O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 77. Kerkelijke tuchtInhoud79. Terug naar het canonieke recht →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 583–586

78. Het emeritaat1

Vóór de vakantie werd in het Orgaan een discussie gevoerd over het emeritaat en de daarvoor geldende pensioenregeling, naar aanleiding van de toen rondgezonden 'means test'2 Deze discussie is door de redactie gesloten. Ik vertrouw dat daarin niet ligt opgesloten dat er verder over het emeritaat niet gesproken mag worden. In de eerste plaats vormt augustus een cesuur in het onderling overleg en begint daarna een nieuwe gelegenheid om iets te zeggen. En verder kan het moeilijk de bedoeling zijn om dit hele onderwerp uit te schakelen. Wanneer het Orgaan actueel zal blijven, behoren de verschillende terreinen toegankelijk te zijn.

Daarom meen ik dat er ruimte en gelegenheid is voor enkele algemene beschouwingen, waartoe de toestanden en gebeurtenissen van de laatste tijd aanleiding geven. En dan zou ik willen beginnen met op te merken dat het emeritaat zich in de Bond en daardoor ook in het Orgaan in een andere positie bevindt dan het dienstdoende pastoraat. Voor het secretariaat van het hoofdbestuur van de Bond van Nederlandse predikanten en dat van de Commissie voor de predikantstraktementen bestaat geen personele unie, zoals dat wel het geval is ten opzichte van de Pensioenraad.3 Deze unie was historisch gerechtvaardigd, omdat Boer zowel hier als daar de drijvende kracht4 is geweest. Zowel in de Bond als in de Raad werd alles op wording gezet en voor enige discrepantie bestond er derhalve weinig gevaar.

Dit kan natuurlijk niet altijd zo blijven. Ook al is de personele unie op de best mogelijke wijze vervuld. Nu de dingen in de pensioenregeling eenmaal tot op zekere hoogte vastliggen, regeert daar weer een zeker bestand, waaraan de Raad gebonden is. Zulk een bestand kan echter door de Bond, die zijn bestaansreden vindt in de spanningen van het pastorale leven, onmogelijk al te eerbiedig gadegeslagen worden. Hij zal erop uit moeten zijn de zaak in beweging te houden.

Dat is het bezwaar, op de duur, van een personele unie bij de beide secretariaten. En dit gravamen is zuiver zakelijk; het heeft met de toevallige bezetting niets te maken. Zoals het nu is, kan het gebeuren dat iemand zich wendt tot, of in het Orgaan schrijft aan de Bondssecretaris en dat bij een antwoord krijgt van de secretaris van de Raad en toch in het Orgaan van de Bond. Hij schrijft persoonlijk en krijgt een zakelijk antwoord; hij uit zich bewogen en krijgt een koel bescheid; hij argumenteert pastoraal en hoort in het antwoord verzekeringstechnische gronden tegen zich aanvoeren.

Hieraan is, bij de bovenbedoelde personele unie, niet veel te doen. Maar men moet de discrepantie zeker opmerken en voor de goede gang van zaken en de goede verstandhouding in de Bond is het bepaald noodzakelijk haar te signaleren. Er zal ook over gepiekerd moeten worden of daar niet wat aan te doen is. Want het brengt het emeritaat in de Bond moreel in de knel. Ik mag niet teruggrijpen op de vóór de vakantie gevoerde discussie, maar ieder die deze gevolgd heeft, ook de houder van de personele unie zelf, zal mij hierin, meen ik, moeten bijvallen.

Verzekeringstechnische argumenten doen het niet langer, als zij een tijdperk moeten bestrijken, waarin twee wereldoorlogen vallen. Reeds het bedrag van de tegenwoordige pensioenen, ook voor de tegenwoordige emeriti, die hun volle pensioen niet kunnen toucheren, bewijst dat. Wij hadden in de eerste decade van deze eeuw nooit gedroomd, dat ons pensioen hoger zou komen te liggen dan wat toentertijd reeds als een flink traktement gold. Wij dachten een pensioen te zullen hebben op de verzekeringstechnische basis van de zestiende en zeventiende eeuw. Verzekeringstechnisch lagen de pensioenen die wij nu genieten ook ver boven ons bereik. Norel Sr. heeft in die dagen geprobeerd voor de weduwen f 600 te bereiken.5 Daarvoor was geen fundament te vinden. Hoe zou men in de tweede decade van de eeuw, toen 'Aanpakken'6 zich bezighield met het bijeenbrengen van een miljoen, om de traktementen op een minimum van f 1400 te brengen, er aan hebben kunnen denken om een premie van f 500 te vragen voor de pensioenregeling? Men kan daarvoor toch het halve traktement niet vragen?

Verzekeringstechnisch waren de tegenwoordige pensioenen destijds onmogelijk en dat zij er gekomen zijn berust slechts schijnbaar op een wiskundige grondslag. Het is het resultaat geweest van een morele beweging, waartoe de Bond de stoot heeft gegeven.

Wat deze beweging heeft geschapen is een soort wonderboom, waaronder de emeriti kwamen te zitten, maar waarvan zij als kandidaat nooit hadden gedroomd. Zij hadden echter ook niet gedroomd dat de eerste vijftig jaren van deze eeuw zo verschroeiend zouden worden, dat hun boompje verdorde en ze toch nog in de zon kwamen te zitten. Wiskundig zijn zulke veranderingen eenvoudig niet bij te houden. De staat erkent dit ronduit en verdubbelt de oudere pensioenen, wat nog wel onvoldoende zal zijn gezien het feit dat de index voor levensbehoeften, vergeleken met 1940, bij de 200% staat en de oudere pensioengrondslagen toch veel verder terugliggen. Maar de staat zoekt het in elk geval niet bij de techniek, maar bij de morele beweging en overweging.

Wanneer de kerk, in onderscheiding van de staat, zou moeten erkennen dat zij tot zulk een beweging niet bij machte is; dat zij veroordeeld is om onbewogen te blijven en zich moet blijven vastleggen op haar wiskunstige reserves, dan zou dat een merkwaardig testimonium paupertatis zijn. Het zou in strijd zijn met de strekking van de nieuwe kerkorde, die zich wil aanpassen bij de eeuw. Ten opzichte van het dienstdoend pastoraat is de kerk ook reeds bezig zich financieel daaraan aan te passen. Laatstelijk deed zij ook een zwakke poging om het emeritaat te helpen door een uitkering uit een bepaald fonds over de beide laatste jaren. De zwakheid van deze poging toont echter dat zij zich hier voorlopig meer aan een bestand dan aan een beweging wil oriënteren. Dit kan zeker haar uiteindelijke houding niet zijn.

In ieder geval mag de Bond deze houding niet aanvaarden. Hij heeft zijn best gedaan om de kerk uit het financiële bestand los te maken en haar in beweging te brengen. Mocht de personele unie van Bond en Raad in hun secretaris oorzaak worden dat de Bond ten opzichte van het emeritaat conservatief wordt, dan zouden, spoediger misschien dan men denkt, de leuke toestanden terugkeren waarbij de pensioengrondslagen een paar eeuwen terug lagen. Alleen maar, men zou nu geen eeuwen behoeven te wachten om eenzelfde resultaat te krijgen en halve eeuw of zelfs tien jaren is daarvoor nu reeds voldoende.

Vroeger, tot ongeveer het begin van deze eeuw, hinderde deze geestige pensioenregeling minder. Er zat iets grappigs in, waarop de emeriti zelf zich een beetje lieten voorstaan. De kerk redde zichzelf wel door haar pastores uit enigszins kapitaalkrachtige families te recruteren. - Dit spelletje is nu echter voorgoed uit. Het kapitaal, voor zover het nog aanwezig is, vormt in de tegenwoordige maatschappij geen pensioengrondslag meer. De staat maakt de vorming van het kapitaal onmogelijk en het gevormde trekt hij tot zich om daarmee zijn burgers te kunnen pensioneren.

Onder zulke omstandigheden lijkt het mij niet te veel gevraagd als iemand verwacht dat men op het Bondsbureau er oog voor zal hebben, dat wiskundige grondslagen voor de pensionering van het pastoraat niet voldoende zijn. Zij doen het slechts voor een steeds korter wordend aantal jaren. Natuurlijk moet de Pensioenraad voor zo'n periode er wel rekening mee houden.

Maar hij zal ook vastlopen, als hij niet telkens in staat gesteld wordt om door te werken door een beweging in de kerk. En die beweging wakker te houden is de taak van de Bond.

De zaak gaande te willen houden door nu nog, ondanks alles, het kapitaal van de emeritus in de pensionering te betrekken, kan geen bondsoverweging zijn. Dat was gewoonte omstreeks 1900. Maar dat is een halve eeuw geleden. En welk een eeuw!

Eindnoten

  1. 1

    OBNP. 25 (okt. 1948) nr. 10.↩

  2. 2

    Bedoeld is een enquéte vanwege de Bond gehouden onder alle dienstdoende predikanten van de NHK. Het hiertoe gebruikte formulier bevatte vragen naar studie- en installatieschulden en naar alle andere schulden tijdens de ambtsperiode gemaakt. Veel predikanten bleken van hulp van derden afhankelijk; velen zaten met schulden mede ten gevolge van de naoorlogse armoede. Het rapport is opgenomen in OBNP. 25 (nov. 1948) nr. 11.↩

  3. 3

    Pensioenraad, geïnstalleerd 11.6.1925, moest eerst nagaan of voldoende predikanten zouden participeren. Toen dit het geval bleek te zijn (400), trad het reglement op het Pensioenfonds in werking (l.1.1926). Het fonds keerde uit: 1. emeritaatspensioen (max. f 1500), 2. oudendagspensioen, 3. invaliditeitspensioen, 4. weduwen- en wezenpensioen.↩

  4. 4

    Zie n. 1.14; 69.8.↩

  5. 5

    O. Norel Rzn. (1863-1922), hervormd predikant te Gaastmeer en te Wons, schreef in 1906 een brochure: Hoe krijgen onze weduwen f 600 pensioen? Het doel werd niet bereikt.↩

  6. 6

    Zie n. 48.57.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 77. Kerkelijke tuchtInhoud79. Terug naar het canonieke recht →