O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 84. Het canonieke rechtInhoud86. Brief inzake minderhedenvraagstuk →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 617–628

85. Instituut en volk1

Deze brochure werd geschreven op verzoek der redactie van Kerk en Theologie. Zij wil een bijdrage zijn tot de bezinning op de lijn waarin onze kerk zich beweegt. Van een koers kan men bij de kerk eigenlijk niet spreken; die is te opzettelijk. De geschiedenis der kerk is dan ook meestal meer een beschrijving van haar conglomeraties dan van haar transfiguratie. Meer van pogingen om iets te zijn dan van een verheerlijking door het komen tot de volle wasdom (Efeze 4 : 13). Dat zij het daarin zo moeilijk heeft, wordt verklaarbaar als wij er aan denken, dat zij samen met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest beleden wordt in de Twaalfartikelen. Zij staat daar als een soort voorpost van de Triniteit. Calvijn noemt in zijn Institutie de christen een schildwacht der eeuwigheid.2- Eerder dan dat de kerk dus plannen gaat maken voor haar aardse toekomst of een program gaat opstellen voor de eerste vijf of tien jaren, zal zij er toe gedrongen worden te vragen: wat ben ik? waar ben ik? vanwaar kom ik? waarheen ga ik?

Deze vragen zijn niet gemakkelijk te beantwoorden. Nog veel moeilijker dan wanneer de blote mens, buiten Christus om, naar zijn existentie vraagt. Die mens heeft er ook reeds enig besef van, dat hij met God in het span loopt en dat zijn bestaan een mysterie is. Maar voor een lidmaat der kerk, aan wie God zich geopenbaard heeft als Vader, Zoon en Heilige Geest, voor die wordt het nog een veel groter raadsel, wat er in zijn bestaan besloten ligt en wordt het schier onmogelijk een bestek te maken van eigen positie en van de te nemen koers.

Dat de kerk er aanvankelijk niet toe gekomen is om een bepaling van eigen wezen te geven, is dan ook geen wonder. En evenmin is het vreemd dat zij, toen zij daaraan, vooral na de Reformatie, noodgedrongen begon, daarbij in grote moeilijkheden geraakte. Niemand zal durven beweren, dat de protestantse geloofsleer er in geslaagd is hier voldoende helderheid te scheppen. Eerder lijkt het wel alsof het raadsel hoe langer hoe groter wordt en de kerk ook in haar praktijk in steeds neteliger dilemma's verward raakt.

Misschien ware het daarom beter, als wij afzagen van een algemene bepaling en ons tevreden stelden met de kennis van enige kenmerken van de ware kerk, waarachter dan haar wezen verscholen blijft. Vanouds heeft men onder protestanten als zodanig het Woord en de sacramenten genoemd.3 Waar het eerste recht gepredikt en de laatste naar de inzetting bediend werden, daar zou de ware kerk zijn.

Zulk een gereserveerde houding heeft zeker iets voor. Men blijft daarbij veilig voor bespiegelingen die strijden met de soberheid des Geestes en die op eigen vuist gedreven worden. - Het modern-klassieke voorbeeld bij wat wij hier zoeken aan te duiden, zijn de nieuwere theorieën over de eredienst.4 Onder die titel meent men er in geslaagd te zijn een naam te vinden voor het geheel van de diensten, die de gemeente in haar samenkomsten bijwoont. Een naam, die men in de loop der eeuwen eigenlijk nooit heeft kunnen vinden, omdat de delen zo ongelijksoortig waren. Tegelijk met de naam moest men dan ook een theorie geven om het aannemen van zulk een geheel te rechtvaardigen. En in zulk een theorie kon dan weer een gevaar schuilen voor één of meer der delen; in dit geval vooral voor de prediking.

Welnu, zo moeten wij ook op onze hoede zijn, als wij ons rekenschap zoeken te geven van wat ik nu - slechts heel even - het wezen der kerk wil noemen. Het is niet zonder reden, dat Luther en Calvijn zich er tegenover de gemeente toe bepaalden, een paar kenmerken te noemen. Kenmerken, die iets uitwendigs en iets objectiefs hadden. Zij bleven daarmee aan de veilige kant. En tevens in de historische lijn. Tussen de Dopersen en Rome.

Maar het is toch niet toevallig dat, nog maar een halve eeuw na het ontstaan van onze Hervormde Kerk,5 bij ons reeds een ijverig zoeken gaande was naar kenmerken van meer inwendige en subjectieve aard. Daarmee werd eveneens naar de kerk gevraagd, doch naar een andere zijde van deze. Men wilde weten of men tot het volk Gods behoorde, tot het uitverkoren geslacht, het koninklijk priesterdom, de heilige natie, waarvan sprake is in de eerste brief van Petrus (1 Petrus 2 : 9).

Nu hebben de reformatoren deze zijde der kerk ook wel gekend. Luther noemt het gebed en het kruisdragen ook onder de kenmerken.a6 Maar hij bepaalt zich meestal tot het noemen van de genademiddelen, de publieke handelingen waaruit de gemeente geboren wordt. Het leven van het volk Gods komt immers in de prediking vanzelf wel ter sprake. - De gereformeerden gaan verder. Wanneer zij naast Woord en sacrament de tucht als derde kenmerk der kerk naar voren brengen, dan gebeurt dat niet om het instituut, maar om het volk. Daarin ligt de erkentenis, dat de verkondiging niet alleen een publieke aangelegenheid is, maar dat zij ook privatim plaatsheeft; in de huizen en in de scholen. En in verband met dat laatste komt nu de discipline naar voren. De tucht is voor Calvijn niet in de eerste plaats leertucht, maar gaat over belijdenis en leven. De leertucht is er ook wel, maar zij is niet het derde kenmerk van de ware kerk. Zij ligt immers reeds besloten in het eerste, de rechte prediking des Woords. Het derde heeft betrekking op de regerende ouderlingen, die na de lerende ouderlingen de huizen binnengaan om te zien wat er uit het zaad des Woords geboren is7 en daarvan verslag te doen. Daarbij gaat het dus niet om de heiligheid van het Woord, maar om de heiligheid van de natie, het volk des Heren. - Wanneer Sohm opmerkt, dat kerkorde leertucht is,8 dan gaat dat dan ook wel op voor de Lutherse, maar niet voor de Gereformeerde Kerken. Er volgt ook uit dat het 'zitten op de leer', dat onder ons vaak als de voornaamste functie van het ambt eens ouderlings wordt aangegeven, een onjuiste opvatting weergeeft. De oudste gereformeerde kerkorden wisten beter. Zij omschreven dit ambt aldus, dat daarbij werd opgedragen de gemeente te vergaderen en opzicht over haar te houden.b En dit is thans ook weer het eerste, wat in onze kerkorde wordt gevraagd.9

Wij merken wel dat het niet zo eenvoudig is om - wat men soms zo noemt een kerkbegrip te hebben. De kerk verzet er zich als het ware tegen om begrepen te worden. De dingen en functies die onder dat begrip gebracht moeten worden, schijnen soms met elkaar in strijd te zijn. Wanneer de kerk een instituut, een instelling is, hoe kan zij dan tegelijk een volk heten? Een instituut functioneert; een volk leeft en groeit. Een instituut wordt ingesteld; een volk wordt geboren.

Het is geen wonder dat deze tweeslachtigheid in leer en praktijk tot telkens nieuwe moeilijkheden aanleiding heeft gegeven en dat nog doet. Bij de leer moet men zich afvragen of de kerk allereerst een organische en levende eenheid is, een volk, geboren niet uit vlees en bloed, maar uit het onvergankelijk zaad van Gods Woord (1 Pt. 1 : 23 vv.; Mt. 16 : 17; 1 Kor. 15 : 50). En of zij daarna, meer van buiten af, zich ook de karaktertrekken van een instituut heeft eigen gemaakt, doch zich daartegen, krachtens innerlijke levenswet, toch eigenlijk blijft verzetten. - Men moet ook overwegen, of die organische eenheid, die wij een volk noemden, ook wanneer zij een inrichting niet in strijd acht met haar wezen, zich desalniettemin niet veel verder uitstoelt dan het haar aangemeten instituut "in huisgezin en school - waar geen pastor en geen presbyter is."c En verder, welk karakter, indien de kerk zo verschillende kanten heeft, de tucht moet dragen; vaderlijk, broederlijk, ambtelijk? ⚑Voor onze kerk stellen zulke vragen zich weer bijzonder dringend aan de orde, nadat zij, onder haar landsheerlijke en bestuurlijke inrichting, bijna anderhalve eeuw in een onwaarschijnlijke en ongerijmded toestand heeft verkeerd. Nu dit juk verbroken is,10 en zij als kerk in een heel andere wereld is ontwaakt dan die, waarin het gereformeerde kerkrecht ontstond, is een dagelijkse, grondige bezinning op haar eigen levensorde en regeerwijze een allereerste eis. Zij heeft in dat opzicht nog weinig ervaring en moet dus ernstig te rade gaan met die van haar zusterkerken, die zich vrijer konden bewegen en langer gelegenheid hebben gehad zich aan te passen. Ik denk hierbij aan een citaat uit een brochure uit de Doleantietijd.e Hier is het: "Reeds daarom kan, daargelaten dat elke poging tot herstelling van het verleden schipbreuk moet lijden, van terugkeer naar 1618 geen heil gewacht. De mens is anders dan toen. Uitgenomen de diepe snijding tussen dood en leven, zonde en zoen, is alles in en aan hem anders geworden. Hij voelt anders, minder diep; hij denkt anders, minder scherp, maar zijn levenskring is driemaal ruimer dan voorheen. Andere tonen doen de snaren van zijn hart trillen. Een man der zestiende eeuw zou in onze dagen van hartzeer sterven. En zo ook, één onzer, in die eeuw terug geschoven, zou als een vreemde buiten haar levensstroom staan. Wat toen het uitnemendste was is thans onbruikbaar."

Als de inhoud van dit citaat,11 dat met warme instemming werd aangehaald door Van Ronkel, in 1888 van toepassing was, dan zeker thans nog veel meer. Natuurlijk geldt dit niet in de eerste plaats voor het type van kerkinrichting, doch voor aanpassingen daarvan aan de omgeving. Het is echter zonder meer duidelijk hoe, bij een uiterst eenvoudige kerkorde als de gereformeerde, die aanpassingen diep in het type kunnen insnijden. Des te meer zullen dogmatisch en kerkrechtelijk beraad hier steeds hand in hand moeten gaan en is iedere lichtvaardigheid hier uit den boze. - Een rooms-katholiek schrijverf maakt ergens de opmerking, dat de geschilpunten tussen Rome en de Reformatie omtrent de normen der kerk niet minder belangrijk zijn dan de leer der Triniteit en de christologie.12 En een kenner van Lutherg heeft verklaard, dat bij deze kerkhervormer de beschouwingen over de kerk van het begin af evenwijdig lopen met die over de rechtvaardiging door het geloof.13 De kerkvorm gaat hand in hand met de belijdenis. Bij een andere belijdenis hoort een andere kerkvorm. De protestantse leer van de rechtvaardiging door het geloof is een vereenvoudiging en een vergeestelijking van de leer der Drieëenheid. En diezelfde verhouding bestaat ook tussen de patristische en de reformatorische kerkorde. De afleiding van die laatste uit de Schrift is geen mechanische, doch een organische. Zij hangt samen met alle samenvoegselen en de geest van het geheel des geloofs. Zo wordt het duidelijk dat het kerktype een betrekkelijk vaste kern moet blijven behouden, ook wanneer de tijden veranderen. De kerkorde is niet slechts een middel om de belijdenis te handhavenh maar zij is ook zelve een stuk der belijdenis.14

Deze uiteenzettingen moesten voorafgaan, als wij iets willen gaan zeggen in het beraad over de positie van onze kerk en het beleid dat zij heeft te voeren. Ik heb reeds geïnsinueerd, dat dit beraad en dit beleid met grote omzichtigheid dienen plaats te hebben en dat iedere al te spontane reactie op de lange periode van onwaarschijnlijkheid en ongerijmdheid tot andere ongerijmdheden kan voeren. Er is echter op sommige punten ook reeds een zekere continuïteit aanwezig, van langer duur dan die welke loopt vanaf de ingang der nieuwe kerkorde.

De houding onzer kerk sedert 1886 zou men een vlucht voor de leertucht kunnen noemen. Men voelde, dat de Doleantie op dat stuk niet genoeg rekening had gehouden met de eisen der katholiciteit. Wie nu nog weer eens Kuypers brochures uit die tijd doorbladert, wordt daardoor weer heel sterk getroffen. Zijn Confidentie, van 1873, laat nog de breedte van het hervormde leven met zijn achtergronden zien. Wel vindt men er reeds de hoofdtrekken van zijn kerkelijk program en worden de hoofdlijnen van zijn kerkelijke actie reeds zichtbaar, maar alles is nog niet georganiseerd tot een veldtocht, waarin een slag geleverd moet worden. Daarvan leest men pas het relaas in de brochures Het dreigend conflict en Het conflict gekomen. De leertucht voor deze gelegenheid in de passieve vorm overgebracht, van tachtig presbyters over de drie te Amsterdam 't laatst overgebleven moderne predikanten, werd daarbij tot een stuk kerkelijk geschut, dat een positie murw bedoelde te schieten. Zij wordt tot een hoogmoedig en eigenmachtig gehanteerd wapen in plaats van een ootmoedige belijdenis. Wel zelden zal in de geschiedenis der kerk een leider zichzelf zo persoonlijk op de voorgrond hebben gesteld als dr. Kuyper dat deed in het kapitteltje Ons arme Vaderland! van de brochure Complot en revolutie.15

Van dit avontuur, deze onderneming,16 zoals De la Saussaye jr. het eens genoemd heeft, heeft onze kerk zich beslist gedistantieerd. Hoe weinig fraai in sommige opzichten de behandeling van het conflict geweest is en hoezeer de daarbij gekweekte synodale mentaliteit meer dan een halve eeuw lang een bijna onoverkomelijke hindernis geweest is voor de pogingen tot kerkherstel en kerkopbouw, toch is na 1886 de overtuiging, dat kerkorde een stuk van de belijdenis is en dat leertucht een katholieke, met alle stukken en personen verband houdende aangelegenheid behoort te blijven, tot de vaste stellingen van ons kerkrecht gaan behoren. Hier is de continuïteit, waarover ik sprak, reeds lang lopende. Wij behoeven haar niet eerst te zoeken.

Om dat goed duidelijkte maken hebik de époque-1886 met een scherpere naald geëtst dan ik eigenlijk bedoel. Niet om spitse redenen tegen de gereformeerde broeders was het mij te doen; God weet dat dit niet het geval is. Maar om het aanwijzen van een grondlijn die de orde in onze kerk reeds langere tijd hielp constitueren. Degenen die van ons heengingen hebben geen reden tot juichen. Gaan wij na 1950 nog verder uiteen? Op het stuk van de leertucht? - Ik acht zulk een tirannie van de leertucht in een kerkorde, waarbij de kerk vergruizeld wordt, niet alleen ongereformeerd, maar ook onkatholiek en onchristelijk. De ongelegenheid waarin de gereformeerden zich nu weer met ons op dit punt bevinden, zie ik als een mogelijkheid tot hereniging. Alleen een fanatieke houding en een verabsoluteren van een deel der belijdenis, dat in de gereformeerde religie nooit op de voorgrond stond, kunnen hier een grendel voor schuiven.

Sprak ik van een vlucht voor de leertucht na 1886, er is nog een tweede continuïteit aanwijsbaar. Een zich te schoor stellen tegen leertucht, bijna in elke vorm en onder welke voorwaarden ook. De dreiging daarvan was de grootste verhindering voor alle pogingen tot herstel van onze kerkelijke samenleving gedurende meer dan een halve eeuw. Velen waren bang voor een herhaling van 1886. Het heeft lang geduurd voor een zeer grote meerderheid doordrongen was van het feit, dat de hervormde gezindheid wezenlijk een andere was. Voor men weer de kerkorde en daarmee ook de leertucht - zij het dan op een plaats aan de rand - erkende als een stuk van onze belijdenis.

Nu daaromtrent een vage communis opinio is ontstaan en de reorganisatie voortgang heeft gevonden, rust op ons de dringende verplichting ons op dat andere te bezinnen. Onze houding mag niet geheel negatief zijn. In verband daarmee is men begonnen zich bezig te houden met het karakter van kerkelijke richtingen. In het spraakgebruik heeft men er een plaats voor gezocht onder de naam van modaliteiten.17 Deze greep acht ik meer handig dan gelukkig. Het woord heeft een filosofische bijsmaak. Men denkt aan een substantie, aan attributen en dan aan daaruit afgeleide modi of bestaanswijzen. Deze termen zijn verwant aan een soort tolerantie, die eveneens wijsgerig van afkomst is, vooral in anglicaanse kringen. Zij sluit de idee van ketterij uit en bewijst daarmee van onchristelijken huize te zijn. Natuurgodsdiensten zijn verdraagzaam, tot in het oneindige. De Chinese heiden meent dat een ander geloof het zijne completeert en neemt het er soms gaarne bij. ⚑Het onderscheiden van geesten (1 Kor. 12 : 10) is een veel scherper werk. Dit charisma, dat Paulus naast de profetie noemt, mag zelf niet worden afgestompt. Het behoort tot de eerstgeboorterechten der gemeente. Wel moet het op omzichtige wijze worden gebruikt. Calvijn spreekt van een oordeel der liefde, waarbij wij, ten opzichte van de kerkelijke staat van anderen, op uitwendige tekenen mogen afgaan.i Voor ons is die staat immers geen geloofszaak, tenzij dan in deze zin, dat de liefde alles gelooft. Hier geldt nu, wat Rome noemt, soms enigszins een ingewikkeld geloof.18 Wij gaan daarbij dan af op de aanwijzingen der kerk. Een te eigenmachtige keuring wordt daardoor voorkomen en zo wordt tegelijk een band van katholiciteit tussen de leden gelegd. De onderscheiding der geesten, die op zichzelve een charisma is, wordt op die wijze tot op zekere hoogte algemeen gemaakt.

Toch mag de breedheid dezer katholiciteit de grens der indifferentie en der principiële tolerantie nooit bereiken. De eigenlijke onderscheiding der geesten blijft haar volle scherpte behouden. Daarvoor is telkens een genadegave nodig. De tucht zelve is een ban, een bliksem.

Wanneer de kerk die ban als een in de historie verroest wapen naast zich zou neerleggen, dan zou zij - zoals Gunning het noemt - haar achtenswaardigheid verliezen. Zij zou zichzelve verlagen.j Deze Leidse hoogleraar vond de roep, waarmee het Trents concilie op 4 december 1563 uiteenging: "Vloek over alle ketters, vloek, vloek!" blijk geven van hoger stemming dan de 'waardering' van een kamergeleerde.k 'Ja' en 'neen' waren in de kerk niet tegelijk toelaatbaar. Wij mochten van de hoogte van Gods beloften niet moedwillig aftreden. Zulk een verdraagzaamheid noemt hij hoogmoed. De ware geestelijkheid alleen, die zich door Gods verbond gebonden weet, brengt tot ootmoed.19

Hierbij dient echter nog eens opzettelijk herinnerd te worden aan de boven aangewezen spanning in ieder kerkbegrip - ook dat van Rome tussen een instituut en een volk. Wanneer Gunning - ook nog in 1902 - de kerk soms beschouwt naar analogie van een levend wezen of een persoonlijkheid, dan dreigen de biologie en het idealisme hem parten te spelen, zoals zij dat in de negentiende eeuw bijna iedereen deden. Hij wist dat zelf wel en maakte reeds in 1889 de opmerking dat het mechanische meer ruimte laat voor het geestelijke dan het organische.l - Wanneer er daarom bij de kerk sprake is van een onderscheiding tussen instituut en volk, dan moet men er bij dat laatste wel aan denken, dat dit volk uit het Woord geboren wordt, niet uit het bloed. Een volkskerk in die laatste zin is het nooit. Men heeft er nimmer rechten door blote aanwezigheid.20 In dat opzicht is het verschil tussen instituut en volk niet zo groot als men oppervlakkig zou denken. Het predikambt is een instelling; Doop en Avondmaal ook. Maar de beloften, die Christus gedaan heeft en waarbij ieder gelovige leeft, zijn ook gegeven en dus in zekere zin ook ingesteld. Beide moeten daarom op andere wijze onderscheiden.

Dit is daarom van zo groot belang omdat, zoals wij gezien hebben, onder ons, gereformeerden, het instituut op de tweede plaats komt,21 na belijdenis en wandel, na het volk.m - De Lutherse kerk bestaat rondom de prediker, in enigszins los verband. De kerken van Genève hebben een veel straffer greep op het leven gedaan. Zij hebben de roep der Dopersen om een heilig volk niet zonder meer afgewezen. Dat volk heeft naast Woord en sacrament een eigen bestaan en plaats als kerk. Het is daartoe uitverkoren en geroepen en in zekere zin ook ingesteld. Het neemt deel aan de vergadering der kerk door Woord en Geest, zij het op andere wijze dan dit geschiedt door wat wij gewoonlijk instituut noemen. Het doet dit ook op andere plaatsen en op andere tijden; meer overal en altijd. In Voetius' dagen was het een algemeen aangenomen stelling,22 dat er in eigenlijke zin geen andere kerk is dan de gemeente, de populus ecclesiasticus (het kerkvolk); dat kerkelijke vergaderingen oneigenlijk kerk genoemd worden.n Een geheel duidelijk onderscheid tussen instituut en volk schept alleen het sacrament. School en gezin hebben dat niet. - Het sterkst kwam deze zijde der kerk in de nieuwere tijd wel naar voren bij dr. Hoedemaker. Hij legt daarbij zelfs te veel nadruk op het organische en ontkent "ten sterkste, dat Christus geinstitueerd heeft, dat het apostolaat een ambt in de kerk is en dat de inrichting der kerk is voorgeschreven."o

Deze laatste beschouwing, die de gereformeerde tegenspraak tegen Rome heeft overdreven, moet worden gecorrigeerd door het maken van een onderscheiding tussen tweeërlei instelling en orde, een eigenlijke en een oneigenlijke. En nu is dit het belangrijke, dat de laatste, die Voetius de eigenlijke noemt, in het gereformeerde leven voorop is komen te staan. Tegenover Rome zijn de posities juist omgekeerd. Rome kent de kerk ook nog wel als volk, maar zijn kerkorde gaat restloos over het instituut. Genève kent het instituut ook nog wel, maar zijn eigenlijke zorgen betreffen het volk. Daarin ligt de wereldhervormende betekenis van het calvinisme. De mogelijkheid daarvan was voor Calvijn het sine qua non van zijn komst naar Genève. Wat dat betekende, bleek sedert in West-Europa en Amerika.24

Het leerambt op zichzelf, hoe ingrijpend ook van binnen en van rondom van zijn clericalisme ontdaan, bleef, evenals bij Luther, min of meer zijn plaats en waardigheid behouden. Met de diaken bleef dit het oude instituut vertegenwoordigen. Maar - men ziet het bij Luther - de presbyter was met het hele clericale apparaat weggevaagd. Wat Calvijn daarvoor in de plaats riep, was iets heel nieuws. De ouderlingen waren niet bedoeld om de opziener gezelschap te houden, zoals in de oude kerk, en nog minder om opzicht over hem te hebben. Tot 1816 ontbraken zij zelfs nog op vele plaatsen in ons land. Calvijn had hen anders bedoeld. Een ontwerp-kerkelijke-wetten van de Staten van Holland van ±1580 weet nog goed dat hun "principaalste ambt oudtijds geweest is op de zeden te waeken".25 De leertucht bleef binnen het oude instituut, het predikambt, vallen. Daarvoor moest op de een of andere wijze, naar gelang van de omstandigheden, worden gezorgd, nu de hiërarchie was weggevallen. Dat deden de predikanten zelf, de Vénérable Compagnie, of de overheid. De tucht, die de ouderlingen hadden te oefenen, was daarvan door een duidelijke kloof gescheiden, althans kerkhistorisch. Door het presbyterie hebben de gereformeerde gemeenten een half-politieke vorming ondergaan. Politiek in de zin van een civitas Dei, een burgerschap Gods. Nu de clerus wegviel, werd het volk zelf een instelling. Het moest leren leven op de hoogte, waar het door de prediking was geplaatst, boven zijn natuurlijk niveau, boven zijn spel en dans, boven de gisting van het bloed, in de vreugden des geestes. Genève werd, na de geleidelijke, onwillekeurige verbanning van zijn ingezetenen, een stad van réfugiés; van mensen, die "een vaderland zochten" (Hebr. 11).

Zulk een mobilisatie van het christenvolk-zelf was in de kerk nooit eerder ondernomen. Dit is dan wat ik het oneigenlijke, het nieuwe instituut noemde en dat onder gereformeerden vooraan staat. Het eigenlijke instituut, het predikambt met het diaconaat, dat uit de hiërarchie was overgebleven, staat daarvan apart. Wanneer heden ten dage van enkele zijden de leus wordt gehoord: 'Geen domineeskerk!', dan versta ik niet, hoe men zich de kerk der toekomst voorstelt, als dit, bij de Reformatie overgebleven bolwerk nu achteraf ook nog geslecht moet worden.

Veel erger nog zou het echter zijn als de hoofdstelling in het hervormde leven werd geslecht. Dat, wat wij een oneigenlijk instituut noemden, maar wat voor de atlantische christenheid het meest eigene, het typische is geweest. Ons volk bijvoorbeeld was tot voor een eeuw gewend om in de kerk te leven. Hier en vooral ook in Engeland, onder de dissenters, heerste een spanning des geestes, verkregen door het instituut van een gemeentelijke ascese; een spanning die uitsprong naar een positie boven de natuur in Gods verbond, zonder dat het natuurlijke daarbij werd ontkend; maar toch daarboven. Men kende het leven als instelling en tot dit bovennatuurlijke had men zelf toegang en was daarvoor niet aangewezen op een kerkelijk instituut, zoals de roomsen.

Van deze hervormde positie heeft Gunning gezegd: 'Verlagen wij onszelve niet!' Hier ging de biologische satan van hem weg. Hier lag de sleutel van het kerkelijk ja en neen voor de gemeente.26 Dat had voorlopig met leertucht niets te maken. Die sleutel lag daar, waar de tucht op gereformeerde bodem verbonden ligt met belijdenis en wandel.

Deze positie in het hervormde leven onderging bij ons al spoedig enige afbraak. De overheid hier te lande placht tegenover de kerkelijken op te merken, dat men hier niet met ballingen, maar met ingezetenen te doen had. Dat zoeken van een vaderland kon niet op dezelfde voet doorgaan. Een staat Gods als te Genève en elders was niet voor export geschikt.

Zo kwam het, dat het oorspronkelijk calvinisme, deze gematigde en geordende greep naar het Godsrijk, waarin het Doperdom zich bijna restloos heeft opgelost, een eindweegs werd ingeperkt. Dit moest natuurlijk vooral merkbaar zijn ten opzichte van de kerk als volk, het gereformeerde palladium, met het instituut der ouderlingen. Ten opzichte van het uit de hiërarchie overgebleven instituut, de predikanten, gaf het weinig verschil. Het presbyterie echter werd van buiten naar binnen gedrukt. Zijn opzicht moest over de leer der dominees gaan in plaats van, zoals de synode van Wezel voorschreef, over 'handel en wandel' der leden.27

Deze verschuiving blijkt op pikante wijze uit het formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen, dat omstreeks 1586 anoniem ontstond.28 Calvijn zegt in zijn Institutie, dat de predikanten de schapen moeten weiden en de wolven doden.29 In de Londense liturgie staat dat, meen ik, ook nog. In bovengenoemd formulier echter zijn de ouderlingen de herders geworden en de predikanten als mogelijke wolven genoemd.

Daarmee heb ik gewezen op de voornaamste fout, die in ons kerkrecht is ingeslopen. Men heeft de inrichting van de kerk-als-volk ten dele opgegeven en daardoor is binnen de kerk-als-instituut een inwendig bederf ontstaan. Het presbyterie ging daar, als elk dood lichaam, tot ontbinding over. Voor menig prediker werd de gang naar de kansel daardoor tot een kruisgang. En niets heeft ook zozeer gediend om de richtingstrijd een hatelijk karakter te geven, als deze wacht om de predikstoel. De figuur der Doleantie - tachtig presbyters rondom drie predikanten - was bij ons de apotheose van deze ontbinding der kerkorde. Het presbyterie had - wereldhistorisch gezien - met leertucht nu juist niets te maken.

Deze dingen heeft onze kerk zich in de eerste plaats te herinneren. Men zou het de ontspoorde leertucht kunnen noemen, bij ons èn bij de gescheiden kerken allebei. Bij ons is echter de laatste halve eeuw gezocht naar de fout. Wij hebben er iets van gemerkt dat die tucht, wegens de gemeenteopbouw die het gereformeerde leven vanouds eigen is, slechts zelden geïsoleerd behoeft voor te komen. Dat gebeurt dan soms nog op ouderwetse manier in het instituut. Het grootste deel van deze functie wordt echter zijdelings opgevangen, zoals het water van de Rijn door de Waal. Het wordt afgeleid en getransformeerd in de tucht, die over belijdenis en leven van het volk gaat. Wie in een hervormde kerk aan de prediking raakt, raakt aan zoveel. Zij is voor een hoog procent door de gemeente reeds overgenomen. Er is daar reeds zoveel op de leest der prediking geschoeid. Een preek wordt tevens een manier van leven. De oude gereformeerde kerkorden heetten dan ook liturgieën.30

Daardoor wordt de leertucht sterk ontladen. In de gereformeerde wereld behoeft de banstraal slechts zelden te slaan. Hij flikkert er toch wel; maar meer onophoudelijk en overal. - Op dit punt is de autocratische Calvijn de vader der democratie geworden; en daar staat Rome vlak tegen hem over; nu nog. Rome wil, dat het kerkelijk ambt de gelovigen ook zal beschermen tegen zogenaamd leidende figuren in de gemeente. Ook tegen 'scholen' dat wil zeggen afgeleide prediking en bewegingen.p En daar ligt nu juist het onderscheid tussen een christelijke gemeente boven en beneden de Moerdijk. Rome kent geen instituering van het volk. Het laat de mensen op natuurlijk peil en dient hun het bovennatuurlijke toe door het clericale instituut.

Deze dingen zijn zeer actueel. Een zeer verbreide kerkelijke beweging31 acht dat het werk van Calvijn heeft gefailleerd. Men gelooft dat de kerk als volk een mislukking is geworden en dat het leven als instelling, als verbond met God, moet worden geliquideerd. Men wil in het oude instituut terug. Niet de gemeente weer uitbouwen, maar de kerk. Successie, traditie en veel meer moet weer in ere worden hersteld. Alles in de sporen van het presbyterie, dat al lang weer clerus werd en als voorpost der kerk in het leven werd ingetrokken. De hele stelling van de christen als schildwacht der eeuwigheid moet nu weer worden opgeheven. Men wil nu alles weer binnenhalen. Een mensentype als Olivier Cromwell en Abraham Lincoln32 zal dan nog slechts als sediment kunnen voorkomen. Want kerkorde geeft een mensentype. - En tegelijk daarmee wil men ook het puritanisme, de natuurlijke bovennatuurlijkheid, ter ziele laten gaan, ook boven de Moerdijk. Dan wordt het de taak der kerk aan de jeugd de oude volksdansen weer te leren. Het hart der Hervormde Kerk zal dan in Brabant gaan kloppen. ⚑De verhouding van instituut en volk of gemeente, waarover deze brochure handelde, is niet alleen voor de toekomst in grote stijl van belang, maar ook al dadelijk voor de gewone kerkelijke praktijk. Wanneer de kerk zich gaat uitspreken over veel, waarover in de gemeente gesproken wordt, dan blijve zij zich daarbij haar hervormd karakter herinneren. Zij moet hele stukken van het Woord hun vrije loop laten. Een uitspraak is zelden nodig en spreken meestal voldoende. Deze matiging is zeer noodzakelijk. Wanneer de kerkelijke vergaderingen zich gaan bezighouden met vragen van algemene aard, zoals dat een gereformeerde kerk wel past, dan behoort het gezag, dat de kerk voor haar centrale functies eigen is, daarbij sterk ontspannen te worden. Niet elke vergadering is een concilie van Nicea of synode van Dordrecht. Een enkele maal zal de kerk zich tot instituut moeten samentrekken. Zij zal dan een uitspraak moeten doen. Daaronder valt o.a. ook de leertucht. Maar meestal verwijdt zij zich op haar vergaderingen tot de gelijkenis van het volk. Zij spreekt dan enkel. Een kerkelijke vergadering zou goed doen voor zich de mogelijkheid te scheppen heel vaak formeel in conferentie over te gaan.

In verband daarmee acht ik het ook niet onbedenkelijk, dat in artikel 10 van de Kerkorde met prediking, kerkliederen, gebeden, formulieren, leerboeken en belijdenisgeschriften gewoonweg ook getuigenissen, kanselboodschappen en herderlijke brieven als stukken van haar belijdenis in éne rij zijn geplaatst. In een hervormde kerkorde acht ik dit een ernstige fout. Met name geldt dat, afgezien van het noodgebruik in de oorlog, van de kanselboodschappen, die de verkondiging storen. Ieder hervormd christen voelt daarin instinctief een vreemd inkruipsel. Het instituut gaat hier te hoog boven het volk staan. Een kerkelijke vergadering is geen herderlijke instantie in eigenlijke zin. Zij behoort tot een gemeente als tot een gelijke te spreken. En over algemene zaken niet door directe aanspraak, maar zijdelings zich met haar te onderhouden. De instrumentering van een gemeente is geestelijken van aard dan die van een kerkelijke vergadering. Onze vaderen vonden zulk een vergadering eigenlijk geen kerk.33

Voetnoten

  1. a

    J. Köstlin, Luthers Theologie, Stuttgart 1901, dl. 2, p. 258.↩

  2. b

    Assembler le peuple et rapporter les scandales.↩

  3. c

    Bavinck, GD. IV, p. 357.↩

  4. d

    Kwalificatie van De la Saussaye sr.↩

  5. e

    Dr. Ph. van Ronkel, Grondwetsherziening ook voor de kerk, Leiden 1888, p. 29 v.↩

  6. f

    Damiaen van den Eynde, Les Normes de l'Enseignement Chrétien dans la littérature patristique des trois premiers siècles, Gembloux-Parijs 1933.↩

  7. g

    Köstlin, a.w., 11, p. 256.↩

  8. h

    Bavinck, a.w., IV, p. 403.↩

  9. i

    Inst. IV, 1, 8.↩

  10. j

    J. H. Gunning, Verlagen wij ons zelve niet!, Nijmegen 1902.↩

  11. k

    J. H. Gunning, De eenheid der kerk, Nijmegen 1896, p. 19.↩

  12. l

    J. H. Gunning, De wijsbegeerte van den Godsdienst, Utrecht 1889, p. 46.↩

  13. m

    Bavinck, a. w., IV, p. 313.↩

  14. n

    H.G.Kleyn, Algemeene kerk en plaatselijke gemeente, Dordrecht 1888,bijlage II,p.317, n. 2.↩

  15. o

    De kerk en het moderne staatsrecht, Amsterdam 1904, p. 47.↩

  16. p

    K. Adam, Het wezen van het katholicisme, Voorhout 1930, p. 41.↩

Eindnoten

  1. 1

    Nr. 2 van Geschriften betreffende de orde der NHK. (uitgegeven onder één red. met Kerk en Theologie bij H. Veenman & Zn., Wageningen), okt. 1952.↩

  2. 2

    Zie n. 25.9.↩

  3. 3

    Vgl. Inst. IV, 1, 9 vv.; voor de tucht zie Inst. IV, 1, 13-29.↩

  4. 4

    Zie N.' boek Liturgie, Amsterdam 1939, m.n. p. 15-17 (VW., dl. 7).↩

  5. 5

    Bedoeld is de zgn. Nadere Reformatie, vgl. W. Goeters, Die Vorbereitung des Pietismus in der reformierten Kirche der Niederlande bis zur Labadistischen Krisis 1670, Leipzig 1911; F. E. Stoeffler, The rise of evangelical pietism, Leiden 1971.↩

  6. 6

    ' ... das Gebet des christlichen Volks ... (ist) ... das Heiltum des heiligen Kreuzes.'↩

  7. 7

    Zie n. 55.100,↩

  8. 8

    Vgl. Kirchenrecht I, p. 460 vv.↩

  9. 9

    Vgl. Discipline ecclésiastique, 1559, verbonden met de Confession de Foy, art. 21. Zie W. Niesel, Bekenntnisschriften und Kirchenordnungen der nach Gottes Wort reformierten Kirchen, Zürich2, p. 77. "L'Office des Anciens sera de faire assembler le peuple, rapporter les scandales au Consistoire et autres choses semblables, selon qu'en chaeune Eglise il y aura une ferme couchée par escrit selon la circonstance des lieux et des temps. Et n'est I'Office des Anciens comme neus en usons à présent perpétuel." Zie n. 55. 100; 76.14. Vgl. kerkorde 1951, IV Van de ambten, 6. Aan de ouderlingen is toebetrouwd: het vergaderen van de gemeente; de zorg dat alles in de gemeente met orde geschiedt etc.↩

  10. 10

    Door de invoering der kerkorde, zie n. 76.2, 3. - Voor noot d, zie n. 14.10; 21.7; 55.28.↩

  11. 11

    Uit Vrijheid, preek waarmee A. Kuyper Van Ronkel op 23.3.1873 te Amsterdam bevestigde; in Predicatiën in de jaren 1867 tot 1873, Kampen 1913, p. 395; vgl. H. J. Langman, Kuyper en de volkskerk, Kampen 1950, p. 52 vv. Voor Van R. zie n. 14.14;14.15. Al brak Van R. met K., hij bleef hem bewonderen. Vlak voor zijn dood bepleitte hij reorganisatie door herstel der vergaderingen in de NHK. met vermijding van afscheiding. Ook te Leiden in 1888 verschenen: Nabetrachting en De aanstaande classicale vergaderingen en onze roeping.↩

  12. 12

    Zie n. 55.12. Zie ook noot f↩

  13. 13

    "Neben der Lehre von der Rechtfertigung durch den Glauben steht fortwährend die von der Kirche als eigentümiiche Hauptlehre des Reformators." Zie noot g.↩

  14. 14

    Vgl. H. Bavinck, a.w., 1e dr. p. 110, 4e dr. p.404: "De belijdenis is de hoofdzaak, maar de kerkenorde is het middel om de belijdenis te handhaven." Ook: "Christus heeft aan zijn gemeente een eigen regering geschonken." Vgl. ook de gereformeerde belijdenisgeschriften zoals Gallicana art. 29-32; Scotica art. 18; Belgica 30, 31.↩

  15. 15

    Zie N.' artikel De Doleantie (nr. 47). In Confidentie, schrijven aan de weled. Heer J. H. van der Linden, Amsterdam 1873 (dd. 29.3 en 25.4) geeft K. een autobiografische toelichting op zijn kerkelijk en maatschappelijk handelen, gericht op een kerk, die deze naam waardig is. De door N. genoemde hervormde 'breedte' vinde men m.n. in zijn relatie tot Gunning e.a. hervormde theologen (p. 9-24, 45-48) en in zijn notities met betrekking tot 'gereformeerd' (p. 63-74).↩

  16. 16

    Vindplaats onbekend; zie n. 69.14.↩

  17. 17

    Zie H. Berkhof, Crisis der middenorthodoxie, Nijkerk z.j. Naam en typering van deze nieuwe mortaliteit zijn van de schrijver. De naam 'modaliteiten' stamt uit de overgangsbepalingen m.n.art. 238 van de nieuwe kerkorde ('modaliteit van prediking en catechese').-H.Berkhof (geb. 1914, zie over hem Rasker, a.w.) was sinds 1950 rector hervormd seminarie.↩

  18. 18

    Vgl. G. Hoffman, Die Lehre von der fides implicita innerhalb der katholischen Kirche, Leipzig 1903 (boek in N.' bibliotheek aanwezig).↩

  19. 19

    Verschillende van de hier gegeven (vrije) citaten komen voor in Verlagen wij onszelve niet! Een woord tot de Hervormde Gemeente, door J. H. Gunning, oud-hoogleraar, Nijmegen 1902. - Voor 'Ja' en 'neen' etc. vgl.a.w., p. 6; voor " ... van Gods beloften niet ... aftreden" a. w., p. 6l; voor "zulk een verdraagzaamheid noemt hij hoogmoed", vgl. LW. 111, p. 145, Een woord aan de Zuidafrikaanse correspondent van het Wagenings Weekblad, Wag. Weekbl. dd. 27.4.1887; (voor deze hele discussie zie LW. 111, p. 128-149: in Zuid-Afrika had men namelijk Gunnings opkomen voor de Amsterdamse kerkeraadsleden - zie n. 47.12 - als een goedkeuring van hun houding en als een meegaan met de Doleantie uitgelegd). - Voor 'ootmoed' zie Verlagen wij onszelve niet, o.m. p. 14. Voor kerkbeschouwing 'naar analogie van een levend wezen' (en volgende alinea) a. w., p. 3-7, m.n. p. 6 v.: "Een levend wezen toch heeft maar één ziel, dus één uiting daarvan, één belijdenis."↩

  20. 20

    Zie n. 22.4.↩

  21. 21

    Zie n. 30.50, ook nr. 71; vgl. ook GD. IV, le dr.p. 110,4edr.p. 352: "Weliswaar komt de kerk allereerst uit in de bediening van woord en sacrament, in de zuiverheid van leer en van leven, maar de regering der kerk gaat niet buiten dit alles om maar staat er zeer nauw mee in verband." Vgl. GD. IV, 1e dr. p. 63, 4e dr. p. 313: "De ecclesia universalis gaat aan de ecclesia particularis en aan de afzonderlijke fideles vooraf, gelijk in elk organisme het geheel voor de delen gaat."↩

  22. 22

    Vgl. Voetius, Pol. Eccl., P. 111, Lib. 1, Tr. 111, c. V par. 1, Probl. IV: Ecclesia Una in singulari modo proprie dici non possunt (te weten de coetus classici aut synodici). Zie ook over de kwestie M. Bouwman, Voetius over het gezag der synoden, Amsterdam 1937, p. 74 vv., 420 v. Voetius stond onder invloed van de leidinggevende theoloog van de puriteinse nederzetting in Massachusetts, John Cotton en zijn werk The keyes of the Kingdom of heaven and Power thereof Londen 1644, die een middenweg vond tussen presbyterianisme en independentisme. "The Power is in the people." Voetius (mèt Cotton) aanvaardde niet de gewone exegese van Matth. 18 : 17: met 'de gemeente 'is niet bedoeld de kerkeraad, maar de vergadering der gemeente 'return corpus ecclesiae'.↩

  23. 23

    Voor de visie op een eigen kerkelijke tucht juist met het oog op de ordening van het gemenebest, vgl. o.a. H. Berkhof, Geschiedenis der kerk, Nijkerk 19501, p. 181-185.⚑

  24. 24

    Zie o.a. A. A.van Schelven, Het Calvinisme gedurende zijn bloeitijd, dl. 1, Genève-Frankrijk, 2. Schotland-Engeland-N.-Amerika (Amsterdam 1943 en 1951); Uit de strijd der geesten (Amsterdam 1944).↩

  25. 25

    Vgl. Ontwerp Kerkelijke wetten van de staten van Holland van - 1580 bij C. Hooijer (ed.), Oude Kerkordeningen der nederlandse hervormde gemeenten (1563-1638), Zaltbommel 1865, p. 12 1: "Van ouderlingen, welker principaalste ambt oudtijdts is geweest op de zeeden te waeken en de overtreders met mannelijke vermaningen weder op den rechten weg te brengen." Vgl. ook A. van Ginkel, De ouderling, Amsterdam 1975, p. 223.↩

  26. 26

    Zie noot 19.↩

  27. 27

    Vgl. C. Hooijer, a. w.: " 't Komt gans met haar beroep niet overeen wette te maken ofte heerschappije te voeren over de Dienaren. . ." (p. 33 vv.; vooral p. 43 v.; IV, 9, handelend over de ouderlingen).↩

  28. 28

    "Hun ambt ... mede toezicht te nemen op de leer en de wandel van de dienaren des Woords ... naarstig wacht te houden tegen de wolven, die in de schaapskooi van Christus zouden kunnen komen." Vgl. Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk in ontwerp, p. 161.↩

  29. 29

    Zie n. 60.8.↩

  30. 30

    Vgl. Liturgia Sacra van Valerandus Pollanus, zie n. 55.29.↩

  31. 31

    Bedoeld is de beweging rondom 'Hervorming en katholiciteit'. Zie n. 86.4.↩

  32. 32

    Olivier Cromwell (1599-1658), Engels staatsman, streng puritein, tegen kerkelijke politiek Karel I. In de burgeroorlog (1642-1645) vormt hij een boerenmilitie (Rondkoppen) met accent op tucht, geloof, offervaardigheid, ook wel Ironsides geheten. Meedogenloos tegen katholieke leren en presbyteriaanse Schotten (die Karel II erkenden). Bevorderde de expansie van zeevaart, handel en kolonisatie. Verenigde Engeland, Schotland en Ierland en regeerde als Lord Protector vrijwel steeds zonder parlement. - Abraham Lincoln (1809-1865), zestiende president VS., arbeiderszoon uit Quakersfamilie (Kentucky), tegenstander slavernij. Na uittreding zuidelijke staten burgeroorlog, afschaffing slavernij (Emancipation Deelaration). Na herkiezing als president (1864) vermoord.↩

  33. 33

    Zie noot 22. Ten aanzien van kerkelijke uitspraken zie n. 69.20; 84.9.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 84. Het canonieke rechtInhoud86. Brief inzake minderhedenvraagstuk →