73. Prediking en liturgie1
Soberheid der voorschriften
Het thans aanhangige ontwerp voor een nieuwe kerkorde2 onderscheidt zich in het algemeen door soberheid in zijn bepalingen. En dit kan ook gezegd worden, waar het de prediking en de liturgie betreft. De voornaamste voorschriften zijn spoedig opgesteld. - In de kerkorde worden in artikel 3 onder de zaken waarop deze orde betrekking heeft de verkondiging van het Woord Gods, de bediening der sacramenten, de dienst der gebeden en de dienst der barmhartigheid genoemd. Dat zijn de vier werken, waartoe men volgens zondag 38 op de rustdag tot de gemeente Gods naarstig komen moet.3 - Tot het uitoefenen of bedienen daarvan zijn volgens artikel 4 in het bijzonder geroepen de dienaren des Woords die als herders en leraars onderscheiden worden van de zendelingen en evangelisten. Volgens artikel 11, waar deze verrichtingen predik- en erediensten worden genoemd, gaan zij te rade met het kerkelijk jaar. Dit 'te rade gaan'4 is een soepele bepaling, die is overgenomen uit artikel 22 van het Reglement voor de Kerkeraden van de thans nog vigerende reglementen. Daar slaat zij echter op de godsdienstige behoeften der gemeenten, waarmede de predikanten te rade gaan met betrekking tot het gebruik van de Heidelbergse Catechismus, de liturgische geschriften, de psalmen en gezangen. Dit gebruik van de uitdrukking 'te rade gaan' is ongetwijfeld juister dan dat in artikel 11 van de nieuwe kerkorde. De woorden betekenen ook wel: rekening houden met, doch dan meer om te kennen te geven dat men dit doen wil in het belang van de aangeduide instantie. Dit gaat goed bij de gemeente, maar minder als 't het kerkelijk jaar zelf betreft. - De bedoeling van de nieuwe kerkorde is een lichte binding aan het kerkelijk jaar aan te brengen, zonder agenda of perikopen-stelsel. In de oude reglementenbundel fungeert dit jaar slechts als stille vooronderstelling. Het was min of meer van publieken rechte, voor zover er algemeen erkende christelijke feestdagen gehouden werden. - Dat het aanhangige ontwerp het jaar des heils even noemt en bij de tekstkeuze daarop gelet wil hebben, is ongetwijfeld juist.
In de oude reglementen is wel sprake van de Heidelbergse Catechismus, de liturgische schriften, de psalmen en gezangen. Daaromtrent kon, zoals wij zagen, de predikant met de godsdienstige behoeften der gemeente te rade gaan. Zijn vrijheid ten opzichte van het gebruik daarvan werd nog eens onderstreept door de bij voeging dat dit 'te rade gaan' niet verder behoefde te gaan dan 'naar eigen oordeel' nodig was. - Het mag ons niet verwonderen dat de twintigste-eeuwse kerkorde hier ook iets meer regels geeft dan de negentiende-eeuwse. Artikel 11 schrijft voor of constateert, - dat blijft enigszins in het midden - dat in leerdiensten de HC. wordt gebruikt. En ten opzichte van het kerkgezang wordt volstaan met de bepaling dat de keuze der liederen beperkt is tot het psalm- en gezangboek der kerk, zoals trouwens nu ook het geval is.
Anders komt het echter - als deze kerkorde wet wordt - met de thans bestaande liturgische vrijheid. Deze zal enigszins aan banden worden gelegd door de bepaling dat er een dienstboek5 der kerk komt, met verschillende orden van dienst, waaruit men een keuze moet doen. Het staat nu wel al reeds vast dat, bij aanneming van deze artikelen, de thans bestaande toestand ongeveer bestendigd zal worden. Alleen zullen excessen worden voorkomen, daar de orden van dienst kerkelijk verantwoord zullen zijn. De bezinning op de liturgische vragen, die tot nog toe in bijzondere kringen en verenigingen werd gepleegd, zal daardoor meer in kerkelijke banen worden geleid. Een oplossing is daarmee vooralsnog niet gegeven. Alleen een regeling. Elk krijgt voorlopig wat wils. Eenzelfde meerdere binding zal er dan zijn voor het gebruik der liturgische formulieren. Ten opzichte daarvan kon de predikant tot nog toe ook naar eigen oordeel te rade gaan met de gemeente. Veelal liep dat hierop uit dat hij enkel met zijn eigen oordeel of enkel met de gemeente te rade ging. - De bedoeling van de nieuwe orde is nu dat er in het dienstboek der kerk, zoals bij de orden van dienst ook ten opzichte van de formulieren een keuze mogelijk zal zijn. Maar ook hier zal een kerkelijke keur moeten voorafgaan. De huidige ongebondenheid zal worden ingetoomd.
Verschuivingen?
Het is interessant nu eens de vraag te stellen, welke verschuivingen er hebben plaatsgehad, als wij terugzien naar het midden der vorige eeuw. En dan te overwegen welke consequenties dat meebrengt voor de verhouding van de verschillende delen onzer kerkdiensten. - In het beroemde of beruchte artikel 9 (thans art. 116) van het Alg. Regl. der organisatie van 1816 stond aangegeven dat het doel van allen die de kerk besturen moet zijn:
1. de handhaving der leer, waarmee toen bedoeld werd de zorg voor het aanwezig zijn van theologen en predikanten (heerschappij van de school over de kerk. N.);
2. de vermeerdering der godsdienstige kennis (tot opklaring van het nog aanwezige mysticisme. N.);
3. de bevordering van christelijke zeden (humanisering. N.);
4. de bewaring van orde en eendracht (orde meer dan kerkorde. N.);
5. de aankweking van liefde voor koning en vaderland (de vaderlandse kerk. N.).
(De behartiging van de zending wordt pas in 1909 genoemd.)
Deze opnoeming, waarop ik hier geen kritiek geef, verraadt de doelstelling van een genootschap. - In de aanhangige kerkorde kan men dan ook niet een even beknopte en duidelijke aanwijzing vinden van wat de kerk beoogt. De kerk heeft geen bepaalde eigen doelstelling. Zij heeft een opdracht (art. 8) en een belijdenis (art. 10),7 wat heel iets anders is. Als zij optreedt komen er allerlei gaven, bedieningen, werkingen in beweging, die niet altijd zo maar vanzelf harmoniëren, zodat kerkorde ook weer een goddelijke gave moet zijn. Ongetwijfeld geeft het nieuwe ontwerp daarvan een betere indruk dan dat van 1816. Men zie bijv. artikel 3.8
Maar hoe is het nu gesteld met de onderlinge bewegingen en verschuivingen van deze krachtcentra ten opzichte van onze kerkdiensten; en bovendien, in welke zin kan men zeggen dat binnen deze kerkdiensten de verhoudingen weer veranderd zijn, bijv. tussen prediking en sacramenten; prediking en liturgie? En in hoeverre valt daaromtrent uit dit ontwerp iets af te lezen?
Geen domineeskerk
En dan moet worden gezegd dat niets in dit ontwerp er op wijst dat de functie der kerk in de richting van typische erediensten verschoven zou zijn. Onder erediensten versta ik hier bijeenkomsten van de gemeente, die meer op aanbidding dan op verkondiging zijn afgestemd.
Eerder zou men moeten zeggen dat door de grotere bewerktuiging der kerk, de apostolische organen die tot ontwikkeling zijn gekomen, de belangstelling voor de plaatselijke gemeenten, ambten en diensten in verdrukking zou kunnen komen. Men merkt dit het best wanneer men het hele ontwerp door eens nauwkeurig nagaat in hoeverre de betekenis van de pastor loci is verminderd door een zeker isolement, waarin hij gekomen is door de organisaties die van buiten in de gemeente ingrijpen. Kraemer en anderen hebben dan ook geroepen: geen domineeskerk.
Voor zover dit ontwerp daaraan tegemoetkomt - wat in een afzonderlijk artikel bezien zou moeten worden - zal dit een zekere compensatie nodig maken. De predikant zal, wil hij niet als een kikker op een kluitje blijven zitten, worden ingeschakeld in allerlei werk. En dit kan hem er weer toe brengen om op de tijd, die een volle prediking vereist, te beknibbelen en het ledig, dat daardoor ontstaat, aan te vullen met liturgie. Op die wijze zou de synodale en apostolische uitbouw der kerk, die in geheel andere richting wijst, er toch nog toe kunnen bijdragen dat de liturgie de prediking overwoekerde.9
Heilige Geest of routine
Deze verlegenheidsliturgie zou een van de ergste dingen zijn, die ons kunnen overkomen. - Wij zien nog eens om naar de trekken van het beeld, dat de organisatie van 1816 ons toonde in artikel 9: leer, kennis, zede, orde, trouw. Deze trekken van honderd jaar geleden roepen een herinnering op aan het ware aangezicht der gereformeerde kerken van vroeger tijd. Een eeuw geleden was het geworden: academische leer, intellectualistische kennis, humanistische zede, politieke orde, aardse trouw. Het was alles verschoten, maar het bleef respectabel, degelijk, nuchter, geestelijk. Het had een platonische achtergrond gekregen, maar het verried, zo niet in alles, toch in veel opzichten zijn bijbelse origine.
Leer, kennis, zede, orde, trouw zullen wij bij de uitoefening van de kerkelijke ambten en als achtergrond van de kerkelijke diensten - ook en vooral de kerkdiensten - niet kunnen missen. Zij mogen nooit door routine worden vervangen. De Heilige Geest is nuchter en tegelijk beweeglijk. En deze beide eigenschappen mist de routine.