O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De Confessiones van AugustinusInhoudAugustinus →

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 28–31

Augustinus1

Naar de datum vrijwel precies 1500 jaar geleden lag in Hippo Regius, een stad aan de noordkust van Afrika, een vijfenzeventigjarige grijsaard op zijn sterfbed. Het is de toen en nog in heel de wereld bekende kerkvader Augustinus. De laatste tien dagen wordt in de sterfkamer niemand meer toegelaten. Op zijn verzoek zijn in daarvoor gereed gemaakt handschrift de zeven boetpsalmen aan de muren gehecht. Zijn oog was, zo bericht zijn biograaf Possidius, niet verdonkerd en hij bracht in praktijk wat hij dikwijls aan anderen had aangeraden, dat zowel priesters als leken, ook na de Doop en van hoe voorbeeldig leven ook, niet uit het leven moesten scheiden zonder een generale schuldbelijdenis.a De stervende biecht zijn leven nog eenmaal, zoals hij het voor 33 jaren voor de oren der hele kerk reeds schriftelijk gedaan had, aan God; nu alleen 'met het roepen der gedachten'b in de eenzaamheid.

Het is zeer verleidelijk om die gedachte daarbij te volgen en met haar terug te gaan in dat uitwendig, maar veel meer nog inwendig, zo rijk bewogen leven. Ik zal daartoe echter de lezer niet uitnodigen. Om twee redenen niet. Een overzicht van Augustinus' leven in zo kort bestek zou weinig meer kunnen zijn dan een droog resumé. Maar vooral zal ik het nalaten, omdat de kerkvader op zijn sterfbed alle toehoorders uitsloot. De natuurlijke en geestelijke romantiek, die er in de 33 jaren vroeger geschreven Confessiones nog is, zal in die heilige uren van zijn laatste biecht zijn weggestorven. Wij zouden misschien nieuwsgierig en oneerbiedig in het leven van de poenitent rondkijken, terwijl hij zelf slechts bad om het vergeten en vergeven daarvan. We zijn toch al zo geneigd de Sturm-und-Drang-periode van de bisschop van Hippo afzonderlijk te nemen en zijn levensgeschiedenis met zijn bekering af te sluiten. De oudste biografie, van Possidius, die nog iets in de trant van een heiligenleven is gehouden, brengt ons daarom wel dichter bij het fenomeen Augustinus dan een der nieuwere, het voortreffelijke, maar romantiserende boek van Louis Bertrand.c

Ik zal dus niet, zoals Harnack gedaan heeft, uitweiden over Augustinus' faustische natuur dEen parallel tussen hem en Faust moge geestrijk zijn, zijn zoeken naar waarheid moge er aanleiding toe geven, de vergelijking moge zelfs historische wortels hebben, ze wist toch grenzen uit, die moeten blijven bestaan. Wij spreken hier over de heilige Augustinus. Eén gestalte uit het leven van deze heilige mag ik echter wel oproepen zonder vrees dat ze de stemming zal verstoren: Monnica. De verhouding tussen moeder en zoon uit de Confessiones is van een symbolische kracht, die haar wedergade zoekt in de geschiedenis. Niet alleen de verhouding van moeder en zoon in geheel christelijk Europa wordt er in een klaar paradigma door voorgesteld, waarvan de geschiedenis in rijke vormen de conjugatie geeft, maar ze bezit ook donker-mystische diepte. Het leven en het werk van Augustinus komen op uit een achtergrond van tranen en gebeden zo vrouwelijk en tevens zo christelijk, dat slechts het Evangelieverhaal de volheid bevat van wat hier wordt aangeduid. Het is een geloofsgeboorte. Welk een figuur in de geschiedenis der christelijke kerk, die in de openbare omgang met haar zoon beurtelings of gelijktijdig blijk geeft van 'vrouwelijke ingetogenheid, mannelijk geloof, grootmoederlijke zorg, moederlijke liefde en de vroomheid van een christin'.e Dat zijn woorden, waarmee de kerkvader haar tot voorbeeld heeft gesteld voor toekomende eeuwen. Maar als hij van haar zegt dat ze voor hem door haar tranen dag en nacht haar hartebloed Gode heeft geofferd en dat er één leven geworden was uit het zijne en het hare fdan zegt hij meer en beschrijft zijn wonderbare geboorte als kerkvader.

De betekenis van Augustinus voor ons werelddeel kan moeilijk worden overschat. Hij is de schakel, die katholieken en protestanten op natuurlijke, ongedwongen wijze verbindt. Thomas Aquinas leefde en leerde ook lang voor de Reformatie. Wij kunnen tot de roomsen zeggen: hij is evengoed van ons als van u. Maar hij is het niet. Wij kunnen ook moeilijk zo warm zijn voor een renaissance van zijn filosofie, zoals die bij hen plaats heeft. Maar Augustinus is de universele Europese christen. Hij behoort, nu afgezien van de Griekse kerk, aan allen evengoed. Naast hem is in de Oudheid ook niemand te noemen, van wie dat ook maar van verre in gelijke mate zou kunnen gezegd worden.

Dat is wel merkwaardig, omdat van zijn directe invloed op de kerk niet heel veel is overgebleven. Die werd trouwens uitgeoefend in een ander werelddeel dan het onze. De islam heeft de Afrikaanse kerk weggebezemd van de aardbodem. Maar ook reeds lang daarvoor, onmiddellijk na zijn dood, met de ineenstorting van het Romeinse rijk, viel de orde, die hij met zoveel zorg en moeite had geschapen, tot een chaos terug. Het zijn de geschriften van de kerkvader, die als een wereld op zichzelf hebben gewerkt, zoals de brieven van Paulus of de dialogen van Plato.

Augustinus staat zelf op de grenzen van twee werelden. Maar hij staat met het aangezicht naar ons toe gericht. Hoe modern zijn christendom is, beseffen we nog slechts met moeite. Voor ons hebben de namen van Romulus, Tarquinius, Lucretia, Regulus, Scipio en zovele anderen een mystieke bekoring. Er gloort een glans om hun hoofd en de toegang tot de Latijnse school lijkt de ingang tot een heiligdom. De figuren der oude geschiedenis komen ons voor in wijdere zin tot onze vaderlandse geschiedenis te behoren en we vinden steeds min of meer barbaren, wie ze niet kent.

Voor Augustinus was deze wereld de oude wereld. Hij kende ze ook, beter en van meer nabij dan wij. Maar hij had bij het licht van het Evangelie de aureool om de slapen van haar helden zien verbleken. Men vertrouwt zijn oren niet, als men hem in zijn geweldig werk Over de stad Gods hoort spreken over de Romeinse geschiedenis. Het is wel vreemd dat in ons christelijk werelddeel op de scholen deze afbraak van de oude geschiedenis zo weinig gelezen wordt. Voor ons is vaak de cultuur de wieg, waarin het Christuskind door God veilig kan worden neergelegd en... slapen kan. Het refrein is dan als in een middeleeuws kerkleisje:

'Nu wieghen wij, nu wieghen wij!'g

Wanneer de kerkvader de deugden van Cato en Cicero 'vergulde ondeugden', hdan hebben we daartegen theologisch misschien geen bezwaar. We kennen de zware, ingewikkelde dogmatiek, waarin dat zo behoort. Maar als een christelijk oordeel over cultuur in gewone omgangstaal, zoals Augustinus het bedoelt, voelen wij er ons door in onze wiek geschoten.

De bisschop van Hippo is bekend en beroemd om zijn leer van de genade; zijn strijd tegen Pelagius. Pelagiaan is een naam, die de christenheid in Europa schuwt als die van de farizeeër. Maar wij versmallen de vraag van genade of goede werken vaak tot een kwestie voor een catechismuspreek of een geval van zielszorg.

De kerkvader ziet de tegenstelling veel geweldiger. Het zijn twee rijken, die tegenover elkaar staan en waarvan het ene een voortdurende kritiek is op het andere. Wij, protestanten, beelden ons de tegenstelling van geloof en werken, genade en verdienste, evangelie en cultuur nogal eenzijdig uit in Luthers gewetensstrijd in de cel te Erfurt. We zijn geschrokken van de toepassing, die Rome gemaakt heeft van de leer der twee rijken. We zijn de gang van Hendrik IV naar Canossa nog niet vergeten en doen gaarne mee aan iedere 'cultuur'-strijd, die een herhaling moet afwenden. We hebben zeer principiële bezwaren tegen het kleinste lapje 'kerkelijke staat' en zijn erkenning door een gezantschap. Desnoods trekken we nog liever de lutherse consequentie in 't bekende: cuius regio, eius religio.i

Dit alles bewijst hoe zwaar een verkeerde toepassing, we moeten misschien zeggen iedere menselijke toepassing van Augustinus' leer zich wreekt. Dit is geen reden, nòch voor Rome, nòch voor ons, om op die toepassing niet terug te komen. Rome moet ophouden met in de kerk een te directe openbaring van de 'civitas Dei', de Godsstad op aarde te zien. Wij moeten nalaten de cultuur uit de geest af te leiden zonder rekening te houden met haar wortelen in de zonde. We zullen dan in staat zijn, samen met Rome, de tegenstelling van genade en werken, evangelie en cultuur, weer breder te zien, als een kritiek op elk punt van het eerste op de laatste. De tegenstelling van hemel en aarde, waartoe de cultuurmens het Evangelie verzacht, moeten we met Augustinus laten op de volle maat van hemel en hel. Zonder pijn zal dat niet gaan. We voelen die reeds als de kerkvader met de vinger aan de grote humane figuren der oude geschiedenis raakt. Hij heeft zelf, als een andere Jeremia, die smart hevig doorleefd. Als Rome voor 't eerst geplunderd wordt, zegt hij: "We moesten al maar zuchten, telkens wenen en lieten ons nauwelijks troosten.'j Dit heeft hem echter niet weerhouden Rome een 'roversstaat' kte noemen.

De kerkvader staat met het aangezicht naar ons toe. Over de Oudheid laat hij de kritiek van het Evangelie gaan. Maar hij ziet over ons heen. Tegenover alle oudheid stelt hij waarheid, tegenover eer heiligheid, tegenover leven eeuwigheid. "Tweeërlei liefde schept tweeërlei rijk. Aan het aardse ligt ten grondslag de eigenliefde, die gaat tot verachting van God. Aan het hemelse de liefde tot God, die gaat tot verachting van onszelf. In het eerste eert en dient men het schepsel meer dan de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. In het tweede bestaat geen menselijke wijsheid dan de eerbied, waardoor de ware God recht wordt gediend, geen ander loon verwachtende in de gemeenschap der heiligen, niet enkel der mensen, maar ook der engelen, dan dat God zij alles in allen."l

Voetnoten

  1. a

    Possidius, Vita sancti Aurelii Augustini, Hipponensis episcopi 31. MPL. 32. 63 v.↩

  2. b

    Conf. X, 2. MPL. 32, 779. CSEL. 33, 227: Clamore cogitationis.↩

  3. c

    L. Bertrand, Saint Augustin, Parijs Zj. 17 (1913 1).↩

  4. d

    A. Harnack, Augustins Konfessionen, in Reden und Aufsätze, dl. 1, Giessen 1904, p. 49-79. De vergelijking met Faust op p. 63 vv.↩

  5. e

    Conf.IX,4. MPL.32,766. CSEL.33,202.↩

  6. f

    Conf. IX, 12. MPL. 32, 776. CSEL. 33, 221: Vita, quae una facta erat ex mea et illius.↩

  7. g

    Zie J.G.R.Acquoy, Kerstliederen en leisen, in Archief voor Nederlandsche Kerkgeschiedenis f (1897), p. 217-272. Zie m.n. p. 245 vv.↩

  8. h

    De uitdrukking komt als zodanig niet bij Augustinus voor. Zie p.95, noot j .Zie m.n. Civ. Dei V, 12 en 13, waar het overigens over Cato en Caesar gaat.↩

  9. i

    Zo't land, zo't geloof.*↩

  10. j

    De excidio urbis Romae 2. MPL. 40, 718. CChrSL. 46, 252: Omnia gemuimus, saepe flevimus, vix consolati sumus.↩

  11. k

    Civ. Dei IV, 4. MPL. 41, 115. CSEL. 40 I, 166: Latrocinium.↩

  12. l

    *Civ. Dei XIV, 28.* MPL. 41, 436. CSEL. 40 II, 56 v. Het gecursiveerde verwijst naar 1 Kor. 15 : 28.↩

Eindnoten

  1. 1

    N. publiceerde Augustinus in AWCC. 6 (29.8.1930) nr. 44, p. 1.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De Confessiones van AugustinusInhoudAugustinus →