeving der zonden door het woord der verkondiging van het Evangelie heeft volgens de Heid. Cat. ook betrekking op onze zondige aard, de erfzonde, die volgens Rome bij de doop reeds is vergeven. Hier wordt echter geleerd, dat ook deze zonde steeds weer moet vergeven worden en dat derhalve de doop ook in dit opzicht de verkondiging van het Evangelie niet overbodig maakt. Dat verder de doop levenslang in levendige wisselwerking met het geloof blijft staan. - Onze Nederlandse geloofsbelijdenis zegt er van: zij (de erfzonde) is ook zelfs door de doop niet ganselijk teniet gedaan (art. 15). - Deze diepe opvatting van de vergeving der zonden betekent opnieuw een afwijzing van de directe gemeenschap met Christus door zijn naturen en een belijdenis van God de Heilige Geest, wiens werk het is om ons, door een waar geloof, Christus en al zijn weldaden deelachtig te maken. - Daardoor wordt ook de menswording van Christus ten nauwste met zijn lijden verbonden, zodat ook sacrament en prediking niet gescheiden kunnen worden, maar beide onder het hoofd: Woord kunnen worden samengevat. Van de erfzonde worden wij niet op een andere wijze verlost dan van onze daadzonden. Ook voor die eerste moest Christus lijden. En ook hier worden wij bevestigd in onze belijdenis, dat de menswording niet maar alleen betekent een tot mens gemaakt worden, maar ook een 'tot zonde voor ons gemaakt' worden en een worden onder de wet. - En tenslotte herinnert ons dit antwoord van de Heid. Cat. er aan, dat een te eenzijdige prediking van de verbondsgenade, die ons in de doop geschonken wordt, kan leiden tot een verkleinen van het werk van de Heilige Geest en van de betekenis van het geloof. Bekering en wedergeboorte moeten in de kerk haar volle maat behouden in verband met de prediking.

De vergeving der zonden is - zo heeft Calvijn gezegd - de deur der kerk.p Waar twee of drie in Jezus' naam vergaderd zijn, daar is Hij in het midden (Matth. 18 : 20). Men kan ook zeggen: waar twee of drie elkaar de zonden vergeven, daar is Jezus in het midden; daar is de kerk. - Daarmee is dan duidelijk geworden, op welke wijze Jezus in ons midden is. Hij is aanwezig door zijn ambtelijk werk, de zonden der wereld weg te nemen. Wanneer de ring aan de vinger van een verloren zoon gestoken wordt, dan behoeft Jezus niet, als de oudste zoon in de gelijkenis, gebeden te worden om bij het gezang en het gerei aanwezig te zijn, Hij is er ambtshalve. Zijn gerechtigheid is "het beste kleed" (Luk. 15 : 22), waarin de verlorene wordt gehuld. Niemand kan de gevondene nader zijn, zelfs de Vader niet.

Wanneer wij vragen, waar hier in het derde stuk van de Twaalf artikelen, bij de belijdenis van de Heilige Geest, het werk van Christus in het vlees, in zijn vernedering, is opgenomen, dan moet het antwoord luiden, dat dit gebeurt bij het artikel van de vergeving der zonde. Hier staan wij in het middenpunt, bij het kruis. In het artikel van de Heilige Geest herhaalt zich het artikel van de Zoon. De vergadering der uitverkorenen tot een gemeente doet ons denken aan de menswording toen de Heer zich begeven heeft om hen te zoeken (NGB., art. 17). - De gemeenschap der heiligen, met de "schatten en gaven" en het "ten nutte en ter zaligheid" "gewillig en met vreugde" aanwenden, herinnert ons aan zijn heilandswerk in de evangeliën. - Hier, bij vr. 56, staan wij bij de verwerving van zijn gerechtigheid door de dood. Straks, in zondag 22, komt de opstanding en het zitten ter rechterhand Gods met de wederkomst als achtergrond van de beide laatste artikelen.

Zondag 22

Vraag 57: Wat troost geeft u de opstanding des vleses?

Antwoord: Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.

Vraag 58: Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?

Antwoord: Dat nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft en in geens mensen hart opgeklommen is; en dat, om God daarin eeuwiglijk te prijzen.

Nog eens, en nu nog eens met bijzondere nadruk, moet bij de bespreking van vr. 57 er aan herinnerd worden, dat het in het Koninkrijk der hemelen niet gaat om spijs en drank, vlees en bloed, maar om de rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest (Rom. 14 : 17). Daar gaat het om in de hele brief aan de Romeinen, die ten grondslag ligt aan de Heidelbergse catechismus. Daar gaat het ook om in de Apostolische geloofsbelijdenis, niet minder dan in genoemde brief. Immers zij doet, vergelijkenderwijs, nog eens een greep naar dat Koninkrijk, naar de evangeliën, over Paulus heen. als zij Christus' troonsbestijging in al haar trappen uitbeeldt.

Daarom moet ook hier, evenals bij Jezus' opstanding, niet worden uitgegaan van de tegenstelling van lichaam en ziel, in aansluiting aan de schepping, maar van de correlatie van val en opstanding, die in de hele herschepping regeert. Daarbij staat weer de gerechtigheid van het koninkrijk Gods in het middelpunt, de gerechtigheid, die Christus door zijn dood verworven had en die de grond is van zijn opstanding en daarom ook van de onze.

Daarmee wordt geen spiritualisme geleerd, alsof de stof en het lichaam een boos of minderwaardig beginsel zouden vertegenwoordigen. Deze opvatting wordt juist door de openbaring van het Koninkrijk der hemelen geoordeeld. Immers, in de evangeliën is minstens evenveel sprake van de noden des lichaams als van die der ziel. En de lichamelijke opstanding van Christus is daar de kroon op het hele werk. - Maar Jezus herinnert zelf aan de aard van zijn genezingen als Hij tot een geraakte zegt: Uw zonden zijn u vergeven (Matth. 9 : 2) en tot een ander: Zondig niet meer (Joh. 5 : 14). Wie de dingen van het koninkrijk Gods wil beschouwen, moet niet uitgaan van de onderscheidingen, die bij de heidenen in gebruik zijn, als zij de onsterfelijkheid leren, maar van die, welke het Evangelie bewegen. Tot degenen die bij de opstanding des vleses uit ons Credo allereerst de wegen der ziel en des lichaams nagaan, zou Jezus zeggen: Al deze dingen zoeken de heidenen (Matth. 6 :32).

Daarom moet ook bij dit stuk van ons geloof de verdieping doorgaan, die Kohlbrugge heeft ingeluid bij de leer van Christus' menswording. Als het daar niet gaat om het aannemen van lichaam en ziel in de eerste plaats, maar om zonde en vloek, dan moet deze lijn ook naar Christus' opstanding en naar onze zalige opstanding worden doorgetrokken. Wat dat betekent zal men zich pas goed kunnen realiseren als men niet denkt aan brede en rustige verhandelingen over het onderscheiden lot, dat de ziel en het lichaam der gelovigen treft, zoals Kuyper die geeft in zijn verklaring van de Heid. Cat., maar als men deze materie bespreekt in de prediking, die schuldbelijdenis en geloof moet wekken. En als men er aan denkt, dat elk van de Twaalf artikelen een belijdenis is. Ook mag men niet vergeten, dat de Heid. Cat. in de volgende zondag zal vragen: Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft? En dan laat antwoorden: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben. Er moet dus aan de opstanding des vleses een rechtvaardigende bate zijn, waardoor onze zonden voor Gods aangezicht worden bedekt. Onze opstanding geschiedt door dezelfde Geest, die Christus uit de doden opgewekt heeft (Rom. 8 : 11). En wanneer Christus daarbij gerechtvaardigd wordt in de geest, dan geldt dat nu ook van onze opstanding. Het eerste nut daarvan is het deelachtig worden van de gerechtigheid, zoals bij Christus' ostanding het eerste is, dat Hij die kan deelachtig maken. Daarna betekent zij de aanvang van een nieuw leven en tenslotte toont ons dit artikel het uitzicht op een nieuwe lichamelijkheid, waarvan ook nu, waar het niet meer alleen Jezus maar ook ons geldt, toch ook van toepassing kan zijn: Raak Mij niet aan! ook niet met uw gedachten. Iedere poging daartoe stuit immers op zoveel raadselen, zij levert dadelijk zovele paralogismen, ongerijmdheden op, ja, kan zo gemakkelijk verlopen in profanatie van de verborgenheden van het koninkrijk Gods, dat wij wel met zeer veel schroom ons mogen houden aan de enkele vingerwijzingen, die de Schrift ons geeft en die meestal een negatief karakter dragen. Ze zeggen ons vaker wat niet meer zal zijn (Luk. 20: 35; Openb. 21 : 4), dan wat wel zal zijn.

De opstanding des vleses is dan in de eerste plaats zulk een rechtvaardiging in de geest van wat er geopenbaard werd in het vlees. En dan moet, in dit verband, vlees weer niet genomen worden als tegenstelling met ziel, zoals in zondag 22 nog teveel geschiedt, maar als beginsel der zonde, als gevallene natuur. Die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen (Rom. 8 : 8).

Aan deze schande, die Christus om onzentwille aan het kruis veracht heeft (Hebr. 12 :2), zal dan eindelijk geheel een einde komen. Ook wij zullen gerechtvaardigd worden in de geest. Zonder de opstanding des vleses is dit niet volledig mogelijk, evenmin als het Evangelie compleet is zonder de opstanding van Christus. - Wanneer Rome aan de gedoopte kinderen een volkomen rechtvaardigheid toeschrijft, waarbij de erfzonde ganselijk wordt te niet gedaan en die pas door de eerste daadzonde weer wordt gestoord, dan ligt daarin een vooruitgrijpen op het werk des Heiligen Geestes, die onze sterfelijke lichamen zal levend maken. Ook hier weer schakelt een valse opvatting der genade de Heilige Geest uit. En daardoor ontstaat, gelijk overal elders, een onbijbels spiritualisme. Alleen een oprecht geloof in de Heilige Geest kan ons daarvoor vrijwaren. Er is een onderscheid tussen de Geest van Christus en de immanente, in ons zelf wonende geestelijkheid, dat bijzonder duidelijk uitkomt bij een ontmoeting die Paulus had met een waarzeggende geest te Filippi (Hand. 16). De houding van de apostel is nuchter en reëel, als men ze vergelijkt met de dronkenheid van de hem naroepende dienstmaagd. Datzelfde geldt van het wezen en het werk des Heiligen Geestes tegenover ieder soort van spiritualisme en overgeestelijkheid.

Daarom is het van grote betekenis om op te merken, dat het gerechtvaardigd worden in de geest juist openbaar wordt in de opstanding des vleses; vlees nu niet genomen in de zin van het gevallene, maar het opgewekte. Dat kan ons inderdaad nuchter en reëel doen blijven. Het wordt zo krachtig tot uitdrukking gebracht in de eerste brief van Johannes: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is (3 : 2). Het kindschap Gods wordt hier zonder enige beperking beleden. En toch is ook deze apostel nuchter en reëel genoeg om te erkennen, dat wij er nog niet zijn. Wat wij zijn zullen, verklaart hij niet te weten; maar het zal gelijkenis dragen aan de opgestane Heer.

De rechtvaardiging, waarvan hier sprake is, zal ook weer de kenmerken dragen van het recht in het Koninkrijk der hemelen. Zij zal dat uiteindelijk en ten volle doen. Zij zal geheel openbaar zijn. - Jezus spreekt daarvan herhaaldelijk in de evangeliën, als Hij vermaant te bedenken, dat onze Vader, die in de hemelen is, in het verborgen ziet, in het openbaar zal vergelden (Matth. 6 : 6, 18). Dat is reeds begonnen bij Jezus 'opstanding; het zal voltooid worden bij onze zalige opstanding. Wat Jezus daarvan zegt in zijn redenen over het laatste oordeel (Matth. 25 : 31-46 en Mark. 13) doet ons zien, dat deze openbaring ook voor degenen die aan zijn rechterhand zullen komen te staan, een volkomen verrassing zal wezen en voor de anderen een onverwachte verschrikking.

Deze openbare rechtvaardiging zal ook openbaar zijn in deze zin, dat zij, als in het koninkrijk Gods volgens de evangeliën, zich niet bepaalt tot het individuele heil. De opstanding des vleses is een wederoprichting aller dingen (Hand. 3 : 21). Zij zal een rechtvaardiging zijn niet alleen van de begravene, maar ook van de kreupele, de geraakte, de blinde, de dove; in het algemeen de lichamelijk misdeelde. Hun zal recht geschieden. Jezus zeide dat tot zijn discipelen, toen zij Hem vroegen of een blindgeborene gezondigd had of zijn ouders. De Heer antwoordde toen, dat dit met een zonde niets te maken had, maar dat de blindheid diende om de werken Gods in hem openbaar te doen worden. De lichamelijke ellende kan en mag niet steeds tot een zonde worden teruggebracht. Zij heeft haar eigen oorzaken en redenen, waarbij het recht Gods betrokken is op een directe wijze. Dat leert ons Jezus ook in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus (Luk. 16), als Hij Abraham laat zeggen, dat Lazarus in de hemel vertroost wordt, omdat hij tijdens zijn leven het kwade heeft ontvangen (vs. 25).

Zo heeft de opstanding des vleses niet in de eerste plaats het nut, een achterstand tegenover de ziel in te halen, maar, in overeenstemming met de betekenis van Jezus' opstanding, is zij allereerst een openbare rechtshandeling Gods. Velen, die lichamelijk de laatsten waren, zullen dan de eersten zijn. Zij zullen weten wat hun misdeeldheid op aarde betekende. Hun plaatsbekledend lijden, het kruis dat zij gedragen hebben, de schande die zij veracht hebben, zal hun vreugde dragen. Dan versterkt God de slappe handen en stelt de struikelende knieën vast (Jes. 35 : 3).

Dit is de uiterste spits van de gerechtigheid van het Koninkrijk der hemelen, die toch reeds in het Evangelie zo klaarlijk schijnt, als Jezus als medicijnmeester het land doorgaat. Het is een kant van het Evangelie die eigenlijk de eerste is geweest, die er aan te zien was. Het zal ook de laatste zijn. - Maar dan krijgt in verband daarmee ook het andere brandpunt van het Evangelie nog een nieuw aanzien. Na de gerechtigheid thans de uitverkiezing. Er is in Christus en met Christus niet alleen een verkiezing tot apostel, profeet, leraar en andere ambten. Er is ook een verkiezing tot offer, tot een lichamelijke offerande. Hoevelen zijn in dat opzicht de zalving van Christus deelachtig geworden, zonder het zelf te weten. - Ook zij zijn, op hun wijze, geopenbaard in het vlees; zij zijn op hun wijze tot zonde gemaakt; zij hebben op hun wijze de vloek gedragen en zijn van God verlaten geworden. Zij zullen ook op hun wijze gerechtvaardigd worden in de geest. En wat zij met tranen hebben gezaaid, zullen zij met gejuich maaien (Ps. 126).

Men kan deze misdeelden in een bepaalde zin 'de heiligen' noemen, die door de engelen gedragen worden in Abrahams schoot (Luk. 16 : 22). Misschien zullen zij het zijn die het eerst tot hun recht zullen komen en een verheerlijkt lichaam ontvangen. Ik denk aan een vers van Lange, dat ik mijn leermeester Gunning in een preek hoorde aanhalen: "Ook de sluim'ring heeft haar graden,

Ook zijn trappen heeft het graf;
Eerst in 't eind daalt 's Heren engel
Tot d'ontelb're doden af.
Maar de heil'gen rijzen vroeger
Uit des aardrijks koelen schoot,
Waar zij minder diep in zonken,
Want zij waren minder dood."25

Wij komen thans tot het laatste artikel, van het eeuwige leven. De Heidelbergse catechismus spreekt daarover in de bewoordingen van een enkele tekst: 1 Kor. 2 : 9. En deze soberheid siert dit leerboek, omdat er ontzag voor de eeuwigheid uit spreekt. Er schuilt in die woorden van de apostel Paulus een grote vreugde, die wij ook beluisteren in het evangelie des Koninkrijks. Al heeft Jezus de ganse tijd zijns levens op de aarde geleden, er dringt toch uit de evangeliën telkens tot ons door het gedruis van een feestzaal. Het is hoorbaar in vele gelijkenissen, maar ook in andere woorden van Jezus. Hij noemt zichzelf bruidegom en zijn discipelen bruiloftskinderen (Matth. 9 : 15) en een bruiloft is vaak een andere naam voor het Evangelie of het Koninkrijk (Matth. 22 : 2-14). - Wat nu als verborgenheid aanwezig is en als van achter een wand bij vlagen tot ons doordringt, zal dan worden tot een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.

Voetnoten

  1. a

    Inst. III, 2, 6.↩

  2. b

    J. 1. Doedes, De Nederlandsche Geloofsbelijdenis en de Heidelbergsche Catechismus, dl. 2, Utrecht 1881, p. 103-116; het citaat op p. 104.↩

  3. c

    *B. Bartmann, Lehrbuch der Dogmatik, dl. 1, Freiburg 19327 p. 48.*↩

  4. d

    A. Kuyper, E voto Dordraceno. Toelichting op den Heielbergschen Catechismus, dl. 1, Kampen 18923, p. 122 vv.↩

  5. e

    Vgl. J.H.Newman, Parochial and Plain Sermons,I,16; en: An Essay in Aid of a grammar of Assent, Londen enz. 1906, p. 128 vv.; vgl. ook C.J. de Vogel, Newman's gedachten over de rechtvaardiging, Wageningen 1939, p. 270.↩

  6. f

    Zie boven p. 321, noot 26.↩

  7. g

    Predigt am 21. Sonntag nach Trinitatis, WA. 32, 137.↩

  8. h

    A. von Harnacks befaamde uitspraak in Das Wesen des Christentums, München enz. 1964 (Siebenstern-uitg.), p. 92: "Nicht der Sohn, sondem allein der Vater gehört in das Evangelium, wie es Jesus verkündigt hat, hinein."↩

  9. i

    Graf Hermann Keyserling, Das Reisetagbuch eines Philosophen, Darmstadt 19215, p. 238.↩

  10. j

    H. Kraemer, The Christian Message in a non-christian World, Londen 1946, p. 353.↩

  11. k

    Vindplaats onbekend.↩

  12. l

    Zie boven p. 118, noot 16.↩

  13. m

    K. Barth, KD. III, 1, 224 v.↩

  14. n

    Kuyper, a.w., d1.1, p.270vv.↩

  15. o

    Vgl. Th WNT., dl. 2, k. 348 v.; 370.↩

  16. p

    Bavinck, GD., dl. 3, p. 352.↩

  17. q

    Zie boven p. 83, noot 8.↩

  18. r

    Bossuet, Discours sur I'histoire universelle, ster. uitg. dl. 1, p. 160 (in La création en les premiers temps).↩

  19. s

    H. F. Kohlbrugge, Betrachting over het eerste kapittel van het evangelie van Mattheüs, Utrecht 1860.↩

  20. t

    J.H.Newman, Parochial and Plain Sermons, d1.3, p.18 (1835).↩

  21. u

    Aldus passim in de Römerbrief-Vorlesung van 1515/1516(WA.56v.).↩

  22. v

    Waarschijnlijk is bedoeld K. Barth, De apostolische geloofsbelijdenis, bew. en uitg. door K. H. Miskotte, Nijkerk 1935, p. 104 vv., waar Barth uitvoerig op dit punt ingaat.↩

  23. w

    Vgl. Inst. II, 16, 8-12.↩

  24. x

    Civ. Dei IV, 4; zie ook p. 322, noot 40.↩

  25. y

    G. Oorthuys, De eeuwige jeugd van Heidelberg. De Heidelbergsche Catechismus. Een leerboek voor onzen tijd, Amsterdam 19482 p. 94 v.↩

  26. z

    Kuyper, aw., p. 482 vv.↩

  27. a

    Zie boven p. 211, noot b.↩

  28. b

    Id.↩

  29. c

    Feeststoffen, p. 73, 80 v.; zie ook boven p. 93, noot n.↩

  30. d

    Passim; reeds 1518 Resolutiones: "tantum habes, quantum credis" (WA. 1 595),vgl.bijv.2,719.↩

  31. e

    Vgl.Augustinus, Sermones ad populum, nr.76 (MPL.38, 479-483).↩

  32. f

    Kuyper, a.w., dl. 2, p. 70 v.↩

  33. g

    'Inst. IV, 1, 2.↩

  34. h

    Ibid.↩

  35. i

    Hom. in Ioan., 45, 12.↩

  36. j

    Inst. IV, 1, 1.↩

  37. k

    In de bundel van 1938: Gezang 132:2; in Lb.K.: Gezang 399:2.↩

  38. l

    Bedoeld moet zijn Inst. IV, 1, 4. De uitdrukking 'eervolle vermelding' is waarschijnlijk vertaling van 'elogium'.↩

  39. m

    Inst. IV, 3, 1: "homuncio quispiam ex pulvere emersus."↩

  40. n

    Der grosse Katechismus, WA. 30 I, p. 189 v.↩

  41. o

    Inst. IV, 1, 3.↩

  42. p

    Inst. IV, 1, 20.↩

Eindnoten

  1. 1

    Verschenen in 1949 (Nijkerk, Callenbach), als onderdeel van een serie uitgaven over de Heidelbergse Catechismus, welke serie geopend werd met K.H. Miskotte, De blijde wetenschap, 1947 (pag.).↩

  2. 2

    Hier is uiteraard de eerste druk van 1940 bedoeld.↩

  3. 3

    Het Enchiridion. Zie ook boven p. 320, noot 15.↩

  4. 4

    Vgl. bijv. zijn Unterricht der Visitatoren, an die Pfarrhern im Kurfürstenium Sachsen, WA. 26, p. 238.↩

  5. 5

    De vier vrijheden van Roosevelt werden door hem het eerst geformuleerd in zijn State of the Union op 6 jan. 1941: freedom of speech and expression; freedom of every person to worship God in his own way; freedom from want, freedom from fear. Gemodificeerd speelden zij een rol in de United Nations Declaration van jan. 1942.↩

  6. 6

    Bartmann, p. 48: "Der Glaube ist im N.T. objektiv die Surnme von mehreren Einzelwahrheiten, die man später zu einer Einheit zusammenschliesst und mit einem Worte 'Glaube' ... bezeichnet."↩

  7. 7

    Ch. M. Sheldon (1857-1946), Amerikaans Congregationalistisch predikant, schreef een 25-tal romans over christelijke thema's, waarvan hij, om het kerkbezoek te stimuleren, wekelijks een hoofdstuk voorlas. Een daarvan heette In his steps: What would Jesus do? (1896), waarvan vele miljoenen exemplaren (in 21 talen!) gedrukt zijn.↩

  8. 8

    Zie boven p. 382, noot 7.↩

  9. 9

    Art. 16 van de NGB. staat tussen het artikel van de erfzonde en dat van de wederoprichting van de gevallen mens in. In de Franse geloofsbelijdenis is het art. 12. Bij Calvijn: Inst. III, 21-24, in de leer van de genade en haar vruchten.↩

  10. 10

    De indeling van Luthers Grote Catechismus (1529) volgt het schema Tien geboden, Geloofsbelijdenis, Onze Vader, Sacramenten, evenals de oorspronkelijke uitgave van de Institutie, zie daarvoor boven p. 407, noot 8.↩

  11. 11

    Bossuet: "Ce n'est plus eette parole impérieuse et dominante; c'est une parole plus douce, quoique non moins efficace. Dieu tient conseil en lui-méme, Dieu s'excite lui-méme . .↩

  12. 12

    Vindplaats onbekend.↩

  13. 13

    Waarschijnlijk is niet een rei, maar het gedicht Kinderlijk van 1632 bedoeld: Constantijntje, 't zaligh kijntje, Cherubijntje ...; vgl. De werken van Vondel, uitg. J. F. M. Sterck e.a., dl. 3, Amsterdam 1929, p. 388.↩

  14. 14

    H. Merckens (1837-1909) was in christelijke onderwijskringen bekend én om zijn kwaliteiten én om zijn afwijkende bijbelbeschouwing, waardoor in 1897/1898 een groot conflict in onderwijskringen ontstond. Voor De Hartog, zie dl. 1, p. 147 v., noot 1.↩

  15. 15

    Gandhi (1869-1948) hechtte reeds in het begin van zijn activiteiten grote waarde aan zelfloutering terwille van de waarheid; maar in het verdere verloop (sinds 1932) van zijn strijd tegen het kaste-systeem en de Engelse overheersing, ging hij herhaaldelijk over tot het middel van langdurige hongerstaking.↩

  16. 16

    Bedoeld zijn wel - in overeenstemming met het gangbare spraakgebruik - Adolf von Hamack en zijn periode.↩

  17. 17

    Plato, Politeia, 435b; 449e; 44 Ic; 580d, e. Vgl. daarnaast J. Martineau, Types of ethical theory, dl. 1, Oxford 1901 3, p. 65, welk boek in Noordmans' bezit was.↩

  18. 18

    Rudolf Eucken (1846-1926), vermaard filosoof en nobelprijs-drager, wilde het negentiende-eeuwse positivisme doorbreken en predikte een nieuw idealisme, waarin het gaat om de persoon-wording van de mens in geestesleven en cultuur op een panentheïstische ondergrond. In deze strijd 'om een nieuwe geestelijke levensinhoud' keerde hij zich evenzeer van het christendom als van de gangbare filosofische systemen af. Professor J. J. Ph. Valeton (1 848-1912) was vanaf 1877 hoogleraar te Utrecht voor het Oude Testament.↩

  19. 19

    Naar W. Schortinghuis, Het innige Christendom, tot overtuiginge van onbegenadigde, bestieringe en opwekkinge van begenadigde zielen, Groningen 1740, mod. uitg., Nieuw-Beyerland 1929.↩

  20. 20

    Theodori á Brakel, De trappen des geestelijken levens, door zijn zoon Wilhelmus op last van zijn overleden vader uitgegeven, 1670.↩

  21. 21

    Voor de gedachte van de 'groei' van de kerkelijke leer vgl. W. H. van de Pol, De kerk in het leven en denken van Newman, Nijkerk 1936, i.h.b p. 235-241; voorts: O. Chadwick, From Bossuet to Newman. The idea ofdoctrinal development, Cambridge 1957.↩

  22. 22

    Auteur en vindplaats onbekend.↩

  23. 23

    NI. bij Niketas van Remesiana (De symbolo, 10); vgl. Loofs, Symbolik, p. 43 vv. Vgl. voor het personaal of eucharistisch gebruik van het woord RGG.3 11, 1348 v.; aan laatstgenoemd gebruik hecht hier de schrijver (E, Kähler) niet veel betekenis.↩

  24. 24

    Preciese bedoeling onduidelijk.↩

  25. 25

    Waarschijnlijk de Duitse Vermittlungstheoloog J. P. Lange (1802-1884), tegenstander van D. F. Strauss, die, behalve om zijn Bibelwerk, ook als lieddichter bekendheid genoot; vindplaats onbekend.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De Heilige GeestInhoudIdsegahuizen-Piaam (1903-1910) →