79. Terug naar het canonieke recht1
In de nieuwe kerkorde, zoals die in eerste lezing door de Generale Synode is vastgesteld,2 komt onder ordinantie 1, artikel 16, alinea 43 een algemene bepaling voor, die slechts uit enkele woorden bestaat. Zij lijkt wel achteloos daarheen geworpen. Nadat eerst is voorgeschreven dat hij, die een ambt, bediening of functie bekleedt, waaraan inkomsten verbonden zijn, dat ambt, die bediening of die functie neerlegt op de laatste dag van het kalenderjaar waarin hij de leeftijd van 65 jaren heeft bereikt, maakt de wetgever zo langs zijn neus weg nog een slot-opmerking.4 Deze is vervat in de volgende acht woorden: 'Terwijl overigens de leeftijdsgrens van zeventig jaren geldt.' Dat is alles. Maar dat betekent dan ook voor de zeventigjarigen met recht alles. Het venijn dat er in het staartje van deze alinea schuilt, is dodelijk voor hun kerkelijk leven. De kerk verklaart hier dat hun seniele aftakeling compleet is. In de kerkorde komen zij alleen nog voor onder een letaal aspect. Zij worden door hun medelidmaten voor dood verklaard.
Er is bovendien voor gezorgd dat er aan deze kerkelijke gaskamer geen ontsnappen mogelijk zal zijn. In artikel 15, waarin gehandeld wordt over de gelding van de algemene bepalingen, waartoe artikel 16 behoort, stelt de wetgever vast dat zulke artikelen, behalve voor de ambtelijke vergaderingen, ook gelden "voor de overige lichamen der kerk, waaronder worden verstaan en begrepen alle overige bij of krachtens ordinantie in het leven geroepen organen, aan welke enige taak of bevoegdheid op kerkelijk terrein is toebedeeld, alsmede alle door kerkelijke vergaderingen of kerkelijke organen ingestelde vaste of tijdelijke commissies."
Men ziet dat de zeventigjarigen, zo deze bepalingen wet worden, goed zullen doen alle hoop te laten varen. Niet alleen het bekleden van ambten en bedieningen, die een bepaalde opdracht inhouden, is hun verboden, maar ook het fungeren van hun gewone leven als lidmaten der kerk (de functies) wordt hun betwist. Zij mogen geen deel uitmaken van de organen der kerk. Niet slechts uit de kerk als instituut worden zij uitgeschakeld, maar ook uit de gemeente als organisme. Kerkelijk blijft er voor hen niets anders meer over dan aftakelen en afsterven.
Slechts één gelukkige anomalie zie ik te midden van dit mechanisme des doods, namelijk de positie van de emeritus-predikant. Consequent zou het geweest zijn als men ook hem op zeventigjarige leeftijd zijn bevoegdheden als dienaar des Woords, die hij volgens artikel 285 van de ordinantie voor het pastoraat behouden heeft, had afgenomen. Het zijn al zijn vroegere bevoegdheden, met uitzondering van het leiden van de ambtelijke vergaderingen. Maar neen, daar is men afgebleven. Dat is een schone anomalie. De emeritus mag na zijn zeventigste jaar het Woord verkondigen, de sacramenten bedienen, de dienst der gebeden uitoefenen, kerkdiensten leiden, herderlijke zorg uitoefenen, catechetisch onderwijs geven, de openbare belijdenis des geloofs afnemen, in ambten en bedieningen bevestigen, huwelijken inzegenen. Voor dit canoniek massief heeft de wetgever halt gehouden. Een schroom, die het kerkrecht van bijna tweeduizend jaren hem heeft ingeboezemd, heeft hem verhinderd dit aan te tasten. Maar tegelijk wil hij dezelfde ambtsdrager verbieden in een eenvoudige commissie te blijven zitten of te gaan zitten, die vanwege de kerk is ingesteld.
Deze schrille tegenstelling wordt alleen enigszins verklaarbaar als men er zich van bewust wordt, hoe hier een collisie plaatsvindt tussen twee soorten kerkrecht: het canonieke en het burgerlijke. De regels, volgens welke het ene wordt afgeleid, zijn heel anders dan die, welke voor het andere gelden. Het burgerlijke kerkrecht is eigenlijk genootschapsrecht. De kerk zou zich daarbij kunnen inrichten, zoals zij zelf verkoos. Zij zou haar eigen soeverein zijn. Als recht zou gelden wat men voor het genootschap in de gegeven omstandigheden het nuttigst en het meest doeltreffend vond. Het canonieke recht gaat van heel andere beginselen uit. Eigenlijk gaat het hier niet over de gelding van wat wij gewoonlijk recht noemen, maar over de gelding van Gods Woord. De kerkorde wordt er dan niet eenvoudiger op, maar haar regels worden dieper, geestelijker.
Zo levert in een burgerlijke kerkorde de aanstelling tot en de losmaking uit het werk geen moeilijkheden op. Men benoemt iemand en als men weer van hem af wil wezen, zegt men tot hem: Mijnheer, uw tijd is gekomen, u wordt ons te oud. In het canonieke recht gaat dat echter zo maar niet. Daar is sprake van ambt en van roeping en handoplegging en gelofte en dat zijn grootheden, waarbij God en zijn Woord ten nauwste betrokken zijn en waarmee men niet willekeurig kan omspringen. Zo wordt het duidelijk, waarom een emeritus zijn bevoegdheden behoudt en waarom ook een verburgerlijkt kerkrecht niet de moed heeft, deze aan te tasten. Men durft de consequenties van zijn eigen rechtsidee niet aan. Liever waagt men de vervaarlijke inconsequentie van hem op zekere leeftijd de uitoefening van zijn functies als lidmaat der kerk te verbieden en hem als deel van het organisme der gemeente dood te verklaren.
Deze stand van zaken moet ons tot bezinning brengen. De slotclausule van de bovenbedoelde alinea uit ordinantie 1, waarbij alle zeventigjarigen aan de seniliteit worden uitgeleverd, moet ons doen schrikken. Van deze vooruitgeschoven post van het verburgerlijkte kerkrecht moeten wij rechtsomkeert maken naar het canonieke recht. Wij moeten ons ook indenken wat zulk een bepaling voor het geestelijk en kerkelijk leven van de betrokkenen betekent, als zij van de actieve deelname daaraan worden afgesneden. Wat moeten deze afgesnedenen van de kerkelijke tros doen met de adem en de geest, die God hun elke dag nog geeft? Op grond van dit genootschappelijk recht zou de kerk hun op die vraag vreemde antwoorden moeten geven. Als zij vroegen wat zij nu moesten doen, nu het Koninkrijk der hemelen nabij gekomen is, zou de kerk moeten antwoorden: Jezus heeft voor u niets meer om te doen. En als zij zich dan op de apostel Johannes beriepen, die volgens Eusebius6 op bijna 100-jarige leeftijd nog een volle ambtelijke werkzaamheid uitoefende, zou zij moeten antwoorden: 'Dat was canoniek recht; Johannes was door Jezus zelf aangesteld; wij hebben burgerlijk recht en daar gaan wij zelf over.' De kerk zou moeten herhalen: 'Bij ons is er voor u geen ambt, geen dienst, geen functie meer mogelijk. Dat geldt mede voor alle organen van ons genootschap; voor elke taak of bevoegdheid die daaraan is toebedeeld'.
En als de zeventigjarigen dan ten einde raad vroegen: 'Maar wat moeten wij dan in 's hemelsnaam doen?' dan zou de wetgever niet anders kunnen zeggen dan dit: 'Volgens artikel 16 van onze Algemene bepalingen, 4e alinea aan het eind, heeft Jezus beslist niets meer voor u te doen. Gij kunt het eens bij Montgomery7 proberen. Wij hebben wel eens gehoord van generaals, die bijna even oud waren als de apostel Johannes en toch ook nog in dienst. Misschien ook bij het Heilsleger. Maar in de kerk hebben wij het canonieke recht afgeschaft. Daar geldt voor de zeventigjarigen alleen maar het Memento mori.' Waarop deze laatsten alleen maar zouden mogen repliceren met een 'Maak het kort'.
Dit afscheid van de kerk en haar presbyters zou niet erg christelijk zijn. Dan lijkt mij de manier van paus Sixtus V8 beter. Men vertelt dat deze in het conclave, waar een pauskeuze moest plaats hebben en waar men het niet eens kon worden, zich zeer amechtig en aamborstig hield. De kardinalen besloten daarom hun stemmen op hem te verenigen, omdat er dan wel spoedig een nieuw conclave nodig zou zijn.
Toen echter de keuze op hem gevallen was, spoog hij tegen de zoldering en als paus maakte hij naam door de uitroeiing van het roverwezen in de Kerkelijke Staat.
Een kerk die haar leden, ook al waren zij zo oud als de apostel Johannes of zelfs als Methusalem, tot op het hemd uitschudde van hun ambts- of lidmaatschapsrechten, zou daarmee ook tot roverij9 vervallen zijn. En de getroffenen zouden daartegen, evenals paus Sixtus, in het geweer moeten komen.