O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Binnen de pinkstercirkelInhoudDe betekenis van de kerkelijke symbolen voor onze tijd →

Verzamelde Werken, deel 2 · p. 349–353

Schrift en belijdenis1

1

Als de kerk apostolisch heet, wordt daarmee bedoeld, dat Christus zelf niet meer op aarde is en dat zijn afgezanten het Evangelie moeten prediken tot aan de einden der aarde en tot het laatste der eeuwen toe.

Daarin liggen twee dingen opgesloten. Ten eerste, dat er een zekere duur aan de kerk geschonken wordt. De apostel moet tijd hebben om zijn zending te volbrengen. Dat er tussen Christus' hemelvaart en zijn wederkomst tijd verloopt, is echter geen vanzelf-sprekende zaak. En dus kan men dat evenmin zeggen ten opzichte van het feit, dat er een kerk bestaat.

Nu dat eenmaal wel het geval is; nu met de vervulling van het profetische Woord niet alles uit is en er nog een apostolische kerk achterna komt, moeten wij daarmee rekening houden. Er is een tweede Adam, een geestelijk Israël. Wie lid van de kerk is, mag, evenmin als de apostelen op de olijfberg, naar de hemel blijven opzien, maar moet duur en uitbreiding der kerk aanvaarden.

Ten tweede is met de apostoliciteit der kerk gegeven, dat deze van genade leeft. Wanneer er afstand komt tussen Christus en de gemeente, doordat Christus in de eeuwigheid leeft en de gemeente in de tijd verder gaat; en wanneer er dan tussen beiden toch een band blijft, zoals tussen Jezus en zijn discipelen, die samen preekten en samen avondmaal hielden, dan heet die band genade. Daarom spreekt de voornaamste apostel, Paulus, in zijn brieven ook zo vaak over de genade.

Dat de kerk duurt, wil zeggen, dat ze door genade leeft. En dat ze leeft van genade betekent, dat ze duurt. Elke minuut in de duur der kerk is een heden-der-genade.

In dat licht moeten wij de instellingen en de rechten der kerk zien. Het predikambt en de kerkorde staan in verband met haar apostolisch voortduren. In de natuur zijn geen ambten en in de eeuwigheid ook niet. Zij zijn er alleen in de geschiedenis. En de kerkorde heeft geen ander doel, dan de geregelde uitoefening van de ambten mogelijk te maken.

En nu breng ik een derde grootheid ter sprake: de belijdenis. Waar zullen wij die plaatsen? Behoort ze tot het ambt of tot de kerkorde? Waar vindt zij haar plaats in de apostolische kerk?

De belijdenis staat tussen het ambt en de kerkorde in. Zij is het voornaamste stuk van de kerkorde en behoort er toch niet in thuis. Zij is onderstelling van de kerkorde, die alleen naar haar kan verwijzen. Van de kerkorde uit gezien behoort ze bij het ambt. Ze is pastoraal. - En toch is de belijdenis niet een stuk van de prediking. De prediking kan alleen met haar rekenen. Van het ambt uit gezien behoort de belijdenis tot de kerkorde.

Door haar plaats in de kerk moet dus ook de belijdenis verband houden met het apostolisch karakter van deze. Dat wil zeggen: zij blijft niet staan, maar verwijdert zich van haar basis. zoals de apostel van Christus afgaat en toch door de genade met Hem verbonden blijft. Precies zo gaat de belijdenis, als geschrift, van de Heilige Schrift af. Zij blijft niet bij de Schrift staan en herhaalt haar niet letterlijk. De belijdenis staat als zodanig niet in de bijbel. De afstand tussen Schrift en belijdenis is kenmerkend voor de laatste. De Schrift blijft op haar plaats: ze ligt er eenmaal. De dingen staan in de bijbel. De belijdenis beweegt zich in de wereld en is blootgesteld aan alle wind van leer. Haar inhoud heeft een zekere toevalligheid. Zij put de Schrift niet uit en wat ze er uit haalt, hangt af van de tegenstand die de strijdende kerk ontmoet. Zij neemt deel aan die strijd en haar inhoud is een viaticum voor de kerk. Zij geeft datgene wat op een bepaald ogenblik in de duur der kerk in het bijzonder gepredikt wordt of moet worden. Ze verwijdert zich, op apostolische wijze, van de overwinning van Christus', om in de loopgraaf dezer wereld iets daarvan uit te dragen.

Daarom acht ik het onjuist als men, zoals vaak gebeurt, de belijdenis in liturgie en kerklied naast of boven de geloofsbelijdenis als leerregel plaatst. Liturgie en lied staan, om te beginnen, niet zo precies in het midden tussen het ambt en de kerkorde. En verder is de inhoud van liturgie en lied nooit zo opzettelijk nauwkeurig aan de Schrift ontleend als de inhoud van de belijdenis. De vergelijking van Schrift en geloofsbelijdenis is veel stringenter dan in die andere gevallen.

Maar vooral mag men beide niet gelijk stellen, omdat men daarmee met het apostolisch karakter der kerk in strijd komt. Want liturgie en kerklied doen tot op zekere hoogte juist het omgekeerde van wat de geloofsbelijdenis als leerregel doet. Het Credo in de cultus en het Te Deum brengen ons vlak voor de troon Gods. Zij voeren het heilig drama van Gods raad in het Evangelie op en verenigen momenteel de strijdende kerk met de triomferende. Ze doen voor een ogenblik deze afstand tussen Christus en zijn kerk te niet. Ze gaan, zou ik bijna durven zeggen, achter de apostelen terug. De geloofsbelijdenis als leerregel doet juist andersom. Zij gaat voor de Schrift uit. De kerk als apostolische instelling moet men bovenal uit haar leren kennen.

Zo is het ook te verklaren dat prediking en liturgie vaak op enigszins gespannen voet staan en dat zelfs, zoals in de Oosterse kerk, de liturgische belijdenis de prediking uit de Schrift half buiten werking stelt en het recht verstaan van het Evangelie moeilijk maakt. De rechtvaardiging door het geloof, de eenheid niettegenstaande de afstand door het Woord, wordt dan niet recht beleden.

Wie zich rekenschap wil geven van de verhouding tussen Heilige Schrift en geloofsbelijdenis, zoals die in het midden staat tussen ambt en kerkorde, moet haar overwegend als leerregel zien.

2

De belijdenis als leerregel, in onderscheiding van de belijdenis in liturgie en lied is in zeer bijzondere zin produkt van een functie der strijdende kerk. Zij staat op een bepaalde afstand van de bijbel. Nog sterker, zij gaat van de Schrift af, terwijl de liturgie zich naar de bijbel toekeert. Dat zij ook voor het aangezicht Gods gesproken wordt, doet er niets aan af, dat ze anders gericht is dan de liturgie. Zoals de bijbel het geopenbaarde Woord Gods vastlegt, zo maakt de belijdenis de stem der prediking in een bepaalde tijd en op een bepaalde plaats leesbaar. Haar afstand van de Schrift is dus een apostolische. Daarom mogen wij niet eisen dat ze een korte samenvatting van de bijbel zal zijn. Er moet ook wat anders in staan.

Toch behoort de overeenkomst bewaard te blijven. En deze kunnen wij nooit a priori vaststellen. Het kon ook wel anders lopen. De verbindingslijn der apostolische kerk wordt steeds langer en wordt bedreigd door de geest aller eeuwen en aller volkeren. Wanneer de kerk de Schrift niet eenvoudig mag naspreken; als ze zich in de prediking van haar moet verwijderen om haar apostolische roeping te volgen; en als ze zich daarbij moet laten beïnvloeden door de noden der wereld, dan zou het geen wonder zijn als niet het goddelijke, maar het menselijke ganz Andere in de belijdenis kwam te staan. Kerkordening en vooral het voornaamste stuk daaruit de belijdenis, is, menselijkerwijze gesproken, een hopeloze zaak.

Toch mag de moed, die Paulus zijn brief aan de Romeinen deed schrijven, niet geheel ontbreken. De heidenapostel heeft daar, nog binnen de omtrek der Heilige Schrift, een voorbeeld gegeven, waaruit wij de juiste verhouding tussen Evangelie en belijdenis kunnen aflezen. De geweldige betekenis van deze apostel ligt hierin, dat hij met het belijden ernst gemaakt heeft. Hij heeft het Evangelie niet alleen maar herhaald. Maar hij heeft in de werkplaats des Heiligen Geestes met geweld daaraan gesmeed. Hij moest de heidenen in het Evangelie brengen, die er niet in stonden. En de eerste dertig jaren na Christus' dood en opstanding hebben daardoor een betekenis gekregen, groter dan die van vele eeuwen. Paulus heeft aan de eeuwigheid van het Evangelie de apostolische tijd ontwrongen, die nodig was voor de duur der christelijke kerk, zoals Jakob worstelde met God om de geschiedenis van het volk Israël. Daardoor kwam er plaats voor personen en zaken die niet in het Evangelie stonden. De kerk werd uit het Evangelie ontbonden, zoals het kind uit de moeder; de verkondiging maakte zich los van de openbaring. En in de brief aan de Romeinen werd de eerste grote belijdenis der kerk geschreven.

Dit alles is van zo grote betekenis, dat het nog in de bijbel staat. Zulk belijden gaat niet in de Schrift terug, maar voor de Schrift uit. Het trekt tijd en plaats binnen het bereik van het Evangelie. Het herhaalt niet enkel de woorden: 'Heere, Heere', simplistisch, maar gaat in op de vragen der eeuw. En eindelijk blijft het niet in de prediking hangen, maar legt zich in geschrifte vast, als een soort tegenhanger van de bijbel, om daarmee de apostolische successie te veraanschouwelijken. Deze successie laat zich niet mechanisch van Petrus of Paulus afleiden. Zij zijn de vaders der belijdenis, zoals Abraham die der gelovigen is. God kan hun uit de stenen wel kinderen verwekken.

De gereformeerde kerk heeft in haar beste vertegenwoordigers naar deze mystische belijdenis-weg gezocht. Het calvinisme vertoont niet in de eerste plaats hierdoor een eigen type, dat het een strengere systematisering van Luthers gedachten geeft. Het is vooral de grotere moed tot kerkorde die hier genoemd moet worden. En dat geldt allereerst van de belijdenis als het voornaamste stuk van de kerkorde. De inhoud van de gereformeerde belijdenisschriften gaat het duidelijkst van de bijbel uit en in zoverre van de bijbel af. Zij dragen minder dan elders het karakter van symbolen of compendiën der Schrift. En toch zit er tevens minder politiek en diplomatie achter dan bij menig luthers stuk. Ze zijn zuiver kerkelijk en van pastorale aard. Hun getal en verscheidenheid wijzen op praktisch gemeentelijk gebruik.

Wanneer zij het daarom eerlijk wagen een soort tegenhangers van de bijbel te worden, dan mag men daarbij de genadeverhouding in de apostolische successie en het mystieke element in hun afstand-nemen van de bijbel niet over het hoofd zien. De belijdenis wil dus de Schrift bij de prediking niet in de weg staan. Daarvoor blijft er te veel mystiek in de verhouding. Maar als daarop volle nadruk gelegd is, moet wel heel duidelijk gezegd worden, dat deze geschriften zich in de wereld vooruit wagen, naar apostolisch bevel. Wij mogen daarom niet zeggen, dat het Credo der kerk betekent, dat wij de bijbel in de geloofsvorm overschrijven. Dat klinkt wel heel innig, maar daarmee zouden wij het Woord Gods uit de wereld wegnemen, zodat land en luiden er niets aan hadden. Op die wijze mogen wij de bijbel niet verkerkelijken.

Belijdenis betekent meer dan dat wij ons geloof bij de bijbel voegen. Zij is een publieke handeling der kerk. Zij doet - sit venia verbo - aan de Heilige Schrift iets toe.

Wat de apostoliciteit der kerk betekent, dat wordt volkomen duidelijk in het pastoraal karakter der gereformeerde geloofsbelijdenissen. Pastoraal wil zeggen: aan de eeuwigheid tijd afkopen, zoals Paulus deed, om mensen voor het Evangelie te winnen. Wij kunnen onze pastorale plicht niet vervullen, als wij met de belijdenis niet buiten de Schrift mogen gaan, om zo in de wereld het voornaamste stuk der kerkorde ten toon te stellen. Om de moed daartoe, roept onze tijd.

Eindnoten

  1. 1

    Verschenen in AWCC, 11 (1934/35), nr. 52 en 12 (1935/36), nr. 1.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Binnen de pinkstercirkelInhoudDe betekenis van de kerkelijke symbolen voor onze tijd →