O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De Confessiones van AugustinusInhoudAugustinus →

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 222–238

De Confessiones1

Vorm en inhoud

Wanneer men Augustinus uit de Confessiones wil laten zien, staat men voor een moeilijke taak. Vorm en inhoud van het boek zijn, evenals bij alle grote schrijvers, één. De geest van Augustinus zit in ieder woord, men is geneigd te zeggen: vlak onder de letters. Ik heb weinig neiging hier de paulinische spreuk van toepassing te verklaren: 'De letter doodt, de geest maakt levend' (2 Kor. 3 : 6). Men zou liefst in de eigen woorden van de kerkvader, in de Latijnse tekst, zijn bewogen rede weergeven. De biecht is als geperst in het Latijnse woord en de taal kan niet meer bevatten dan er ingelegd is. De woorden zijn als de grote korrels van een lofoffer, Gode aangeboden uit de eerstelingen van de oogst. Alle vertaling is hier hachelijk. Van de Confessiones zijn dan ook betrekkelijk weinig vertalingen.

Een tweede moeilijkheid is de grote rijkdom. Wie begint met een weergave komt in verleiding te veel naar voren te brengen. Overal staan passages die men niet voorbij kan komen. Bladzijden die men niet kan overslaan. Figuren die men zou willen tekenen. Aperçu's die men even zou willen weergeven. Beperking is nodig. Ik zal dan ook niet van het eerste tot het tiende boek de belijdenissen met u doorgaan; van de biecht van het kind in de wieg tot die van de bisschop te Hippo. Ik zal hier en daar een grote leidende gedachte trachten te grijpen en te laten zien hoe zwaar van eeuwigheidsgehalte ze zijn of liever, hoe vol ze zijn van Christus.

Moge God ons daarbij genadig zijn en leiden door zijn Geest, die de pen van de schrijver heeft bestuurd. Want het is een geïnspireerd boek.

1 - De biecht A - Voor de mensen; begeleid door hun 'hymnus et fletus'

De titel Confessiones is al dadelijk niet een woord boven het boek, maar is uit zijn hart gesneden. Ze is waar en zegt alles wat Augustinus wil doen als hij schrijft. Hij wil belijden voor God. De mensen mogen het horen. Het zal hun goed doen. Ook met het oog op hen schrijft de belijder. Maar hij spreekt toch niet voor deze tribune. Niet voor de omstanders. Althans niet voor dat soort, dat nieuwsgierig is om anderer leven te leren kennen, maar traag om het eigene te beteren. Waarom zouden ze hem vragen te horen wie hij is, die niet van God willen horen wie zijzelf zijn? Hoe zouden ze ook weten of de biecht waar is? Voor hen echter, wier oren door de liefde voor Hem geopend zijn, wil hij wel belijden.a

Een bedenking heeft hij echter ook ten opzichte van hen. De biecht van zijn vroeger leven, van zijn zondig leven in boek I-IX, ja, die verblijdt degenen die van goeden wille zijn. Zij hebben geen vermaak in het verkeerde daarin, maar hierin dat dat voorbij is. Maar dat geldt niet van de belijdenis van wat Augustinus thans is. En hij erkent dagelijks God te belijden, meer verzekerd door de hoop op Gods barmhartigheid dan door eigen onschuld. Waarom zal hij ook dat belijden? Daar geldt niet de blijdschap over het voorbij zijn van het verkeerde! Maar ook zo wil hij belijden voor de broederlijke harten. Zij mogen hem gelukwensen als ze horen hoever hij nader komt tot God door diens gave en voor hem bidden als ze horen hoe hij achterblijft door eigen traagheid. De broeder die zich verheugt als hij hem kan goedkeuring geven; die met hem bedroefd is als het afkeuring moet zijn, omdat hij, hetzij in goedkeuring, hetzij in afkeuring, hem liefheeft. Het goede in zijn leven, dat zijn Gods bevelen en zijn gaven; het kwade zijn zijn eigen fouten en Gods gerichten. Laten ze adem scheppen in de eerste en zuchten in de tweede, als ze zijn biecht horen, en laten lofzang en geween (hymnus et fletus) opstijgen voor Gods aangezicht uit de harten der broeders, Gods wierookpannen.b

Zo wil Augustinus ook voor de mensen biechten. Maar dat komt pas in de tweede plaats. Hij biecht eigenlijk in Gods oor. Het is een oorbiecht. 'Uw oren zijn tegen mijn hart.'c Dat is een herhaaldelijk voorkomende uitdrukking. De belijdenis wordt gedaan met woorden van het hart en met het roepen der gedachte, die Gods oor kent. Men kan zeggen dat ze in stilte geschiedt en toch niet in stilte. Zwijgend wat het geluid betreft, met geroep wat de aandoening betreft. Wat zou het hem baten als hij iets wilde verzwijgen? God zou wel voor hem verborgen zijn; hij niet voor God.d

Zo biecht hij in zijn hart in tegenwoordigheid Gods; met zijn pen echter voor vele getuigen.e

B. Voor God,- ook 'hymnus et fletus'.

Deze houding is de ware christelijke gesteldheid. Zij valt weer in tweeën.

Zoals de hoorder van zijn biecht, die hem liefheeft, haar vergezelt met zijn lofzang en zijn geween (hymnus et fletus), zo heeft ook de biecht zelf deze beide. De beurtzang der gemeente is slechts een hoorbare echo op de hymnus et fletus die voor God oprijzen in de roepende stilte van de aandoening. De lofzang rijst in stilheid op om Gods barmhartigheid; het geween gaat van het begin tot het eind van het boek om zijn zonde.

Dat is het hoofdmotief. Maar daarnaast staan beide ook in andere toonaarden. In allerlei toonaarden. Ook doordringen ze elkaar en het wenen gaat over in een hymne, in de hymne vallen de tranen van het snoer. Dat is biecht.

"Waarheen", zegt Augustinus, "zult ge opklimmen, als ge het aangezicht al dadelijk boven in de hemel zet?" Die dat doen, moeten eerst neerdalen om te wenen in de vallei der tranen, dan zal Christus hen mee opvoeren in de hoogte.f

Augustinus kent de geesteshouding die de tranen der confessie verre doet blijven. Toen hij uit de boeken der neoplatonici vele hoge dingen had geleerd, geestelijke dingen; toen zijn vroeger materialisme geweken was en de geestelijke wereld voor hem was opengegaan; toen hij dus een geestelijk mens was geworden. Hij heeft de wereld der ideeën, der normen geschouwd. Wat dat is mag ons hier niet te zeer afleiden. Dit ene wil ik hier naar voren brengen. Die kennis was te hoog. Hij was zeker van de geestelijke waarden die de filosofie hem geleerd had en die de kerk ook leerde, maar hij kon er niet bij. Hij kon ze niet genieten.

En nu stelt Augustinus de scherpe diagnose van zijn kwaal. Hij zegt: "Want ik was al begonnen wijs te willen schijnen, terwijl ik nog vol was van mijn straf, en ik weende niet, maar was in de wolken."g Een vitaal element van de christelijke confessie, het fiere, het wenen, ontbrak. En omdat dat ontbreekt, kan hij niet christelijk zijn geloof belijden. Het is geen confessie maar presumptie.h Het is stelen van de waarheid en gestolen goed gedijt niet. Het is grijpen naar hoge dingen waar men niet bij kan. Het is te vroeg grijpen van waarheid die men toch niet belijden kan. Het is een God hebben die men niet genieten kan.

Hymnus et fletus, dat is de confessie. Lofzang en tranen. Waar het wenen ontbreekt, daar is de confessie kreupel. De hoge gedachtenvlucht, de intellectuele intuïtie, is geen echte lofzang. Met het 'in excelsis' gaat het 'de profundis' gepaard. Met het in den hoge het uit de diepte. Augustinus weet dat de echte stijging is in het dal des geweens en dat daar het lied Hammaäloth, het lied van de opgang, gezongen wordt, het canticum graduum.i De tranen mist hij, de bisschop van Hippo, in de geschriften der neoplatonici, die hem van zijn materialisme hebben bevrijd. Zij missen het aangezicht der christelijke vroomheid, de tranen der confessie, en de offeranden Gods, de verbroken geest, het verslagen hart. Augustinus heeft ze gekend, de tranen, voor zijn bekering, in zijn bekering en na zijn bekering. Vóór zijn bekering als hij worstelt met het probleem van het kwaad, als hij roept om het hoogste goed. Als Gods oren luisteren zonder dat hij het weet. Als hij in stilte luide roept en de stille verbrijzelingen van zijn hart als sterke stemmen uitgaan naar de barmhartigheid Godsj In zijn bekering als de doorbraak komt, als een diepe overdenking en schouwing uit de geheime grond van zijn leven al zijn ellende voor het oog van zijn hart plaatst en een stormwind opsteekt in zijn ziel die een regen van tranen met zich voert en hij zich van zijn boezemvriend Alypius verwijdert, als Jezus van zijn discipelen in Gethsemané, omdat voor het wenen de eenzaamheid hem voegzamer voorkomt.k Ná zijn bekering als hij op zijn sterfbed niemand meer bij zich toelaat en de zeven boetpsalmen op zijn wens geschreven staan op de wanden van zijn kamer.l

De fletus, het wenen, behoort tot het wezen der confessie. "Dat de zondaars zich bekeren tot God, dan zullen ze zien dat Gij in hun harten zijt, in het hart dergenen die U belijdenis doen en zich aan uw borst werpen en wenen in uw schoot na hun moeilijke levenswegen; en Gij, De gemakkelijke, droogt hun tranen en ze wenen te meer en verheugen zich onder hun schreien, omdat Gij hen vertroost."m

De plaats waar geen belijdenis is, is voor Augustinus de hel. Als hij zich herinnert hoe hij worstelde met het probleem van het kwaad, dan spreekt hij het uit dat hij niet tot die hel der dwaling afdaalde, waarin niemand God belijdenis doet, omdat men God tot oorzaak van de zonde maakt.n

2. De biecht als geloofsbelijdenis. Confessie en presumptie

De confessie heeft echter wijder zin dan alleen schuldbelijdenis. Ze is ook geloofsbelijdenis. Niet slechts biechten van het voorbije en tegenwoordige leven, maar ook van overtuiging. Ook dan echter geldt hetzelfde van daareven. Ook in de geloofsbelijdenis moeten hymnus en fletus, lofzang en geween worden gehoord. Waanwijsheid, vaniteit is het om wetenschap, ook al is ze waar, uit te roepen; vroomheid is het ze te belijden.o Wat geeft het de wereld te kunnen schatten en de waarde daarvan te kunnen wegen op een schaal, als men de Heer der wereld niet gevonden heeft? Want God die groot is, ziet het nederige aan; het hoge echter herkent Hij van verre. Wat geeft het de ellips der zon te kunnen berekenen en verdonkering van het eigen hart niet ontdekt te hebben?p En dit voorbeeld is nog slechts genomen uit de kennis der natuur.

Hoeveel te scherper zal de tegenstelling zijn in de filosofie en bovenal in de theologie, de kennis van God. Hier allereerst staat de belijdenis tegenover waanwijsheid, vanitas. Wat kunnen hier hoge en ware dingen geleerd worden die toch geen belijdenissen zijn (geen hymnus en geen fletus, geen lofzang met geween). Augustinus heeft niet alleen de ijdelheid van zijn leraarsambt in de retorica zo sterk gevoeld dat hij het als christen moest opgeven, maar ook de hoge gedachtenvlucht van het neoplatonisme, dat hem oog voor het geestelijke geopend had, mist het heilig karakter der confessie.

2. 1. De kerk. Ceder of kruid

Alhoewel het lang geduurd heeft voor hij zich liet dopen, heeft hij toch levenslang oog gehad voor het bijzondere van de christelijke kerk. Daar is iets waarvan hij oog en gedachten niet kan afhouden. In haar geloofsbelijdenis is tegenover alle wijsheid der wereld iets heiligs en veiligs. Daar is geloof op gezag, het is waar. En hij leest Aristoteles over de tien categorieën, een moeilijk boek, en begrijpt het zonder leermeester. Maar toch staan, tegenover wat de kerk leert, zijn gedachten, die hij naar aanleiding daarvan over God maakt, als zeepbellen geblazen van zijn ellende tegenover de wijde blauwe hemelen vol goddelijke zaligheid. Wat in zijn gedachten waar was, wist hij zelf niet; want hij stond met de rug naar het licht en met het aangezicht naar de dingen die verlicht werden en zijn aangezicht waarmee hij de verlichte dingen zag, werd niet verlicht. Wat gaven hem zijn grauwe theorieën over God? "En wat hinderde het zoveel", zo biecht hij voor God, "wat hinderde uwe kleinen een zoveel trager geest, daar ze toch niet ver van U afdwaalden, om in het nest van uw kerk veilig veren te krijgen en de vleugelen der liefde door het voedsel van het gezonde geloof te zien wassen?'q

Later in de gemeente van Ambrosius te Milaan heeft hij reeds meer oog gekregen voor het wezen van de christelijke kerk. Hij ziet hoe Schrift en kerk zich door een begrijpelijke en zeer gewone manier van spreken aan allen geven om allen aan haar brede borst op te nemen, veel meer tot God brengende op die wijze, dan wanneer ze niet met zo hoog gezag uitstak en de menigte niet opnam in de schoot van een heilige nederigheid.r

Nog later, aan de vooravond van zijn bekering, komt hij tot de schrikbarende ontdekking dat de last der ijdelheid, der waanwijsheid (vanitatis) hem de schouders drukt. Anderen, die de schouders vrijer hebben, krijgen vleugelen; mensen die niet als hij door tien en meer jaren zoeken uitgeput ⚑waren.s

En als hij na zijn bekering te Cassiciacum, een kleine christelijke academie, een vriendenkring heeft ingericht en zijn boezemvriend de naam van Jezus buiten de gesprekken wil houden, dan karakteriseert hij dat als een voorliefde voor de reuk der hoge cederen van de scholen tegenover de nederige heilzame kruiden der kerk.t

Ook hier dus dezelfde houding. De confessie als geloofsbelijdenis heeft hetzelfde karakter van gebrokenheid, humiliteit, nederigheid als de levensbiecht. Ze heeft plaats in de schoot der kerk, zoals de biecht zich uitweent en jubelt aan de borst Gods.u In de kerk wordt de echte confessie geleerd: de nederige kennis van de hoge God, die daar gekend wordt, omdat Hij zo laag is nedergekomen in het vlees. Het zijn vooral de Psalmen, die deze theologie voor Augustinus hebben vertolkt. Hij noemt ze geloofszangen, klanken van vroomheid, uitsluitende de opgezwollen geest. Hij zou ze willen zingen, als hij kon, voor de hele wereld tegen de hoogmoed van het menselijk geslacht. Zij zingen de theologie de profundis. De theologie der profeten.v

De theologie der profeten. De theologie der apostelen, voor allen van de apostel Paulus. De brieven van Paulus wijzen de weg aan hen, die van verre niet kunnen zien, om toch de weg te wandelen waarop men komt te zien en vast te houden.w De Psalmen. Paulus in Oud en Nieuw Testament. Tolken van wet en evangelie, van de theologie der nederheid, der liefde. De leerboeken der kerk, waar men niet leert met hoge ogen, die menen te boren tot in de eeuwigheid, maar waar men ook luistert op hope van zien.x Daar is de opbouwende, stichtende liefde, bouwende op het fundament der nederheid, dat is Jezus Christus.y

2. 2. Christus. Ideaal of weg

De openbaring Gods in Jezus Christus. Waar kan men elders zo onopzettelijk lezen hoe Jezus Christus de deur is waardoor de schapen binnengaan als in de Confessiones? Men ziet Augustinus door deze deur binnengaan, die hem de toeleiding is tot de Vader. Geen ondogmatische geest behoeft hier ergernis te nemen. Er wordt weinig christologie gegeven in de Confessiones, ofschoon ze zonder deze niet zijn te verstaan. Maar wat de kerk van Christus belijdt, wat de Psalmen van Hem zingen en de apostelen van Hem schrijven, dat manifesteert zich hier voor ons. Het is alles werkelijkheid, belijdenis en leven. Het is één wereld, de wereld van Gods genade. God buiten Christus is een hoge idee, een groot woord, een vergezicht, een hoog ideaal. Christus is de weg daarheen. Hij is de werkelijkheid Gods, de nabijheid Gods, de liefde Gods. Christus is één met de belijdenis. Zonder Hem geen belijdenis. Geen hymne, geen lofzang over Gods barmhartigheden zonder Christus; geen fletus, geen tranen zonder Hem. Hij is zelf lofzang en tranen. Hij is de goede belijdenis. Hij vervult met zijn geest, met de troost en de liefde, de nederheid des geestes, de kerk. Belijdenis, kerk, Christus, het is alles één Evangelie.

2.3. God. Confessie of presumptie

Het is nu tijd te spreken over God aan Wie Augustinus belijdenis doet en Wie hij belijdt. We kunnen in Augustinus' Godzoeken zes trappen onderscheiden. Geboren en opgevoed in de kerk leeft hij aanvankelijk het leven van zovelen. Hij leeft buiten God. Dan, op zeventienjarige leeftijd, reeds heel vroeg, wordt hij Godzoeker door het lezen van Cicero's Hortensius. Eigenaardig is het te lezen hoe Augustinus hem noemt een zekere Cicero.z In de confessie verbleekt deze beroemdheid tot een onduidelijk fenomeen. In deze tweede periode sluit Augustinus zich aan bij de manicheeërs. God is voor hem een grote onduidelijke fijn stoffelijke massa. Geestelijk kan hij van God niet denken. Een phantasma is het, zegt Augustinus zelf telkens.aDe derde periode begint te Rome. Hij leert de manicheeërs wantrouwen en wordt scepticus. Hij schort zijn oordeel over God op en wanhoopt de zekerheid te zullen krijgen. De vierde begint te Milaan als hij de prediking van Ambrosius volgt. Het wezen en de betekenis der christelijke kerk beginnen voor hem op te gaan. Maar een geestelijk begrip van God heeft hij nog niet. 5. Door het lezen van neoplatonici leert hij God zien als een geest. Dan heeft hij wel beter inzicht, maar nog geen belijdenis. 6. Zijn wil wordt verbroken en hij wordt belijder en christen. Ik zal niet over al die zes tijdperken veel zeggen. Hoe verleidelijk het ook is Augustinus' belijdenis van zijn prille jeugd te volgen, het zou ons te ver voeren. Ook over zijn leven onder de manicheeërs te Carthago en Rome zal ik niet veel zeggen. Hij had niet geleerd, belijdt hij in boek III, dat God is een geest die geen lengte en geen breedte heeft en geen massa. Ook weet hij niet dat de wet geestelijk is. Hij beoordeelde alle handelingen in alle tijden naar een openbaar wetsartikel en niet naar het artikel van de bijzondere omstandigheid (articulus occulti temporis). Ook de zedelijkheid heeft eigenlijk massa en wordt uitwendig gemeten. Zo beziet hij de bijbelheiligen met een verkeerd oog en heeft bezwaar tegen Schrift en kerk. Hij zag niet de inwendige gerechtigheid Gods, die niet oordeelt van de gewoonte uit, maar uit de wet Gods, waaruit Is lands wijs en 's lands eer gevormd zijn, maar die zelf overal dezelfde blijft; maar hij oordeelde vanuit de menselijke dag (ore Dei-humano die), niet uit de eeuwige mond Gods (dag-eeuwigheid).b Reeds veel later als hij met zijn vrienden Alypius en Nebridius disputeert over het hoogste goed en het diepste verderf, dan neigt hij nog tot epicurisme, omdat hij in zijn blindheid niet in staat is te denken het rechtvaardige licht en de schoonheid die om niet verkregen wordt, die het oog des vleses niet ziet en die van binnen gezien wordt.c Dat God een geest is, dat zijn wet geestelijk is, dat ziet hij niet onder de manicheeërs en hij ergert zich aan de geestelijkheid Gods en de geestelijke gerechtigheid Gods, zoals de kerk die leert. Ze zijn hem een aanstoot. Misschien menen wij hier met een antieke ergernis te doen te hebben; maar zodra we letten op het tweede lid, de gerechtigheid Gods, dan wijkt deze waan. Ook deze ergernis is volkomen modern. Zo wentelt hij in zijn geest rond de stoffelijke-massale vormen, die daarbij de oren van zijn hart verdoven, als hij ze in zijn gedachten doet rollen; die oren die hij toch eigenlijk inspande om te horen de inwendige melodie der zoete waarheid. Maar hij kon de stem van de bruidegom daarbinnen niet horen omdat zijn aandacht naar buiten getrokken werd. Zijn hart was te hoog en te dik om deze ware vreugde, deze laatste exaltatie te horen.d

Hij ergert zich eraan dat de kerk te menselijk over God denkt. Hij meent dat zij zich Hem als een mens voorstelt. God moet groot, oneindig, massaal gedacht worden. Ademen in de heldere en klare eenvoudige lucht der waarheid Gods kan hij niet.e Aandoenlijk is het te horen hoe hij klaagt aan het slot van het zesde boek, als de jongelingschap is afgesloten, "dat hij zich om en om gewenteld heeft van de rug op de zijden en van de zijden op de buik en alles is hard en Gij alleen zijt rust."f

Voor wie nog mocht menen dat Augustinus' godsgedachte in deze periode stoffelijk en daarom zo hard om in te rusten - geheel antiek is, ook nadat ik zoëven de meetbare en onmeetbare gerechtigheid daarnaast heb aangewezen, die hore na de klacht over de hardheid de belijdenis waarmee de jonge man het zevende boek opent.

"Reeds", zo begint het, "was mijn slechte en onheilige jeugd voorbij en ik kwam tot mannelijke leeftijd; hoe ouder in leeftijd, des te schandelijker in waanwijsheid; ik die geen andere substantie kon denken dan die welke met de ogen wordt gezien."g Is dat antiek? Wie van u de Wartburg wel eens heeft beklommen, kent de voorstellingen van het menselijk leven, man en vrouw, en herinnert zich wat van de dertig- of veertigjarigen wordt beschreven.h Wie ze niet kent, kent toch die oude voorstelling van het mensenleven met zijn: veertig jaar welgedaan. Is dat alles ook al antiek geworden?

Augustinus' hart roept luid en heftig tegen al die phantasmata, die dikke zelfgemaakte voorstellingen, en soms tracht hij met een slag van zijn geest weg te slaan de schandelijke troep, die hem omfladderde, van voor het oog van zijn geest. En pas verwijderd voor de oogopslag waren ze er weer en kwamen op hem af en omwolkten hem. Alles is dik en hard en welgedaan in zijn hart en eromheen en ook zichzelf kan hij niet zien.i

Dan gaat langzamerhand vanuit de vraag naar de verantwoordelijkheid deze wereld zich voor hem opklaren. Nooit heeft de vrees voor het toekomend oordeel hem losgelaten. Levenslang is hij, wij hoorden het reeds, nooit in die hel van dwaling afgegleden, waar niemand God belijdt. God beslist voor de oorzaak van het kwaad houden deed hij nooit. Maar hij heeft niet van binnen uit leren denken. Zijn gedachten volgen de vormen die elkaar bepalen, determineren. Zo denkt hij ook als hij aan God denkt. Hij denkt buiten, niet binnen. Hij is buiten en God is binnen.j Straks volgt hij Jezus die naar binnen gegaan is. Maar nu nog niet. Intellectueel ziet hij de vormen, de beelden, waar de geest doorgaat; niet de kracht des geestes die ze vormt. Hij ziet het kwaad dat op het kwaad volgt, niet de vrije wil die het werkt. Hij wil naar binnen en wordt buiten vastgehouden. Hij luistert naar de inwendige melodie, maar zijn eigen wentelende grove gedachten verdoven hem. Soms slaat hij de nevels voor zijn oog weg. Maar ze komen dadelijk terug. Halfgeestelijk denkt hij zich God als de oneindige zee en de wereld als een spons, van hem doortrokken en tegelijk omspoeld.k Maar ook dat is niet geestelijk. Hoe komt het kwaad in deze wereld van noodwendigheid, als God het niet doet? Waarom het oordeel?

Zo waakt het oordeel in Augustinus' geest midden in de nacht van zijn ellende en maant hem tot de levende God. 'Ik werd ellendiger en Gij kwaamt dichterbij"l zo belijdt hij. De wereld des geestes, des oordeels en der genade, van schuld en barmhartigheid, de wereld der confessie, van hymnus et fletus, van juichen en wenen, van wet en evangelie, van Christus en zijn kerk, van geest en eeuwig leven nadert.

Midden in de belijdenis van deze worsteling om de betekenis en de oorsprong van het kwaad staat de betuiging in 't begin van het zevende boek.

"Standvastig stond in mijn hart het geloof der kerk in uw Christus, onze Heer en Verlosser, in vele opzichten nog vormloos en wazig buiten de leer der kerk om', maar toch verliet mijn geest dat geloof niet, maar van dag tot dag dronk hij het meer in."m

Intussen kastijdt hem alles en is hard voor hem. Hij die midden tussen God en de dingen, die aan plaats gebonden zijn, in staat, hij wil rusten in deze dingen. Maar hij vindt geen rust. Ze zijn hard, hoe hij zich ook wentelt. Ze staan tegen hem op, omdat hij tegen God opgestaan is en niet wil wonen in de tussensfeer tussen God en de plaatselijke dingen, de sfeer des heils, en bij hopen en benden lopen ze tegen hem op en zeggen: welke kant wilt ge op, onwaardige, onreine? Omdat zijn ogen geestelijk gezwollen en dik zijn, kan hij niet zien. Zo wordt de hoogmoedige vernederd. God echter toornt niet in eeuwigheid; Hij hield Augustinus onrustig door inwendige prikkels, totdat God hem zeker was door innerlijke aanschouwing. En door de verborgen hand van de goddelijke medicijnmeester heelt zijn ontstoken oog en door de scherpe oogzalf van heilzame droefenissen neemt de beterschap van het verduisterde oog des geestes van dag tot dag toe.n

Wat nu volgt zou men de voorbekering van Augustinus kunnen noemen. Zijn oog wordt gewend van de stof tot de geest; van buiten naar binnen; van de vormen tot het wezen; van de verschijning naar de idee; van beneden naar boven; van de zichtbare dingen naar de onzichtbare; van de schepselen naar de Schepper; van de fantasie naar de gedachte; van de wereld naar God.

Het is de bekering van zijn intellect, van zijn verstand. Straks volgt die van de wil. Het is zijn filosofische bekering; straks volgt de theologische, de christelijke. Hij krijgt de neoplatonische geschriften in handen.o

Wanneer ik beide bekeringen zo scheid, dan is dat niet geheel zuiver. De eerste heeft geen exclusief verstandelijk karakter. Ze is ook mystisch. De tweede is niet uitsluitend bepaald tot de wil, maar is ook intuïtief. Maar de onderscheiding dient toch tot begrip.

Er staat in het zevende boek van de Confessiones een zeldzaam hoofdstuk, caput 10, waarin beschreven wordt het opengaan van zijn inwendig oog, waarmee hij God als geest leert zien. "Door de lectuur van de genoemde geschriften aangemaand om tot zichzelf in te keren ben ik naar binnen gegaan onder uw leiding en ik heb gekund, omdat Gij mijn helper geworden zijt. Ik trad binnen en ik zag met een zeker oog van mijn geest boven mijn geest een onveranderlijk licht, niet dat gewone dat voor alle vlees zichtbaar is, en ook niet alleen groter dan dat en toch van dezelfde natuur. Neen zo was het niet, maar anders, heel anders dan dat alles. En het was ook niet boven mijn geest zoals de olie op het water drijft of de hemel is boven de aarde; maar het was in hogere zin hoger, omdat het het licht was dat mij geschapen heeft, en ik lager, omdat ik er door geschapen ben. Wie waarheid kent, kent het, en wie het kent, kent de eeuwigheid. Gij zijt het, mijn God; tot U zucht ik dag en nacht. En toen ik U 't eerst leerde kennen, hebt Gij mij aangenomen, dat ik zou zien dat wat ik zag reeds bestond, terwijl ik die zag nog niet was. En Ge straaldet in de zwakheid van mijn gezicht, hevig blinkende, en ik sidderde van liefde en van schrik; en ik vond dat ik ver van U was in de sfeer der ongelijkheid, alsof ik uit de hoge uw stem hoorde: 'Ik ben de spijs der sterken; groei en gij zult Mij eten.' En ik vernam dat Gij om de ongerechtigheid mijn ziel doet verdrogen als een spinneweb. En ik zei: 'Is de Waarheid dan niets, dat ze noch door eindige nog door oneindige plaatsen ligt verspreid?' En Gij riept van verre: 'Ik ben die Ik ben.' En ik hoorde het zoals men iets hoort in het hart en eerder zou ik twijfelen aan mijn leven dan daaraan dat dat Waarheid was, wat door de dingen die geschapen zijn, door het begrip verstaan wordt."p

Ik heb dit hoofdstuk ongeveer geheel uitgeschreven. Het beschrijft de mystieke geboorte van de geestelijke denker Augustinus. Men kan er twee kanten mee uit. Naar de filosofie en naar de theologie. Het is de geboorteure van het Godsbegrip tegenover de godsvoorstelling; in zoverre verlost het Augustinus van zijn intellectuele last die hem de schouderen schaaft sedert zijn verkeer met de manicheeërs, waardoor hem de vleugelen niet wassen willen. Anderzijds is het de bekering van Augustinus tot de Schepper van hemel en aarde, zijn theologische en aanvankelijk christelijke bekering. Hij ziet dat hij geen deel van God is. Dat er geen twee substanties zijn, de goede en de kwade; dat God niet de determinerende oorzaak is van het kwaad. Hij ziet God als Schepper. Hij ziet de afstand tussen geest en geest, heel anders als tussen twee dingen wier afstand en verschil in grootte men meet. Hij ziet geestelijke afstand, afhankelijkheid, verschil in graad van zijn, zonder verschil van plaats. En hij ziet eeuwigheid en tijd, niet als delen van elkaar, maar tegenover elkaar. Hij ziet verantwoordelijkheid, heilige geesten tegenover zondige geest. Hij ziet de Schepper tegenover het schepsel. In zoverre is deze bekering zijn eerste bewuste overgang tot het christendom.

Beide gezichtspunten zijn van belang. Ontzaglijk moet de doorbraak van het begrip des geestes in de ziel van Augustinus hebben gewerkt. Sterk en lang en nooit uitgesleten is zijn afhankelijkheid van de neoplatonici.

Maar we mogen geen ogenblik vergeten dat de stoot gegeven wordt door de worsteling om het bestaan en de oorsprong van het kwaad. Het zondebesef predomineert en het oordeel drijft hem voort. De eerste conclusie die hij trekt uit zijn mystieke beleving is deze dat het kwaad geen eigen substantie is, maar zijn plaats heeft in de geest, in de wil. "Ik zocht wat de ongerechtigheid was en ik vond geen substantie, maar ik vond de verkeerdheid van een wil die naar de lagere dingen is getrokken, van U, de hoogste substantie, af, o God; een wil, die zijn innerlijkheid wegwerpt en naar buiten uitkankert."q

Zo is de bekering tot de Schepper geworden een trap in de complete bekering, tot de Verlosser. Schepping is een specifiek christelijk begrip. Het kan niet zijn zonder verlossing. Het is een moment in de verlossing. Dat laatste, verlossing, stond niet in de platonische boeken. Wel stond daar dat het Woord in de beginne was en dat het Woord bij God was en zelf ook God; en dat de mensenziel niet zelf het licht is, maar God licht is en dat de wereld door het licht gemaakt is. Maar dat het Woord tot het zijne is gekomen en mensen macht geeft Gods kinderen genaamd te worden, dat niet. Wel dat het Woord uit God geboren is. Maar dat Het vlees geworden is en onder ons heeft gewoond, dat niet. Zijn hoogheid staat er in; zijn nederheid niet. Niet dat Hij zichzelf vernietigd heeft en vernederd tot de dood, ja tot de dood des kruises, opdat de vermoeiden en belasten tot Hem zouden komen, omdat Hij zachtmoedig is en nederig van hart en leidt de zachtmoedigen in het recht, vergevende al onze schulden. Augustinus zegt dat hij ermee gedaan heeft als de Israëlieten met het goud, dat ze uit Egypte meevoerden. Het stro der Egyptenaren heeft hij niet gekauwd.r

Ik wil ruimte laten voor de zuiver wetenschappelijke vraag in hoeverre de bisschop van Hippo in zijn oprechte biecht voor God het beeld van zijn neoplatonische tijd onder een ander perspectief, in verkorte verhoudingen, heeft gezien. Ik neem aan dat deze geestelijke spijze een grotere plaats heeft ingenomen in zijn mond toen hij haar kauwde dan in zijn bloed toen hij haar verteerd had. Maar ik geloof dat die verkorte verhoudingen de juiste zijn uit een hoger gezichtspunt dan het literair-wetenschappelijke.

Zo belijdt dan de kerkvader dat God zijn ogen voor de ijdelheid een weinig heeft gesloten; hij is ontwaakt in God en heeft Hem oneindig anders gezien; en dat gezicht was niet vleselijk.s Ook nu gelooft hij dat alles in God is bepaald zoals vroeger de spons door de zee, maar nu ziet hij de bepaling als door de hand der waarheid.t

Maar zijn aangezicht op deze hoge dingen gericht houden kan hij niet. Ze zijn hem geen spijze dag en nacht, maar hij bewaart ze als een geliefde herinnering en als gerechten die hij nog niet kan eten.u

Hij zou God, wiens geestelijk wezen hem is opgegaan, willen genieten, maar hij heeft geen kracht, totdat hij omhelsde, door het geloof, Jezus Christus, die de spijze die hij niet sterk genoeg was om te eten vermengde met het vlees. Dan daalt de godenspijs neer op de tafel der zwakken en dergenen die nog niet zijn en tot wie God sprak: 'Ik ben de spijs der sterken, groei en gij zult eten.' "Het Woord is vlees geworden, opdat uw wijsheid ons met melk zou opvoeden. Want", zegt Augustinus, "ik hield mijn God Jezus niet vast als een nederige en ik wist niet wat zijn zwakheid betekende.v Zekerheid had hij van Gods wezen, maar hij was veel te zwak om ervan te genieten. Hij weende niet, maar werd opgeblazen.w Hier staat de tegenstelling van presumptie en confessie die ik reeds vroeger gaf.

Dan komt de lectuur van Paulus' brieven hem te hulp. De heilsweg leert hij kennen. De weg, waarop zij die uit de verte niet kunnen zien toch op weg gaan om daar te komen waar men aanschouwen zal: de weg des geloofs. "Want iets anders is het, verdwaald in een dicht woud, het land des vredes te zien, maar de weg niet te weten en vruchteloos te trachten door ongebaande wegen het te bereiken, iets anders de weg daarheen te houden, bewaakt door de zorg van de hemelse heerser."x Dat werd Augustinus op wonderbaarlijke wijze duidelijk toen hij de minste der apostelen las.

3. De biecht van zijn bekering. Woord en daad

Zo staat dan de kennis Gods in Christus voor het geestesoog van Augustinus. Dat beeld staat vast. Belegerd wordt hij door God zoals hij het noemt.y Hij behoeft niet meer zekerheid omtrent God, maar vastheid in God. Hij ziet de smalle weg voor zich, maar aarzelt nog om hem te gaan. Omtrent God staat alles vast, maar wegens zijn leven in de wereld stond bij hemzelf alles nog op losse schroeven. De parel van grote waarde had hij gevonden, maar hij aarzelt om alles voor haar te verkopen.z

Dan gaat hij raad vragen bij een vaderlijke vriend, Simplicianus. Deze verhaalt hem de geschiedenis van de Romeinse retor Victorinus, die christen geworden is.a Het voorbeeld van deze bekeerde redenaar, die zijn ambt had moeten opgeven, steekt Augustinus aan. Het treft hem als iets groots dat deze de school der welsprekendheid liever heeft willen verlaten dan Gods woord, waardoor de mond der kinderen welsprekend wordt gemaakt.b

Maar de gewoonte van het leven in de wereld houdt hem vast. Hij voelt het als een harde slavendienst, maar kan er niet mee breken. Hij keurt zichzelf goed en af tegelijk. Zelf doet hij het beide, maar reeds meer is zijn ik met wat hij goed kan keuren dan met wat hij moet afkeuren. Met een schitterend uitgewerkte vergelijking beschrijft hij zichzelf als iemand die uit de morgenslaap wil opstaan en toch blijft liggen.c In die geestesgesteldheid hoort hij het verhaal van enige eenvoudige soldaten uit het leger te Trier, die door het lezen van het leven van de heilige Antonius bewogen werden zich uit de wereld terug te trekken.d Als de professor hun standvastigheid hoort, is het hem of God hem van achter zijn eigen rug, waar hij zich verscholen had, voor zijn eigen gezicht plaatst, zodat hij zichzelf ziet. De verteller van het verhaal gaat weg 'en ik ga tot mij', zegt Augustinus. Alle argumenten put hij uit tegen zijn geest en bezweert zijn geest hem te volgen, maar zijn geest weigert en excuseert zich niet. Een stomme bewogenheid is het enige resultaat.e Het zijn bekende bladzijden waarin Augustinus beschrijft wat er nu volgt, als hij met Alypius in de tuin gegaan is. Augustinus' strijd, de stilte die hij zoekt, zijn willen en niet kunnen; zijn kunnen en niet willen. Hoe het lichaam wel gehoorzaamt aan de ziel, die toch een ander is, als ze hand of voet bevelen geeft. Hoe de geest weigert te gehoorzamen als ze zichzelf bevelen geeft. En toch ben ik het beide malen. Het is geen tweede natuur. Ik ben verantwoordelijk. Het is geen natuur van een ander, maar mijn schuld en straf.f

Hier blijkt het hoe de intellectuele bekering van Augustinus de voorwaarde was voor zijn wilsbekering. Was ze niet voorafgegaan, hij zou zijn verantwoordelijkheid niet gekend hebben in volle scherpte; het persoonlijke in het geestelijke conflict zou ontbroken hebben.

Geen andere natuur, maar een krankheid van dit persoonlijke. Hij draait zich rond in zijn keten, totdat geheel verbroken is, wat slechts nauwelijks meer houdt. Hij zegt tot zichzelf: Nu gebeurt het, nu gebeurt het! Met woorden gaat hij reeds tot het besluit, maar nog niet metterdaad. Reeds doet hij het bijna en toch deed hij het niet en toch ging hij niet weer terug en weer probeert hij het en een beetje minder is hij erbij en weer een beetje minder en dan is hij er weer vlakbij en houdt vast en dan is hij er weer niet bij en laat los, aarzelend om de dood te sterven en het leven te leven. Het slechte, dat hij gewoon is, is sterker dan het betere, dat hij niet gewoon is, en naarmate de punt des tijds, dat hij een ander zal worden, meer nabij komt, des te groter schrik boezemt het hem in. Achter hem fluisteren oude gewoontes: dan mag dit nooit weer en dat nooit weer in eeuwigheid. "En wat dat 'dit en dat' was, dat wende uwe barmhartigheid af van de geest van uw knecht!" Augustinus hoorde ze nog, reeds minder dan half. Niet meer van de voorkant spreken ze hem tegen, maar ze fluisteren van achter, trachtende hem te doen achterom zien.g

Dan komt een ogenblik dat vergelijkbaar is met de mystieke intuïtie in boek VII, 10. Ik citeerde de plaats reeds eerder. "Een diepe schouwing trok uit de verborgen grond al mijn ellende naar voren en op een hoop voor het aangezicht mijns harten en toen ontstond een sterke geestesstorm, die grote tranenregens met zich voerde."h Hier wordt de wil helderziende. In mystieke grond dompelt de oude onder en komt de nieuwe boven. De wil ziet en het verstand wil. De gronden des levens worden ontdekt.

Ons leven staat niet op zichzelf. Als de diepte van Augustinus' ziel geopend wordt, dan gaat ook in andere diepten en hoogten iets om. Het de profundis is nooit zonder het in excelsis. 'Tolle lege, tolle lege', klinkt het Augustinus in de oren. Neem en lees. Hij bedenkt zich of hem een spel bekend is waarin kinderen deze woorden kunnen roepen. Hoe nuchter is deze geest in de mystieke levensure. Augustinus is overtuigd dat God het hem toeroept. Hij herinnert zich een plaats uit het leven van de heilige Antonius. Dan leest hij een plaats uit Paulus' brieven waarin de onmatigheid wordt bestraft en het aandoen van Jezus Christus wordt bevolen. Zijn hart wordt doorstroomd van veilig licht en al de duisternissen van de twijfel vluchten weg.i

4. De biecht van de fruitio Dei. Het leven als canticum graduum

Van dat ogenblik kent hij zijn God en hij geniet Hem. God komt in zijn hart voor de genietingen van zijn oude gewoontes en lost ze af, "zoeter dan elk genot, klaarder dan ieder licht, innerlijker dan welk geheim ook, verhevener dan alle eer".j Van dat ogenblik af gaat hij door het dal der tranen, stijgend onder het zingen van het lied van de opgang, onder tegenspraak in de vorm van goede raad en vereters onder de mom der liefde.k

Wie is God nu die hij gevonden heeft en geniet? Nadat zijn wil is gebroken en de spijze, in de schoot der kerk voor hem gebroken, hem wordt medegedeeld door Christus? "Het is niet de vorm van een lichaam of het aangename van een gelegenheid, niet de gloed van het licht, de vriend der ogen, niet de zoete vooizen van allerlei snarenspel, geen geur van bloemen of aroma, geen manna of honing, geen lichamelijke omhelzing, niet dat mijn God, niet dat!

En toch - heb ik in Hem lief een zeker licht, een zekere stem, een zekere reuk, een spijs en een omhelzing, wanneer ik mijn God liefheb, die licht is en stem en reuk en spijs en omhelzing van de inwendige mens; daar schittert voor mijn geest wat geen plaats inneemt; daar klinkt wat geen tijdmaat behoeft; daar geurt wat door geen wind wordt toegewaaid; daar smaakt wat de honger niet vermindert en daar klemt zich vast wat geen verzadiging doet loslaten.l

Augustinus is niet alleen zeker over God, hij geniet Hem nu ook, wie kan het betwijfelen?

Slot. Monnica's hymnus et fletus achtergrond der Confessiones

Ik staak hier mijn lectuur van en beschouwing van de Confessiones met u. Node doe ik dat. Hoe kan ik het boek sluiten zonder Monnica getekend te hebben, de mater dolorosa van dit evangelie? Haar die achter dit boek weent en juicht, van het begin tot het eind? Wier fletus en hymnus, want nu moet het deze volgorde zijn, de stille begeleiding zijn van Augustinus' biecht? Een leven, noemt Augustinus het, een leven samen uit het hare en het zijne.m Ik mocht haar echter niet even als bijfiguur naast Augustinus zetten.

Er is nog een reden waarom ik het boek node sluit. Het tiende boek heb ik pas even geopend. De biecht van wat hij is; en niet van wat hij was. Het boek waarin het zoeken naar God nog eens herhaald wordt, nu niet in het vlees, maar in de geest; nu niet in zonde, maar in heiligheid; waarin alle schepselen mee helpen zoeken met Augustinus; waar straks zijn adem, zijn ziel, zijn leven, zijn geest, zijn herinnering en zijn denken mee helpen zoeken tot God gevonden wordt boven de zoeker in zichzelf (supra me in te).n

Ook hier is Monnica de stille achtergrond en staat in het midden de herinnering uit het negende boek, toen ze samen stonden te Ostia aan het raam en hun gedachten om elkaar heen cirkelden naar boven, boven alle dingen uit, boven hun eigen zielen uit, tot ze de mond stom lieten en met één volle hartslag het eeuwige leven aanraakten.o

Wat schaadt het dat men het boek vroegtijdig sluit? Het is toch geen boek dat men eenmaal ter hand neemt. Evenals de bijbel. Tien-, twintig-, honderdmaal moest ieder Europees christen het lezen. Hij moest het merg der confessie in zich opnemen om met de christelijke zuurdesem doortrokken te zijn tegen de opgeblazen geest der kennis zonder liefde, der deugd zonder gerechtigheid Gods. Hymnus et fletus, lofzang en geween, kyrie eleison, dat is de grondtoon van ons geloof. En het voorwerp van lied en gebed; de bron en het bekken van de tranen is de barmhartigheid Gods. Het is Christus, God met het vlees gemengd.

Zolang de muziek van Bach gespeeld wordt en de Confessiones gelezen, zullen de mensen in Europa weten wat hymnus et fletus is. Wat confessie is.

Voetnoten

  1. a

    Conf. X, 3. MPL. 32, 780. CSEL. 33, 227 v,↩

  2. b

    Conf. X, 3 en 4. MPL. 32,781. CSEL. 33,228 v.↩

  3. c

    zie p. 18, noot n.↩

  4. d

    Conf. X, 2. MPL. 32, 779 v. CSEL. 33, 227.↩

  5. e

    Conf. X, 1. MPL. 32, 779. CSEL. 33, 226.↩

  6. f

    Conf. IV, 12. MPL. 32, 70 1. CSEL. 33, 79 v.↩

  7. g

    Conf. VII, 20. MPL. 32,747. CSEL. 33,166: Iam enim coeperam velle videri sapiens plenus poena mea et non flebam, insuper autem inflabar scientia. Terzijde: De woordspeling: non flebam-inflabar, hier weer tegen.↩

  8. h

    Conf. VII, 20. MPL. 32,747. CSEL. 33,166.↩

  9. i

    Conf. IX, 2. MPL. 32, 764. CSEL. 33, 198. Zie p. 236, noot k. Een lied Hammaäloth is het opschrift dat Psalm 120-134 draagt.↩

  10. j

    Conf. VII, 7. MPL. 32,739. CSEL. 33,152.↩

  11. k

    Conf. VIII, 12. MPL. 32,761. CSEL. 33,193.↩

  12. l

    Possidius, Vita sancti Aurelii Augustini, Hipponensis episcopi 31. MPL. 32, 63 v.↩

  13. m

    Conf. V, 2. MPL. 32, 707. CSEL. 33, 90.↩

  14. n

    Conf. VII, 3. MPL. 32,735. CSEL. 33,145.↩

  15. o

    Conf. V, 5. MPL. 32, 709. CSEL. 33, 94.↩

  16. p

    Conf. V,3. MPL.32,707v. CSEL.33,91v.↩

  17. q

    Conf. IV, 16. MPL. 32, 704 vv. CSEL. 33, 85 vv.↩

  18. r

    Conf.VI,5. MPL.32,723. CSEL.33,121v.↩

  19. s

    Conf. VIII, 7. MPL. 32,757. CSEL. 33,185.↩

  20. t

    Conf. IX, 4. MPL. 32, 766. CSEL. 33, 202.↩

  21. u

    Terzijde: Vader-persoon; moeder-gemeenschap.↩

  22. v

    Conf. IX, 4. MPL. 32, 766. CSEL. 33, 202.↩

  23. w

    Conf. VII, 20. Zie ook 21. MPL. 32, 747. CSEL. 33, 166.↩

  24. x

    Vindplaats onbekend.↩

  25. y

    Conf. VII, 20. MPL. 32,747. CSEL. 33,166.↩

  26. z

    Conf. III, 4. MPL. 32, 685. CSEL. 33, 48.↩

  27. a

    O.a. in Conf. III, 7; VII, 1 en VII, 17.↩

  28. b

    Conf. III, 7. MPL. 32, 688. CSEL. 33, 54. De uitdrukking 'articulus occulti temporis' komt voor in Conf. III, 9. MPL. 32, 691. CSEL. 33,59.↩

  29. c

    Conf. VI, 16. MPL. 32,732. CSEL. 33, 139.↩

  30. d

    Conf. IV, 15. MPL. 32, 704. CSEL. 33, 85.↩

  31. e

    Conf. V, 10 en 11. MPL. 32, 715 v. CSEL. 33, 107 v.↩

  32. f

    Conf. VI, 16. MPL. 32,732. CSEL. 33, 139 v.↩

  33. g

    Conf. VII, 1. MPL. 32, 733. CSEL. 33, 140.↩

  34. h

    Terzijde: Betekenis van scheppen = orde = licht,↩

  35. i

    Conf. VII, 1. MPL. 32, 733. CSEL. 33, 14 1.↩

  36. j

    Het begrippenpaar: Deus-intus tegenover ego-foris, komt diverse malen voor, o.a. Conf. VII, 7 en X, 27.↩

  37. k

    Conf. VII, S. MPL. 32,736. CSEL. 33,146.↩

  38. l

    Conf. VI, 16. MPL. 32, 732. CSEL. 33, 138: Ego fiebam miserior et tu propinquior.↩

  39. m

    Conf. VII, 5. MPL. 32,737. CSEL. 33,148.↩

  40. n

    Conf. Vll, 7 en 8. MPL.32,739v. CSEL,33,152v.↩

  41. o

    Conf. VII, 9. MPL.32,740. CSEL.33,154.↩

  42. p

    Conf. VII, 10. MPL. 32,742. CSEL. 33. 157 v.↩

  43. q

    Conf. Vll,16. MPL.32,744. CSEL.33,161.↩

  44. r

    Conf. VII, 9. MPL. 32,740 vv. CSEL. 33, 154 vv.↩

  45. s

    Conf. VII, 14. MPL. 32,744. CSEL. 33,160.↩

  46. t

    Conf. VII, 15, MPL. 32, 744. CSEL. 33, 161.↩

  47. u

    Conf. VII, 17. MPL. 32,745. CSEL. 33, 163.↩

  48. v

    Con VII, 18. MPL. 32, 745. CSEL. 33, 163.↩

  49. w

    Conf VII, 20. MPL. 32, 747. CSEL. 33, 166.↩

  50. x

    Conf VII, 21. MPL. 32,748. CSEL. 33,168.↩

  51. y

    Conf. VIII, 1. MPL. 32,748. CSEL. 33, 169.↩

  52. z

    Conf. VIII, 1. MPL. 32,749. CSEL. 33, 169 vv.↩

  53. a

    Conf. VIII, 2. MPL. 32, 749 vv. CSEL. 33, 171 vv.↩

  54. b

    Conf. VIII, 5. MPL. 32,753. CSEL. 33, 178.↩

  55. c

    Conf. VIII, 5. MPL. 32,753 v. CSEL. 33, 178 v.↩

  56. d

    Conf. VIII, 6. MPL. 32,754 vv. CSEL. 33, 180 vv.↩

  57. e

    Conf. VIII, 7. MPL. 32,756 v. CSEL. 33, 184 v.↩

  58. f

    Conf. VIII, 8-10. MPL. 32,757 vv. CSEL. 33, 185 vv.↩

  59. g

    Conf VIII, 1 l. MPL. 32,760 v. CSEL. 33,191 v.↩

  60. h

    Conf VIII, 12. MPL. 32,761. CSEL. 33, 193. Terzijde: Erens vertaalt hier 'alta consideratie' als 'eigen inzicht' van Augustinus. Ik aarzel.↩

  61. i

    Conf. VIII, 12. MPL. 32,762, CSEL. 33, 194 v.↩

  62. j

    Conf. IX, 1. MPL. 32, 763. CSEL. 33, 197.↩

  63. k

    Conf. IX, 2. MPL. 32, 764. CSEL. 33, 198: Quamquam tu (=Deus) nobis in convalle plorationis ascendentibus et cantantibus canticum graduum dederas sagittas acutas et carbones vastatores adversus linguam subdolam velut consulendo contradicentem et, sicut cibum assolet, amando consumentem.↩

  64. l

    Conf. X, 6. MPL. 32, 782 v. CSEL. 33, 231 v.↩

  65. m

    Conf. IX, 12. MPL. 32, 776. CSEL. 33, 221.↩

  66. n

    Conf. X, 26. MPL. 32, 795. CSEL. 33, 255.↩

  67. o

    Conf. IX, 10. MPL. 32, 774. CSEL. 33, 216 v.↩

Eindnoten

  1. 1

    Van het hier opgenomen manuscript over de Confessiones van Augustinus ontbreken de eerste 5 pagina's. Omdat zo ook de titel onbekend is, stelt de redactie als zodanig voor: De Confessiones. Nadere gegevens ontbreken.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De Confessiones van AugustinusInhoudAugustinus →