O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 8. De taak der besturen in 1922Inhoud10. Antwoord op 'afschaffing van eigendomsrecht in de Hervormde kerk' →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 62–64

9. Roeping en loon1

Mag men een predikantstraktement loon noemen of niet? En is de beweging tot verbetering van deze traktementen een loonactie of is ze het niet? Deze beide vragen zouden waarschijnlijk, ook wanneer ze in de Bond aan een referendum werden onderworpen, ontkennend beantwoord worden. En in de gemeente zou vermoedelijk de afwijzing van elke loonactie voor predikanten een nog veel beslister karakter dragen.

Nu is 'loon' een goed Hollands woord en daarom wordt het wel eens, als andere ronde woorden met duidelijke betekenis, vermeden. Aan enkele lagere maatschappelijke klassen wordt het dan overgelaten een loon te verdienen, terwijl de zgn. betere klassen het hunne omdopen in salaris, honorarium, presentiegeld, tantième, traktement enz. In talrijke gevallen zal hierin de afkeer van het woord 'loonactie' gelegen zijn.

Toch niet altijd. En om die overblijvende gevallen is het mij hier te doen. ⚑Men is dan van mening dat een predikant geen loon behoort te ontvangen, onder welke naam dan ook. Hij heeft een roeping te vervullen, een goddelijke roeping, waaraan hij gehoor geeft zonder daarbij aan enig verband te denken, dat deze zou houden met z'n dagelijks brood. Wat de gemeente doet, als ze hem salarieert - sit venia verbo - is slechts: hem in staat stellen zich zonder broodzorgen aan die roeping te wijden.

Aan deze opvatting is de gemeente gehecht. Daaraan is ook misschien de meerderheid der predikanten gehecht. De twintigste-eeuwse werkelijkheid onderwerpt die theorie echter aan een harde proef, waaronder ik geloof dat ze zal moeten bezwijken, tot heil van gemeente en predikant beide.

Om met de laatste te beginnen. God heeft een verband gelegd tussen arbeid en brood. In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten, luidt het oude bijbelwoord (Gen. 3 : 19). Doel van alle arbeid is, onder dit gezichtspunt, het dagelijks brood. Moet dit verband voor de predikant worden losgemaakt? Vormt hij een uitzondering op deze algemene regel? Is zijn arbeid zo bovenaards, dat hij niet onder deze aardse norm valt? Op het boven aangeduide idealistische standpunt zou men dit moeten staande houden. Daardoor degenereert echter zowel de arbeid als het dagelijks brood in het dominees-leven, als hun onderling verband totaal wordt losgemaakt. Het is in menig predikants-leven de kanker die invreet in z'n moreel, dat hij het gevoel heeft en er op aangezien wordt in de wei te lopen. Omdat er geen duidelijk aanwijsbaar verband bestaat tussen z'n werk en z'n broodwinning. Omdat z'n inspanning en z'n capaciteit generlei effect sorteren voor z'n gezin. Omdat z'n salaris een toevalligheid is, hem vaak door sinistere en boze geesten toegemeten, waardoor hij verhinderd wordt in vrome solidariteit met de hele maatschappij te bidden: geef ons heden ons dagelijks brood.

Ook voor de gemeente zou het een geluk zijn als die overgeestelijke opvatting werd ter zijde gesteld. Zij schept leugenachtige verhoudingen. Men moet steeds voorzichtig zijn bij het aanhoren van vrome stelregels, wanneer deze tegelijk zo buitengewoon voordelig zijn voor de houders. Nu de kerk voor zich het privilege opeist van schandelijke salariëring en zij haar dienaren en hun weduwen vrijwel ongepensioneerd laat gaan2 hebben haar leden niet het recht hyper-christelijke beweringen te lanceren. Zij behoren te beginnen de gewoon-christelijke begrippen, die in de wereld toepassing hebben gevonden, te eerbiedigen.

Tweemaal eerder in de geschiedenis heeft men getracht de dienaar der kerk in overgeestelijkheid gevangen te houden. De eerste maal heette het dat de ongewijde literatuur voor een zo geestelijk man overbodige weelde was. Men kent de toeleg van Julianus de Afvallige3 die, door Griekse en Romeinse schrijvers als voor geestelijken verboden boeken te verklaren, hen cultuurloos wilde binden aan 't bijbelboek. De kerk heeft die toeleg afgewezen en eist van haar dienaren academische opleiding, waaraan de Grieks-Romeinse beschaving ten grondslag ligt. De enkel-bijbelvaste oefenaar waardeert, maar prefereert zij niet.

De tweede maal gold het kerkelijk ambt te heilig om de aardse verhoudingen van het huwelijk toelaatbaar te doen zijn. Gregorius V114 vond, dat de daaraan verbonden beslommeringen de geestelijke roeping zouden vertroebelen. Nadat Luther onder het trekken aan het wiegetouw een van z'n machtigste koralen vond,5 waardeert de protestantse kerk in sommige gevallen het celibaat in verband met roeping, maar prefereert zeer beslist de gehuwde pastor.

Thans is er weer iets los met de geestelijke roeping. Ieder verdient z'n brood en vindt daarin z'n maatschappelijke eer. In z'n gezin en in de wereld houdt hij het hoofd omhoog omdat hij dat kán. Alleen de dominee, goedheilig man, mag het niet. Hij zal niet met God en met ere z'n gezin onderhouden. Hij is daartoe een te geestelijk wezen. En loon voor z'n arbeid een te aards begrip.

Het komt er thans op aan om voor de derde maal het overgeestelijke als ongeestelijk te brandmerken. De goddelijke orde mogen wij niet omkeren. Omdat hij dat gedaan heeft wordt de predikant onzer dagen gelouterd in het vagevuur der kerkelijke demonen. En gemeentelijke kwelduivels doen bij hem het besluit rijpen om de orde te zoeken, die geldt voor elk goddelijk beroep in de hele maatschappij.

Ditmaal is het pleit zo mogelijk nog ernstiger. Want wat de eerste en tweede maal gewonnen werd, staat tegelijk weer op't spel. Het gaat tegelijk weer om de cultuur van de predikant. Zonder maatschappelijke positie, zonder literatuur, zonder boek wordt hij bijbeloefenaar. En wanneer het predikantswerk en z'n organisatie en z'n salariëring niet op nieuwe grondslagen geregeld6 wordt, zal er voor het predikantsgezin in talloze gemeenten geen houdbare plaats meer zijn, moreel evenmin als financieel.7

Eindnoten

  1. 1

    OBNP. 4 (15.5.1922) nr. 4.↩

  2. 2

    Na optrekking der bedragen door de reglementen uit de jaren twintig bedroeg het pensioen der predikanten fl 1500 tot in 1939 toe. Weduwen ontvingen plm. fl 185 per jaar, nog eens aangevuld met max. fl 65 uit de 'hulpbeurs'. Het reglement op de predikantstraktementen betekende wel een verbetering, maar vaak werd het reglementaire bedrag niet gehaald. Hoog waren de aanvangsbedragen zeker niet: fl 2500 tot fl 3500. Het predikantspensioen bedroeg gemiddeld fl 840 tot fl 1500.↩

  3. 3

    Zie n. 70.9, 10.↩

  4. 4

    Zie n. 5.6.↩

  5. 5

    Bedoeld is het koraal Vom Himmel hoch da komm' ich her, waarover een meditatie in Zondaar en bedelaar, p. 78 vv. Zie VW., dl. 8, p. 56 vv.↩

  6. 6

    Zie n. 34.7.↩

  7. 7

    Nu volgen in het Orgaan de drie hierna genoemde artikelen: Vacaturegelden, 5 (15.2.1923) nr. l; Bis in idem, 5 (15.6.1923) nr. 5 en Reserveren of uitkeren, 8 (15.11.1926) nr. 10.

    Vacaturegelden: Voor de figuur van de 'ring' zie n. 1.3. N. ziet het gevaar, dat bij een bepaalde regeling, zoals voorgesteld aan de synodevergadering van 1922, de ringpredikanten bij hun reeds karige financiële positie te weinig zullen ontvangen van de welkome meevaller,t.w. de vacaturegelden, tot voordeel van enkele met rijke pastoralia begiftigde kerkvoogdijen. Onder hen waren er juist nogal wat 'niet-aangepasten' (t.w. aan het pas ingevoerde Reglement op de predikantstraktementen), die een vacature hadden welke zij niet vervulden en die zo 'slapende rijk' werden. Dat ging ten koste van de predikanten, wier traktementen nu wel iets verbeterd waren, maar waarvan de weduwen- en wezenpensioenen nog erbarmelijk waren. Konden aan dat soort noden de vacaturegelden niet ten goede komen?

    Bis in idem: In dit artikel verwijt N. aan de verantwoordelijke lieden regentenmentaliteit, die niet bedacht is op de nood." Het zitten aan rechter- en linkerhand is geen zaak van regeren maar van dienen." "Ingeval van overlijden en invaliditeit der de kerk haar hele ambtenareneorps - met vrouw en kind - bijna naakt aan de dijk."

    Reserveren of uitkeren: Er kan nog veel meer uitgekeerd worden, dat is billijker dan oppotten, waarvan enkele toch al goed betaalden profiteren, terwijl anderen daarvoor bloeden. Dat heeft een zorgvuldige narekening van Verslag en rekening over 1925 van de Raad van beheer N. geleerd.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 8. De taak der besturen in 1922Inhoud10. Antwoord op 'afschaffing van eigendomsrecht in de Hervormde kerk' →