O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 85. Instituut en volkInhoudBijlage 1 →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 631–633

86. Brief inzake minderhedenvraagstuk1

Gaarne voldoe ik aan uw verzoek om schriftelijk te willen reageren op voorstellen inzake minderheden van 19 oktober 1954.

De nota voor de vorige bespreking, met de notulen van die laatste, hebben mij een vrij volledig overzicht van de kwestie verschaft. Het is buitengewoon belangrijk en ook interessant de interne evoluties van ons hervormde kerkelijke leven te volgen. Bijna van 'kindsbeen' af is dat voor mij een 'puzzle' geweest. Ik ben opgegroeid onder de orakelspreuken van Hoedemaker in de eerste jaargangen van De Gereformeerde Kerk, die van buitengewone kwaliteit waren. Zij suggereerden een zekere onoplosbaarheid van alle kerkelijke vraagstukken. En ik ben geneigd daarin het bijzondere van het hervormd kerkrecht te vinden.

Wij hebben die trek ten dele gemeen met de anglicanen. Ik heb er, lang geleden, eens op gewezen dat Beets, Gunning, Schuller tot Peursum, typisch hervormde figuren, alle drie iets anglicaans hadden.2 Wat ons onderscheidt is dit dat wij met onze moeilijkheden omtrent de leer niet geneigd zijn in de liturgie te vluchten. Wij staan op ons dogma en op onze leertucht. Zelfs Snethlage3 is indertijd voor de leertucht als voor een attribuut der kerk opgekomen. Tussen rechts en links behoeft daarbij geen verschil te bestaan. Laten wij dat los, dan zijn wij aan'Hilversum'4 overgeleverd. Op dat stuk is ook Kraemer5 gestrand in onze kerk. Hij wou tot op zekere hoogte het dogma vervangen door levenshouding, mede een anglicaanse trek die wij niet kunnen delen.

Zo zitten wij dan met onze leertucht, de grote onoplosbaarheid in ons kerkelijk leven. Hoe verlegen en hulpeloos wij ons daartegenover voelen blijkt wel heel duidelijk uit de vreemde omstandigheid dat wij ons werk op dat terrein zijn begonnen met een vakantie van tien jaren.6 Ik heb dat indertijd afgeraden. Maar die overgangsbepaling was begrijpelijk.

Wanneer wij ons op het moment, na vijf jaren kerkordepraktijk, bezinnen op de mogelijkheden van de leertucht, dan kan men zeggen dat zij alleen mogelijk zou zijn tegenover het midden der kerk en niet tegenover de kanten. Ik behoef dat niet uit te werken, hoe vreemd het moge klinken.

Maar wat van de leertucht in de hoogste mate geldt, doet dat ook elders. ⚑Ik denk aan het begrip 'plaatselijke gemeente', dat zo'n rol speelt bij het minderheden-vraagstuk. Is dat uitsluitend een geografisch begrip? Wil het alleen maar zeggen dat men ter plaatse geholpen wil worden? Blijkbaar wel niet; de verbondsgedachte schuilt er achter. Men leeft kerkelijk van vader op zoon in de tijd. En men hecht aan de samenwoning met zijn broeders op dezelfde bodem. In zoverre heeft de plaatselijke gemeente iets heiligs.

Maar is dat karakter absoluut? Er bestaat een figuur in het kerkelijk leven, die er grenzen aan stelt. Zij treedt van tijd tot tijd op, als zich op dat terrein een onoplosbaarheid voordoet. In 1886 bij de Doleantie en zij wil dat reeds nu weer doen na vijf jaren modern hervormd leven. Ik zou het de doender7 willen noemen, wat op politiek terrein de diender heet. Hij doet wat des kerkeraads is en breekt daartoe in zekere zin in de plaatselijke gemeente in. Degenen die dat arrangeren heten de synodalen. Zij zijn er nu in de kerk van 1886 ook al lang weer. Zij zijn eenvoudig een bewijs van onoplosbaarheid van kerkelijke zaken.

Deze oplossing zou ontoelaatbaar zijn als de heiligheid der plaatselijke gemeente absoluut was. Maar zij is dat blijkbaar niet, want men hoort thans de verdedigers van het plaatselijke een beroep doen op het tegendeel, het belang van hun apostolisch werk. Wie daaruit de juiste consequenties trekt, zal aan het plaatselijke een zekere openheid laten. In de eerste christelijke gemeente werd op de pinksterdag het plaatselijke geheel geëlimineerd. En later gaven Petrus en Johannes naast zich het roer in handen aan Philippus en Stefanus, die veel minder lokaal dachten en handelden. En 'last not least' wijzigt Paulus het plaatselijke definitief.

Maar ook nu is de verhouding van plaats en beweging in de gemeenten lang niet altijd dezelfde. Denk aan Friesland en de Veluwe. Maar vooral aan het verschil tussen een bevolking in patriarchaal landelijk verband en een andere die in vakverband leeft. Deze mensen trekken van loonronde naar loonronde, van de melk naar de honig. Of zij nu in Jericho zijn of in Ai, dat is hun betrekkelijk onverschillig. Als ze maar verder komen in het beloofde land.

Zo hebben alle hervormd kerkelijke begrippen iets zwevends. De kerk is als een orgel, waarin de stemmer de temperatuur8 moet leggen voor hij verder kan. In het octaaf komt voor de inliggende tonen enige ruimte tekort. Deze mogen niet geheel zuiver spreken. Er moet een zekere zweving hoorbaar zijn. Dat heet de temperatuur. Wie dat niet weet kan zijn handen er beter afhouden.

Ik mag van uw aandacht niet meer vragen; u vormt samen een grote vergadering. Ik meende goed te doen mij niet in finesses te begeven inzake minderheden. U kunt dat beter ter vergadering. Ik gaf slechts een proeve van aanpak. ⚑Mij lijkt ook het te hulp roepen van De Doender een noodzakelijkheid. Mensen gaan voor plaatsen. Of dat nu gebeurt via de kerkorde of via een overgangsbepaling, lijkt mij geen hoofdzaak. Prof. Rasker9 heeft al gewezen op onze vroegere 'huisgemeente'. En voor de mogelijkheid van een bijzonder verband van een minderheid, gevormd door het apostolaat, heb ik lang geleden al een plaats gevraagd in een van mijn toenmalige kerkrechtelijke brochures.10 Het is interessant te beleven dat zulke typisch-hervormde oplossingen zich gewoon doorzetten.11

De bijzondere wijkgemeente voor minderheden zou dan volgens de aanhangige voorstellen per uitgebreide overgangsbepaling ingevoerd worden. Ik kan daarmee meegaan.

Eindnoten

  1. 1

    N.' volledige opschrift van deze brief luidt: Briefaan het moderamen van de Gen. Synode van de NHK., Den Haag, dd. 24.10.1954 - bericht op uw schrijven dd. 7.10.54, inzake minderhedenvraagstuk. De voorgeschiedenis van deze brief is op te maken uit de Nota betrekking hebbend op het vraagstuk van de minderheden, welke diende tijdens de tweede zitting van de vergadering der generale Synode op 25.1.1955,Hand. Syn. 1955, p. 15 vv. Hierin wordt geschetst hoe de minderheden, te weten de 'rechtse' 'evangelisaties' en de 'linkse' 'afdelingen' (van vrijzinnig-hervormden) een zowel confessioneel als ambtelijkstructureel probleem bleven vormen voor een presbyteriaal-synodale kerk, die toch afbrokkeling wenste tegen te gaan. Het was namelijk inmiddels gebleken, dat de oplossing die de kerkorde-1951 voor het minderhedenvraagstukgevonden had, in de praktijk niet aansloeg. Welke was deze oplossing? In een aantal overgangsbepalingen (235-238 bij ordinantie 11 Opzicht en tucht) was de provinciale kerkvergadering (pkv.) aangewezen om de plaatselijke kerkeraad bij te staan in zijn verantwoordelijkheid voor een minderheid, die vroeg om een andere vorm van prediking en catechese dan plaatselijk voorradig. De pkv. kon in dat geval een nevenvoorziening treffen in de vorm van het beroepen van een predikant speciaal voor deze groep. Kerkordelijke uitbreiding werd aan deze figuur verder nauwelijks gegeven, maar toch stuitten deze bepalingen op onverbiddelijke weerstand bij de kerkeraden. Om de impasse te doorbreken belegde het moderamen der synode een conferentie op 23 en 24 februari 1954, waarop de minderheden vertegenwoordigd waren. Het moderamen presenteerde een nota, waarin kerkordelijke mogelijkheden naar voren gebracht werden voor een andere oplossing. Daarin werd reeds heel ver gegaan in de richting van de paraparochie, ook met een expliciet maken van het principe van de notie 'verscheidenheid' in de kerkorde. Maar deze gedachte werd afgewezen, waarna een nieuw beraad werd aangekondigd tegen 27.10.1954, waarbij geen minderheden aanwezig waren maar wel de complete commissie-kerkorde. Ook hiervoor werd een nota opgesteld, waarin als praktische verwerkelijking op de voorgrond stond: een figuur, waarin het breed-moderamen van de pkv. zou optreden als centrale kerkeraad, terwijl de minderheidsgroep als 'bijzondere wijkmeente' een kerkeraad zou krijgen met evenveel leden uit de pkv. als uit de eigen groep. - Nu was van Noordmans behalve zijn grondige bemoeienis met de kerkorde uiteraard zijn'vondst' van de huisgemeente bekend. Begrijpelijk, dat men hem op dit punt van de opinievorming raadpleegde, hem de nota toestuurde, waarop zijn antwoord boven voor ons ligt. De nota werd afgewezen. Men was bang voor consolidatie. Zo kwam het tot de figuur van de noodvoorziening, die naast de nevenvoorziening uit de kerkorde van 1951 kwam te staan; de pkv. kreeg het recht, in geval van weigering door de kerkeraad (onder bepaalde voorwaarden) licht forcerend op te treden: beroeping van een predikant ten behoeve van de minderheid en instelling van een noodkerkeraad. De plaatselijke kerkeraad zou de namen van de tot de noodgemeente behorenden moeten inschrijven. Duidelijk klonkin de discussie ter synode door het verwijt van mensen als A. A. Koolhaas, die de loslating van de geografische binding zag als verlies aan presbyteriaal-confessioneel, meer nog aan profetisch-priesterlijk gehalte, terugkeer tot de door Kraemer bestreden hotelkerk. Zie ook voor de zeer uitvoerige discussies ter synode Hand. Syn. 1955, p. 15-39; 124-126; 421-439; 485-487. De kerkordewijziging van mei 1956 (noodvoorziening naast de nevenvoorziening) omvatte overgangsbepalingen 235, 238, 238a-h bij ordinantie 11-1-1. Voor art. 235 zie bijlage 2f,↩

  2. 2

    Zie Pragmatische houding, VW., dl. 1, p. 167-187.↩

  3. 3

    Zie n. 49.1, 4.↩

  4. 4

    Standplaats van ds. J. Loos, die wilde overgaan tot de r.-k. kerk en zich daarover kerkrechtelijk moest verantwoorden (1951); tevens naam van het zgn. Hilversums Convent van hervormd-katholieke theologen, die een Verklaring Hervorming en Catholiciteit aflegden. Zij zochten langs de weg van de historische continuïteit aansluiting bij de wereldkerk en m.n. Rome door invoering van het bisschopsambt. In 1951 voerde het moderamen G.S. besprekingen met het H.C. (o.a. J. K. v.d. Brink, J. M. Gerritsen, J. Loos en H. Miskotte). Het H.C. had de mogelijkheid geopperd van additionele wijdingen, te betrekken via de anglicaanse kerk om langs die weg het bisschopsambt in de hervormde kerk te introduceren. Beter achtte men het van die zijde nog om drie predikanten tot bisschop te doen wijden, waardoor de kerk zich pas voluit katholiek zou kunnen noemen (c.q. één bisschop met het sacramentum ordinis in een afhankelijke positie van de NHK. ten opzichte van andere episcopale kerken). Aldus een rapport van het H.C.H. v.d. Linde introduceerde de hervormd-katholieke richting als de jongste mortaliteit in WD. 1 (20.9.1952) nr. 19. De Liturgische of Hervormd-catholieke mortaliteit. Haitjema betwistte deze benaming, aangezien de vooronderstelling daarvan was (overgangsbep. 235) dat men zich bewoog binnen de grenzen en de weg van het belijden der kerk, hetgeen van deze 'romaniserende' groep niet gezegd kon worden (De Richtingen in de Nederlandse Hervormde Kerk, Wageningen 19531, p. 281-298, m.n. p. 293).↩

  5. 5

    Voor N.'kritiek op Kraemer zie nr. 69, 70, 74. Nr. 40 is nog onverdeeld positief. In nr. 67 begint een vleug van bedenking.↩

  6. 6

    Bedoeld zijn de overgangsbepalingen 248 en 250, waarin uitstel van tien jaar, niet voor de eerste vijf stadia maar slechts voor het zesde en laatste stadium van de kerkelijke tucht: (248:) "Teneinde de kerk de gelegenheid te geven zich op de rechte wijze in te stellen op de uitoefening van haar opzicht over de dienst des Woords en de catechese, treden ord. 11. 1 5 en 11. 1 6-1, 2, 3, 4 en 5 (dit zijn voorafgaande stadia - red.) in werking op 1.5.1951, terwijl ord. 11. 1 6.-6. (d.i. het laatste stadium - red.) gedurende de tijd van 1.5.1951 tot 1.5.1961 als volgt gelezen wordt: De synode beraadt zich vervolgens over de tegen verkondiging en onderricht van de predikant ingebrachte bezwaren en brengt haar bij dit beraad aan de dag getreden inzicht ter kennis van de kerk." (250:) "Ord. 11. 1 6-7, 8, 9 en 10 en 1 1. 1 7 (mbt. de ontheffing van het ambt) treden in werking op 1.5.196 l."↩

  7. 7

    Vermoedelijk uit het volgende gedicht van S. van Beaumont (1573-1654): "Die van de deugd maar praters zijn, - geen doenders, stijf in de mond, in 't werken slap en bloô, - zijn evenals de kakelende hoenders, - daarvan nooit ei gevonden wordt in 't stroo." Dit gedicht moet N. bekend zijn geweest: het stond afgedrukt in hetzelfde nummer van AWCC. waarin hij zijn artikel schreef Lekengedachten over Logica, 5 (13.9.1929) nr. 46.N. zocht immers episcopale versoepeling van presbyteriale strakheid.↩

  8. 8

    Punt van het niet-duidelijk zijn, door dr. Beerens naar voren gebracht, vgl. H. Bartels a. w., p. 154 en 168. Vgl. p. 168: 'Er moet ruimte blijven tussen de letters voor Woord en Geest'; p. 154: "Deze zgn. 'onduidelijkheid' behoort echter tot het wezen van een belijdende kerk."↩

  9. 9

    A. J. Rasker (geb. 1906), hervormd predikant te Nieuw Buinen en Haarlem; rector Theologische Hogeschool te Batavia/Djakarta (1939); geïnterneerd; kerkelijk hoogleraar te Leiden (1954) met als vakken: geschiedenis NHK., christelijke ethiek, theologie van het apostolaat. Pleitte vroegtijdig voor de vrouw in het ambt; voor contacten met Oost-Europa. Uit de 'school' van Kohlbrugge afkomstig kwam hij tot een politieke theologie, theocratisch bepaald en gericht op verzoening. Schreef: De ethiek en het robleem van het boze, diss. Groningen, Assen 1935; Politiek ethos, Nijkerk 1963; De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795, Kampen 1974.↩

  10. 10

    Zie o.m. ROKOT.: "De hulpgemeente schept gelegenheid om buitenwerks nieuw christelijk leven tot ontwikkeling te laten komen" (p. 219).↩

  11. 11

    Vervolg geschiedenis minderhedenregeling: Met ingang van 1965 werd een dubbelstructuur van kracht:

    1. de buitengewone wijkgemeente (b.w.), daar waar de (centrale) kerkeraad meewerkt (c.q. het initiatief neemt) uit pastorale' verwegingen; deze figuur is als normaal' en dus niet meer als overgangsbepaling) ondergebracht bij ordinantie 2 (van de gemeenten) onder artikel 1 Oa. Als sympathiegemeente is het een doorkruising van de structuur van de kerkorde.

    2. de buitengewone wijkgemeente-in-wording (b.w.i.w.) kan door het breed moderamen van de generale synode in het leven geroepen worden (onder bepaalde voorwaarden) daar waar de plaatselijke kerkeraad geen medewerking verleent. De figuur geldt als voorlopig, vandaar overgangsbepalingen (te weten 235-235g). Een en ander als verruiming van de noodvoorziening, die nog 'onder' de pkv. stond, gelijkstelling met gewone gemeente. - Per 1. 1. 1 978 werd van kracht de deelgemeent, een volgende stap in de richting van verruiming en gehoopte integratie. Nu krijgt de b.w.i.w. dezelfde status als de b.w., ook dan wanneer de plaatselijke kerkeraad niet meewerkt. Om het 'normale' te markeren worden de desbetreffende bepalingen (nog wel overgangsbepalingen!) ondergebracht bij ord. 2.10a. Vgl. voor het bovenstaande: Hand. Syn. 1958, p. 460 (weigering inschrijving minderheden); Hand. Syn. 1964, p. 59-73 (vooral de Nota!); p. 235-254 (b.w. en b.w.i.w.); Hand. Syn. nov. 1970, p. 29-35 (vooral de Nota); Hand. Syn. juni 1971, P. 16 v.; Hand. Syn. nov. 1977 (voorstel deelgemeente, waarbij vooral de Toelichting op agendapunt 6; alsmede het oordeel van Deputaten Samen op weg en het Moderamen Gen. Syn. Geref. Kerken).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 85. Instituut en volkInhoudBijlage 1 →