76. Regeer en beheer1
Van een bepaalde zijde is de gedachte uitgesproken, dat het Ontwerp-Kerkorde-19472 resultaat van een compromis zou zijn. Ik meen dat de commissie, die voor dit werk heeft gezeten, dit in gemoede kan ontkennen. Voor zover deze kerkorde nieuwe lijnen vertoont, die afwijken van wat voorheen tot een presbyteriaal stelsel behoorde, houdt dat verband met een algemene visie op wat men als de roeping van onze Hervormde Kerk in onze eeuw meende te moeten zien.3
Er is echter één lijn, waarop de kerkelijke wagen zozeer op een dood spoor was gelopen, dat een nieuwe regeling noodzakelijkerwijze iets van een schikking moest hebben. Ik bedoel natuurlijk de regeling van het beheer. De kwestie van bestuur en beheer is een 'cause célèbre' uit de historie van de organisatie van 1816. Tot welke funeste gevolgen het kon leiden, als zij onopgelost bleef, bleek met name, toen na de eerste wereldoorlog een nieuwe regeling van de predikantstraktementen4 noodzakelijk was geworden. Dit geldt nog veel meer nu het budget der kerk door de invoering van de Werkorde met sprongen omhoogging.5 De invoering van een nieuwe Kerkorde zou, zonder een definitieve oplossing van de beheersvraag, op zijn zachtst gezegd, zeer onvolledig zijn.
Nu lagen de posities hier door het verloop van een eeuwenlange ontwikkeling bijzonder schots en scheef tegenover elkaar. De aard van de materie, die het hier betrof, bracht dat min of meer mee. Geld blijft, in een beweging die zonder buidel of male, zonder goud of zilver of kopergeld (Lk. 10 : 4; Mt. 10 : 9) begonnen is, altijd een lastig element. Ook nu nog weer, in het Ontwerp-Kerkorde, houdt men zijn hart vast, als men leest van een generale financiële raad (art. 13 Kerkelijke Financiën) of van een beleggingsraad (art. 17 Toezicht). De idee van een Nederlandse Hervormde Bank naast de Nederlandse Bank doet ons even schrikken. Maar er is toch niet veel tegen te zeggen, dat deze dingen geregeld moeten worden en dat beheer, ook als het er wat seculier gaat uitzien, altijd nog beter is dan wanbeheer.
Zo is dan het overleg om tot een oplossing te komen reeds jaren gaande geweest, voordat de Commissie voor de kerkorde aan dit stuk toekwam. De moeilijkheden rondom de vroegere zgn. Raad van beheer6 voor de predikantstraktementen hadden van de eerste wereldoorlog af, reeds in deze richting gedrongen. De kerkvoogdijen hadden zich, op uitzonderingen na, verenigd en daar kreeg men, met name bij de leidende figuren, steeds meer oog voor de geestelijke betekenis van deze dingen. Oude prerogatieven en 'oud zeer' werden op de achtergrond gesteld en vertegenwoordigers van de verschillende verbanden, waarin de afzonderlijke instellingen van financiële of diakonale aard zich hadden verenigd,7 kwamen met andere geïnteresseerden tot ernstig beraad bij elkaar.
Een der meest doorslaande overwegingen moest hier wel deze zijn, dat aan het kerkegoed oorspronkelijk niet die halfwereldlijke notie verbonden was, die later vaak de kerkvoogdij aankleefde. Kerkelijke goederen waren goederen Gods en het beheer heeft waarschijnlijk zijn oorsprong genomen aan de avondmaalstafel. De bestemming was in de eerste plaats de armverzorging. "Wij houden er geen brandkast op na", zei Augustinus in een preek, "alles gaat meteen naar de armen."a De toepassing van deze eucharistische regel begon toen echter reeds tot moeilijkheden aanleiding te geven. Men was er niet altijd mee tevreden, als een bisschop kerkegoed verkocht voor charitatieve doeleinden. Dit goed was onder de christelijke keizers slechts voor een gering deel opbrengst van gemeentelijke inzameling. Grotendeels kwam het voort uit liberale schenkingen, die in stichtingen werden ondergebracht. Het beheer komt aan een kerkvoogd, die tussen de bisschop en de diaken in staat.b Hier zien wij dus de diaconie en de kerkvoogdij reeds uiteengaan. Weliswaar blijven beide onder het toezicht van de bisschop (met zijn presbyterium), maar toch is er een zeker onderscheid tussen regeer en beheer. Het laatste draagt een meer wereldlijk karakter, omdat het meer administratieve talenten vraagt.
Deze splitsing heeft er dan verder toe geleid om in het kerkegoed een verdeling in te voeren. Reeds in de vijfde eeuw, dadelijk na Augustinus, vond de zgn. 'partitio quadripartita' plaats, waarbij één vierde gedeelte voor de armen werd bestemd.c De herinnering aan de oorspronkelijke toestand ging wel niet verloren en de kerkelijke goederen bleven in het algemeen 'bona Dei', goederen Gods, heten, maar er was verschil.
Ook kwalitatief bracht dit een wijziging in de eucharistische, of bestuurlijke armenzorg. Ging zij oorspronkelijk van de avondmaalstafel uit, zodat de hele gemeente als één gezin werd beschouwd, waarin allen broeders en zusters waren, zo gaat deze opvatting, door de splitsing van het kerkegoed en door een meer beheerlijke administratie van het grootste deel daarvan, verloren. Dat de 'bona Dei' 'bona pauperum'd zouden zijn, gaat niet meer op. Voor de oud-christelijke caritas komt de antieke liberalitas in de plaats (Uhlhorn).8 De gave wordt een aalmoes; de ontvanger daarvan een bedelaar; de bisschop een aalmoezenier. Kerken en bedelaars, kloosters en bedelaars vormden in de middeleeuwen een zekere twee-eenheid, niettegenstaande de pogingen van Karel de Grote om daarin verbetering te brengen. Ten tijde van Jacobus II bestond één derde van de bevolking van Groot-Brittannië uit bedelaars (volgens Macauley).9
Het oude diaconaat was dus bijna verdwenen en had plaats gemaakt voor een bedeling, waarbij de armen aangewezen waren op instellingen, zodat zij onder een soort voogdij kwamen.e Wij spreken nog van armvoogden.
In vele gevallen, met name op de dorpen, waren de kerkvoogden tevens armvoogden. De regel, dat een vierde van het kerkegoed van de armen was, gold in de latere middeleeuwen al lang niet meer en, als er dan niet op andere wijze in was voorzien, kwamen de armen ten laste van de kerkfabriek.f Dit was 'het fonds, bestemd voor elk plaatselijk kerkelijk doel, waarvoor geen afzonderlijk vermogen bestond.'g De kerkvoogdij, die wij onder de christelijke keizers, omstreeks het jaar 400, zich zagen afsplitsen van de diaconie, neemt dus hier het diaconaat in zich op. Ook de armenzorg is beheerszaak geworden, zoals de bisschop van een dienaar een heerser is. geworden. De diaconia, het grondbeginsel van het nieuwtestamentische ambt,h is gedenatureerd,
Daartegen is dan de Reformatie opgekomen.
De predikant werd als medebeheerder van het kerkegoed de opvolger van de pastoor, en de kerkvoogden bleven in hun ambt, maar de diaconie werd in ere hersteld. Voor de armenzorg was dit toen een nieuwe instelling, die werkte binnen de gereformeerde gemeente. - Dit laatste was niet geheel het geval met de kerkvoogdij, die verplichtingen hield tegenover de hele parochie, dwz. de hele gemeente van de vroegere pastoor. Dit gold in het bijzonder het onderwijs en de armenzorg. De kerkvoogden hadden dus, behalve voor de openbare (gereformeerde) kerkedienst, ook nog voor deze beide belangen te zorgen, en daarmede strekte hun beheer zich ook buiten de nieuwe kerkelijke gemeente uit. Wel moesten zij, althans zo bepaalden de Staten van Friesland in 1585,'liefhebbers van de gereformeerde religie' zijn.i Maar zij vormden 'het dagelijks bestuur der parochie',j niet van de nieuwe gemeente alleen. Door de confiscatie van de geestelijke goederen waren zij ook vaak ruim in staat tot breder voorziening en werd aan de billijkheid tegenover andersdenkenden voldaan. De oude religie mochten zij wel niet bevorderen, maar hun bredere taak ten opzichte van onderwijs en armverzorging bleef na de Reformatie dezelfde.
Zo ontstond er tweeërlei armenzorg, de gemeentelijke door de diakenen en de parochiale door de kerkvoogden of armvoogden. Deze tegenstelling droeg er toe bij, hun wereldlijke staat nog meer cachet te geven dan voor de Reformatie. Toen functioneerden zij onder het canonieke recht, nu tot op zekere hoogte in strijd met het gereformeerde kerkrecht.
In latere tijden heeft de staat de zorg voor de bredere gemeente van de beheerders der kerkfabriek overgenomen, maar dezen hebben heel lang iets behouden van de typische 'wereldlijke' mentaliteit, die verklaarbaar is vanuit de historische ontwikkeling van hun functie. De strijd tussen regeer en beheer heeft, behalve door het ongeestelijk karakter van de organisatie van 1816, ook daardoor zulk een onverkwikkelijk beloop gehad. Nu het rad des tijds een volle tand wordt verzet,10 wil men daarvan beiderzijds terugkomen. De meeste kerkvoogden zijn hun parochiale breedheid en buitenheidk moede en verlangen voor hun positie een duidelijker geestelijke achtergrond. En het kerkelijk regeer wenst hun die gaarne in te ruimen. Men vond een oplossing door de kerkvoogden in de kerkeraad op te nemen. De vraag daarbij was, of de kerkvoogd ouderling of diaken zou worden. Het Ontwerp-kerkorde koos voor het eerste. Sommige beoordelaars daarvan bleken meer voor het laatste te voelen. Ook Bronkhorst schijnt blijkens zijn dissertatie, waarin hij nog geen kennis droeg van het Ontwerp, van dat gevoelen te zijn. Hij schrijft: "Dat kerkvoogden regenten zouden zijn en dus onder het ouderlingenambt zouden behoren te vallen, acht ik een der misverstanden van de verburgerlijking onzer Kerk."l
Ik heb opzettelijk de historie van de kerkvoogdelijke functies enigszins nagegaan, om de vraag te kunnen overwegen, waar dit instituut het best kan worden ingebouwd, als men het weer wil opnemen in de eucharistische orde, waaruit het zich kennelijk enigszins verwijderd had. En dan sta hier dadelijk mijn mening, dat dit dient te geschieden bij het ouderlingschap.
Dat de kerkvoogdij zich van de diaconie heeft afgesplitst was, zoals wij zagen, niet zuiver toevallig. Zodra het kerkegoed een bepaalde familiale en huiselijke grootte had overschreden en er onder de keizers korenschepen voor de kerk voeren; landgoederen en huizen inkomsten moesten opleveren; kapitalen werden belegd, werden er bij een bisschop of diaken ook andere eigenschappen verwacht dan een bewogen hart. Augustinus bijv. had een hekel aan deze administratie en hij liet die zoveel mogelijk aan anderen over.11 Dit klemde echter nog meer voor de diakenen dan voor de bisschop. Zij moesten voor deze laatste de dingen met de mensen afdoen en met hen omgaan. Daarom wordt reeds in het midden van de derde eeuw van hen gevraagd, dat zij handiger, flinker, meer zakenmensen zullen zijn dan de bisschop (Constitutiones apostolorum)m Maar op den duur waren ook zij niet genoeg zakenmensen. Dan komt de kerkvoogd op het toneel. En hij bleef zichzelf vrij goed gelijk. In de middeleeuwen werd onder het canonieke recht voorgeschreven, dat kerkvoogden zakenmensen moesten zijn, kooplieden, handwerkslieden.n Wij hebben reeds gezien, dat de armenzorg ten slotte bijna geheel onder voogdij (kerkvoogden, armvoogden) kwam en door instellingen werd uitgeoefend. Het werd in één woord een zaak van beheer. - De diaken-kerkvoogd hebben wij dus vroeger al gehad en de ontwikkeling van deze combinatie lijkt mij sterk tegen een herhaling daarvan te pleiten. Het diaconaat is bij de Reformatie opnieuw ingesteld en wij dienen het onvermengd te houden. Het kan een verbinding met het beheer niet lijden.
Reeds nu lijkt mij de wijze, waarop in het Ontwerp-kerkorde in de bovenbouw12 het diaconaat met de kerkvoogdij samenvloeit, niet zonder bedenking. Het is gebeurd om doubletten te vermijden. Geen dubbele financiële raad en geen dubbele beleggingsraad. - Hiervoor is veel te zeggen. Maar de wijze waarop de ouderling-kerkvoogd hier ten slotte de diaken in de arm neemt, lijkt mij tegenover de kerkeraad reeds niet geheel een fraaie figuur. Het zou de indruk kunnen maken, alsof het beheer slechts onderdak heeft gevraagd bij het regeer, om een stuk van dat regeer onder zich te trekken.
Over dit bezwaar kan men heenkomen, omdat het hier een poging geldt om op de ontsporing van het beheer terug te komen, wat wegens allerlei historische vergroeiingen zonder compromis niet mogelijk is. Maar als men nu nog bovendien in de kerkeraad zelf de kerkvoogd met de diaken had verbonden, dan zou tegenover dit blok van 'flinke en handige'o zakenmensen het overblijvende deel van de kerkeraad met zijn meer naïeve geestelijkheid blijven zitten en zijn eucharistische, onwereldse bepaaldheid zou kunnen omslaan in een minderwaardigheidscomplex. Zulk een gevaar is, voor wie zijn wereld en zijn mensen kent, allerminst denkbeeldig.
De plaats in de kerkeraad, waar men de kerkvoogd onderbrengt, moet aan twee voorwaarden voldoen. Zij moet allereerst een sterk tegenwicht bieden tegenover de door de eeuwen bewerkte secularisatie van de kerkvoogdij. En in de tweede plaats moet zij voldoende ruimte laten voor de opname van iets nieuws. Aan deze beide eisen voldoet het presbyterium veel beter dan het diaconaat.
De presbyter of ouderling is helemaal een eucharistische figuur. Hoe men zich de verhouding van opziener, ouderling en diaken in de oudste christenheid ook moge voorstellen - en daarover is tussen schrijvers als Sohm, Lietzmann, Streeter, Harnack en te onzent bijv. Brouwer en Bronkhorst13 nog al verschil - hierover is men het toch wel eens. De ouderlingen zitten met de opzieneraan de avondmaalstafel en 'vertonen' (beelden af) de gehele gemeente, zoals ons bevestigingsformulier het uitdrukt. Zij zitten daar, zoals de apostelen met Christus in de lijdensnacht. Op bijzonderheden in deze voorstelling komt het hier niet aan.
Nu is het ambt van de diaken ook wel zeer bijzonder aan de avondmaalstafel verbonden, maar zijn gestalte is in dat opzicht veel beweeglijker; hij heeft veel meer te doen en zijn functie is veel duidelijker; hij verwijdert zich ook verder van de tafel. De presbyter echter is een centrale verschijning; ook in zaken vormt hij met de opziener een 'raad der kerk' (bevestigingsformulier). Hier is dus het tegenwicht te vinden tegenover de verwereldlijking van de kerkvoogd. In deze sfeer en in dit ambt zal hij kunnen krijgen wat de nood der tijden hem heeft leren zoeken.
Als tweede voorwaarde voor een opname in de kerkeraad noemde ik de nodige ruimte voor zulk een inplanting. Deze nu is er eigenlijk bij het diaconaat niet. Dit is een vrij scherp bepaald ambt, vooral na zijn herstel bij de Reformatie. En het zou een te vreemde speling van de geschiedenis zijn, als de kerkvoogd nu bovenop een ander ambt werd ingezet.
Dit bezwaar geldt echter in veel mindere mate bij de ouderlingen. Het presbyteraat is in eerste instantie een plaats.p Op die plaats, een liturgische plaats, kunnen heel verschillende gemeenteleden komen te zitten, bijv. bezitters van geestelijke gaven, martelaren, leerlingen van de apostelen, profeten, of ook wel gewone ambtsdragers. Ten opzichte van de laatstgenoemden zien Brouwerq en Bronkhorst, die zich strikt tot het Nieuwe Testament beperken, minder een tegenstelling tussen opzieners met diakenen en de presbyters dan Sohm en Lietzmann, die hun constructies laten doorlopen naar later tijden. Maar ook de beide eersten vinden in het presbyteraat iets samenvattends.r Bronkhorst doet dat heel sterk, als hij hier plaats vindt voor zo verschillende figuren als daar zijn: profeten, leraars, opzieners, diakenen, charismatici.s ⚑In het presbyteraat is dus de ruimte die wij zochten. Er is plaats om iemand te zetten en hem te doen zitten. Het 'zitten' is dan ook het onvervreemdbare 'epitheton ornans't van de ouderling gebleven. Vooral nu de presbyter bij ons geen priester meer is, zoals in de Roomse Kerk, wil dat 'zitten' zeggen, dat zijn naam op zichzelf nog weinig zegt met het oog op zijn werk. Het is toch niet de bedoeling, dat hij zal stilzitten op de leer. Er is dus differentiatie mogelijk en wenselijk en noodzakelijk in het ouderlingschap. Hij moet zitten op grond van een bepaalde kwaliteit of functie. En die behoeven voor alle ouderlingen niet dezelfde te zijn.
Zo heeft Calvijn het ook opgevat, toen hij het presbyteraat als gemeenteopbouwend instituut weer een eigen plaats gaf. En om kerkopbouw, gemeenteopbouw, is het ook thans te doen. Dat het presbyteraat daarin een zeer bijzondere taak had, leest men reeds in een zeer oude kerkorde uit de derde eeuw. Daarin vindt men, dat er presbyters moeten zijn om met de bisschop het volk te verzamelen.u En in een van de jongste ontwerpen ener kerkorde vindt men als eerste plicht van de ouderling 'het vergaderen der gemeente'.v
Dit was juist de bedoeling van Calvijn. Tegenover de onbeschermde positie van de prediking des Woords in de lutherse landen, wilde hij door een actief presbyteraat voor de gemeente een eigen huis bouwen, ook door enige sobere uitwendige middelen. Wat daartoe behoorde, in regeer en beheer, zou het werk van de ouderlingen zijn. Zij moesten, zo schreef ook de synode, die op 1 mei 1564 te Antwerpen gehouden werd,14 in haar kerkorde voor: 'assembler le peuple . . .'w en andere soortgelijke dingen, naargelang ieder gewenst zou vinden en naar de omstandigheden het zouden meebrengen.x
Dat daarvan niet veel gekomen is en dat de ouderlingen in gereformeerde gemeenten vaak hun bijvoeglijk sierwoord als een pluim op de hoed hebben gezet en het bij 'zitten' gelaten hebben, is niet geheel hun eigen schuld. De politieke heren waren van het regeer en beheer der presbyters niet gediend. Zij vreesden voor het ontstaan van een staat in de staat. Zelfs de synode van Wezel doet daar wat aan mee, als zij tegenover'het eersugtig gebiet der Ouderlingen 'de hulp van' Godvrugtige Overheden' in roept.y Zo is het 'zitten op de leer' wel eens een soort tijdverdrijf geworden van presbyters, die werkloos waren geworden, omdat zij, geen priesters meer, zoals in de Roomse Kerk, nu ook de functies niet konden uitoefenen, die hun in het gereformeerde kerkrecht waren toegelegd.
Nu de kerk zich in onze geweldige tijd geroepen ziet tot nieuwe oriëntering en nieuwe aanpak, schijnt het mij de aangewezen weg om het presbyteraat weer te activeren en van de ruimte, die hier is, gebruik te maken. Voor de kerkvoogden is hier plaats. En als ouderlingen lopen zij het minst kans om weer opnieuw te verwereldlijken.
Op één voorwaarde echter. Dat zij, nu de kerkvoogdij en het diaconaat in de top, in de financiële raad en in de beleggingsraad samenkomen, achteraf niet ook in de kerkeraad tot blokvorming met de diakenen overgaan, zodat zij alleen in naam ouderlingen zouden zijn. Zij moeten dat werkelijk blijvend wezen. Zij behoren met de predikant en de andere ouderlingen samen een 'raad der kerk' te vormen, een centraal lichaam. Zij moeten zich leren bewegen en leren denken in de eucharistische sfeer.
Daarom had en heb ik ook nog steeds bezwaar tegen artikel 315 van de ordonnantie voor het presbyteraat. De ouderlingen behoren zich niet afzonderlijk te organiseren. Daardoor wordt de eucharistische gemeenschap doorbroken en de 'raad der Kerk' ontbonden. De predikant komt dan alleen te staan in de kerkeraad. - Als kerkvoogd zal deze ouderling daaraan niet kunnen ontkomen. Hij heeft een bijzondere opdracht. Dat is geregeld in de ordonnantie voor de kerkelijke financiën. Maar als ouderling zal hij zich daarom des te meer bij de predikant moeten houden en met hem en de andere ouderlingen de gemeente 'vertonen'.16
Dat is juist het tegenwicht, dat de kerkvoogdij nodig heeft en zo alleen kan er een gezonde verscheidenheid in het presbyteraat worden ingevoerd.