10. Antwoord op 'afschaffing van eigendomsrecht in de Hervormde kerk'1
Dr. Hoog is in het avondblad van zaterdag 23 februari weer op het oorlogspad gegaan tegen de Raad van beheer.2 Het is best te begrijpen dat de kruitlucht, ontstaan door het advies van prof. Van Apeldoorn,3 de Nijmeegse predikant voldoende prikkelde om hem naar zijn groot zijdgeweer te doen grijpen. Immers ook vroeger trok hij dat gaarne in volle lengte over de bestuurslichamen.
Reeds de naam van de Raad van beheer prikkelt hem. Hij vindt dat degenen die die raad ten doop hielden eigenlijk een vergissing begingen. Ze gaven voor: niet in het beheer in te grijpen en verleenden de boorling toch die omineuze titel. Deze ergernis had de schrijver zich alvast kunnen besparen door art. 11 van het Reglement op de predikantstraktementen4 in te zien. Daarin staat dat het beheer van de Raad gaat over de kas voor de predikantstraktementen. Er is toch zeker in Nederland geen kerkvoogd, die daarop aanmerking maken kan.
Dit slechts in het voorbijgaan. Niet de naam maar de daad der besturen is in geding. Dr. Hoog, schrijvende over de gedragslijn der synode, verwijt de besturen dat ze listiglijk en valselijk zeggenschap zoeken te krijgen over andermans eigendom. Daarbij stelt hij voorop dat de Nederlandse hervormde gemeenten eigenaressen zijn van de kerkgoederen. Hij noemt ze zelfs 'particuliere eigenaressen', die 'op volstrekte wijze' over 'hun eigendom' kunnen beschikken. De synode heeft dan, eerst bij de verhuiskosten, daarna bij de quota en eindelijk door de aanslagen van de Raad van beheer de beheerscolleges zoeken in te spinnen.5
Nu is het van het grootste belang dat in deze kwestie, die weer acuut gaat worden, de dingen niet vertroebeld worden. Het komt mij voor dat dr. Hoog zich daaraan zeer ernstig schuldig maakt. Allereerst gebruikt hij uitdrukkingen die niet door de beugel kunnen. Ook wanneer men meent dat de gemeente eigenares is, dan mag men ze geen 'particuliere eigenares' noemen, die 'op volstrekte wijze' over haar eigendom kan beschikken. Dat is een voorstelling die geen zin heeft en slechts te verklaren is uit de behoefte om sterke expressies te gebruiken. De schrijver schijnt te willen zeggen dat de gemeenten ten opzichte van hun eigendom even vrij staan als een particulier tegenover het zijne. Maar dan is het, behalve dat het onjuist is uitgedrukt, ook zeer beslist onwaar. Het is onnodig dat nader aan te wijzen. Het is een voorstelling die, bij mijn weten, tevoren nog door niemand is gegeven.
Ook dit is echter het ergste nog niet. Erger is dat dr. Hoog in zijn betoog premissen en conclusies verbindt die niet bij elkaar horen. Voor de kwestie van het eigendomsrecht der kerkelijke goederen en de daaruit te trekken conclusies ten opzichte van de gedragswijze der synode stelt bij voorop de premissen van, om een der bekendste vertegenwoordigers te noemen, prof. Cannegieter.6 En hij trekt daaruit de conclusie van, om weer een enkele naam te noemen, prof. Van Apeldoorn. En dat geeft inderdaad een allervermakelijkste verwarring. Prof. Cannegieter stelde, teneinde het recht der synode om het beheer te regelen te kunnen concluderen, als premisse het eigendomsrecht der hervormde gemeente. Prof. Van Apeldoorn ontkent dat de hervormde gemeente eigenares is en trekt daaruit de conclusie dat de synode onbevoegd is tot beheerregeling. Beiden trekken hun conclusie zuiver uit de premisse. Maar wat bezielt dr. Hoog om de conclusie van prof. Van Apeldoorn uit de premisse van prof. Cannegieter te trekken?
Als de hervormde gemeente eigenares is van de kerkgoederen, dan staat ze daartegenover als tegen de diaconie-goederen. De besturen hebben, zolang men de kwestie van het recht der hele organisatie er buiten laat, zeggenschap over deze laatste. Zij vragen de rekeningen op, leggen quota op, geven voorschriften. Datzelfde mogen de besturen doen als de gemeente eigenares is van de kerkgoederen.
Prof. Van Apeldoorn ontkent dat de hervormde gemeente eigenares is van de kerkgoederen, voorzover ze stichtingsgoederen zijn. Voor deze goederen is geen aardse eigenaar aan te wijzen. Wel hebben ze een aards doel. Pios usus.7 Om tot dit doel te geraken worden ze beheerd. Dat beheer nu eens in deze, dan weer in die handen geweest. 't Laatst kwam het, door een rechterlijke dwaling,8 in handen van de hervormde gemeente. Tussen de gemeente als bestuurslichaam en de gemeente als beheerslichaam is een kloof als tussen de arme Lazarus en de rijke man. Op grond daarvan ontkent prof. Van Apeldoorn het recht der synode om het beheer te regelen.
Ik vraag thans niet wie gelijk heeft. Ik voor mij ben geneigd het er voor te houden dat de gemeente geen eigenares is en de synode niet bevoegd is tot het beheer. Tegelijk echter ontken ik dat art. 419 van het Reglement op de vacaturen, waarin de doorzending van de aanvraag om handopening10 in verband wordt gebracht met verhuiskosten, quota en voldoening aan art. 1 van het Reglement op de predikantstraktementen, de bevoegdheid der synode te buiten gaat. Dit nader uit te werken is thans niet mijn bedoeling.
Ik wilde alleen maar aanwijzen hoe dr. Hoog, die de hervormde gemeente wel als eigenares der kerkegoederen beschouwt en nog wel als een particuliere eigenares' bij vergissing een verkeerde conclusie achter zijn premisse plaatste.