86. Brief inzake minderhedenvraagstuk1
Gaarne voldoe ik aan uw verzoek om schriftelijk te willen reageren op voorstellen inzake minderheden van 19 oktober 1954.
De nota voor de vorige bespreking, met de notulen van die laatste, hebben mij een vrij volledig overzicht van de kwestie verschaft. Het is buitengewoon belangrijk en ook interessant de interne evoluties van ons hervormde kerkelijke leven te volgen. Bijna van 'kindsbeen' af is dat voor mij een 'puzzle' geweest. Ik ben opgegroeid onder de orakelspreuken van Hoedemaker in de eerste jaargangen van De Gereformeerde Kerk, die van buitengewone kwaliteit waren. Zij suggereerden een zekere onoplosbaarheid van alle kerkelijke vraagstukken. En ik ben geneigd daarin het bijzondere van het hervormd kerkrecht te vinden.
Wij hebben die trek ten dele gemeen met de anglicanen. Ik heb er, lang geleden, eens op gewezen dat Beets, Gunning, Schuller tot Peursum, typisch hervormde figuren, alle drie iets anglicaans hadden.2 Wat ons onderscheidt is dit dat wij met onze moeilijkheden omtrent de leer niet geneigd zijn in de liturgie te vluchten. Wij staan op ons dogma en op onze leertucht. Zelfs Snethlage3 is indertijd voor de leertucht als voor een attribuut der kerk opgekomen. Tussen rechts en links behoeft daarbij geen verschil te bestaan. Laten wij dat los, dan zijn wij aan'Hilversum'4 overgeleverd. Op dat stuk is ook Kraemer5 gestrand in onze kerk. Hij wou tot op zekere hoogte het dogma vervangen door levenshouding, mede een anglicaanse trek die wij niet kunnen delen.
Zo zitten wij dan met onze leertucht, de grote onoplosbaarheid in ons kerkelijk leven. Hoe verlegen en hulpeloos wij ons daartegenover voelen blijkt wel heel duidelijk uit de vreemde omstandigheid dat wij ons werk op dat terrein zijn begonnen met een vakantie van tien jaren.6 Ik heb dat indertijd afgeraden. Maar die overgangsbepaling was begrijpelijk.
Wanneer wij ons op het moment, na vijf jaren kerkordepraktijk, bezinnen op de mogelijkheden van de leertucht, dan kan men zeggen dat zij alleen mogelijk zou zijn tegenover het midden der kerk en niet tegenover de kanten. Ik behoef dat niet uit te werken, hoe vreemd het moge klinken.
Maar wat van de leertucht in de hoogste mate geldt, doet dat ook elders. ⚑Ik denk aan het begrip 'plaatselijke gemeente', dat zo'n rol speelt bij het minderheden-vraagstuk. Is dat uitsluitend een geografisch begrip? Wil het alleen maar zeggen dat men ter plaatse geholpen wil worden? Blijkbaar wel niet; de verbondsgedachte schuilt er achter. Men leeft kerkelijk van vader op zoon in de tijd. En men hecht aan de samenwoning met zijn broeders op dezelfde bodem. In zoverre heeft de plaatselijke gemeente iets heiligs.
Maar is dat karakter absoluut? Er bestaat een figuur in het kerkelijk leven, die er grenzen aan stelt. Zij treedt van tijd tot tijd op, als zich op dat terrein een onoplosbaarheid voordoet. In 1886 bij de Doleantie en zij wil dat reeds nu weer doen na vijf jaren modern hervormd leven. Ik zou het de doender7 willen noemen, wat op politiek terrein de diender heet. Hij doet wat des kerkeraads is en breekt daartoe in zekere zin in de plaatselijke gemeente in. Degenen die dat arrangeren heten de synodalen. Zij zijn er nu in de kerk van 1886 ook al lang weer. Zij zijn eenvoudig een bewijs van onoplosbaarheid van kerkelijke zaken.
Deze oplossing zou ontoelaatbaar zijn als de heiligheid der plaatselijke gemeente absoluut was. Maar zij is dat blijkbaar niet, want men hoort thans de verdedigers van het plaatselijke een beroep doen op het tegendeel, het belang van hun apostolisch werk. Wie daaruit de juiste consequenties trekt, zal aan het plaatselijke een zekere openheid laten. In de eerste christelijke gemeente werd op de pinksterdag het plaatselijke geheel geëlimineerd. En later gaven Petrus en Johannes naast zich het roer in handen aan Philippus en Stefanus, die veel minder lokaal dachten en handelden. En 'last not least' wijzigt Paulus het plaatselijke definitief.
Maar ook nu is de verhouding van plaats en beweging in de gemeenten lang niet altijd dezelfde. Denk aan Friesland en de Veluwe. Maar vooral aan het verschil tussen een bevolking in patriarchaal landelijk verband en een andere die in vakverband leeft. Deze mensen trekken van loonronde naar loonronde, van de melk naar de honig. Of zij nu in Jericho zijn of in Ai, dat is hun betrekkelijk onverschillig. Als ze maar verder komen in het beloofde land.
Zo hebben alle hervormd kerkelijke begrippen iets zwevends. De kerk is als een orgel, waarin de stemmer de temperatuur8 moet leggen voor hij verder kan. In het octaaf komt voor de inliggende tonen enige ruimte tekort. Deze mogen niet geheel zuiver spreken. Er moet een zekere zweving hoorbaar zijn. Dat heet de temperatuur. Wie dat niet weet kan zijn handen er beter afhouden.
Ik mag van uw aandacht niet meer vragen; u vormt samen een grote vergadering. Ik meende goed te doen mij niet in finesses te begeven inzake minderheden. U kunt dat beter ter vergadering. Ik gaf slechts een proeve van aanpak. ⚑Mij lijkt ook het te hulp roepen van De Doender een noodzakelijkheid. Mensen gaan voor plaatsen. Of dat nu gebeurt via de kerkorde of via een overgangsbepaling, lijkt mij geen hoofdzaak. Prof. Rasker9 heeft al gewezen op onze vroegere 'huisgemeente'. En voor de mogelijkheid van een bijzonder verband van een minderheid, gevormd door het apostolaat, heb ik lang geleden al een plaats gevraagd in een van mijn toenmalige kerkrechtelijke brochures.10 Het is interessant te beleven dat zulke typisch-hervormde oplossingen zich gewoon doorzetten.11
De bijzondere wijkgemeente voor minderheden zou dan volgens de aanhangige voorstellen per uitgebreide overgangsbepaling ingevoerd worden. Ik kan daarmee meegaan.