O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← HerscheppingInhoudSchrift en belijdenis →

Verzamelde Werken, deel 2 · p. 323–348

Binnen de pinkstercirkel1

Inleiding

In deze bijdrage wil ik, daartoe aangezocht door de redactie van dit boek, trachten iets te geven in verband met de toespraken, die toekomstige kampleiders hebben te houden. Hun taak lijkt mij buitengewoon belangrijk, maar moeilijk, heel moeilijk. En die moeilijkheid komt heel sterk op mij af, nu ik deze bladzijden ga schrijven. Hoe moet ik het aanleggen als ze er iets aan zullen hebben? Deze vraag heeft mij lang bezig gehouden.

A. De methode

Afstemming van de kerkelijke regel op het kamp

In de eigenlijke nood van de kampleider moet God voorzien. Voor wat hij gaat zeggen, heeft hij Gods genade nodig. En de behoefte daaraan is omgekeerd evenredig met de leeftijd van zijn gehoor. - Overigens bestaat de enige mogelijkheid om hem te helpen in het inschakelen van de spreker in een groter verband. De verantwoordelijkheid voor een absoluut eigen woord is voor geen mens te dragen. - De kerkelijke regel, die hiervoor dienen moet, heb ik in mijn Herschepping behandeld. Hier moet deze regel, die voor de kerk in haar geheel geldt, worden afgestemd op de behoeften van het kamp. Daarbij komt dan de vraag naar de stof sterk op de voorgrond. De kampleider vraagt zich af. waarover zal ik spreken? Pas daarna: hoe zal ik het doen?

De pinkstercirkel

Wie in gewoon-kerkelijk verband spreekt, is in dat opzicht sterk gebonden. Er zijn kerken waarin iedere zondag zijn vaste tekst heeft. In onze gereformeerde kerken is dat niet het geval. Maar wel is de stof der verkondiging door de feestdagen ten dele vastgelegd. Vier weken voor Kerstmis begint de adventsprediking. Daarna komt het leven van Jezus aan de beurt. Zeven weken voor Pasen begint de lijdensprediking, terwijl na Pasen de gedachten door de opstanding worden vastgehouden. Pas na Pinksteren ligt dan verder de hele bijbel open. De pinkstercirkel is de wijdste.

Vaak wordt dat zo opgevat alsof er dan geen bepaling van de stof meer zou bestaan. Men spreekt zelfs van een 'feestloze' helft van het kerkelijk jaar; een soort slappe tijd. - Dat is onjuist. Ook dan neemt de prediking deel aan de beweging van het kerkelijk jaar. Zij gehoorzaamt aan de wet der gravitatie die daar geldt. Men mag zich nooit buiten de pinkstercirkel begeven.

Kamp en pinkstercirkel

Dat geldt ook van de toespraken in het kamp. Daardoor is een der noden van het kamp reeds ondervangen, nl. de schijn alsof men aan de stuwing van het kerkelijk jaar ontheven zou zijn. Die problematische weelde moeten wij ons ontzeggen. Men mag geen kamp-evangelie samenstellen naar eigen believen. Wij kunnen de tijd van het kerkelijk jaar niet missen. Doen wij dat, dan worden wij modern-religieus. Wij grijpen naar godsdienstige stof die altijd en overal te vinden is, in plaats van naar die, welke door de wenteling van 'het jaar des heils' naar ons toegevoerd wordt.

Algemeenheid en heilsfeiten

Daarmee is niet ontkend dat de te behandelen onderwerpen een zeker karakter van algemeenheid zullen dragen. Daarvoor beweegt men zich dan ook binnen de pinkstercirkel en niet in die van Kerstmis of Pasen. Het komt er op aan dat ieder het Evangelie nu in zijn eigen taal leert verstaan. Maar de bepaaldheid van Kerstmis en Pasen mag daarbij niet vervaagd worden, wat op vrijzinnig-christelijk standpunt gebeurt. Wij mogen geen christelijke sfeer scheppen, die niet als dampkring rondom de bijbelse heilsfeiten fungeert.

Het kamp en de tijd

De tijd, waardoor zo de algemeenheid van ons spreken beperkt wordt, is Gods tijd. De profeten wijzen vooruit in de tijd. Jezus is gekomen in de volheid des tijds (Gal. 4: 4). Hij is gekruisigd toen zijn ure gekomen was (Matth. 26 : 45). De discipelen moesten te Jeruzalem wachten op de Heilige Geest (Hand. 1 : 4). En in de pinkstercirkel blijft de tijd regeren. Jezus houdt zijn ure, ofschoon niemand die weet (Matth. 24 : 36). En ook iedere toespraak heeft haar ure (Matth. 10: 19). Men zegt geen dingen die altijd en overal gezegd kunnen worden. Het moment kan van onberekenbaar gewicht zijn en de stoot geven tot 'een eeuwige beweging'.

Romantisch of geestelijk

Daarom moet men leren onderscheiden tussen het romantische en het geestelijke. De romantiek zoekt gelegenheid te scheppen om iets interessants te beleven. Geestelijk is het uur dat wij in de pinkstercirkel horen slaan. Het is niet helemaal van ons. Wij staan dan met God en de naaste verbonden en in zoverre heeft het eeuwigheid aan zich. De toespraak in de pinkstercirkel behoeft dus ook niet angstig-persoonlijk te zijn. Het Evangelie heeft, zoals wij verder zullen zien, juist de strekking ons van enghartigheid te verlossen door het geloof aan de gemeenschap der heiligen. In de meest-beslissende ogenblikken van ons leven staan wij mede voor rekening van God en de naaste. Het algemene in de pinkstercirkel is niet iets afgetrokkens, maar het is het krachtig-algemene, de kracht Gods tot zaligheid in de heilige, algemene, christelijke kerk. In die sfeer kan men opwassen als een kind in huis. Men ontvangt er meer dan men geeft. Er wordt over ons beslist meer dan wij zelf beslissen.

De pinkstercirkel en de kampleeftijd

De eis van algemeenheid in de toespraak wordt meer speciaal gesteund door de leeftijd van de deelnemers aan het kamp. Die is nog niet voluit zulk een, waarin de meest-persoonlijke beslissingen vallen. - Wel is er ernst aanwezig. De opgeschoten jongen is ernstiger dan zijn opvolger, de jongeman. in de verwoedheid, waarmee hij de realiteit te lijf gaat, komt hij overeen met de man van middelbare leeftijd. Maar zijn houding is een voorlopige, geen definitieve. - Hij past heel goed in de pinkstercirkel, waarin stof uit het Oude Testament en de Handelingen aan de orde komt. De felle stroomversnellingen der heilsgeschiedenis, waarmee de kerk op Kerstmis en Pasen te doen heeft, kan hij moeilijker meemaken.

Geen vaagheid maar zakelijkheid

Als men dit vergeet, maakt men de toespraak op verkeerde wijze algemeen, dus vaag. Dat gebeurt, als men centraal wil zijn en merkt dat men het niet kan. Het is een hachelijk ding om over Jezus vaag te spreken. Als men vraagt: 'wat zou Jezus doen'; of: 'wat zou Jezus zeggen'. Dat kan de kampleider heus niet zeggen. Daarvoor is Christus God. Wij hebben te doen met wat Hij gedaan heeft en met wat Hij gezegd heeft. Wij mogen het Evangelie niet vulgair maken.

Beter doen wij met in de bijbel naar de kanten te gaan, waar wij het krachtig-algemene vinden. Daar spreekt het absoluut-historische minder sterk, zodat wij ook zakelijke peilingen kunnen doen. Wat Amos zou zeggen of wat Paulus zou doen, dat laat zich iets beter vragen dan bij Jezus. De gravitatie van de pinkstercirkel werkt er minder sterk.

Zakelijkheid en historie

Daardoor wordt de dogmatische regel der kerk, die voor de hele gemeente geldt, maar die inzonderheid op de volwassen gelovigen is ingesteld, enigszins ontspannen. Er komt plaats voor een zekere zakelijkheid, voor het beschouwen van godsdienstige waarheden, instellingen, ambten, wetten. Historiciteit is in de bijbel een gedifferentieerd begrip. In de oergeschiedenis heeft het een andere spanning dan bij de aartsvaders; en daar weer een andere dan in het boek Koningen. In het Oude Testament en de Handelingen heeft de tijd niet die hoge exponent als in de evangeliën, waar hij bijna wordt opgeheven in de wenteling der eeuwigheid.

Bijbelse zakelijkheid

Wanneer wij in het kamp een zekere zakelijkheid betrachten, dan mogen wij toch de grens van de pinkstercirkel nooit overschrijden. Daarbinnen wordt het algemene nooit vaag of abstract; het blijft geestelijk, krachtig, op Christus betrokken. Vergeten wij dat, dan gaan wij (zoals men dat noemt) de dingen nemen zoals ze zijn. Zulk een absolute zakelijkheid kent de bijbel niet. Hij kent geen lapidaire schepping, die een lunair landschap, een geestelijk Montenegro zou zijn. Het staat alles in het teken van kruis en opstanding.

Zakelijkheid en Evangelie

Wanneer men dit goed verstaan heeft, kan men zelfs de evangeliën nog wel op meer algemene wijze bespreken, zonder daarbij vaag te worden. Op de manier waarop het leven van Jezus in de middeleeuwen vaak behandeld werd. Men verstond daar toen iets anders onder dan wij nu. Men lette dan niet op de overgangen in dat leven, maar zette het als het ware telkens stil, om dan met eerbied naar de figuur daarvan te schouwen. Men vroeg naar de figuurlijke zin en vond die in allerlei personen, instellingen, handelingen, zaken uit het Oude Testament, die men typen en symbolen noemde. Daarin zag men een goddelijk schimmenspel. Zo werd de laatste spanning uit het leven van Jezus enigszins weggenomen. Deze beschouwing was meer op devotie dan op geloof ingesteld. Zij beoogde meer vroomheid dan bekering. Zonder moraliserend te worden wekte zij stemmingen, die als moederschoot voor het geloof konden dienen.

Geen gewilde actualiteit

De toespraak in het kamp behoeft niet te jagen naar actualiteit. Er mag een rustige sfeer heersen, waarin niets geforceerd wordt. - Dit betekent allereerst dat er geen boetpredikaties gehouden worden. Wat ook - zoals iemand gezegd heeft - het allergoedkoopste is. Alleen een bepaalde situatie in het kamp zou er, bij uitzondering, aanleiding toe kunnen geven. En de slag is verloren als ze dan geen effect heeft. In alle andere gevallen is het een op de vlucht slaan voor het gehoor.

Binnen de pinkstercirkel ontstaat onze stof vanzelf

In de toespraak moeten wij de dingen in bijbels licht zetten. Als wij naar stof zoeken behoren wij er aan te denken, dat God de Schepper is en dat dus alle stof een positieve of negatieve verhouding tot Hem bezit. Alles stijgt tot Hem op of valt van Hem af. Binnen de pinkstercirkel is geen neutrale stof. Maar onder dat voorbehoud heeft men dan ook alle stof tot zijn beschikking. De Heilige Geest is de Herschepper en niets valt buiten zijn werkkring. Wie onbijbels wordt in de toespraak, krijgt dadelijk een gevoel van armoede. ⚑Men krijgt het gevoel buiten de orde te zijn. Men wordt literair of filosofisch, met al de gevolgen van dien. - Binnen de pinkstercirkel echter ontstaat de stof der prediking voor onze ogen, zoals in het mozaïsch verhaal van Genesis 1. Door de bril van de Heilige Schrifta leren wij haar ontdekken.

De stof wordt niet alleen in de bijbel gevonden

Stof voor de toespraak is echter niet alleen, wat in de bijbel staat. Wel hebben wij de hulp van de Schrift nodig om haar te ontdekken, zoals wij de stofdwarreling zien in een zonnestraal. Enerzijds ligt daarin sterke beperking; de straal valt niet overal; er is afsluiting en opening nodig. "De Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus de gelovigen zou gegeven worden" (Gal. 3 : 22). - Maar zoals de stofdwarreling in het licht ons een profetie is van een nieuwe aarde, zo predikt eik onderwerp in het kamp van Christus en neemt deel aan de nieuwe gravitatie van de pinkstercirkel.

'Stoffen' in het meervoud

Daaruit volgt dat wij over de waarheid Gods slechts stuksgewijze kunnen spreken. Soms heeft men gemeend daartegen te moeten waarschuwen. Men moest, zo meende men, opruiming houden onder het gruis van perikopen en teksten; om zo de historische Jezus in het oog te krijgen. Of als dat niet ging, dan moest men Christus mystisch of sacramenteel zoeken te benaderen. Maar Christus blijft voor ons op de afstand van de Geest. Jezus zegt: "Hij zal het uit het mijne nemen, en zal het u verkondigen" (Joh. 16 : 14). Tot een volledig "aangezicht tot aangezicht" (1 Kor. 13 : 12) kan het hier niet komen. Wij mogen de grenzen van de geestelijke nuchterheid des bijbels niet overschrijden.

Onze indeling

Wanneer ik nu ga trachten enige orde in de stof te ontdekken, dan spreekt het, na het voorafgaande, wel vanzelf, dat ik dat ga doen met behulp van de bijbel. En in de tweede plaats, dat ik daarbij nu vooral gebruik maak van wat ik de kanten van de bijbel genoemd heb. Ik zal de evangeliën niet helemaal verwaarlozen, maar ze staan hier, nu ik de kerkelijke regel afstem op het kamp, niet voorop, om redenen die ik boven aangaf. Voor zover ze behandeld worden, zijn ze min of meer verzakelijkt. Maar ook dan nog blijft dit, zoals wij zullen zien, de meest persoonlijke afdeling.

Zo ontstaat de volgende indeling:

1. De kosmische onderwerpen (oergeschiedenis). ⚑2. De culturele onderwerpen (algemene geschiedenis).

3. De morele onderwerpen (geschiedenis van Israël).
4. De persoonlijke onderwerpen (evangeliën).
5. De sociale onderwerpen (Handelingen der Apostelen).

Daarbij moet in het oog gehouden worden, dat de onderwerpen niet streng te scheiden zijn. En niet het minst, dat al deze aanduidingen met een bijbels voorteken gelezen moeten worden. Het kosmische, het culturele, het morele, het persoonlijke, het sociale, alles draagt binnen de pinkstercirkel een eigen aangezicht. - Ook zal ik niet trachten volledig te zijn. Voor iedere groep geef ik slechts enkele typische voorbeelden.

B. De stof

1. De kosmische onderwerpen

De angst

Wanneer wij binnen de pinkstercirkel over de schepping spreken, dan kan onze zakelijkheid niet absoluut zijn. Wij komen daar niet in aanraking met dingen, maar met geesten. En met deze weer niet als bestaande zonder meer, maar in gestoorde toestand. De Heilige Geest is de Herschepper. De meest algemene aanduiding van deze gestoorde geschapenheid is de angst. Een onbestemde beklemming, die de jeugd nog beter kent dan de volwassene. De angsten van het kind zijn meermalen beschreven, maar ze zijn dan ook werkelijk niet denkbeeldig. Het is een gevoel voor het ledige; een schrik voor het grote donker, verwant met, maar voorafgaande aan het schuldgevoel. Men zou het een kosmische duizeling kunnen noemen; een angst om buiten God te bestaan. Het bestaan zelf lijkt een fout te zijn, die door het niet-zijn gewroken dreigt te worden.

Wanneer men daarover spreekt buiten de pinkstercirkel, wordt het gevaarlijk. De diepte-psychologie van Freud voert in het erotische en de bestaansfilosofie van Heidegger in de dood. Beide zijn verwant.

Zulke dingen behoren in de lichtcirkel des bijbels getrokken te worden, opdat ze hun prikkel verliezen. Anders krijgen ze een grote, eigen plaats in het leven. Buiten de psychologie en de filosofie ze niet uit, dan doet de dichtende verbeelding dat. De kracht tot zedelijk en godsdienstig leven wordt daardoor verteerd.

De bijbel kent deze sfeer van de "eigene plaats" (Hand. 1 : 25), die ons in de figuren van Saul en Judas staat afgebeeld. Genesis 3 vooronderstelt haar. De val is een grijpen naar steun buiten God, om aan de angst te ontkomen. En na de uitstorting des Heiligen Geestes ziet Paulus daarin nog de meest algemene karakteristiek van de schepping (Rom. 8 : 22). Bij mensen als Paulus, Franciscus Xaverius,2 Livingstone,3 is deze wereldangst door de doop des Heiligen Geestes gesublimeerd tot een drang om de wereld met liefde te omvatten.

Dit is één voorbeeld van wat ik een zakelijke manier van bespreking noemde. De schepping is hier beschouwd op een zeer algemene wijze. Wij zijn zo ver mogelijk naar de kanten van de bijbel gegaan. Wij zijn hier ver van de voldragen angsten van Jezus in Gethsemané, die vlak voor de grote beslissing in het Evangelie staan. En toch is er verband. Wij zijn binnen de pinkstercirkel gebleven. Paulus zegt dat het angstige schepsel "verwacht de openbaring der kinderen Gods" (Rom. 8 : 19). - Heel anders zou het geweest zijn als wij onderwerpen gekozen hadden als 'stof en geest', 'gebondenheid en vrijheid'. Die horen in de neutrale sfeer. Binnen de pinkstercirkel is de meest algemene kwalificatie van geschapen-zijn: angstig zijn. Het schepsel, de heiden, is een angstig wezen.

Het kamp kan aan zulk een bespreking deelnemen, zonder dat de laatste, beslissende vragen gesteld worden. En toch zal men dan over de schepping spreken als deelnemer. Ieder weet er van mee te praten.

Het geweten

Iets verder van de omtrek komen we reeds, als we over het geweten preken. Wij gebruiken dat woord in allerlei betekenissen. Maar oorspronkelijk wordt er een sterke angst mee aangeduid. Het geweten is heel primitief; het staat diep in de schepping. - Maar de gewetensangst is reeds meer bepaald dan de wereldangst. Hij brengt op pijnlijke wijze het eigen bestaan tot bewustzijn. De dreiging gaat nu niet uit van de "buitenste duisternis" (Matth. 8 : 12) maar van "het licht, dat in u is" en dat tot duisternis is geworden (Matth. 6 : 23). Dit primitieve geweten is een boos ding. Het bezit een reflexieve werking, die ons op ons zelf terug werpt. Het verlost niet, maar sluit op. Naar zijn grondvorm is het nog nauwelijks zedelijk te noemen. Het geeft geen kennis van het goede, maar alleen van het kwade. Het waarschuwt niet vooruit, maar veroordeelt achteraf. Het treedt op tegelijk met de val, die niet houdt wat hij belooft (Gen. 3 : 5), maar enkel kennis van het kwade geeft. Het brengt ons dat kwade thuis.

Dit geweten verwoest de zielen. Het is een werktuig van de "overste dezer wereld" (Joh. 14 : 30), een overblijfsel van de eerste schepping. Satan staat er mee aan iemands rechterhand, dat hij schuldig uitga en zijn gebed tot zonde worde (Ps. 109 : 6 en 7). Wij moeten het ruilen tegen de Heilige Geest, die zijn beloften wel houdt (Ef. 1 : 13) en die ons werkelijk brengt "de onderscheiding beide des goeds en des kwaads" (Hebr. 5 : 14); die inderdaad weet wat God weet (Gen. 3 : 5; 1 Kor. 2 : 10). Die Geest klaagt ook niet achteraf aan, maar spreekt vooruit vrij (Ef. 1 : 14). Hij is het onderpand van de tweede schepping. Christus staat er mee aan onze linkerhand (Matth. 25 : 34; Joh. 5 : 14).

De schaamte

De schaamte is de ruimtelijke vorm van het primitieve geweten; eveneens reflexief. Waar de wereldangst mathematisch-ruimtelijk is, is de schaamte fysiek-ruimtelijk. De bijbel laat haar ook met de val ontstaan. - Zij laat de eerste, verwarde omtrekken der persoonlijkheid zien. Zij omschrijft die weliswaar met haar rood nog slechts lichamelijk, maar duidt haar toch aan, al is het dan nog vaag.

De schaamte leert ons, dat niet alleen de natuur, zoals wij die uit de bijbel kennen, maar ook de persoonlijkheid zondig is. In de wijsbegeerte en de zedekunde komt de natuur soms voor als een zondig, en de persoonlijkheid daartegenover als een goddelijk beginsel. Van die tegenstelling van natuur en geest weet de bijbel niet. De schaamte wijst vooral de persoon als zondig aan. Natuur en persoon zijn niet zonder meer goed te noemen; evenmin mag de ene boos en de andere goed heten. De persoonlijkheid is een schaamte-verschijnsel. Zij is een geestelijke rok van vellen (Gen. 3 : 21), die hoe ook verfraaid, haar oorsprong blijft verraden.

De dood

Met de wereldangst en de gewetensangst staat de doodsangst in betrekking. Als een nachtmerrie zit ze de mensheid op de borst. Over het leven praten zonder daaraan te denken, is toch eigenlijk voor-de-mal-houderij. Vinet noemde een christen: iemand die de dood in het gezicht wenst te zien.b Paulus is niet gerust, voor deze prikkel (1 Kor. 15 : 55) is weggenomen. Wij kunnen niet zakelijk zijn, zonder aan dit "meest wisse wat ons overkomt" of dat "waarin een mens zich schikken moet" - zoals het volk zegt - aandacht te schenken.

De dood is de "bezoldiging der zonde" (Rom. 6 : 23). Dat de dood na de bedreiging van Genesis 3 : 3 niet gekomen zou zijn, is onjuist. Na Genesis 3 komt eerst de dood als daad (Gen. 4), dan als lot (Gen. 5), eindelijk als gericht (Gen. 6-1 0). Wij kennen hem nog in die drie vormen.

Deze vreze des doods, waarmee de mens de dienstbaarheid onderworpen is (Hebr. 2 : 15), behoort zeker in een zakelijke bespreking binnen de pinkstercirkel. Het Oude Testament is er vol van, met name de Psalmen. De jubel van Paulus' brieven staat met de overwinning van deze laatste vijand in verband.

God en de angst

In verband met deze vier angsten denkt het kamp aan God. Als wij de kampjeugd nemen zoals ze is en haar niet vooraf modelleren, dan zullen wij merken dat zij in dat opzicht bijbels denkt. Zij weet van God allereerst en het allermeest in verband met deze voor-zedelijke gesteldheden van het leven; deze sterke krampen van het bestaan. Zij spreekt daarover bij voorkeur niet. Maar zij verstaat de kampleider niet als hij vriendelijk, zo niet zoetelijk, over Jezus gaat beginnen en dan denkt dat zij zal begrijpen, dat hij het over God heeft. Zij blijft dan in haar eigen hoek en plaats zitten en zij heeft daarin gelijk.

Wanneer de toespraak niets kan doen om die hoeken op te klaren, dan kan ze evengoed worden nagelaten. Dan schept die jeugd straks een eigen God uit de eigen angsten, zoals dichters en wijsgeren dat alle eeuwen door gedaan hebben. Ook de grote staatslieden kennen de betekenis van dat pandemonium der erfzonde. Zij zoeken soms aansluiting aan deze gevoelens om hun een uitlaat te wijzen buiten het kruis, het berouw, de bekering, het geloof om. Daarbij wordt dan gerekend op de sterke spanning die er heerst in deze engten des levens.

Het zou niet goed zijn met jonge mensen druk en zwaar over geweten, schaamte, dood te praten. Maar men moet die machten goed in het oog houden, omdat zij er zelf telkens aan denken. De mens moet uit de erfzonde worden weggenomen en daarom houdt de schepping zo'n grote massale plaats in de toespraak. De angst moet binnen de pinkstercirkel getrokken worden, dan zal ze in het licht der gemeente haar prikkel verliezen. Een beetje goedkoop idealisme is daarvoor niet voldoende. Het baat niet als wij aan lelijke dingen mooie namen geven. En evenmin als wij met behulp van de verbeelding ons een eigen wereld scheppen. Wij hebben met Gods werkelijke wereld te doen en het is beter daarin angstig te zijn, dan gerust te wezen in onze eigene. Er is volle zakelijkheid van node, ook als men aan de laatste beslissingen nog niet toe is.

2. De culturele onderwerpen

Inleiding

Een tweede groep zou ik de culturele onderwerpen willen noemen. Maar in de bijbel heeft 'cultuur' een andere zin dan wij er vaak aan hechten. Zij staat meestal op gespannen voet met God. Ik denk aan Lamech (Gen. 4: 19-24); de toren van Babel (Gen. 11); Saull Achab. Het demonische en afgodische in de cultuur komt er naar voren.

De mensheid

Het meest algemene begrip is hier dat der mensheid. In de bijbel is het niet een biologisch begrip. Wel wordt de mensheid in Gen. 1 begrensd tegenover de planten en de dieren; maar de bijbel behandelt haar onder dat gezichtspunt niet. Voor zover Mozes er verder over spreekt is de mensheid een rest (Gen. 7 : 23). En die gedachte van een overblijfsel keert bij de andere profeten, Jesaja, Jeremia, Ezechiël, telkens terug. Ook Israëls geschiedenis levert telkens een rest op. De mensheid vindt haar grens in zichzelf en het beginsel daarvan is de uitverkiezing. Elke eenheid daarbuitenom wordt door God verstoord (Gen. 11).

Deze dingen zijn zeer actueel. Het is de kwestie van kerk en staat. De dreiging, die er van de eenheidsspanningen der mensheid uitgaat, is geweldig. Het gaat om Babel of Bijbel in praktische zin. De bijbelse aard van deze tijdvragen kan moeilijk over het hoofd worden gezien. Hier kruit en krimpt een vervaarlijke zakelijkheid, waarbij de individuele beslissing meestal achterop staat. Inzoverre is het onderwerp geschikt voor het kamp. Dat God er mee te maken heeft voelt men er instinctief. Nieuwe ideologieën, godsdiensten, verrijzen in verband met politieke gebeurtenissen. Bestaan en toekomst, vooral van de jongeren, hangen er mee samen. Hier ligt veel explosieve, religieuze stof en de toespraak zal er niet buiten kunnen blijven. Men hange daarbij de econoom of politicus niet uit. Het komt er op aan ze in bijbels licht te plaatsen.

Zwerver en rover

Behalve 'mensheid' zouden een groot aantal andere trefwoorden te noemen zijn, zoals aardbodem, onkruid, arbeid, zweet des aanschijns. Ik geef telkens slechts enkele voorbeelden. Twee figuren wil ik hier nog even vluchtig aanduiden, die tot de grondtypen der mensheid behoren: de zwerver en de rover. Ze behoren tot de apriori's van ons bestaan. De jeugd kent ze uit de eerste hand en ze behoren tot de gevaarlijkste parasieten van ons wezen. Ze teren op het erfgoed van onze geest.

Vóór in het Oude Testament staan Kaïn, de zwerver, en Lamech, de rover, terwijl in Nimrod beide figuren verenigd zijn. In de zondvloed gaat een hele generatie van deze 'geweldigen' (Gen. 6 : 4) ten onder en de ark van Noach, het tegenbeeld van de kerk, is een teken, dat het leven als roof niet mogelijk is. Alle bijbelheiligen hebben een soort heilige onnozelheid (Hebr. 7 :26). Israël is het slachtoffer onder de volkeren, tussen de roofrijken der wereld, Assur en Rome.

Bij de verzoeking in de woestijn heeft Jezus met de roof en het avontuur afgerekend (Matth. 4; Luk. 4). Hij is het tegendeel van een rover (Fil. 2 : 4, 1 1), terwijl de bijbel de antichrist van de eindtijd als de volgroeide rovertekent.

Augustinus heeft onder dit gezichtspunt de hele christelijke dogmatiek beschreven. Deze kijk dringt zich in onze tijd weer op.

Het lot

In aansluiting aan deze diepere culturele onderwerpen moet ook het lot genoemd worden. De cultuur is in haar wezen een wapen tegen het lot. In het kamp ligt de gedachte aan God vlak naast die aan het lot. Als men dit gebied der afhankelijkheid, gelatenheid, gebondenheid, dit veld verleden en toekomst, braak laat liggen, dan blijven er goede kansen verzuimd.

De bijbel moge soms anti-cultureel zijn (Jesaja 2; Jeremia 35), hij is niet a-cultureel, niet Turks, zodat er geen gras wil groeien. Hij leert tegenover het lot de naam van God te spellen. Voor de volleerde zwerver of rover is nog in eer hoop dan voor de verzonkene in het moeras van het lot. Saul en Judas zijn er in weggezonken. David en Petrus zijn de helden Gods, de mannen naar Gods hart.

De religie

Van de algemeen-culturele onderwerpen moeten hier nog religie en politiek ter sprake komen. De moraal komt in het volgend hoofdstuk. Eerst de religie. Religie als algemeen beginsel, buiten het Evangelie om, komt gelijk met heidendom. Het is kennis van God buiten Jezus Christus. Het is eigenwillige godsdienst, zonder de nederigheid en gehoorzaamheid die in Christus zijn geopenbaard. Rondom het schamele geloof van Abraham, Izaäk en Jakob, Mozes en de profeten, golft een zee van religie. Ze is een machtig cultureel verschijnsel, waarvan Paulus echter in Romeinen 1 en 2 zijn bekende donkere tekening geeft. Heidendom valt niet mee. In het kamp brengt ieder zijn eigen religie of heidendom mee. Hij denkt aan God op culturele, vaak geraffineerde wijze. Het moet duidelijk worden, dat het Evangelie anders is. Pascal droeg, in de voering van zijn kleren ingenaaid, een strookje papier, waarop stond: de God van Abraham, Izaäk en Jakob. Het was als een talisman, die hem moest beschermen tegen de religie die in de kerk en de school van zijn dagen zo sterk op hem aandrong.

De klassieke strijd tussen geloof en religie is ons getekend in de geschiedenis van Elia (1 Kon. 18). Elia heeft veel geloof, weinig religie. Geloof teert religie op en religie teert geloof op. In het Evangelie blijft geen religie meer over. Zelfs het bezorgd zijn voor eten, drinken en kleding, de religie in haar meest algemene, haar vroomste en allerchristelijkste gestalte, wordt aan de heidenen overgelaten (Matth. 6 : 32). Het Evangelie is een betoning in énen van goddelijke gehoorzaamheid, offerande en armoede. De kerk heeft die drie in de kloostergelofte uitwendig vastgehouden, maar ze zijn daarin weer tot religie geworden. De monnik heet de religieuze. Paulus vat alles samen in één: het geloof, en Luther heeft dit goed vertolkt als hij spreekt van het geloof-alleen. - Het is moeilijk de religie uit de kerk te houden. Iedere toespraak komt met deze moeilijkheid in aanraking.

De politiek

De politiek staat met de religie in verband. In de negentiende eeuw heeft men dat over het hoofd gezien. Als christendom heeft men de religie toen uit de politiek zoeken te verdrijven. In de twintigste eeuw keert ze er als heidendom in terug.

Dat politiek met religie in verband staat is wel heel duidelijk, als wij denken aan wat ik boven over de zorg voor eten, drinken, kleding gezegd heb. De staatkunde gaat heden bijna uitsluitend over deze dingen. Ze is vroom geworden; maar daardoor wordt de vraag naar de verhouding tussen kerk en staat juist zo brandend. Het gaat om religie of geloof en aan die vraag is geen ontkomen.

In het Evangelie is van de staat nauwelijks sprake. Keizer Augustus dient als tijdsbepaling (Luk. 2 : 1) en Jezus' woord over de keizer (Luk. 20 : 25) is afweer van een poging om Hem op politiek terrein te lokken.

De vraag van de staat was drie eeuwen lang de hoofdvraag in de christelijke kerk en ze is bezig dit weer te worden. Wanneer de kwestie van kerk en staat is opgelost, is de wereldgeschiedenis ten einde. Een harmonische oplossing is niet te verwachten en niet mogelijk. De kampjeugd staat midden in die vragen of zal er spoedig voor geplaatst worden. De bijbel werpt er een schril licht op. De aardbodem, waarop de mensheid verschijnt, is vervloekt (Gen. 3 : 17). De volkerentafel geeft de verwarring te zien, waaraan Babel zijn naam dankt (Gen. 11). Israël komt uit de slavernij en gaat in ballingschap. Noach, Abraham, Jozua en Kaleb, de joden, de kerk, dat betekent telkens een rest. De mensheid als kosmische, culturele, religieuze of politieke eenheid, is in de bijbel nergens zichtbaar. Alleen voor het geloof komt de bijbel uit.

Goden de cultuur

De grote cultuur-vragen worden ook in het kamp gesteld. Het is niet mogelijk er, met de bijbel in de hand, regelrecht een oplossing van te geven. Wij kunnen bijv. uit de bergrede geen culturele ethiek afleiden. Eer kan men dat nog uit het Oude Testament en Paulus' brieven. Daar kan men tenminste zien, dat er een verhouding is tussen religie en geloof; cultuur en Evangelie.

Deze verhouding is eenzijdig in deze zin, dat de cultuurvragen hun oplossing vinden in het geloof en niet omgekeerd. De kerk heeft dat vastgelegd in de tegenstelling van zonde en genade. Maar deze bijbelse zakelijkheid moeten wij dan ook betrachten. De toespraak moet aansluiten bij de noden des levens. Het Evangelie vooronderstelt de schepping. De prediking ontleent daaraan haar eigenlijke stof. Ze wordt anders te schriel.

3. De morele onderwerpen

Wet en Evangelie

Wij moeten nu spreken over een derde groep van onderwerpen: de morele. Met de moraal is het een bijzonder geval. Religie (heidendom) kan ik tegenover geloof stellen. En de staat tegenover de kerk. Maar voor de moraal bestaat zo'n afrastering niet. De tegenstelling van geloof en werken treft men binnen de kerk aan. Het conflict vindt plaats binnen de pinkstercirkel, tussen Mozes en Paulus. De strijd tussen zakelijkheid en geloof is op dit gebied enige keren uitgevochten en zo is de vraag binnen de kerk getrokken.

Na Paulus door Augustinus en Luther. Daarom is een zakelijke bespreking bij de moraal moeilijker dan bij de religie en de politiek. Tegenover de noden van mijn leven, voedsel en deksel, en de cultuurgoederen van mensheid en staat kan ik gemakkelijker objectief staan dan tegenover mijn persoonlijke daden. Het is heel moeilijk een grens tussen geloof en moraal te trekken. Er ontstaat gemakkelijk schade voor het geloof. De kerk heeft daar althans scherper oog voor gehad. Intussen mogen wij ons aan een behandeling, voor zover die binnen de pinkstercirkel mogelijk is, niet onttrekken. De vraag naar het geoorloofde ligt de kampjeugd hoog.

De wet een weldaad

Het leren van de Tien geboden kan een weldaad zijn. De onbestemde angsten van de jeugd worden er door verminderd. Men hoort in het gebod een stem die met gezag spreekt. Het is geen toeval dat de jeugd thans vooraan staat bij de roep om gezag. Ze wil haar schade weer inhalen en ten dele is dat een ziekteverschijnsel. Zij moet op Gods wet gewezen worden. De wet is geen regel voor alle gevallen. God blijft vrij in het gebieden. Hij maakt zich met de wet niet van ons af. Deze vindt haar vervulling in het Evangelie. -Maken wij haar zelfstandig, dan krijgt zij een demonische macht, evenals de cultuur.

De geest der wet

De wet helpt ons niet van God en de naaste af, door zuivere zakelijkheid, maar plaatst ons tegenover hen. Jezus heeft dat zelf duidelijk gezegd (Matth. 22:37-39). Het kamp vraagt antwoord op concrete vragen. Het moet leren dat die niet altijd te geven zijn. Casuïstiek staat in Mattheüs 23 geoordeeld en Pascal schreef daarnaast zijn Provinciales. Maar de geest der wet is geen abstractie. God en de naaste hebben een vervaarlijke eigenheid. Jezus heeft in Mattheüs 5 uitgelegd hoe ver dat gaat en de rijke jongeling er mee op de proef gesteld (Matth. 19). Wetsartikelen gaan hier over in geloofsartikelen.

Willen wij, meer naar de kanten van de bijbel, iets van zakelijkheid bewaren, dan moeten wij ons bezighouden met de geschiedenis van Israël als het volk der wet. Het heeft zich consequent tegen de Geest daarin verzet (Matth. 23 : 29-32; Hand. 7 : 51-53). De profeten hielden de geest der wet levend. - Bij Paulus - in Romeinen 7 - wordt dezelfde geschiedenis individueel beschreven.

De bespreking van de morele onderwerpen ligt geheel aan de binnenzijde van de pinkstercirkel. Ze sluit daar aan bij de paaskring, de opwekking tot een nieuw geestelijk leven. Toch verschijnt er ook in Paulus' brieven iets van een christelijke moraal en de kerk is op dat spoor verder gegaan. Het conflict tussen geloof en werken komt daar nooit tot rust.

De gerechtigheid Gods

De wet kent straffen; ook de Tien geboden (derde gebod). De jeugd is geneigd de dingen van die kant te bezien; zij is niet toegefelijk. Zij heeft een passie voor het recht, die later soms op droeve wijze overgaat in accommodaties met de hemel. Hier ligt een brug tussen kamp en bijbel. Het recht is het ozon in de dampkring des bijbels. Is het besef daarvan niet aanwezig, dan is het kamp niet fris.

Hier kunnen sommige geschiedenissen uit het Oude Testament ter sprake komen, als Numeri 16 en 1 Koningen 21. Maar in verband daarmee kan er dan op gewezen worden, dat Mozes en Elia met Jezus over zijn lijden gesproken hebben (Matth. 17). De gerechtigheid Gods blijkt een bijzonder karakter te hebben. Ze is hoger en dieper dan de onze. Jezus leert dat in de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard (Matth. 20: 1-16). Paulus beschreef die gerechtigheid in de brief aan de Romeinen en Luther bracht haar weer aan het licht bij de Hervorming.

De heiligheid Gods

Heiligheid, als religieus, heidens begrip, is allermeest gevoel van afstand. Het kamp denkt aan God het meest op die wijze. Dat is de religie die wij meebrengen. - In de bijbel is heiligheid echter allereerst nabijheid Gods. Dat kan angstig zijn, maar evengoed vertroostend. De profeten hebben beide kanten naar voren gebracht (Jesaja 5 en Jesaja 40). In de evangeliën vinden wij dat terug in de strafrede (Matth. 23) en de zaligsprekingen (Matth. 5 : 1-11). Gods heiligheid betekent, dat Hij met de zonde kan doen wat Hij wil; ze is almacht tegenover het kwade. De Heilige Geest die ook straffen kan (Hand. 5), is allereerst en allermeest de Trooster.

Wet en zonde

De wet verlost ons uit de kosmische angsten; ze kan ons ook in nog grotere verlatenheid brengen. Dit 'van verre' staan (Luk. 18 : 13) kent ieder in het kamp. Het verre staan van God en ook van de naaste. Wij mogen dat niet bagatelliseren; het is er vaak te weinig. Wij kennen wel een spreekwoord: nood leert bidden, maar geen: zonde leert bidden. Schuldbesef moet gewekt en daartoe dient de wet. Wij zijn geneigd de zonde als lot over ons te laten heengaan. Ze heeft inderdaad ook een boven-individueel karakter: ze is allereerst erfzonde. Wanneer het daarbij blijft betekent zonde de dood.

De wet brengt ons de zonde thuis en maakt de dood acuut (Rom. 7 : 13); en dat kan het begin zijn van de opstanding uit de doden. In die richting werkt de wet ten opzichte van de kosmische en culturele noden.

Profetie en ideaal

Als wij de profetie nemen van de zakelijke kant, dan is de gedachte aan toekomst er allereerst mee verbonden. De profeet is dan de ziener. Dit is een goed aanknopingspunt. Wij hebben gelegenheid over idealen te spreken en over het verschil tussen profetie en ideaal. Het ideaal schept men zelf uit de oude, bekende stof. De profetie is openbaring van de verborgen raad Gods. Ze heeft ook betrekking op onze zaligheid, evengoed als onze idealen, ofschoon wij daarbij zelf minder in het middelpunt staan. Ze houdt stand als alle idealen stuk gevallen zijn. De profetie is echter kritisch op ons leven gericht, wat met het ideaal niet het geval is. Ze rekent met de mislukking van de wetsbetrachting en stelt die van alle kanten in het licht, terwijl ze toch daarbij de hoop niet verliest. Men kan sommige van de mooiste stukken van Israëls profeten (Jesaja 2 : 12-22; 6 : 1-8; 11 : 1-9; enz.) daarbij gebruiken. En ook stukken van - Paulus' brieven (Rom. 8 : 28-39; 1 Kor. 15 : 35-58).

Profetie en solidariteit

De profetie draagt ook een sterk solidair karakter (Jesaja 53). De wet kan er toe leiden, dat men zich aan de gemeenschap onttrekt. Israël is hoe langer zo meer die weg gegaan. De eenling trachtte zich, met angst voor de schuld, aan de oordelen Gods te onttrekken.

Daartegenover ziet de profeet, dat wij alléén de wet niet kunnen vervullen. Zij heeft betrekking op God en de naaste. Soms zal dat leiden in de richting van de aanvaarding van een compromis. De wet wordt dan als 'gemeenschapsgenade', als het voor de massa bereikbare, aanvaard. Maar de profetie kan daarbij niet blijven staan. In de plaatsbekleding maakt zij de situatie weer acuut en voert haar in de weg van Gods raad, tot een oplossing. Beide, het compromis zowel als de 1 plaatsbekleding, betekenen een zwaar kruis. En zo wijst de moraal bij haar ontplooiing naar het geloof; en de wet in haar werking naar he.t Evangelie.

De wijsheid

De kennis der wet kan ook tot rustige levenswijsheid worden (Spreuken) of als zij nog een stap verder gaat tot sceptische wijsheid (Prediker). Daarmee komen wij aan de buitenste grenzen van de pinkstercirkel en van de bijbel.

De profetie loopt niet uit op wijsheid maar op de dwaasheid der prediking (1 Kor. 1:21). Jezus Christus is de gestalte die uit haar naar voren komt (1 Kor. 2: 2). De angst (Matth. 26 : 37), de schaamte (Joh. 8 : 6), de religie (Kajafas), de staat (Pilatus), het leeft zich alles aan Hem uit. Wereld en cultuur lopen op Hem aan. Zij grijpen Hem aan om Hem uit te werpen, alsof Hij niet thuis hoort in de schepping, Hij die de eigen Zoon is in het huis van zijn Vader. Haar filosofie kent Hem niet; haar praktijk kan Hem niet gebruiken. - En intussen is Hij de oorzaak van haar hoogten en laagten, zoals de maan eb en vloed trekt in de zee die speelt met haar beeld.

4. De persoonlijke onderwerpen

De evangeliën

Bij de bespreking van de methode heb ik er reeds op gewezen, dat een behandeling van de stof uit de evangeliën binnen de pinkstercirkel wel mogelijk is. In de kerk behandelt men die gewoonlijk in het verband van Kerstmis en Pasen. Binnen de pinkstercirkel wordt dan gesproken naar aanleiding van de andere gedeelten van de bijbel. Die worden dan op de toon van de binnenste cirkels gestemd.

Wanneer wij de stof van de evangeliën in de pinkstercirkel overbrengen, dan doen wij het omgekeerde. Dan vindt er plaats, wat ik een afstemming genoemd heb. Een zekere verzakelijking, maar zó, dat deze onderwerpen ook dan nog de meest persoonlijke groep vormen.

Wij nemen dan de kosmische, de culturele en de morele noden en daden niet meer als een zondige erfenis of handeling. Maar ook niet zoals ze, in het Evangelie, bij de snelle vaart naar het einde, in de laatste beslissing worden betrokken, "hoe word Ik geperst totdat het volbracht zij" (Luk. 12 : 50). We zetten Jezus' leven telkens stil en beschouwen elk moment daarvan met devotie. Wij overwegen, hoe het in de raad Gods past. Zo wordt de zondige prikkel uit de dingen weggenomen. Jezus is in alle dingen gelijk als wij verzocht geweest, doch zonder zonde (Hebr. 4 : 15). De angst, de verzoeking, de dood; menszijn, lot, roof, religie, heerschappij, ze komen hier terug, maar als opgevangen op een goddelijk schild. De zakelijke beschouwing der dingen nadert hier het meest de persoonlijke.

In de gelijkenissen, welker laatste geheim de kerkelijke prediking doorzoekt, herhaalt zich dat voor het veelkleurige leven. Zaaien en oogsten, tarwe en onkruid, brood en wijn, schat en parel, het spiegelt zich hier alles in de godheid. De verlossing voltrekt zich hier in beeld, op hope dat de Heilige Geest het alles in de herschepping tot werkelijkheid zal oproepen. Het laatste van het Evangelie is zelfs in de kerkelijke prediking niet weer te geven. De snelle loop van Johannes en Jezus, het oversteken van de geboorte naar de dood, kan alleen worden afgebeeld in de bekering zelve. En wat daaraan het naaste komt, de kerst- en paasprediking, hebben wij hier uitgeschakeld. De kamp-leeftijd maant ons bovendien nog tot voorlopigheid. -Zo zijn wij dan aangewezen op devote schouwing in het beeld.

Typen

Er zijn van ouds twee manieren geweest om dat te doen. De eerste is de typologie. Zij zoekt naar bijbelse figuren, die Jezus en zijn werk afbeelden. Reeds het Nieuwe Testament is ons daarbij voorgegaan. Als priester is Melchizedek type van Christus (Hebr. 5). Mozes is het als middelaar (Hebr. 8). Paulus stelt Adam als hoofd tegenover Hem (Rom. 5 : 12-2 1). Abraham is het type van de gelovige aller tijden (Rom. 4; Gal. 3). Hagar is het oude Jeruzalem, het dienstbare; Sara het nieuwe, het vrije (Gal. 4).

Door dit alles ontstaat een zekere theoretische houding tegenover het Evangelie, en alle theorie is zakelijk. Het kan moeilijk genoeg zijn de ware praktijk der godzaligheid, het zoeken van de enge poort, de snelle loop van de geboorte naar de dood om des levens wil, veilig te stellen tegen de theoretische theologie. Maar de grens kunnen wij, ook in de gemeentelijke prediking, niet bereiken. En in het kamp komt het pedagogische, het didactische, nog meer naar voren.

Tijden

De tweede vorm der devote schouwing bestaat hierin, dat wij in de heilige historie perioden onderscheiden en die dan in een verhouding tot het Evangelie plaatsen. De eeuwen lopen dan aan op de volheid des tijds (Gal. 4: 4). Paulus onderscheidt de tijd van Adam tot Mozes en die van Mozes tot Christus (Rom. 5) of van Abraham tot Christus en van Christus tot het einde der wereld (Gal. 4). De brief aan de Hebreeën plaatst de periode der getuigen (Hebr. 11) vóór de tijd van de wedloop in de loopbaan van het Evangelie (Hebr. 12 : 1). Augustinus heeft onder dit gezichtspunt heel de historie der kerk, van de schepping tot het einde, bezien in zijn De Civitate.c

Deze voorstelling die de tijd in haar beschouwingen betrekt, staat dichter bij de eis en bij de praktijk der bekering. Maar toch moet deze leer der verbonden of regelingen Gods voor een bepaalde periode, in de kerk meestal dienen om tegemoet te komen aan de nood (vooral ook van de jeugd), die de eis ener snelle en duidelijke bekering meebrengt. Er steekt een verzakelijking van de Twaalf artikelen achter.

Abel de cultuurloze

Abel is een type van Christus; ook in de bijbel zo genoemd (Matth. 23). Daarbij komt de offergedachte naar voren en Abel is de onnozele (Hebr. 7 : 26), het lam. Abel is de mens buiten de cultuur gedacht, de verborgen mens des harten (1 Petr. 3 : 4), tegenover Ka:in, de man van het ploegijzer der cultuur. Dit is een van de meest diepe afschaduwingen van Christus' persoon en werk. En hier ligt een echte kamp-associatie. Het kind, het kamp, de dichter, de ware wijsgeer zoeken God buiten de cultuur. Het kamp ontkent die in de kleding soms opzettelijk. Maar het moet er niet om de natuur, maar om God te doen zijn. - Het niet-culturele mag niet iets negatiefs zijn. Het is het offer, dat God aanziet (Gen. 4 : 4). Het is niet de onthouding, maar de overgave; niet de afgescheidenheid, maar de solidariteit. Abel is de solidaire, Kaïn de afgescheidene (Gen. 4 : 9). - Van hier uit heeft men een schone schouwing op Christus.

Henoch die wandelde met God

Een andere figuur is Henoch, van wie wij lezen: Henoch wandelde met God (Gen. 5 : 22). Dat is weer een ander moment uit het leven van Jezus, zoals de devotie het ons leert kennen. Deze omgang met God is niet een van de verrichtingen der religie, zoals de fenomenologie van de godsdienst ons die leert kennen. Van de buitenkant laat zich het wezen van ons geloof niet aflezen. Alles wat wij op die wijze kunnen benaderen loopt kans om te eniger tijd, in de loop der eeuwen, in de folklore terecht te komen. De grens tussen beide, de 'verschijnselen' van de godsdienst en de folklore, is in de desbetreffende handboeken nu reeds soms heel flauw. De boert uit de laatste gaat dan zelfs op het gebied van de eerste over.

De devotie zoekt daarvoor te waken, al kent zij ook zelve het gevaar wel (denk aan de middeleeuwen). Zij plaatst de dingen in het leven van Jezus en weet dat zij stil zet, wat daar op het einde betrokken is. - Henoch is meer buiten dan in het leven; hij "was niet meer" (Gen. 5 : 24). Bij Abraham laat deze wandel met God plaats voor het offer van Izak en bij Jezus voor het middelste kruiswoord. Het is een omgang niettegenstaande alles. Een wandel in de hemelen (Fil. 3 : 20). - Het kamp heeft meer behoefte aan devotie dan aan boert.

Mozes de middelaar

Mozes is in verschillend opzicht een type van Christus. Allereerst als middelaar. Hij neemt de wanhopige afstand tussen God en zijn volk weg. Die afstand is algemeen en het kamp kent hem. Men denkt er aan God op afstand. De afstand kan ook een heidense zijn (Hand. 17 : 27); ze is christelijk als er één Middelaar is (1 Tim. 2 : 5). Er is maar één zulk een God en één Middelaar; de verhouding is christelijk-algemeen; alleenzaligmakend. Afstand wordt dan uitgeruild voor kennis (Joh. 17 : 3).

Mozes is hier het type, omdat hij tussen God en het volk juist daar staat, waar hij nodig is. Alles loopt op hem aan (Ex. 18 : 22) en het lot van het volk gaat door hem heen (Ex. 17 : 11). Hij maakt geen scheiding tussen God en het volk (Num. 11 : 29). Hij staat daar waar Gods toorn het volk treft (Ex. 32 : 32). Hij is getrouw geweest in zijn huis (Hebr. 3 : 5).

Mozes de zachtmoedige

Mozes' zachtmoedigheid (Num. 12 : 3) is een schaduw van die van Christus (Matth. 11 : 29). Het is geen gewone karaktereigenschap, maar ambtelijke trouw, waardoor het tegenspreken van anderen verdragen wordt (Hebr. 12 :3). De lankmoedigheid Gods is er de grondslag van. Zij moet opklaring brengen in de latente verwondering van het kamp, dat een zondige wereld kan voortbestaan. Een verwondering, die soms tot opstandige uitbraak komt.

Deze zachtmoedigheid leert ons het verband tussen zonde en tijd zien; en tussen genade en tijd. De veertig jaren in de woestijn zijn een straf en voeren toch naar Kanaän. Ze zijn beeld van het mensenleven. - Bij Jezus is de zachtmoedigheid helemaal ambtelijk; Hij is het Lam Gods (Joh. 1 : 29). Bij God is ze wezenlijk, volmaaktheid (Matth. 5 : 45-48).

Jezus' leer

Men kan ook trachten uit het leven van Jezus op meer directe wijze dingen in het kamp te bespreken, zonder daarbij de voorbereidende zakelijkheid uit het oog te verliezen, die wij voorop hebben gesteld. Dat is dan echter veel moeilijker en men loopt meer gevaar esthetisch of sentimenteel te worden, dan wanneer men van het Oude Testament gebruik maakt.

Doen we het, dan komt Jezus' leer eerder in aanmerking dan Jezus' lijden en men denkt dan allicht aan de bergrede of de gelijkenissen. Maar iedere gelijkenis heeft haar geheim. Zij heeft een uitlegging nodig, die haar precies in de kritiekste spanningen van het Evangelie plaatst en haar al haar schijnbare kalmte ontneemt (Matth. 13 : 10-17). - En de bergrede is bestemd voor de kinderen des Koninkrijks en niet voor cultureel gebruik. Zij is gesproken uit Jezus' messiaans bewustzijn, dat Hem regelrecht naar het kruis voert. Zij kan niet kalmweg in de wereld worden uitgevoerd. Haar vervulling betekent de openbaring der kinderen Gods en der toekomende eeuw. - Wanneer men dus zakelijk en voorbereidend wil blijven, dan doet men het best de vraag te bespreken, hoe Jezus leerde. Jezus wil zo leren, dat de Heilige Geest nodig is om het te verstaan. Het kamp moet leren de evangeliën zo te lezen, dat men ze niet opvat als moraal of religie, maar als Evangelie; als een boodschap zonder aardse grond. Het enige wat er bij gezegd kan worden is: Wie oren heeft om te horen, die hore (Lukas 14 : 35). De prediking brengt haar eigen vormen en normen mee.

Dit, met alle religieuze verrichtingen op gespannen voet staande horen, kan men trachten naderbij te brengen. Het geloof is uit het gehoor (Rom. 10 : 17) en niet uit het begrip. Om dit duidelijk te maken, kunnen dan weer oudtestamentische parallellen dienen. Bijv. de moeilijkheid om ware en valse profetie te onderscheiden (1 Kon. 22; Jeremia 28). Een van te voren vaststaand kenmerk is hier niet aan te geven (Hebr. 11 : 1). In het kamp leeft naast de angst de twijfel, het scepticisme, op een verborgen wijze. Het is de tweede hoofdvorm der zonde. Alleen door een woord zonder aardse grond, een woord van God, kan het overwonnen worden. Hier kan men spreken over Abraham (Gen. 12 : 1), David (1 Sam. 16 : 7), Petrus en Andreas (Matth. 4: 20), Mattheüs (Matth. 9 : 9), Zacheüs (Lukas 19), de blinden, de doven, de zee en de wind, die gehoorzaamden zonder te begrijpen.

Het dienen van Jezus

Men kan ook spreken over het dienen van Jezus (Matth. 20: 28). Dit is een van de meest algemene gezichtspunten, waaronder het Evangelie gezien kan worden. Men kan het de nederigheid (Matth. 11 : 29) van Jezus noemen, die zozeer de aandacht trok van Augustinus en de middeleeuwen. Daarmee is echter weer geen karaktereigenschap bedoeld, maar het resultaat van Jezus' vernedering (Fil. 2 : 8). Dienen is deugen voor het Koninkrijk der hemelen. Het is het zout, dat ook het aardse leven bewaart voor het verderf (Gen. 18 : 32; Matth. 5 : 13). Jezus leerde dat met woord (Matth. 23 : 11) en teken (Joh. 13 : 4-17).

Deze dienst is geen bukken voor een noodzakelijkheid, voor het levenslot; ook niet voor de medemens; maar voor God. Het is een vinden van de levenshouding, van het ambt in de wijdste zin (Joh. 17 : 19). Het is: ergens toe deugen; en wie dat niet vindt, deugt nergens meer toe (Matth. 5 : 13). In het kamp zoekt ieder een houding; wie er geen heeft probeert er zich een te geven. Hier is een ruim veld voor humor; een goed kampofficier kan hier lachsalvo's laten losbarsten. Als oudtestamentische voorbeelden van het dienen noem ik: Eliëzer, Abrahams knecht (Gen. 24) en Samuël (1 Sam. 3 : 1). In de literatuur zijn de Peggotty's, zuster en broer, uit Dickens' David Copperfield, prachtige voorbeelden.4

Zakelijke behandeling van de evangeliën het moeilijkst

De evangeliën zijn het minst zakelijke en meest geestelijke deel van de bijbel. Alles staat hier in het teken van de grote beslissing. De eschatologische strekking van Jezus' leven is zo geweldig, zijn gang door de wereld zo snel, alles is zo goddelijk-eigen, dat er voor het algemene nauwelijks plaats overblijft. - Wil men het dan toch algemeen maken, dan vervalt men licht in moralisme, socialisme, humanisme, communisme, utopisme. Van de bergrede maakt men gewone zedeleer; van Lukas een evangelie der maatschappelijk armen; van Jezus' nederigheid en liefde schone karaktereigenschappen; van zijn armoede een politiek program en van het hele Evangelie een droombeeld naast Plato's Staat of Thomas Morus' Utopia. - En als we dan, om dat te vermijden, naar de andere zijde oversteken, dan worden we meegetrokken in de sterke eeuwigheidsstorm van Jezus' vernedering en verhoging (Fil. 2 : 4-1 1), waarvan de kerk belijdenis doet in de Twaalf artikelen.

Als we binnen de pinkstercirkel dit geestelijk geweld van het Evangelie zoeken af te stemmen tot een zekere algemeenheid, dan blijven wij toch in de persoonlijke sfeer. Verder kan men wel niet gaan. De kerk is ons daarbij voorgegaan toen ze, aan de hand van het Oude Testament, de Twaalf artikelen verpersoonlijkte in de leer van het drievoudig ambt (profeet, priester, koning). Voor het kamp kan men nog iets verder gaan, als men, op de wijze die ik boven met enige voorbeelden illustreerde, devote schouwing toepast.

5. De sociale onderwerpen

De sfeer der kerk

Wij gaan nu naar een andere kant van de bijbel, de Handelingen en de Brieven.

Paulus is voor de jeugd een aantrekkelijke figuur. Voor sommige catecheten zijn de Handelingen der Apostelen het meest geliefde bijbelboek. Nu ligt hier een gevaar. Men kan in de verleiding komen Paulus voor te stellen als een globetrotter, om zo de jeugd te boeien. Men vergeet dan welk een eeuwigheidsmens Paulus was. Dat had Stanley goed begrepen ten opzichte van Livingstone, toen hij de vraag stelde, waarom deze reiziger nooit zeide: 'het is genoeg.' - Paulus en Livingstone wandelden niet op de globe, maar in de hemelen (Fil. 3:20).

Geest

Toch lenen zich de Handelingen en ook de Brieven, zoals ik meermalen opmerkte, beter voor een zakelijke behandeling dan de evangeliën. Allereerst komen wij daar de Geest tegen. Het is een grote, ontoelaatbare verzakelijking, als wij 'geest' zonder hoofdletter schrijven. Maar heel merkwaardig is toch, dat zulk een algemeen begrip hier dient in de bijbelse openbaring. Want welk ander is er in de religie meer verbreid? Het komt er nu op aan het wijsgerig en populair gebruik van het woord 'geest', zoals dat in de religie voorkomt, af te zonderen van het bijbelse. - Het populaire begrip, het spook, is schrikaanjagend en staat in verband met de dood. Daarvoor bestaat in het kamp, indien geen vrees, hoogstens een soort nieuwsgierigheid. - Het andere, het religieus-wijsgerige, verstaat onder 'geest' het goddelijke in ons leven en in onze persoon; datgene wat boven lichaam en ziel uit is -en niet zondigt. Bij dit hogere zelf heeft men dan zijn troost te zoeken. - Daartegenover leert de bijbel ons nu de Heilige Geest kennen. Hij is niet schrikaanjagend; Hij is de Trooster. En wij vinden Hem niet in ons zelf; want Hij is God, die van boven komt (Hand. 2). - Die Geest overwint de angst in onze harten (Rom. 8 : 15 en 16); in het geweten (1 Joh. 3 : 20); voor de dood (Rom. 8 : 11). Het is de Geest der prediking (Hand. 2); van het oordeel (Hand. 5); der overtuiging (Hand. 7); der uitlegging (Hand. 8 : 26 vv.); der bekering (Hand. 9); der zending (Hand. 10); der verlossing (Hand. 12 : 5 vv.). Deze Geest is Paulus' gids op zijn reizen (Hand. 16 : 7-1 0). Hij regeert in de kerk.

Gemeenschap

Gemeenschap is een zeer actueel onderwerp. Het kamp komt daarmee dagelijks in aanraking. Communisme en nationaal-socialisme zijn de 'topics' van de dag. De kinderen zingen er van op straat. Het zakelijke wordt hier tot het religieuze en dat alles hangt nauw samen met de angsten van ons bestaan. Die angsten nemen historische vormen aan en vertonen zich midden in het leven. De jeugd voelt de dreiging, metterdaad uit het leven weggedrongen te worden. Haar bestaan staat op het spel.

In de sfeer der kerk staat de gemeenschap zeer op de voorgrond. Zij wordt door Paulus als een bijzondere werking van de Heilige Geest genoemd (2 Kor. 13 : 13). Na de uitstorting van die Geest treedt zij terstond op (Hand. 2 : 44-47). Daaruit blijkt, dat een volmaakte gemeenschap in de zonde niet mogelijk is. Een 'social gospel'5 is niet bestaanbaar, als de nadruk niet valt op 'gospel'. De dood van Christus is het gemeenschap-vormend beginsel. De kerk verkondigt dat telkens aan de avondmaalstafel.

Aan dit beginsel, dat binnen de paascirkel valt, moet de gemeenschapsvorming in de sfeer der kerk georiënteerd blijven. Wij mogen niet buiten de pinkstercirkel gaan. De Herder is geslagen en de schapen zijn verstrooid (Matth. 26 : 31). De Zoon wordt van de Vader verlaten (Mark. 15 : 34). In deze diepten van het oordeel moet de gemeenschap gegrondvest worden.

De kerk

Zo komt de kerk ter sprake. - Niet als onderstelling, zoals ik haar behandelde in mijn Herschepping maar zakelijk, op de manier waarop het kamp er van leest in de krant. Met de kerk behoeft men niet meer voorzichtig aan te komen, excuses-makend voor het ouderwetse onderwerp; zij staat midden in de modernste historie. Er wordt over haar beslist en zij list over de geschiedenis. Het kamp stelt belang in haar op politieke wijze; het moet dat leren doen op geestelijke wijze. Daarvoor wil een zakelijke bespreking voorbereidend werk doen.

Men kan spreken over het onderscheid tussen een kerk en een vereniging. Van de kerk wordt men meestal lid door geboorte. Zij wil onze moeder zijn in de gewichtigste ogenblikken des levens. Zij wil ons leiden tot de moeilijkste beslissingen; ons een taak geven die niet geheel in het aardse opgaat; ons een mystieke gemeenschap leren kennen. - De kerk wil de jeugd leren, arbeid te verrichten om-niet; niet alleen geldelijk, maar ook esthetisch en moreel. Arbeid om Godswille aan het minderwaardige, het afgedwaalde. Het kamp zal misschien iets van zijn natuurlijke overmoed verliezen, als het geplaatst wordt tegenover dit grote lichaam, waarvan profeten en apostelen lid zijn en Jezus Christus de hoeksteen (Ef. 2 : 20).

In de evangeliën is de kerk niet tastbaar. Daar treedt Jezus de pers alléén (Jes. 63 :3). De Herder wordt geslagen (Mark. 14: 27); de gemeenschap wordt slechts geoefend op een hoge berg, met Mozes en Elia (Matth. 17). In het Evangelie regeert de absolute grond der gemeenschap, de dood des Heren. Daarvolgtophetbelijdenhetsatanischbedenken (Matth. 16 : 13 vv.); daar eindigt het lidmaatschap in verloochening en verraad. Alleen aan het begin (Matth. 4 : 18-20) en het einde (Luk. 24 : 53), aan de kanten, is iets van de vergadering der kerk te zien.

Om zakelijk over de kerk te spreken moet men zich bewegen in de pinkstercirkel. In het Oude Testament en de Handelingen treffen wij weer heilige personen, tijden, plaatsen aan. - In de evangeliën hield dit alles op. De heilige tijd, de sabbat, stond stil in Jezus' dood; de heilige personen werden vertegenwoordigd door Kajafas; het heilige land vindt zijn middelpunt in de hoofdschedelplaats. - In de Handelingen ontstaat van dit alles weer iets. Een gemeente, een zondag, doop en avondmaal, opzieners en diakenen. Doch deze dingen staan onder dezelfde kritiek als de heiligheden in het Oude Testament. Maar terwijl die laatste nabij de verdwijning zijn (Hebr. 8 : 13), moeten de eerste toenemen (Hand. 2 :147). Dat is een ontzaglijk ding; toenemen onder de kritiek van het kruis, opwassen voor het laatste oordeel. - Zo wordt ons de kerk van Paulus getekend; zij verwacht Christus. Zij leeft, maar met terughouding; zij gelooft, doch met beving; zij bezit in hope, zij heeft lief - in Christus' dood.

Deze nieuwtestamentische heiligheid kan men laten zien aan Petrus, Filippus, Stefanus, Paulus. Men kan trachten de plekjes evangelie-licht in de grote steden, Antiochië (Hand. 11 : 19-30; 13 : 1-3), Filippi (16), Athene (17), Korinthe (18), Efeze (18 : 19-19 : 40), Rome (28) te tekenen. Alles staat daar in de spanning van de strijd tussen religie en Evangelie en dat blijft zo in de kerk. Zij is altijd 'nabij de verdwijning' en blijft toch tot de voleinding der wereld (Matth. 28 : 20).

De staat

Tegenover de kerk kan de staat worden gesteld. Op deze onderscheiding breekt het leven in stukken. Is het mogelijk het mensenleven te organiseren? De moeilijkheid, de onmogelijkheid daarvan ligt vooraan in het kampbewustzijn. De staat staat ook onder het oordeel, maar zoekt zich te handhaven. Hij voert het leven 'ad absurdum'. Hij culmineert in de ultima ratio, de oorlog. Het kamp staat onder de dreiging daarvan. Wat moet het doen? In de sfeer der kerk zijn altijd twee antwoorden gegeven. Het eerste is: alle ziel zij de machten over haar gesteld onderworpen (Rom. 13 : 1) en het andere: men moet God meer gehoorzaam zijn dan de mensen (Hand. 5 : 29). Aan het conflict tussen die beide zal men zich niet altijd kunnen onttrekken. In het kamp kan een oplossing niet vooruit gegeven worden. Een theorie daarvoor heeft ook de kerk niet kunnen geven. Soms zijn, op de hoogtepunten der historie, compromissen gesloten, die enige eeuwen duurden. Maar ze zijn niet definitief.

De prediking

In de calvinistische landen heeft bij de Reformatie die dubbele levensvraag deze oplossing gevonden, dat de staat dient, opdat de prediking haar loop kan hebben tot het einde toe. En zo komen wij nu ook over die laatste te spreken. Zij vult de hele Handelingen der Apostelen en de hele ruimte der kerk. Vooral de prediking van Paulus komt hier in aanmerking (Hand. 13-28). Ze loopt van Antiochië naar Rome, van de hoofdstad van het Oosten naar die van het Westen. Eén man met enige helpers vernieuwt, door het eenvoudige middel der prediking, het innerlijk ener hele wereld. Ook zakelijk gezien kent de geschiedenis geen groter merkwaardigheid. - Sommige van de toespraken van Paulus zijn ons bewaard gebleven en bijv. die te Athene (Hand. 17) en die voor koning Agrippa (Hand. 26) lenen zich heel goed voor een ontleding in het kamp.

Men kan verder wijzen op de bijzondere aard van het sociale in de prediking. Iedere gemeente van Paulus is als centrum van verkondiging bedoeld. De prediking maakt dat de kerk geen sociëteit is, geen besloten kring, geen broederschap zonder meer, maar een centrum van kracht (Rom. 1 : 16).

Zo is het wel mogelijk om in het kamp licht te laten vallen op het énig karakter der christelijke prediking. Ze betekent de grote publiciteit in het mensenleven, waarvan niemand is uitgesloten. Daarbij vergeleken verzamelen toneel en muziek besloten kringen.

De bijbel

Prediking is nauwelijks denkbaar zonder de bijbel. Wel gaat het Woord aan de Schrift vooraf, maar ze zijn in de kerk niet te scheiden. - Dat is in het algemeen reeds zo, maar daarbij blijft het niet. Evenmin als wij de kerk uit het sociaal instinct mogen verklaren, evenmin dient ook de Schrift als een literair verschijnsel beschouwd. De woorden van de profeten, van Jezus, van de apostelen zijn niet toevallig opgeschreven. De bijbel is, evenals de kerk, een werkstuk van de Heilige Geest. In Jezus' zending speelt de Schrift een grote rol. Aan het kruis spreekt de Heer nog enkel bijbelwoorden. De bepaaldheid, die daardoor in Jezus' leven komt, is zo strak, dat men haar de geschreven predestinatie kan noemen. Iets daarvan openbaart zich in het leven van elk gelovige. Dat de letter doodt (2 Kor. 3: 6), wil niet zeggen, dat de Geest er geen gebruik van maakt. In de bijbel vergezelt de Heilige Geest sprekend de kerk.

Daarom mag men van de bijbel geen leesboek maken. Geen interessant, cultureel boek. Hij is Gods Woord. Hij moet door de zoldering van ons leven Spreken en zo moet het kamp er naar leren luisteren.

Voorlezing van de Schrift kan daartoe dienen; vele gedeelten hebben een zeer sterk doordringende kracht, waaraan niemand zich zal kunnen onttrekken. Ik denk aan Genesis 1, Psalm 23, 421 130; aan Matth. 5 : 1 -1 l; 6 : 19-34; Rom. 8 : 28-39; 1 Kor. 13 en vele andere.

De zending

Ook de bespreking der zending kan niet gemist worden. De Handelingen en de Brieven zijn in hun geheel zendingslectuur. Het is bijzonder belanglus, Livingstone, Schweitzer te laten zien, rijk, aan figuren als die van Paulus, Livingstone, Schweitzer te laten zien, hoe de wereldangst kan worden gesublimeerd tot een brede expansie, een overwinning van de wereld door het geloof. De vrees, die het kind en de heiden hebben voor het grote donker, gaat hier over in triomferende moed (1 Kor. 15 : 55). Ook de schaamte wordt zo overwonnen (Rom. 1 : 16). Overal waar deze moed zich uitleeft, is een zendingsveld. Ieder wordt daar geroepen de knie voor Jezus te buigen (Fil. 2 : 10; Ps. 67).

Het kamp als zodanig is symbool van deze lichtkring. Het zoekt de wijdte, uimte; het zoekt aan de engte, de angst te ontkomen. Zijn maten moeten heenwijzen naar die van Paulus, als hij spreekt van breedte, lengte, diepte en hoogte (Ef. 3 : 18). Hij schrijft er over als hij een gevangene is, een gezant in een keten (Ef. 6 : 20). Zij zijn geestelijk.

Het einde

Om over het wereldeinde zakelijk te schrijven schijnt geheel uitgesloten. Van die dag en die ure weet niemand (Matth. 24 : 36). Ook lijkt dit veel meer bij de kosmische dan bij de sociale onderwerpen thuis te horen. - En toch wordt deze dubbele schijn tot op zekere hoogte door de wereldgebeurtenissen van onze tijd tegengesproken. Er is een uiteindelijke dreiging in de geschiedenis onzer dagen, waardoor een bijbelboek, dat wij tot nog toe niet genoemd hebben, de Openbaring van Johannes, meer bepaald binnen de aandacht der kerk wordt getrokken. Wij hebben bij de behandeling van onze onderwerpen dit laatste gezichtspunt, de eis tot en het uitzicht op een laatste beslissing in het Evangelie, min of meer uitgeschakeld. We spraken weinig over bekering en wedergeboorte. Daarvoor stemden wij de kerkelijke regel af op een zekere voorlopigheid in het kamp. Maar juist daardoor wordt het mogelijk de tijdsomstandigheden in verband met het wereldeinde te bespreken. Zonder de dag en de ure, die niemand weet, er in te betrekken, enigszins zakelijk gezien, werpt onze tijd toch wel licht op het boek der Openbaring. Iets van het karakter der laatste dingen wordt er in openbaar. Dit moet van iedere tijd gelden maar zeker niet het minst van de onze. - En de sociale aard van deze dingen manifesteert zich wel heel duidelijk in de gemeenschappelijke angst.

Daarmee zijn wij, wat de stof betreft, weer bij ons uitgangspunt, de angst, teruggekeerd. Daar was het de individuele, hier de sociale angst. Zo zien wij dat wij met onze zakelijkheid en voorlopigheid de noodlottige cirkel des levens niet kunnen verbreken. Het kamp moet voorbereiden op het Woord over de beslissingen, die een goddelijk-kosmisch karakter dragen en waarvan de kerk belijdenis doet in de Twaalf artikelen. Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Matth. 4 : 17). Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods (Rom. 8 : 19). - Zo staat alles in de pinkstercirkel op die van Kerstmis en Pasen gericht.

Voetnoten

  1. a

    Calvijn, Inst. I, 6, 1.↩

  2. b

    Vgl. A. Vinet, Philosophie Religieuse (oeuvres, dl. 3), Parijs 1918, p. 503 vv.; p. 514.↩

  3. c

    Zie boven p. 320, noot 14.↩

Eindnoten

  1. 1

    Verschenen in Jeugd en Kampwerk, uitg. NCSV. 1935, p. 71-103 (pag.). In de bundel schreven ook W. A. Visser 't Hooft (over christelijke jeugdbeweging onder jongens in het buitenland), C. M. van Asch van Wijck (hetzelfde onder meisjes), Ph. Kohnstamm (over de bijbelbespreking in het kamp), L. van der Horst (jeugdpsychologie) e.a. (over kampleven, winterwerk, de NCSV.).↩

  2. 2

    Franciscus Xaverius (1506-1552), medeoprichter van de Orde der Jezuïeten en zijn eerste grote missionaris (India, China). Als zodanig is hij wel als de grootste missionaris naast de apostelen beschouwd.↩

  3. 3

    In David Livingstone (1813-1873) trok Noordmans - getuige de talrijke malen dat hij over hem spreekt - de rusteloze gedrevenheid om het Evangelie, en wellicht ook de eigenaardige verbinding van zendingsijver en het ideaal der christelijke beschaving.↩

  4. 4

    De Peggotty's Clara en Daniël, figuren uit de nevenhandeling van The personal History, A dventures, Experience, and Observation of David Copperfield, the Younger (1849/50): Clara als het moederlijke dienstmeisje in Davids ouderlijk huis en zijn levenslange hulp; en haar broer Daniël, visser in Yarmouth.↩

  5. 5

    Social Gospel is de benaming van een stroming in het Amerikaanse protestantisme, waarin de nadruk werd gelegd op de sociale en maatschappelijke betekenis van het Evangelie. Vgl. hiervoor ten onzent W. A. Visser 't Hooft, The background of the Social Gospel (1928,diss.).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← HerscheppingInhoudSchrift en belijdenis →