Augustinus1
Wij hebben de achtergrond gezien en getekend waarop de figuur van de grote kerkvader Augustinus moet uitkomen.
Augustinus werd geboren 13 november 354 in het stadje Thagaste (souk-Ahras). Zijn vader Patricius was ambtenaar in die plaats. Dat was in de nadagen van het Romeinse rijk geen vet kluifje. Bepaalde families moesten het zijn of ze wilden of niet en de kosten ervan dragen of ze konden of niet. Het ruïneerde hen soms. De belastingen waren drukkend. De Romeinse maatschappij dreigde te breken onder eigen gewicht, zoals nu de onze. Soms vluchtten Romeinse burgers onder de barbaren om aan de publieke verplichtingen te ontkomen die hen ruïneerden.
Patricius had het niet te breed. Maar hij wilde zijn begaafde zoon een goede opvoeding geven. De ouders hadden vroeg het geniale in hun kind ontdekt.
Van Patricius zullen wij niet veel meer horen. De moeder heette Monnica. Bijna alle moeders zijn goed. Maar enkele hebben een levenshouding bereikt, die haar een meer algemene betekenis geeft.
Augustinus en Monnica, dat zijn los van bloed en bodem moeder en zoon voor heel christelijk Europa. De band is niet alleen natuurlijk, maar ook geestelijk. Augustinus is tweemaal Monnica's zoon: eerst door haar bloed, dan door haar tranen.
De vader was heiden; de moeder christin, in het land van Perpetua en Felicitas en van Cyprianus. Ze wenste dat haar zoon christen zou zijn. Aanvankelijk leek het daar weinig op. Gedoopt was hij niet. Men stelde dat vaak uit, omdat de oude kerk, zoals de roomse nu nog, aan de Doop een bepaalde altijd werkende kracht toeschreef. Hoe later gedoopt, hoe meer zonden afgewassen. Augustinus is pas op zijn drieëndertigste jaar gedoopt, toen hij al professor was te Milaan in Italië, in de keizerlijke residentie.
Tussen Thagaste en Milaan, tussen zijn eerste en drieëndertigste jaar ligt een leven van spelen en leren, vallen en opstaan, afdwalen en bekering, zoeken en vinden, dat hij ons beschreven heeft in een boek, dat Belijdenissen heet. Op deze levensweg is zijn moeder hem gevolgd, naar Carthago, van Carthago naar Rome, van Rome naar Milaan.
Er zijn meer bekende moeders van grote mannen bekend. Moeder en zoon is in de christelijke wereld een bekende figuur. Maria en Jezus. In de roomse kerk is dat meer bekend dan bij ons. Zo ook Monnica en Augustinus. Deze moeder heeft geestelijke betekenis. Wij leven in een tijd dat het geestelijke onder de mensen in verdrukking komt. Ook in de verhoudingen. Bij een mens hebben velen de gedachten aan armen en benen. Benen om mee te schoppen. Armen om er zo veel mogelijk aantal vierkante centimeters van bruin te laten worden in de zon. 't Is niet helemaal een wonder dat de mens langzamerhand in 't gezichtspunt van bloed en ras komt, zoals de honden en de paarden. Gelukkig wie aan een geestelijk moeder kan terugdenken zoals Augustinus. Monnica's leven wordt gekenmerkt door twee dingen, die beide met ge beginnen, zoals er ook twee zijn die met te beginnen: tehuis en tevreden. Die met ge zijn geloof en gebed. Dat zijn ouderwetse dingen, maar als ze de wereld uitgaan, is het gevolg dat de wereld door tirannen moet geregeerd worden. Wij zijn al mooi op weg daar naar toe.
Prachtig zien wij die dingen, geloof en gebed, bij Augustinus' moeder als achtergrond van ons christelijke Europese leven. In ieder mens zit een heiden, een ongedoopt, ongelovig, onheilig wezen. In Augustinus zat het ook. Maar terwijl heel vaak de heiden en de christen in de mens vredig naast elkaar leven, terwijl hij gedoopt wordt en toch een heiden blijft, was dat bij Augustinus niet het geval.
Zijn leven was een openbaar gevecht tussen de heiden en de christen, totdat de christen het won en hij op drieëndertigjarige leeftijd gedoopt werd. En toen de heiden in zijn eigen leven overwonnen was, heeft hij getracht het heidendom in het Westromeinse rijk te overwinnen. Dat is zijn levenswerk geweest. Het grootste werk dat hij geschreven heeft, gaat over de twee rijken, het aardse en het hemelse, het heidense en het christelijke. Achter de Europese geschiedenis zit het geloof en het gebed van een vrouw, de moeder van Augustinus, Monnica. Augustinus' ontwikkeling van zijn geboorte tot zijn drieëndertigste jaar wordt erdoor beheerst. Het is de stille verborgen achtergrond van zijn leven.
Toen hij christen was geworden en te Milaan op Pasen van het jaar 387 was gedoopt, is Monnica gestorven. Haar werk was volbracht. De beroemdste Europese christin stierf.
Ik wil even in 't kort die ontwikkelingsgang van de kerkvader tekenen. In Thagaste bezocht Augustinus de lagere school. Men moet zich die school voorstellen zoals hij nog lang geweest is. Een meester in 't midden met een lange stok, een gard, die neerdaalt zo vaak dat nodig is of niet nodig is. Augustinus vertelt dat men buiten de school kon horen: één en één is twee, dat ze samen heel luid moesten zeggen.a Heel primitief, zeggen wij, maar deze reuzengeest heeft er toch maar lezen, rekenen, schrijven geleerd.
Hij was geen goede leerling. De school was tweetalig, Latijn en Grieks (gymnasium); vooral aan 't Grieks had hij 't land. Hij paste, zoals zoveel goede leerlingen, niet in 't vervelende klassikale onderwijs.
Maar het leven gaat verder. Augustinus gaat van de lagere school naar wat wij 't gymnasium noemen. Hij moet van huis. Hij gaat naar Madaura, dat hogerop ligt, verder van de kust naar het binnenland, ook hoger boven de zee naar de bergen toe. Het lag aan de militaire weg van Hippo naar Theveste.
Van Madaura is zo goed als niets meer over. Wij zagen de resten, het theater en een Byzantijns fort. Daar te Madaura was meer lucht, meer licht, meer ruimte. De nabijheid van het hooggebergte laat zich gevoelen. De meerderheid van de bevolking was hier nog heiden. Hier heeft Augustinus in het theater gezeten dat wij zagen. Maar hij is er gekomen om de Griekse en Romeinse schrijvers te lezen, die wij op 't gymnasium ook nog lezen. De Ilias en Odyssee van Homerus, oude Europese poëzie, en Virgilius, de grote Latijnse dichter van de dagen van keizer Augustus. In de leerstof blijft het oude heidendom het langst leven. De wis- en natuurkundige vakken werden toen veel minder onderwezen. Men leerde de kunst om goed te kunnen spreken, de retoriek. In de grote dagen van de Republiek was dat om aan de politiek mee te doen. In Augustinus' tijd was dat niet meer mogelijk. Alles was administratief geregeld. Door een redevoering kon men niet meer invloed op de gang van zaken uitoefenen, maar 't was een spel geworden: retoriek.2 't Gaf iets sierlijks aan de opvoeding, iets geestelijks, dat er nu vaak aan ontbreekt. 't Gaat nu vaak alleen om dagelijkse dingen. Om 1 + 1 = 2 in 't groot. De grote vakantie werd voor Augustinus langer dan hij wenste. Zijn vader had geen geld meer voor zijn studie. Hij moest een jaar thuis blijven. Het is in die te lange vakantie, die Augustinus niet altijd goed besteedde, dat de band tussen moeder en zoon begonnen is nauwer te worden. Patricius was niet slecht maar ruw; hij sloeg zijn vrouw soms, zoals de Africanen toen meer deden. En Monnica zocht troost bij haar zoon.
Nu was er een rijke vriend van zijn vader, die in de zomer te Thagaste woonde, in de winter te Carthago. Deze maakte de voortzetting van de studie mogelijk. Een mecenas.
Carthago was een wereldstad. Een tweede Rome. Een tijdlang heeft hij zich daar als in een maalstroom, een draaikolk gevoeld, de jonge student uit de provincie. Maar het heeft niet lang geduurd. Door de rooster van de universiteit, waaraan hij studeerde, kwam hij tot de lezing van een klein boekje van één van Romes bekende grote mannen, Cicero, die een 400 jaar vroeger geleefd heeft en wiens geschriften de jongens en meisjes op het gymnasium nu nog moeten lezen.
Cicero heeft twee reeksen van geschriften gemaakt. Hij was advocaat en politicus. Als zodanig heeft hij pleidooien gehouden voor de rechtbank en voor de volksvertegenwoordiging. Maar als hij buiten de politiek was, vrijwillig of gedwongen, dan schreef hij wijsgerige boeken. Die eerste soort geschriften zijn van de politieke spreker. De tweede zijn van de wijsgerige denker. Dat aparte denken, daar deden de Romeinen in hun grote tijd niet veel aan. Zij waren een praktisch en politiek volk. De Grieken, dat waren de grote denkers van de oudheid. Op den duur, toen de keizers de mensen de politiek uit de handen namen en het rijk een ambtenarenstaat werd, toen zijn ze van nood ook een beetje aan het denken gegaan. Maar ze leenden dan heel sterk hun gedachten van de Griekse schrijvers. Dat heeft Cicero ook gedaan.3 Welnu, zo'n boekje om het denken aan te bevelen, Hortensius heet het, kreeg Augustinus in handen. Dat maakte een diepe indruk op hem en bracht de eerste grote crisis of bekering in zijn leven.
Zijn vak was om de kunst van spreken te leren. Hij begint nu met de waarheid te zoeken. Van de welsprekendheid keert hij zich nu naar het juiste denken. Dat is een hele omkering. In zoverre heeft de exacte wetenschap ook iets christelijks. Een jonge student die midden in een grote wereldstaat, waar alles erom gaat te glanzen en te schitteren, zich keert tot het zoeken van waarheid. Augustinus was christen door zijn moeder en zo bracht hem deze verandering in zijn leven ook dadelijk in de richting van het christendom. Hij ging de bijbel lezen. Maar het beviel hem slecht. Vooral met het Oude Testament kon hij het slecht vinden. Hij vond de taal zo weinig in overeenstemming met wat hij leerde en vooral aan de inhoud stootte hij zich. Nu is er ook groot verschil tussen de kolossale zeggingsmanier van een oudtestamentisch profeet en de gladde manier van een Cicero om de dingen te zeggen. Later, toen Augustinus de smaak van de bijbel gewonnen had, noemde hij Cicero een philosophaster of een diplomaat.b Maar als student kan hij dat verschil niet zien. Zo komt de latere kerkvader ertoe om zich bij een sekte aan te sluiten, die manicheeërs heetten. Dat was een soort namaak van de christelijke kerk. Het was oorspronkelijk een mengsel van heidendom, jodendom en christendom, zoals het mohammedanisme. Maar ze pasten zich sterk aan bij de christenvormen van Africa. Ze schoven dan hun eigenlijke leer en leven wat achteruit en deden zich voor als verlichte christenen. De moeilijkheden namen ze uit het christendom weg, zowel voor het verstand als voor het leven. Bij hen heeft Augustinus zich negen jaar van zijn leven aangesloten.
Tegen deze tijd is hij afgestudeerd. Hij wordt echter geen advocaat, zoals oorspronkelijk de bedoeling was, maar keert naar Thagaste terug. Hij wordt leraar in het kleine stadje. Maar er is een pijnlijke kloof tussen hem en zijn moeder gekomen. Hij is manicheeër. Zijn moeder is katholiek. Zij is nu weduwe en een strenggelovige vrouw. Zij is toegenomen in haar geloof. Zij weigert Augustinus onder haar dak op te nemen. Een pijnlijke scheiding tussen moeder en zoon. Maar we zien: bij Monnica weegt niet alleen het bloed, maar ook de geest.
In deze bittere tijd is het dat een priester de klagende vrouw troost met de bekende woorden: 'Een zoon van zoveel tranen kan niet verloren gaan.c Een poos later droomt Monnica. Ze ziet zichzelf op een drempel staan. Een lichtende gestalte komt naar haar toe en vraagt glimlachend naar de reden van haar grote droefheid. Als ze zegt dat het om haar zoon is, antwoordt hij: 'Zie, hij staat naast u op de drempel.' En toen zag ze het ook. Vol blijdschap vraagt ze nu Augustinus in haar huis terug. Deze komt, maar wil haar aan het verstand brengen dat zij tot hem zal overkomen. Dit maakt echter op Monnica geen indruk.d
Van dat ogenblik af aan is Monnica's geloof in de bekering van haar zoon onwankelbaar. Ze heeft lang moeten wachten. Negen jaren van bidden en wenen, terwijl Augustinus in zijn dwaling volhardt of langzamerhand, als hij het holle van de manicheeërs doorziet, een scepticus wordt, die aan alles twijfelt. Academici.
Wij zullen hem niet al die negen jaren volgen met onze gedachten, maar vlug de volgende jaren doorgaan. Hij keert uit Thagaste naar Carthago terug, waar hij leraar in de welsprekendheid wordt. Zijn moeder volgt hem naar die stad. Hij blijft er negen jaren. Het zijn de jaren waarvan hij vooral belijdenis heeft gedaan in zijn boek, de Belijdenissen. Het is de zwarte plek in zijn leven, waarover hij in dat boek een biecht doet.
Uiterlijk zijn ze niet zwart. Hij is een nette man in een nette betrekking. Maar uit het oogpunt van zijn christelijke belijdenis, waartoe hij later komt, zijn ze donker. Hij was toen lid van een schijnkerk, waarin men zonder berouw en zonder schuldvergeving met God kon leven. Een begrippenkerk zonder ergernissen voor het verstand. De jaren te Carthago bleven onbevredigend. Zijn geestelijk leven in de manicheeënkerk begint hij als een dwaling te zien. Dit is de tijd waarin het stil is in zijn leven. Er is gedruis genoeg in de grote wereldstad, maar God is stil. Hij hoort de stem van God niet.4
Het leven van een kerkvader moet men niet beoordelen naar het aantal kilometers dat hij met zijn auto rijdt, of uitwendige voorspoed, maar naar het gehalte aan eeuwigheid, dat er in zijn leven openbaar wordt. Zo heeft Augustinus het zelf beoordeeld. En dan waren dit de donkere jaren van zijn leven.
We slaan nu een tijd over. Augustinus heeft Africa verlaten. Zijn moeder op het strand. Rome. Hij woont nu te Milaan, waar hij professor is in de welsprekendheid. Het is een vaste, eervolle betrekking in de keizerlijke residentie, met een goed salaris. Velen benijden hem. Maar geestelijk is hij bankroet. Hij benijdt een dronken bedelaar. Innerlijk is hij hol en onbevredigd. ⚑Hij twijfelt of hij ooit de waarheid zal vinden. Zijn moeder is hem gevolgd. Het is weer moeder en zoon, zoals vroeger. De een vol geloof, de ander geestelijk leeg.
In Milaan is Ambrosius bisschop, een merkwaardige figuur. Hij was overheidspersoon geweest. Zijn vader was gouverneur in Gallië geweest. Hijzelf stond aan het hoofd van een paar provincies in Noord-Italië. Hij was een echte Romein: praktisch, goed administrateur, correct, voornaam, een redenaar van naam, fijn beschaafd.
Zoals het toen soms ging, had het volk hem ineens met luid geroep tot bisschop van hun kerk gekozen. Hij was een even goed geestelijke als hij stadhouder geweest was. Hij dorst ook tegenover de keizer met gezag op te treden. Aan keizer Theodosius, die een bloedbad had laten aanrichten in Thessalonica, weigerde hij eens de toegang tot het Heilig Avondmaal.
Monnica was spoedig met de bisschop vertrouwd. Ambrosius zag het bijzondere van deze zeldzame vrouw. Augustinus kwam niet met hem op een intieme voet. Er was teveel verschil tussen de correcte doelbewuste Romein en de interessante onrustige waarheidszoeker.
In dit milieu is Augustinus langzamerhand tot het christendom gekomen.5 Hij werd overtuigd. Maar dat bracht allerlei consequenties mee waartegen hij in verzet bleef. Hij wilde wel en wilde toch niet. Hij tekent in zijn Belijdenissen hoe zijn oude gewoonten aan zijn jas trokken. Als hij zijn christelijke belijdenis wilde doen, dan fluisterden ze: 'Dan dat nooit meer! Stel het uit.e Dit uitstel wordt hem tenslotte tot een vreselijke kwelling, maar hij kan er niet mee breken.
Dan komt het beroemde tafereel in zijn tuin. Hij kreeg bezoek van een keizerlijk beambte, een christen. Zijn vriend Alypius was er ook. Het gesprek kwam op Paulus' brieven, die op tafel lagen. Toen sprak men over de monniken in Egypte, die daar in groten getale een heilig en arm leven leidden als Jezus. Wat had men ook aan aardse goederen. Men moest toch alles aan belasting betalen. En de barbaren van over de Rijn haalden straks toch alles weg. Zijn bezoeker vertelt van gewone soldaten in het kamp die begonnen waren een heilig leven te leiden. Men kan zich zo'n gesprek in onze dagen weer goed indenken. Augustinus is geheel onder de indruk. Als de bezoeker weg is, gaat hij in de tuin met Alypius, zijn vriend. In de grootste gemoedsbeweging werpt hij zich in de tuin ter aarde. Dan hoort hij stemmen: 'Neem en lees!' Wat het geweest is, wist Augustinus zelf ook niet. Hij vroeg later na of er zo'n kinderspel bestond en hij dat gehoord kon hebben. Maar men wist er niet van. Augustinus nam het aan als een stem uit de hemel. Hij nam de brieven van Paulus en las. Zijn oog valt op een tekst: 'Doet aan de Heer Jezus Christus en verzorg het vlees niet tot begeerlijkheid (Rom. 13: 14). ⚑Dit besliste over Augustinus' toekomst.f
Cassiciacum. Daarop is Augustinus dan op Pasen 387 gedoopt door bisschop Ambrosius. Monnica's gebeden waren verhoord. Moeder en zoon willen nu naar Africa terug. Augustinus wil er met haar en enkele vrienden een teruggetrokken en heilig leven leiden van geestelijke bespiegeling. Ze reizen naar Rome en wachten te Ostia aan de Tiber op scheepsgelegenheid. Daar heeft het beroemde gesprek plaatsgehad tussen moeder en zoon, dat alle christelijke eeuwen door ieder die het las altijd weer ontroerde. Ze leunden aan een venster. Men zag er uit over Rome. Maar Rome boeide hen niet. Het is tot ondergang gedoemd. Alle schepsels riepen: 'Zoek hogerop.' Na afloop zei Monnica: 'Mijn zoon er is niets meer wat mij bekoort in dit leven. Ik weet niet wat ik hier beneden nog doe, noch waarom ik er nog ben. Alleen om u christen te zien wilde ik nog blijven. Wat doe ik hier nog?'g Zes dagen later werd ze ziek. Midden in de koorts werd ze wakker. 'Waar was ik?', riep ze. Toen ze de ontsteltenis op de gezichten zag, zei ze: 'Gij moet uw moeder hier begraven.' 'Neen', zei Navigius, Augustinus' broer, 'gij zult uw vaderland terugzien.' Monnica keek Augustinus aan en zei: 'Begrijpt gij wat ik zeg? Begraaf mij waar gij wilt, maar gedenk mij voor het altaar waar gij ook zijt.'h De laatste wortel van het heidendom, het hangen aan de bodem, was daar doorgesneden. Monnica hoorde de hemel toe.
Augustinus is enige tijd later naar Africa teruggekeerd. Ik heb u vanavond vooral moeder en zoon willen laten zien. Dat moet men eerst weten. We zullen geen tijd hebben bisschop Augustinus te tekenen, de kerkvader van ons werelddeel. Een paar episoden wil ik meedelen. Het was Augustinus' plan niet om praktisch in de kerk werkzaam te zijn. Hij wilde het stille beschouwende leven zoeken met enkele gelijkgezinde vrienden. Hij gaf zijn goed aan de armen. Maar terwijl hij een keer te Hippo was, werd hij bij verrassing tot presbyter, lerend ouderling uitgeroepen (391). Men moest dat aannemen. Hij kende de landstaal, was bekend redenaar en zijn vroomheid en mildheid waren bekend geworden. Hij moest de bisschop van Hippo helpen. In 395 werd hij medebisschop, wat iets nieuws was. Sommigen hadden bezwaar, omdat hij manicheeër geweest was. Daarom schreef hij de Confessiones.
In 393 valt de spannende kerkdienst waarin Augustinus sprak om aan de onstichtelijke feestmalen in de kerken op de sterfdagen der martelaren een einde te maken. We zien hier de nog jonge kerkvader in zijn kracht. Met ontzaglijke ernst wijst hij hen op het zondige van hun doen en wijst hen naar het laatste oordeel. Dan roept hij hun medelijden in, omdat hij rekenschap moet geven van hun zielen. Dan zet hij zich zwijgend en wenend neer.i Er waren nog wel onwilligen, maar de oude gewoonte was gebroken.
Twintig jaar later valt een andere beroemde preek. Augustinus is in Caesarea, heel in het westen van Mauretanië. Daar heerste de caterva. Augustinus preekte ertegen. Men juichte om zijn geweldige rede. Maar zolang ze hem toejuichen vertrouwt hij het niet. Pas als hij hen in tranen ziet weet hij 't eerst zeker.j
De betekenis die Augustinus voor de Westerse kerk heeft gehad gaat vooral uit van zijn geschriften. Hij leefde op de grens van de periode waar de martelaarskerk ophoudt en de middeleeuwse priester-zendingskerk begint. De kerk wordt een vaste instelling, terwijl ze eerst een evangeliserende broederschap was. Zij moest haar plaats in de wereld bepalen. Augustinus heeft al zijn denkarbeid daartoe aangewend om de vormen te scheppen voor het Europese kerkelijke leven in denken en doen. De kerk van Africa, met haar synodes, jaarlijkse vergaderingen onder leiding van de bisschop van Carthago, Aurelius, de vriend van Augustinus, is zelf ondergegaan. Eerst de Vandalen, later de mohammedanen. Maar zij is het model geworden waarnaar later de kerk in Europa is opgebouwd.
Dit werk is niet gemakkelijk geweest. Door de hele kerkgeschiedenis van Africa leeft een scheuring, die hierin haar oorzaak vond, dat de tweede periode der kerk, de bisschoppelijke katholieke kerk, afbrak van de eerste, de martelaarskerk. De ene partij waren de donatisten (naar Donatus), de andere de katholieken. De strijd was al lang voor Augustinus aan de gang. Reeds Cyprianus, die zelf beide is geweest, martelaar en bisschop, had met die tegenstelling te kampen. Toen Augustinus bisschop werd waren de donatisten in de meerderheid. Hijzelf had te Hippo eerst maar een kleine gemeente vergeleken met die van de donatisten.
Wat was nu het verschil? Een martelaar is een zichtbare heilige. De hemelse kroon wordt hem in zijn dood al op het hoofd gezet. Ik denk aan Stefanus, die Jezus zag staan toen hij gestenigd werd (Hand. 7 : 55). Perpetua en Felicitas waren ook zo gestorven. En als een martelaar niet gedood werd, dan keerde hij met een zeker gezag in het leven terug. Mensen die boete wilden doen voor hun zonden om weer in de kerk te worden opgenomen, riepen hun bemiddeling in buiten de bisschop (Cyprianus) om. Zo'n hemels gezag had een gewone bisschop niet. Hij was aangesteld, zoals Ambrosius en Augustinus. En de gemeenteleden waren in de tweede periode van de kerk ook niet allen mensen die door eigen keus christen waren geworden. Velen waren natuurlijk christen door geboorte. Hun lidmaatschap viel onder de regering van christelijke keizers. De vervolgingen waren uit. En de wereld stroomde in de kerk. In de latere tijd van Augustinus' leven werden de heidense tempels gesloten en alleen de kerken bleven open. De kerk richtte zich in als een maatschappij van blijvende aard naast de staat. Augustinus zweefde zelfs de gedachte voor dat zij de staatsorde zou vervangen. De staatsarmenzorg had zij overgenomen. Een deel van de rechtspraak ook. Zij had haar eigen recht, het canonieke recht. Zij had en vertegenwoordiging, het synodaal-wezen. De keizer was gewoon haar lid.
De heiligheid der kerk werd op die wijze minder zichtbaar dan in een martelaarskerk. Er moest veel meer gegeven en genomen worden. De Africanen hadden moeite die overgang mee te maken. En toch moest die overgang, onder leiding van Augustinus' denken, juist daar het duidelijkst worden voltrokken. Dat is de strijd tussen de donatisten en de katholieken geweest. Dat iemand die tijdens een vervolging afvallig was geworden en bijv. heilige schriften had overgegeven aan de overheid, later weer bisschop zou kunnen worden, dat wilden ze niet. Zelf waren ze niet beter dan de katholieken. De wereld ging zijn gang en zij waren ook geen martelaars meer. Maar zij wilden de manieren van een martelaarskerk bewaren. De veranderde vorm van heiligheid, het geduldig dienen, vergaderen, het gevallene oprichten, in de wereld toch niet van de wereld zijn, deze vorm van heiligheid wisten ze niet te schatten. Augustinus' Augustinus' werk in Africa is geweest de kerk op deze wissel over te leiden. Daartoe moest hij met de donatisten strijden. Deze wilden geen debat. De loop der dingen moest hen in het nadeel stellen. Wat hun aan wezenlijke kracht ontbrak moesten ze door koppigheid en hooghartigheid aanvullen. Zij, de zonen der martelaren, wilden, zeiden ze, niet praten met de kinderen dergenen die bijbels hadden uitgeleverd tijdens een vervolging.
Augustinus stelde de eenheid voorop. De kerk was één over de hele wereld. En de kerk moest algemeen zijn. Zij moest als een moeder de schare bevatten. Ze moest geduldig dragen, opvoeden. Uit dit conflict is de Europese kerk gegroeid. Het model heeft Augustinus in Africa opgesteld en de Middeleeuwen hebben het overgenomen voor het Frankische rijk. Bonifatius heeft de kerk hier geplant. Het is de zendingskerk in Europa geworden, die de jonge volkeren van Europa in haar schoot opnam. De strijd met de donatisten is echter bitter geweest. Trek voor trek heeft Augustinus in deze strijd de kenmerken van de katholieke kerk vastgesteld. Hij heeft de katholieke kerk van Africa met behulp van zijn vriend Aurelius, bisschop van Carthago, het hoofd van de Africaanse kerk, opgebouwd. Tenslotte met behulp van de keizerlijke macht. De donatisten zijn geëindigd als rovende benden die met moord en brandstichting het land doortrokken. Merkwaardig dat deze Africaanse kerk niet gebleven is (Vandalen: arianen, mohammedanisme). Plaatsbekledend lijden voor de kerk van heel Europa of spiegel van onze tijd? Heiden - christen. Folklore, sport - bodem, bloed, oorlog.
Woord en geest.