O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 70. Militia ChristiInhoud72. Kerk en wereld →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 536–538

71. Het uitzicht der kerk1

Het ogenblik waarop, de omstandigheden waaronder onze Hervormde Kerk is vrijgemaakt van het 'synodale juk'2 is wel in overeenstemming met het wezen van een kerk. Het past een kerk niet om met een elegante zwier, los en gemakkelijk, van verschijningsvorm te veranderen. Voor zulk een wijziging is bittere noodzakelijkheid van node. Deze bestond wel van het begin af. Maar wie terugziet zal er toch een Goddelijke beschikking in opmerken, dat niet in 1886 en niet in 1938, maar midden in de wereldoorlog3 deze banden werden losgemaakt. Wij zien het nu minder als mensenwerk en merken er Gods barmhartigheid midden tussen zijn oordelen in op.

Maar die tijd en die omstandigheden brengen ook grote moeilijkheden mee. Zij dwingen de kerk om op het appèl, dat op haar gedaan wordt, op korte termijn te antwoorden, zonder dat zij om zo te zeggen de gelegenheid heeft zich in te leven in de nieuwe situatie. Het is er enigszins mee als wanneer een kantoorklerk wordt opgeroepen voor de brandweer of een bureaucraat voor sociaal werk. Onze kerk als instituut mist de vooroefening voor haar nieuwe taak. Als organisme had zij die wel.4 Men kan onmogelijk alle christelijke arbeid, die in ons land is gepresteerd op de verschillende levensterreinen, onkerkelijk noemen. Daarin schuilt de reden van het droevig misverstand dat op dit ogenblik in Nederland heerst. Ik zie niet in, waarom dit blijvend zou moeten zijn. Het zou lijken op dat reptiel waarvan Schopenhauer vertelt, waarvan, als men het doorsnijdt, de beide helften elkaar te lijf gaan.5 Zo zouden wij het onstichtelijke schouwspel beleven, dat de kerk als organisme en de kerk als instituut met elkaar tot handgemeen zouden komen. Op welke wijze kan dit worden voorkomen?

De kerk als instituut erkenne dat de kerk als organisme ook kerk is. De kerk heet ook wel gemeente. En reeds als zodanig wil zij iets meer algemeens, iets breders zijn dan de kerk als instituut. Spreek ik over het instituut, dan denk ik aan een figuur met een basis en een top en mijn gedachten gaan van de basis naar de top. Althans wat de inrichting betreft. In ander opzicht kan ik natuurlijk ook van de top naar de basis afdalen. Maar de bewerktuiging is centraliserend. Wat een lagere vergadering niet afkan, komt voor rekening van een hogere. En deze werkwijze wordt in onze tijd geaccentueerd door de eis van een forse centrale leiding. Dit noem ik een politiek lichaam.

Het woord politiek moet men hier nemen in zeer ruime zin. Het bedoelt de organisatie der kerk in een polis, een stad, een staat; ook een dorp, een provincie. In het formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen wordt de naam kerkeraad uitgelegd als te zijn een soort senaat, een regeringscollege.

Noem ik de gemeente, dan stel ik mij de kerk op een andere wijze voor. Ik let dan op de gaven, die Christus als het Hoofd door de Heilige Geest aan de leden meedeelt. De richting is dan omgekeerd en de werkingen, want zo moet ik het nu noemen, in plaats van werk, breiden zich uit van het middelpunt naar de omtrek. (Deze zalving met de Heilige Geest doortrekt, zoals psalm 133 het noemt, baard en klederzoom.) Langs deze weg regeert Christus zijn gemeente, anders dan door het instituut, door de ambten. Dit is de weg der verscheidenheid. En wanneer gemeentelijke organisaties ontstaan, dan zullen deze een minder 'politiek' karakter dragen. Politiek altijd weer in de bovenomschreven zin. Wel spreken wij van een plaatselijke gemeente, maar dan bedoelen wij eigenlijk plaatselijke kerk. De gemeente is uit haar aard niet plaatselijk,6 daarin heeft Sohm gelijk. Alleen heeft hij te weinig oog voor de kerk als instituut.7 De organisaties der gemeente nemen dan ook andere vormen aan en zijn niet aan de plaatselijke gemeente gebonden. Wanneer de gemeente als zodanig, krachtens de door haar ontvangen gaven en de in haar werkende krachten zending drijft, dan doet zij dat niet gecentraliseerd, maar gedecentraliseerd. Christenen verenigen zich tot een bepaald doel. Dit beginsel is door de christenheid steeds erkend en ook in de roomse kerk tot sterke ontwikkeling gekomen. De gemeente treedt hier niet op als plaatsvervangster der geïnstitueerde kerk, zoals Kraemer8 wil (151).

De gemeente is ook geen 'organisatie van particuliere christenen', zoals hij daar schrijft, maar zij is minder particulier dan de leden der kerk als instituut. De gemeente is een mystiek lichaam, zoals de geïnstitueerde kerk een politiek lichaam is. De gemeente kent geen grenzen. Het Réveil9 was niet onkerkelijk, maar gemeentelijk. Het was ook niet individualistisch, op persoonlijke vroomheid gericht. Het universalistische, dat dr. Kraemer van de christelijke organisatie vraagt, is van huis uit aan de kerk als gemeente eigen. Het Réveil was oecumenisch.

Van hieruit, van de gemeente uit, kan de kerk de politiek benaderen, juist omdat zij zelf geen politiek, maar een mystiek lichaam is. Het mooie van het gereformeerde leven is, dat het gemeentelijke leven vlak onder het politieke zit. In onze geschiedenis breekt het erin de beslissende momenten doorheen. In 1568, in 1572 heel duidelijk10 en in Engeland was het in 1689 evenzo. In de negentiende eeuw heeft de schoolstrijd voor een groot deel onze politiek beheerst. Deze strijd was zuiver gemeentelijk. Daar waar sterk gemeentelijk leven is, is de politieke korst heel dun en kan zich nauwelijks consolideren. De 'doperse mijdinghe', waartegen Kuyper zo heeft gevochten, is voor een deel een integrerend bestanddeel van het gereformeerde leven zelf.11 De kennelijke weerzin van het Engelse volk, na de eerste wereldoorlog, om de politieke situatie uit te buiten, het pacifisme van Maedonald12 de zondagsschoolonderwijzer, is voor een deel hieruit te verklaren. En ook het telkens terugkerend Amerikaanse isolationisme moet voor een deel hieruit verklaard worden, dat het een volk is, dat gemeente wil blijven en geen staat worden.

Het is het noodlot van Duitsland geweest, dat het krachtens zijn lutherse confessie een te vaste consolidering van het staatkundig leven kon toelaten, waaronder het gemeenteleven kon worden doodgedrukt.

De kerk als instituut staat geheel anders tegenover de politiek, omdat zij zelve een politiek lichaam is. Voor haar is gevaarlijk zich regelrecht met de politiek in te laten of als rechter en scheidsvrouw op te treden.

De gemeente kan terug uit de politiek, de kerk niet. Wanneer zij diplomatiek en strategisch en tactisch gaat worden, zoals Rome dat in zo hoge mate kan zijn, dan wordt zij zelve een politiek lichaam in de zin van de wereldse staten.13 Gemeenteopbouw14 is kerkopbouw, maar kerkopbouw moet ook weer worden gemeenteopbouw. Direct ingrijpen op de betrokken gebieden, niet eruptief maar stelselmatig.

Christelijke politiek. Theocratie. 't Liep in 't begin te parallel met de staatkunde. Dit heeft velen kopschuw gemaakt. Die commissies van 1938 wilden contact met bestaande organisaties.15 De kerk als instituut mag niet verder gaan dan een zekere grens. Activiteit put uit.16 Hitler, Napoleon.

Wat is het doel der kerk op elk terrein? Zij kan geen doel noemen. De gemeente tijdelijk wel. Wanneer de kerk een doel stelt, kan zij alleen zichzelf ten doel hebben.

Ze grijpt beslissend in. En dat in een tijd, dat de gemeente zwak is. Dat is geforceerd.

De synode blijve (voorlopig) conferentie.

Zij prikkele de gemeentelijke organisaties. De predikant is in het instituut ambtsdrager; in de vereniging is hij voorzitter van een bestuur.

Eindnoten

  1. 1

    Deze studie is geschreven op de achterzijde van aan N. gerichte brieven. Uit de dateringen van deze brieven en de inhoud zelf van de studie blijkt, dat de datum van op schrift stelling moet liggen rondom de jaarwisseling 1946-1947. Voor zover bekend werd deze studie nimmer gepubliceerd; indien zij werd uitgesproken, ontbreekt ons precisering van tijd en plaats.↩

  2. 2

    N. ziet deze vrijmaking der kerk in principe tot stand gekomen op 25 juli 1945, toen de 'Werkorde' aanvaard bleek door de kerk. Bij de Vaststelling van dit feit maakte ds. Gravemeyer ter synode het bekende gebaar van het bedekken van de reglementenbundel met de bijbel. N. had (verhinderd door oorlogsomstandigheden) niet mee kunnen werken aan het ontwerpen van de Werkorde. Hij maakte oorspronkelijk niet deel uit van de Commissie voor de Kerkorde, die op 11. 12.1945 benoemd was. Kraemer wel, maar deze bedankte aanstonds. N. werd later alsnog toegevoegd (28.10.1946). Zie n. 76.2; 76.5.↩

  3. 3

    De 'Werkorde'-commissie, ingesteld februari 1942, voltooide haar ontwerp april 1944; het werd op 26 juli 1944 met algemene stemmen door de synode aanvaard. Zie n. 76.2, 5. Voor de tekst van de Werkorde zie De reglementen der Nederlandse Hervormde Kerk, 's-Gravenhage 1948, p. 48-56.↩

  4. 4

    Voor de hier volgende visie op de verhouding instituut-gemeente vgl. N.' brochure Instituut en volk, nr. 85 (o.a. n. 26). Hier blijkt (formeel) enige affiniteit met Kuypers kerkbegrip bij N. Vgl. Rasker, a.w., p. 192 vv., waarin K.s grondvisie (diss., 1867!): "Calvini ecclesia doctrinale institutum, Lasci moralis societas potius habenda." Vgl. zijn Amsterdamse intreepreek Geworteld en gegrond, in predicatiën in de jaren 1867 tot 1873, Kampen 1913 (herdruk).↩

  5. 5

    Arthur Schopenhauer (1788-1860) ziet overal in de natuur de 'Selbstentzweiung des Willens', welke tot algehele wederzijdse vernietiging leidt. Als voorbeeld hiervan noemt hij de zgn. bulldogmier in Australië, welks gedrag hij beschrijft. Vgl. Die Welt als Wille und Vorstellung, Dresden 18191; uitg. Atlas Verlag Köln, z.j., p. 179.↩

  6. 6

    N. schermt hier zijn visie af van het accent op de plaatselijke gemeente, dat door Kuyper geïntroduceerd werd in de Doleantie; vgl. zijn Tractaat van de Reformatie der kerken, Amsterdam 1882. 'Gemeente' ligt bij N. veeleer in de buurt van zijn notie 'schare', uitgewerkt in zijn meditatie Kerk en schare, nr. 37, alsmede in de brochure ROKOT., nr. 33.↩

  7. 7

    Sohm over het boven-plaatselijke, niet-institutaire, vgl. Kirchenrecht, Leipzig 1892, dl. 1, p. 22.↩

  8. 8

    Voor N.' polemiek met Kraemer zie zijn studies Kerk of beweging, nr. 69; Militia Christi, nr. 70; en Legendenvorming, nr. 74. De genoemde p. 151 is uit H. Kraemer, De roeping der Kerk, 's-Gravenhage 1945, waar K. o.a. spreekt over organisaties, die 'noodgedwongen', omdat 'de Kerk in gebreke blijft', zich apostolisch, priesterlijk en profetisch met de wereld bemoeien. "Zij zijn dan tijdelijk op plaatsvervangende wijze kerk."↩

  9. 9

    Vgl. A. C. Honders, Op zoek naar de theologische struktuur van het Réveil, KTh. 27 (januari 1976) nr. 1. Lit. aldaar. Vgl. ook de bundel Aspecten van het Réveil, Kampen 1980.↩

  10. 10

    Bij 1572 denkt N. mogelijk mede aan de Synode van Emden (1571) en zijn guldenregel, die het 'gemeentelijk' karakter der kerk in gereformeerde context doet prevaleren boven het institutaire, zie n. 55.35; 60.5.↩

  11. 11

    Vgl. O. Noordmans, Ontwikkeling en toekomst van de ethische theologie, GP., p. 165 (VW., dl. 3, p. 469), o.a.: "De gereformeerden zijn tweelingbroeders van de Dopersen."↩

  12. 12

    James Ramsay Macdonald (1866-1937), Brits staatsman, medeoprichter Labourparty, pacifist, verloor dientengevolge zijn parlementszetel in 1918, werd weer leider van Labour, eerste minister, leider buitenlandse politiek, waarin hij ontspanning via de Volkenbond nastreefde. In 1929 opnieuw premier van Labour-regering, die verbreed werd tot nationaal kabinet; bleef ook onder conservatieve leiding in het kabinet. Over zijn godsdienstige opvattingen de biografie, gebaseerd op al het authentieke materiaal: David Marquand, Ramsay Macdonald, Londen 1977 (vgl. p. 53 vv., 98 v.).↩

  13. 13

    Zie n. 84.13, 14, 15.↩

  14. 14

    Zie n. 70.2.↩

  15. 15

    Zie n. 63.7 1.↩

  16. 16

    Zie noot 8; en m.n.: nr. 72.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 70. Militia ChristiInhoud72. Kerk en wereld →