11. Professor van Apeldoorn en de synode1
Bij zijn bestrijding van de synodale bevoegdheid inzake beheer en traktementsregeling gebruikt prof. Van Apeldoorn tweeërlei argumentatie. De eerste gaat uit van zijn historischonderzoek naar eigendom, bestemmingen beheer der kerkelijke goederen in Friesland en wordt hoofdzakelijk gevolgd in zijn brochure De synode en de kerkegoederen van 1919. Zij steunt op het onderscheid tussen parochie en gemeente. De parochie is een middeleeuwse formatie en correspondeert met kerkstichting. De gemeente is een kring van geestelijk gelijkgezinden, die zich in de parochie vormt, na de Reformatie. Het beheer, dat oorspronkelijk prerogatief is der kerkstichters, blijft parochiaal bepaald, ook wanneer het later in andere handen komt. Het bestuur gaat over de gemeente en mist de bevoegdheid zich met parochiale zaken te bemoeien. Zo ziet deze jurist bestuur en beheer als twee evenwijdige lijnen, die elkaar nooit kunnen raken, ook al schijnen ze oor het oog hoe langer hoe meer samen te vallen.
in het onlangs verschenen Advies wordt een ander uitgangspunt gekozen. Niet uit de oorsprong van het beheer wordt hier geargumenteerd, maar uit de oorsprong van het bestuur. De schrijver tracht aan te tonen dat de bestuursmacht in het Algemeen Reglement haar eigen grens vindt. Wat haar daarin niet werd opgedragen behoort niet tot haar bevoegdheid. Beheer en traktementsregeling vallen er buiten en daarmee is ten eeuwigen dage aan de synode het recht ontzegd zich 'er mee in te laten.
Deze bewijsvoering draagt een ander karakter dan de eerst aangewezene. Wanneer men op de parochiale gesteldheid van kerkegoed en predikantstraktement de grens aftekent, waarop elke bestuursregeling moet stuiten, dan stelt men deze beide daarmede eigenlijk buiten de Hervormde Kerk. Ze kunnen hun betekenis hebben voor de Hervormde Kerk, maar staan toch buiten het kader der kerk. De stelling kan dan verdedigd worden, gelijk dat ook plaats heeft, dat de 'pius usus', na het wegvallen der parochie niet tot een gezindheid in de voormalige parochie behoeft of behoort beperkt te blijven; of zelfs aan een andere gezindheid zou moeten worden afgestaan. Het is bekend dat de 'gereformeerden'2 de gedachte aan een van deze beide oplossingen nog niet hebben losgelaten. Maar ook wanneer men zover niet gaat, dan blijft het op dit standpunt toch een blote toevalligheid dat beheer en vruchtgebruik beide bij de hervormde gemeente zijn. Ze zijn dan ook langs geheel verschillende weg en in geheel verschillende eeuw bij de hervormde gemeente terechtgekomen. Daaruit laat zich dan de conclusie trekken dat de band tussen hervormde gemeente en beheer van kerkegoed buitengewoon uitwendig is en in geen geval vatbaar voor een centrale regeling van de idee der kerk zelve uit. Men kan dan de eis stellen dat iedere regeling in haar plaatselijke toevalligheid worde gelaten.
Deze positie heeft prof. Van Apeldoorn in zijn advies meer terzijde gelaten. Wel verwijst hij op p. 26 naar de brochure van 1919, maar de argumentatie in het Advies zoekt de grens der synodale bevoegdheid in de bestuursinrichting zelve. De kwestie krijgt nu een heel andere vorm. In plaats van de tegenstelling tussen parochie en gemeente krijgen we die tussen algemene kerk en plaatselijke gemeente. De schrijver geeft de voorstelling alsof in 1816 een soort scheiding van rechten heeft plaats gehad tussen synode en gemeenten. Althans in dit advies wil hij dit accepteren. Een deel der rechten hebben de gemeenten stilzwijgend aan de synode afgestaan. De andere rechten, waarvan in het Algemeen Reglement geen overdracht geschiedt, blijven aan de plaatselijke gemeente voorbehouden. Daartoe behoort ook de regeling van de predikantstraktementen.
Hier wordt dus het vraagstuk zuiver immanent in de Hervormde Kerk. ⚑Het is een strijd die geheel binnen de muren der kerk moet worden uitgevochten tussen synode en plaatselijke gemeente. Niet het feit dat een traktement uit stichtingsgoed opkomt, en dus zijn parochiale gesteldheid en buitengemeentelijke afkomst, vormt een hindernis voor synodale inmenging, maar de traktementsregeling als zodanig wordt als functie der plaatselijke gemeente aan de synode ontzegd.
De plaatselijke bepaaldheid wordt niet hieruit afgeleid dat het een aangelegenheid is, die eigenlijk buiten de Hervormde Kerk verloopt en daarom als een raaklijn haar slechts op een punt tegelijk kan raken, maarzij is in het Advies fundamenteel en hangt samen met het vermeende wezen der kerk als bestaande uit plaatselijke gemeenten. Dit plaatselijke der gemeente wordt zo sterk op de voorgrond geschoven dat een bescheiden gemeentelijke omslag, het zgn. quotum,3 dat absoluut noodzakelijk is om de bestuursinrichting mogelijk te maken en een consequentie van haar bestaan zelf, de gemeente in haar rechten heet te verkorten. En eindelijk wordt dit lokale als een democratische karaktertrek der kerk verheerlijkt.
Ik heb mij afgevraagd waarom prof. Van Apeldoorn van batterij veranderd is. De reden lijkt mij niet ver te zoeken. In de brochure van 1919 schrijft mr. Van Apeldoorn dat zijn betoog in het bijzonder gericht is op de onbevoegdheid der synode tot regeling van het beheer der kerkegoederen in Friesland. Omdat het echter voor een deel een meer algemene strekking geeft, gelooft hij dat het voor andere provinciën 'niet alle waarde zal missen'. Hierin ligt een hinderlijke beperking. Het is duidelijk dat argumenten, wier kracht afhankelijk is van lokale onderzoekingen en die in dit geval in Kuinre en Tjonger4 een grens vinden, de hoogleraar thans niet konden dienen. Ze zouden, voor ze algemeen geldig werden, de uitslag van historische onderzoekingen overal elders moeten afwachten. Daarom moest, nu het een advies gold van algemene strekking, een meer universeel gezichtspunt als uitgangspunt dienen.
Dit maakt op mij de indruk alsof de schrijver een vast ommuurde burcht verlaten heeft voor het vlakke veld. Ook in die vesting geloof ik niet dat hij geheel schotvrij was. Maar het thans gekozen terrein lijkt mij al zeer open te liggen. Het oordeel over het recht van stichtingen is er een dat inderdaad zeer bijzonder tot de competentie der juristen behoort. Wanneer echter de verhouding van algemene kerk en plaatselijke gemeente in het geding komt, of de vraag in hoeverre een eeuwenoude koninklijke opdracht wijzigingen kan lijden zonder haar kracht te verliezen; wanneer verder beweerd wordt dat traktementsregeling qua talis aan de synode verboden is, afgezien van de bronnen waaruit het traktement opkomt, dan heeft dit alles zeker een juridische zijde, maar deze is niet de voornaamste. Ook sociologen, politici, zelfs theologen hebben hier een woord mee te spreken en daardoor worden deze vragen uitermate gecompliceerd. ⚑Prof. Van Apeldoorn heeft dit zelf gevoeld toen hij verder ging dan het geven van een juridisch advies. Door het poneren van een democratisch beginsel vlocht hij een sociologisch motief in. Een politieke raad gaf hij, toen hij de kerkvoogdij adviseerde een protest te richten tot de minister van Financiën. Dat hier voor de theologen iets te doen is, blijkt uit het advies niet. Waarschijnlijk acht de hoogleraar hen daartoe te formalistisch.5
Maar ook uit een zuiver juridisch oogpunt zou, naar het mij voorkomt, nog wel iets in het midden te brengen zijn. Ik geloof niet dat de synode zich og schaakmat gezet behoeft te gevoelen. Dit vraagt echter een afzonderlijke beschouwing.