O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 71. Het uitzicht der kerkInhoud73. Prediking en liturgie →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 540–547

72. Kerk en wereld1

Het is voor mij een voorrecht dat ik vanavond in uw midden iets mag zeggen over kerk en wereld.

De verbinding ligt opgesloten mede in de laatste woorden die Jezus op aarde gesproken heeft: Predikt het Evangelie aan alle creaturen, d.i. aan de schepping (Mk. 16 : 15). De discipelen moesten alle volkeren onderwijzen en ze dopen. En het boek dat bij de evangeliën aansluit heet de Handelingen der apostelen. Men kan daarom zeggen dat het Evangelie naar de wereld toe openstaat en dat de kerk de deur aan het Evangelie is naar de wereld toe.

De kerk is apostolisch. Zij is niet een op zichzelf teruggeplooid lichaam, maar een lichaam dat een hoofd heeft, dat zo hoog boven de leden is gezet, dat die leden, hand en voet, niet in zich zelf hun gestalte2 hebben, maar hierin hun heerlijkheid hebben dat zij een Hoofd hebben.

Maar omgekeerd: de kerk heet een lichaam omdat Christus hoofd heet. De leden heten hand en voet omdat zij Christus ten dienste staan, omdat zij bij Christus gerekend worden (Rom. 12 : 4 v.; 1 Kor. 12 : 12 vv.; Ef. 4 : 12-16).

De apostolische roeping der kerk is niet ontstaan nadat Christus zijn werk volbracht had, maar ligt dadelijk in de zending door de Vader opgesloten. Jezus zegt het zelf dat Hij de discipelen zendt, zoals de Vader Hem gezonden heeft (Joh. 17 : 18). De roeping der kerk ligt opgesloten in de ambten, die aan Christus zijn opgedragen. Ons werk moet evengoed gerechtvaardigd worden als wij zelf. Het moet evengoed deel hebben aan het volbrachte werk van Christus als ons geloof en ons hart. Daarom moeten wij er voorzichtig mee zijn als wij de kerk het lichaam van Christus noemen. Zo gemakkelijk brengt de gedachte van een organisme ons op het verkeerde spoor. Dat is de grote fout van Rome geworden. Dan ontstaat de dwaling dat de kerk, de leden van het lichaam van Christus, eigenlijk van één wezen met Christus zijn. Dat zij deel hebben aan zijn godmenselijke natuur. Dat de vleeswording van het Woord voortgang heeft in de kerk. Dat de leden het hoofd kunnen opvolgen en zijn plaatsbekleders kunnen zijn op aarde. Dat waar Christus ophoudt, de apostelen beginnen en waar de apostelen ophouden, de bisschoppen beginnen.3 Zo is het niet.

Het lichaam, de hand en de voet heten alleen maar zo, omdat Christus hoofd heet. Hand en voet heten ze op dezelfde wijze als wanneer wij kinderen Gods genaamd worden. Wij zijn aangenomen kinderen en geen kinderen van nature (Rom. 8 : 1-15). Wij zijn aangenomen hand en voet en niet van nature, ook niet door mystieke vereniging in volle zin. De rechtvaardiging (Rom. 3 23 v.), de toerekening, strekt zich ook uit tot het werk, tot het apostolaat, tot het kerk zijn, tot de ambten, tot de diensten.

Het bewustzijn is vaak beter bewaard gebleven bij de ambten dan bij de diensten. De ambten hebben, omdat zij weten ingesteld te zijn, er meestal nog wel besef van dat zij instrumenten zijn, werktuiglijk met het hoofd verbonden. Dat zij als werktuigen geen heerlijkheid in zich zelf hebben, maar alleen voorzover zij van Christuswege worden uitgeoefend. Dat hun werk zijn rechtvaardiging daaraan ontleent. Zij handelen in opdracht van het hoofd. Zij zullen zich vaak klein gevoelen onder die opdracht en het gevoel hebben onwaardig te zijn. Zij zullen de behoefte aan de rechtvaardiging van hun ambtelijk werk gevoelen, eerder dan dat zij er een besef van heiligheid aan zullen ontlenen. De band met het hoofd der kerk is dan meer instrumenteel4 dan organisch. Het beeldend karakter van het organische als uitdrukking van het geestelijke, blijft dan bewaard.

Het gevaar van dit uit het oog verliezen is groter bij de diensten. Al dadelijk omdat de instelling daar minder duidelijk is, of - wil men ontbreekt. Het schijnt een aangeboden dienst te zijn en daarom verdienstelijk. Verdienste meebrengend. Ik kan dit allereerst verduidelijken door te wijzen op het verschil in de Roomse kerk tussen wereldlijke geestelijken en religieuzen. De wereldlijken dragen een kerkelijk ambt, de religieuzen hebben een religio, een door hen zelf gekozen dienst. Zij heten ook in engere zin geestelijken. De gewone ambtsdragers zijn, bij hen vergeleken, in de wereld. De religieuzen hebben zich daaruit terugetrokken.

De gewone ambtsdrager vergadert zich door zijn werk geen bijzondere verdienste. De religieuze wel, door zijn zelfgekozen dienst, die uitgaat boven de toerekeningsgerechtigheid die in de kerk wordt uitgedeeld. De verhouding van de religieuze, die een bijzondere regel volgt, tot Christus, is een andere dan die welke tussen Christus en de ambtsdrager bestaat. Deze laatste handelt uit volmacht en verdient daarbij niets voor zichzelf. Hij is een onnutte dienstknecht. De religieuze kiest zelf een dienst, waarvoor hij loon ontvangt.

Deze dingen kunnen wij echter ook heel goed verduidelijken uit ons eigen protestants christelijk leven. Wanneer iemand bij ons een kerkelijk ambt bekleedt, kan hij daarop wel hoogmoedig zijn. Maar dat is dan niet voortvloeiend uit zijn ambtsbekleding. Het is dan een gevolg van snobisme, poenigheid. Een ambt is een instelling. Men heeft het zelf niet ingesteld; men draagt het. Wij hebben de kerk niet met elkaar opgericht. Wanneer wij echter met elkaar iets gaan oprichten, wordt het gevaar van hoogmoed groter en ook het gevaar dat men het lidmaatschap van zulk een lichaam verdienstelijk zal vinden. Men meent dan iets meer te doen dan waartoe men verplicht is. Ik heb zelden of nooit gemerkt dat iemand trots is op zijn lidmaatschap van de kerk. Integendeel, men vindt dat soms zo vanzelfsprekend dat men dat lidmaatschap veracht. Men heeft het zelf ook niet gekozen. Men werd gedoopt zonder het te weten. Laat echter iemand een jongelingsvereniging mee oprichten, laat hij daar de voorzitter of secretaris van worden, dan heb je vaak de poppen aan het dansen. Menige voorzitter van zo'n vereniging voelt zich verre verheven boven een ambtsdrager. Want, zo zei mij eens zo'n religieuze figuur, op catechisatie ging ieder, maar op de vereniging alleen degene die er uit eigen beweging bij toetrad.

Deze dingen hebben grote betekenis in betrekking tot de verhouding van kerk en wereld. Wij behoren zelf ook tot de wereld en als wij in de wereld zullen gaan werken voor Christus, dan doen wij uit onszelf niets anders dan de zonde nog een beetje meer en groter maken. Wij dragen nog meer water naar de zee. Hoe meer wij dat doen, hoe groter onze behoefte wordt om door Christus gerechtvaardigd te worden. Die arbeid is evengoed zonde als onze gewone, eigen zonden en zij moet ons evengoed vergeven worden. Alleen als vergeven zonde kan zij anderen tot zegen zijn. Alleen als in Christus gerechtvaardigde en geheiligde dienst wordt zij een gave des Heiligen Geestes.

De wereld - en dat zijn wij zelf ook - merkt het spoedig genoeg of wij haar een stukje bedorven eigen christelijkheid brengen of dat wij haar onze zonden brengen, zoals zij er uitzien als zij in het bloed van Christus gewassen zijn. Zij merkt het dadelijk of het werk krampachtig overspannen onmacht is, dan wel genade, kracht in zwakheid volbracht. Of het onze plannen zijn, waaraan wij de naam van Christus verbinden, of dat het de raad Gods is, waaraan wij ons onderwerpen.

Wij kunnen niet anders dan de wereld oproepen, zichzelve en haar arbeid in Christus te laten rechtvaardigen, ontzondigen. Wij kunnen niet anders opbouwen dan door te wijzen naar wat opgebouwd is en de wereld kan niet herkerstend5 worden dan door zichzelve te laten ontkerstenen. Dit laatste klinkt als een raadselspreuk. Het is een paradox, die ik wel even mag ontraadselen.

De kerk is niet berekend op een geschiedenis van nu bijna 2000 jaren. Zij is het in zoverre wel dat God ook in dit lange of korte beloop - zo als men het noemen wil - zijn doeleinden zal bereiken. Maar dat behoort tot wat Luther noemt: Gods vreemde werken, die niet tot het middelpunt van zijn raad behoren maar tot de omtrek. Satan - zegt Luther - is Gods molenknecht.6

Gods eigen werken, die van zijn hart, kruis en opstanding, vorderen niet zoveel tijd. In zes dagen was de schepping gereed. Laten dat miljoenen jaren zijn. Na drie dagen echter is Christus opgestaan. Het hele Evangelie verloopt in drie jaren - of wil men 33 jaren.

In dat middelpunt der liefde en der vergeving en rechtvaardiging en der heiliging moet de wereld terug. Zij heeft tijd gehad zich zelve te kerstenen. Zij heeft zich een plaatsvervanger, een stedehouder van Christus gekozen. Zij heeft haar heiligen zalig gesproken en heilig verklaard. Zij heeft een corpus Christi laten groeien van eigen heiligheid, buiten Jezus Christus. Zij heeft haar christelijke partijen, christelijke verenigingen opgericht. Zij heeft zich op allerlei manieren buiten Christus gewaagd. Bijna 2000 jaar lang. Zij heeft de wereld buiten Christus willen kerstenen. En het resultaat zijn de wereldoorlogen en de concentratiekampen. Het gevolg is de toestand van nu, het graf en de dood, waaruit Christus is opgestaan, maar waarin wij zijn blijven liggen in een sfeer van morele ontbinding. Daaraan went de wereld, aan de toestand buiten Christus. Zij kan maar niet wennen aan het zijn in Christus. Om herkerstend te worden moet zij ontkerstend.

Wie in Christus is door het geloof overwint de wereld. Of liever zijn geloof doet het (1 Joh. 5 : 5; 1 Joh. 5 : 4b). Christus doet het. Om uit deze wereld te verkiezen, te roepen, te rechtvaardigen, te heiligen, te verheerlijken (Rom. 8 : 29 v.), is Christus op aarde gekomen. Dat weten de roomsen, die de wereld zo zichtbaar trachten te kerstenen, tenslotte evengoed. Ik las pas een artikel van Anton van Duinkerken in Elseviers Weekblad7 over een rede van pater Riquet, een Jezuïet, te Amsterdam op 11 januari, over de overwinning van de Geest. Aan de ene kant ziet men in het artikel de beeltenissen van drie van de 23 dokters, die in Neurenberg8 terechtstonden wegens hun proefnemingen op de gevangenen uit de concentratiekampen. Aan de andere kant pater Riquet, die gedurende de oorlog in zulke kampen verbleef. De zaal lag tussen twee andere, waarin rechts jazzmuziek gegeven en links een bruiloft gevierd werd. Pater Riquet doet geen poging om dit lawaai van de wereld door stemuitzetting te overwinnen. Hij bleef met zijn rede binnen zijn eigen zaal, binnen de Geest, laat mij mogen zeggen: binnen Christus. Toch overwon hij de beide andere zalen zonder moeite. Hij herkende met algebraïsche preciesheid hoe doelmatig die uitroeiingsmethode van het nationaal-socialisme was. Geneesheren werden rustige, nuchtere beulen. In Mauthausen is een correspondentie gevonden, waarbij een wereldfirma in Duitsland aan de leiding van het concentratiekamp vraagt om 150 levende vrouwen, lichamen in goede conditie, voor proefnemingen. De 150 uitgekozenen gingen op transport. Zij voldeden niet. Zij stierven toen de proefnemingen nog maar pas begonnen waren. Er moeten nieuwe vrouwen komen. Dit brengt voor het kamp nieuwe onkosten mee. De prijs per levend vrouwenlichaam wordt met enkele marken verhoogd. Zij voldeden beter. Maar van deze vrouwen is er niet één meer in leven. Twintig miljoen mensen, tweemaal de bevolking van Nederland, zijn er in zulke kampen door de Duitsers omgebracht.

Pater Riquet zei dat de geest sterker was dan de vernietigingskracht van het intellect. Die geest bracht de uitgehongerden ertoe hun laatste korst brood af te staan aan een stervende. De geest - zei pater Riquet - is levend gebleven in het kamp en de dragers van de geest hebben elkander herkend. Zij waren niet alle christenen. Zij waren lang niet alle christenen en ook waren lang niet alle christenen onder alle omstandigheden dragers van die geest. Maar deze geest heeft in het christendom een naam: agapè heet de Geest in het Nieuwe Testament, Caritas in de taal van Sint Augustinus, Liefde in onze taal.

Toen pater Riquet zijn rede beëindigd had, hing in de zaal een hoorbare stilte, die het rumoer rechts en het rumoer links met gemak overwon. In deze stilte trad een jonge man vastberaden naar voren en fluisterde de spreker iets in het oor. Daarna keerde hij naar zijn staanplaats achterin de zaal terug.

Pater Riquet deelde mee dat deze jongeman gedurende de oorlog ook in Duitse concentratiekampen had vertoefd en er behoefte aan had gevoeld te getuigen dat zijn jeugdige ervaringen met die van de redenaar strookten. Ik ben er van overtuigd dat deze beide mensen zich op dat ogenblik in de liefde van Christus bewogen en de heilige liturgie des Geestes uitoefenden. Zij kerstenden op die wijze de zaal waarin zij zich bevonden en die tot kerk werd. En zij overwonnen de beide andere zaaltjes en alle concentratiekampen der wereld. Dit in Christus Jezus zijn, dat zij hadden leren kennen, realiseerden zij in de diepe stilte van de zaal door enkel te fluisteren, onhoorbaar voor de aanwezigen.

Dit fluisteren der kerk, het geheim van het reeds volbrachte werk van Christus, wien alle macht is gegeven in hemel en op aarde, dit fluisteren in deze stilte, overstemde het rumoer der wereld - de jazzband en het Lang-zullen-zij-leven - rechts en links. Elke leuze dezer wereld - zei Gunning eens - zal verstommen. Alleen het stil-heilig lied der gemeente van Christus zal blijven doorklinken.9

Dit is de ware methode der herkerstening. Was pater Riquet naar de beide zalen daarnaast uitgegaan, had hij de stilte in zijn eigen zaal, de tegenwoordigheid en de macht van Christus verlaten, had hij daar volgens een bepaald plan en naar een eigen methode gaan staan getuigen als een heilssoldaat, een soldaat van Christus, om op die wijze het rumoer te dempen en een stilte te bewerkstelligen voor zijn eigen zaal; had hij zo de kerk willen maken om dan daarna over de macht van de Geest te spreken tot zijn eigen gehoor, dan had bij misschien ook wel iets bereikt. Maar hij zou niet het honderdste deel hebben uitgewerkt van wat nu plaatsvond. ⚑De kerk is er en zij behoeft niet eerst gemaakt te worden. Men breekt haar af als men buiten het fluisteren van de Geest gaat, om daarvoor gelegenheid te scheppen door eerst het rumoer der wereld te stillen. De stilte van Christus overwint en overleeft vanzelf dat rumoer.

En nu weet ik wel wat daartegen te zeggen is. Men zal zeggen - en ik zeg het nu zelf ook - dat men op die wijze elke actie kan lam leggen. Dat Paulus op de weg naar Damascus ook niet is blijven liggen, maar dat hij is opgestaan en de wereld is ingetrokken (Hand. 9 : 8, 11, 15). Dat kerk zending betekent en dat Evangelie dadelijk gevolgd wordt door Handelingen der Apostelen. Ik heb er zelf op gewezen dat wij een apostolische gemeenschap vormen. Dat wij niet met een boekje in een hoekje moeten blijven zitten maar op de wereld moeten lostrekken. Dat wij, zoals de laatste onzer belijdenisvragen luidt, tot de bloei van het Godsrijk moeten meewerken.10

Ik weet het ook wel, zwijg stil (2 Kon. 2 : 3, 5). Maar toch wil ik een paar vragen doen. Niet om een direct antwoord uit te lokken, maar ter overweging.

Allereerst die bloei van het Godsrijk. Hoe ziet die bloei van het Godsrijk er uit? Is het bloeien of bloeden hier op aarde? Hoe was het op Golgotha? Hoe was het in de concentratiekampen? Het Koninkrijk Gods is er en was daar in stilte, in verdrukking, in lijdzaamheid, in bevinding, in hoop en de hoop beschaamt niet omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort (Rom. 5 : 3 vv.). Het Koninkrijk Gods staat aan het begin van het Evangelie, heel vooraan. En niet aan het einde van de kerkgeschiedenis. Het is er en behoeft niet te worden opgericht. God is koning. En in de kerkgeschiedenis bloedt het en het bloeit niet. Een bloeiende gemeente betekent niet een kring, waar alles netjes georganiseerd is, maar een gemeente onder het kruis.

Als ik nog eens - en nu voor het laatst - mag terugkomen op pater Riquet, dan nog het volgende. Toen ik het verslag van die rede in deze toespraak inlaste, kwam een eigenaardige gedachte bij mij op. Het was een soort inblazing. Laat ik compleet zijn: een inblazing van de duivel. Gesteld nu eens - dacht ik bij mij zelf - gesteld nu eens dat pater Riquet een afspraak had gemaakt met die jongen van achter in de zaal. Dat het naar voren komen van die toehoorder en het fluisteren op het podium en de daarop volgende mededeling van het ingefluisterde een tevoren bedacht plan was om het effect van de rede te verhogen. Wie weet, pater Riquet is Jezuïet. Het gekke en gemene van zulke inblazingen is dat men ze niet weer helemaal kwijt kan worden. Er blijft iets van hangen. Maar Satan is Gods molenknecht. Hij moet Hem ook nu dienen en hij moet ons nu ook dienen. Uit een oogpunt van mise-en-scène, van in elkaar zetten van een programma voor een lezing of evangelisatie-bijeenkomst zou iemand misschien op de gedachte kunnen komen het te verdedigen. Maakt ook het Heilsleger zijn bijeenkomsten niet opzettelijk indrukwekkend door de bekeerlingen naar voren te laten komen naar de zondaarsbank? En dan niet één maar zoveel mogelijk? En toch voelen wij dat de gedachte die bij mij opkwam een inblazing was, geheel uit de Boze. De gedachte van een plan, een program, zou hier niet alleen alles bedorven hebben, maar was ook godslasterlijk geweest.

Een blasfemie tegen het 'in Christus zijn' (2 Kor. 5 : 17; Fil. 3 : 9). Men behoeft Christus niet te helpen. Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde en het enige program dat de kerk tegenover de wereld heeft te volgen is: in Hem te zijn en te blijven.

Daarom geloof ik dat wij zeer voorzichtig moeten zijn met wat men wel eens noemt Amerikaanse methoden. Ik zou die zo willen omschrijven dat men het rumoer der wereld naäapt om het te proberen te overtroeven en haar methoden en programma's, niet alleen de evangelisatie maar ook de gewone kerkdienst, schijnen daaronder soms te gaan lijden.

Onlangs hoorde ik een jong en gevierd predikant aldus zijn leerrede aanvangen: Gerrit van den Berg wordt verzocht, onmiddellijk thuis te komen omdat zijn vrouw bevallen is! Er ontstond enig rumoer omdat er twee Gerrit van den Bergs in de gemeente woonden. De explicatie volgde. De omroep was gedaan in het stadion te Amsterdam en de conclusie was dat er meer aandacht was voor de geboorte van het kind van Gerrit van den Berg dan voor die van de Heiland (het was in de adventsweken).

Dit zijn uitwassen. Maar ook waar deze en ook soortgelijke manieren om de boodschap der kerk in de wereld gehoor te verschaffen niet aanwezig zijn, daar blijft toch het gevaar dat wij door onze plannen en programma's de kerk gaan over-organiseren,11 zodat haar wezen in haar instrumentering verloren gaat. Het gevaar dat wij Christus, wien alle macht gegeven is in hemel en op aarde, in eigenlijke zin willen gaan helpen in plaats van dat Hij door ons werkt.

Er moet in het getuigenis tegenover de wereld een sterk element van noodzakelijkheid zijn, van vanzelfsprekendheid, dat ons verlost van het eigenwillige en zelfbedachte. Dat geldt van de eigenlijke verkondiging, wanneer iemand het Woord dient en de sacramenten bedient in het ambt. Maar het is er ook bij die zgn. diensten, als het er om gaat zich in het bijzonder op de wereld in te stellen en die wereld meer opzettelijk als het arbeidsveld der kerk in het oog te vatten. Het gevaar is dan misschien groter, althans meer aanwijsbaar. Hier is minder kerkorde in de strikte zin van het woord en het is zelfs de vraag of het wenselijk is, hier een kerkorde al te belijnd in te voeren. Het gevaar bestaat hier dat wij, in onze ijver om de kerk te organiseren, in werkelijkheid bezig zijn de wereld te bewerktuigen.12 ⚑Wanneer wij in de leer van het Woord Gods afwijken, noemen wij dat een ketterij. Dat is duidelijk en bepaald. Doen wij het echter in de praktijk, in de toepassing van het Evangelie op kerkelijke arbeid, richten wij zelf iets op of iets in, dan bestaat er niet zo duidelijk een regel als bij de regel des geloofs. Daar hebben wij schijnbaar meer speelruimte. Wij zijn wel van Christus gegrepen en kunnen er naar jagen het te grijpen, waartoe wij van Christus gegrepen zijn (Fil. 3 : 12 v.), maar wij hebben niet zulk een duidelijke regel in de kerk voor onze praktijk als voor ons geloof. Of hebben wij die toch wel? Zijn wij de betekenis van de wet Gods vergeten? Dit is een brandende vraag van onze tijd. Wat is de wet Gods en hoe moeten wij die gebruiken!

Er is verschil tussen een belofte en een gebod. Een belofte geloof ik. Wat heb ik dan daarna nog te doen aan die belofte? Nog meer geloven en de belofte verder te geven. Maar ten opzichte van de belofte los ik God niet af. Ik laat Hem doorwerken. De apostelen beginnen niet waar God ophoudt. Christus heeft geen opvolgers, tenzij dan de Heilige Geest.

Maar hoe is het dan met de wet Gods, het gebod? De zaak ligt iets moeilijker dan met het Evangelie, de belofte. De kerk heeft er altijd aan gelaboreerd. Zij zat altijd vol werkheiligheid. Zij maakte zich op een of andere wijze de spreuk van Cicero te eigen: God gaf ons het leven; het is onze taak, er een goed leven van te maken.13 Bij de gehoorzaamheid komt er zo gemakkelijk een punt, waar wij zeggen: hier houdt God op, nu kom ik aan de beurt. God heeft de wereld geschapen, wij moeten er wat van trachten te maken. God heeft de wet gegeven, nu moet ik die wet volbrengen. God heeft aan 't eind van de schepping een rustdag ingesteld, maar ik ga op die sabbat werken. Dat hier een fout schuilt, heeft de kerk ook steeds geweten. Maar zij is moeilijk te vermijden.

Wij willen een geleide schepping, adres aan de duivel, de overste der wereld (Joh. 12 : 3l; 14 : 30; 16 : 11). Een geleide kerk, adres aan de paus. Een geleide economie, adres aan H. de Man en Roosevelt. Geleide financiën, adres aan Lieftinck.14 Geleide ... nu durf ik niet verder. Maar de leiding ligt tussen kerk en wereld.

Hier heb ik een heel stuk onbillijkheden gezegd. Het zijn noodzakelijkheden. Maar hoe dichter wij er mee bij God komen, hoe meer wij er toch iets van zien. Duivel en paus. Geleide wereld en geleide kerk. Ideologiseren. Het of hemel. Een gemaakte hemel is een hel. Grenzen 80%. Stad of dorp. Kaïn en Abel.

Eindnoten

  1. 1

    Lezing gehouden in 1947 voor de Jonge Kerk van Wageningen in de Landbouwhogeschool; tweede spreker was ds. R. C. G. Troelstra, hervormd predikant van Wageningen. (Een en ander overdenk. schr. inform. laatstgen. aan red.) Onder de lezing N.' notitie 'onvoltooid'.↩

  2. 2

    Er staat in het manuscript nauwelijks leesbaar, later ingevuld, 'gest'. Op zichzelf zou dus ook de duiding 'geest' mogelijk zijn. Toch lijkt 'gestalte' bedoeld.↩

  3. 3

    Zie nr. 55, met name p. 364-374 en noot 37.↩

  4. 4

    Instrumenteel: dat waartoe men gebruikt wordt; organisch: dat wat men uit zichzelf is in het eigen geheel.↩

  5. 5

    'Herkerstening' was het grote woord in de naoorlogse 'hervormde visie', die ook de kerkorde beheerst; N. had tegen het woord en de zaak zijn bezwaren. Zie n. 69.15; nr. 70; 71.↩

  6. 6

    Vindplaats onbekend. Mogelijk een interpretatie van Lk. 22 : 31.↩

  7. 7

    Van 3 (25.1.1947) nr. 4, p. 5. Pater Riquet S.J., vastenprediker in de Notre-Dame in 1946, was uitgenodigd door 'Les Amitiés catholiques franqaises' om in Amsterdam te spreken over De overwinning van de Geest.↩

  8. 8

    Aldaar van 20.11.1945 tot 1. 10. 1946 tegen Duitse oorlogsmisdadigers op basis van hun individuele aansprakelijkheid gevoerde processen.↩

  9. 9

    Vindplaats onbekend. Vgl. echter LW., dl. 2, p. 950: "De donder der grote wereldgebeurtenissen zal alle stemmen het zwijgen opleggen behalve de stil-heilig door alle eeuwen doorgaande orgeltoon van het geloof der gemeente." Vgl. eveneens voor, stil-heilig', Rekenschap, Nijmegen 1898, p. 21 en 33.↩

  10. 10

    Zie Regl. op het Godsdienstonderwijs art. 39, 3e vraag, bijlage 2a.↩

  11. 11

    Zie n. 70.5.↩

  12. 12

    Na enige tijd aan de kant te hebben gestaan was N. herfst 1946 weer gekozen tot lid van de commissie-Kerkorde (zie n. 76.2). Hier bereidde men een ordinantie 4 voor het apostolaat voor met breed uitgewerkte regeling van ambten, bedieningen en instituten voor de 'herkerstening' van Nederland. Zie noot 5.↩

  13. 13

    Vgl. De natura deorum III, 86, 87, 88. Zie VW., dl. 3, p. 25 (noot n).↩

  14. 14

    Hendrik de Man (1885-1953), Belgisch socialist, politicus, sociaal-psycholoog, wendde zich af van het marxisme en zocht naar een ethische fundering van het socialisme. Deed veel voor opvoeding arbeiders. Koos bij het begin van de bezetting van zijn land voor de nieuwe Duitse orde. - Franklin D. Roosevelt (1882-1945), Amerikaans staatsman, president VS., voerde de New Deal in, een totaliteit van verstrekkende wetten ter beteugeling van de economische crisis en tot hulp aan minder bevoorrechte klassen, door opvoering van de overheidsbemoeienis binnen het kader van het kapitalistische stelsel. - P. Lieftinck (geb. 1902), economisch hoogleraar te Rotterdam en politicus (socialist), minister van Financiën in kabinet-Drees - Schermerhorn, president Wereldbank. Voerde geldzuivering door, die de ontwrichte staatsfinanciën van na de oorlog saneerde.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 71. Het uitzicht der kerkInhoud73. Prediking en liturgie →