77. Kerkelijke tucht1
Dezer dagen kon men in de bladen lezen dat de synode der Nederlandse Hervormde Kerk zich had uitgesproken voor een uiterste tuchtmiddel, nl. het vervallen verklaren van het lidmaatschap, met gebruikmaking van een formulier voor de ban.2 Dit bericht gaf de lezer, iedere lezer, een kleine schok. Ook de opstellers van het ontwerp-kerkorde en de kleine meerderheid in de synode, die voor het artikel stemde, zullen zich aan die schok niet hebben kunnen onttrekken toen zij het in de courant lazen. De eerste indruk die men bij lezing ontving kan men misschien het best vertolken met een: Wat is dat!
Het lijkt mij wenselijk om, uitgaande van die indruk, iets te zeggen over de kerkelijke tucht. Het is een onderwerp dat men liefst vermijdt. Het is een van die dingen waar men niet over spreekt. De vermelding van tucht en ban geeft iemand een onbehaaglijk gevoel dat men in gezelschap niet graag opwekt. Men gaat gaarne op een ander onderwerp over. Toch zou ik dat deze keer niet willen doen. Afgezien van de vraag of het woord ban moet worden gehandhaafd en of daarbij een formulier te pas moet komen, waarover de synode zo sterk verdeeld was, wilde ik mijzelf en anderen rekenschap geven van dat gevoel van onbehagen ten opzichte van de kerkelijke tucht in het algemeen. Het zal waarschijnlijk blijken dat het niet op zichzelf staat. Het moet een deel vormen van een heel complex. En onze afkeer kan ook niet in één dag ontstaan zijn. Wij zijn er erfelijk mee belast. Het is een reflex geworden, een soort schaamte waar we niets aan kunnen doen. Hoe komen wij aan een zo sterke géne met betrekking tot de kerkelijke discipline?
De zaak blijft niet geheel onbegrijpelijk als wij er aan denken dat meer dan een eeuw lang deze tucht een schoolse aangelegenheid is geweest. In de negentiende eeuw vormde een aantal academici - om precies te zijn: 1600 enige zgn. kerkelijke richtingen. Dat de zaak zo stond was dadelijk bij de invoering van de organisatie van 1816 uitgesproken.3 Er waren nu instellingen die de zuivere leer moesten waarborgen. En daarmee werden de hogescholen bedoeld. De kerkelijke vergaderingen hadden die taak voortaan niet meer. Hun was alleen het bestuur opgedragen. Zij hadden er voor te zorgen dat er rust in de kerk was en bleef. De richting der prediking echter werd aan de universiteit bepaald. Ten opzichte daarvan was de kerk onmondig.
Zoals in de Roomse Kerk de mis in het Latijn gelezen wordt, zo gebeurde dat bij ons eigenlijk met de preek. Niet letterlijk maar figuurlijk. De beoordeling van haar juistheid kwam aan de gemeente niet toe. Want het ging meer om die juistheid dan om de waarheid. Meer om wetenschap dan om geloof. De voertaal was, in figuurlijke zin, meer het Latijn dan de Pinkstertaal, dan een ieders eigen taal.
Wij vragen nu wat dit met de tucht te maken heeft. En dan denk ik aan een spreekwoord dat in de negentiende eeuw vaak van toepassing was: Latijn betaalt niet aan Latijn. Daarmee werd bedoeld dat de ene academicus de ander geen rekening zond voor zijn diensten. - Welnu, men kon op kerkelijk terrein ook zeggen: Latijn oefent geen tucht op Latijn. In deze besloten gemeenschap, deze civitas academica, gold een ongeschreven wet dat men elkaar het woord niet mocht ontnemen. Dat zou in strijd zijn niet alleen met de regels ener school en de eisen der wetenschap, maar eigenlijk nog eerder met die van een begrensde Latijnse burgerschap. Zo iets doet men niet onder elkaar. Het zou niet 'fashionable' zijn. - En vandaar dat men zich reeds gegeneerd gevoelt als er over gesproken wordt.
Tegelijk echter voelen wij dat het met die géne en die bevangenheid niet helemaal in orde is. Het is eigenlijk een teken van kerkelijke geborneerdheid. Als wij er een fatsoenskwestie van maken en op dit punt erfelijk belast raken met een gevoel van onbehagen, dan kan dit ook een bewijs van geestelijke bekrompenheid zijn. Wij hebben daarom te zoeken naar bredere betrekkingen waarin de tucht kan gezien worden. En het wijdste dat hier te noemen valt is de apostolische zending4 die de drijfkracht is achter het Evangelie. Jezus zelf wordt in de bijbel apostel (Hebr. 3 : 1) genoemd. Wanneer wij willen weten wat de ultima ratio, het laatste argument van de kerk, de tucht, waard is, moeten wij omkijken naar de eerste beginselen die aan die kerk ten grondslag liggen. En die vinden wij in deze apostolische opdracht. Wij moeten dan niet vergeten het verband tussen die eerste beginselen en dat laatste argument goed te zien. Want het zou zelfbedrog zijn, als wij meenden dat de tucht een kwestie van academisch fatsoen zou kunnen zijn, terwijl het apostolaat de achtergrond van het Evangelie vormt. Als het Evangelie begonnen is te spreken in het belang van alle mensen, in alle talen, dan mag het, als puntje bij paaltje komt, in laatste instantie niet behandeld worden alsof het een aangelegenheid ware van een groep. De Heilige Geest spreekt een eigen taal en geen Latijn.
Zo zou het dan gemakkelijk het geval kunnen zijn dat onze bezwaren tenslotte symptomen waren van onze tegenkanting tegen de eerste beginselen van het Evangelie zelve. Onze tolerantie moet volgen uit de liefde van Christus en mag niet een uitvloeisel zijn van een algemeen menselijk of groepsbewustzijn. Alleen als factor in het geheel van de apostolische dienst der kerk kan de tucht in haar waar karakter worden gekend.
Maar dan blijkt ook dat zij in haar gedaante van ultima ratio, van laatste argument, slechts één is van vele, zeer vele, veel gewichtiger argumenten die aan de kerk ten dienste staan. Het risico dat de kerk loopt bij de aanwending van de discipline is ook klein, verdwijnend klein, wanneer men het vergelijkt met dat waaraan zij zich blootstelt bij een frontaanval op de wereld. De tucht die daarbij nodig is, is veel ingrijpender dan in die enkele uitzonderlijke gevallen, waarop wij ons meestal blind staren en die wij in onze kerkordes min of meer onschadelijk zoeken te maken. Dan gaat het niet om een enkele academicus, maar om de schare5 die de wet niet weet. Niet om de éne, maar om de velen. Het tuchtelement krijgt hier weliswaar een ander aspect. Maar het is in wezenlijke zin duidelijker herkenbaar als eis van het Evangelie. Ook wat tolerantie wil zijn, niet als humanitaire terughouding, maar als een last die het Evangelie oplegt, het doen dragen van de zwakheden van de kleinen, dat valt hier veel klaarder te zien dan bij de ultima ratio. Mozes komt hier in het gezichtsveld, de man die zeer zachtmoedig was, meer dan alle mensen die op de aardbodem waren (Num. 12 : 3). En Jezus zelf. En Pa van der Steur.6 Wie is tot deze dingen bekwaam? Dit is een tuchtelijke tolerantie en wie daartoe geroepen wordt, tot dit bitterzoete werk, heeft van God de hoogste opdracht ontvangen en heeft de grootste genade nodig.
De ergste verlegenheid waarin een prediker kan geraken, ontstaat dan wanneer zijn prediking geloofd wordt. Als de schare hem navolgt. Wat moet hij er mee als het koninkrijk Gods niet dadelijk komt? Dan zal hij ze tijdelijk in een kerk moeten onderbrengen. Daarin zal enige regel en orde moeten zijn, enig opzicht en toezicht, hoe groot de tolerantie ook moge wezen. Wat zullen zij doen, Mozes of Paulus of Augustinus of Luther, als alle nieuwe gelovigen hun hun prediking thuisbrengen, elk op zijn eigen manier en er plaats voor vragen? - Dit is het grote risico der kerk. Het dreigt niet als er veel ongeloof is. Dan is, om zo te zeggen, de tucht niet nodig. Zij heeft dan geen taak. En zo was het in de eeuw die achter ons ligt. ⚑Zij schrompelde in tot een fatsoenskwestie. Maar anders wordt het als de schare op komt zetten en als er een gedrang om het Evangelie ontstaat. En zo zal het zijn in de tijden die voor ons liggen. Zo was het ook in de belangrijke perioden der kerkgeschiedenis. Dan moest de tucht worden toegepast en zelfs bijwijlen de grote zweep van de ban worden opgelegd om der schare wil en vanwege de apostolische boodschap.
Dat was dan inderdaad de ultima ratio. Maar zij was het uiterste van iets anders, van de brede tolerantie van de grote mannen Gods, die de zonden des volks droegen en die God met hun voorbede aanliepen (Ps. 34 : 6).