70. Militia Christi1
De bedoeling van deze beschouwing is, enkele kanttekeningen te plaatsen bij de theologie van Gemeenteopbouw.2 Deze bezinning-in-activiteit,a zoals zij inderdaad mag heten, wordt niettemin gedragen door dogmatische premissen, hoezeer Kraemer zich hier en daar in zijn geschriften en mondelinge uitlatingen van de theologen zoekt te distantiëren. Ik ga daarbij uit van het feit, dat men thans herhaaldelijk gaat spreken van geloofsgehoorzaamheid, waar wij gewend waren het woord 'geloof' te gebruiken. Men meent dan door dat langere woord het hele heilsproces op één noemer te kunnen brengen en op die wijze tot een samenvattende eenvoud te kunnen geraken, die een heilzame invloed zou hebben op onze christelijke levenshouding.
Nu komt het woord geloofsgehoorzaamheid in het Nieuwe Testament niet zo vaak voor. Paulus gebruikt het aan het begin en het slot van de brief aan de Romeinen, in verband met zijn apostolaat. En in Handelingen 6 : 7 komt het begrip voor als werkwoord, eveneens in verband met de zending. Het drukt op die plaatsen niet het wezen van het zaligmakend geloof uit, maar meer uitwendig de onderwerping aan de christelijke prediking, de overgang tot het christendom.
Wanneer men nu, in de theologie van Gemeenteopbouw, over geloof zo met nadruk gaat spreken als van geloofsgehoorzaamheid en daarbij weer vóór alles de nadruk legt op de eenvoud daarvan, dan brengt dat een m.i. gevaarlijke nomenclatuur, die voortvloeit uit een verschuiving in de theologie, die dr. Kraemer trouwens erkent. Ik zou het een vermilitarisering3 willen noemen. Zo dekt men de openheid en de veelvuldige rijkdom van het Evangelie toe. Het geloof heeft te doen met de drievoudige openbaring Gods in de bijbel; met de twaalf beloften van het apostolisch Credo. Het bestaat niet in de vorm van een categorische imperatief.4 Het is voor kinderen en niet voor soldaten. En de kerk is geen kazerne. Boven de kerk welft zich de hemel, drievoudig, twaalfvoudig geopend en dat uitzicht mogen wij, allerminst in onze tijd, niet toesluiten.
Ik sprak boven van een verschuiving in de theologie, die Kraemer erkende.b Hij merkt op, dat de strijd om het karakter der kerk thans op het punt van Christus' absolute Heer-zijn moet worden uitgevochten en niet, zoals bij de Reformatie, op dat van de rechtvaardiging door het geloof. Ik erken het bestaan van zulke verschuivingen. Eveneens dat de helling van onze tijd sterk genoeg is om er een te veroorzaken. Juist in zulk een tijd echter bestaat het gevaar van extremist-te-worden, zoals de wederdopers in Luthers dagen. Toen liep men gevaar geestdrijver te worden, met verwerping van het Woord. Thans zou men in zijn haast de Geest kunnen uitschakelen, zodat de kerk een diensthuis wordt en het Woord een commando.
Kraemer schrijft, dat hij op dit punt5 zijn geweten gezuiverd heeft.c Dat is een zaak tussen hem en God. Het ontslaat ons echter niet van de plicht, ook te bidden en te waken. Vooral nu er volgens hem geen tijd is om op delibererende consuls6 te wachtend en de jongere generatie onder de predikanten gemakkelijk te mobiliseren is.
Dr. Kraemer merkt op,e dat het oer-christelijk credo: 'Jezus is Heer' een juichkreet is der door de Heilige Geest gewekte aanbidding. Inderdaad, deze uitroep verliest zich in de geopende hemelen. Samen met het Abba Vader7 en het Veni Creator Spiritus.f Dit drieledige van de aanroeping Gods bevat de heerlijkheid van ons leven met God. Het is het antwoord op de drievoudige openbaring, die in de bijbel is gegeven. Wanneer wij daaruit nu één der personen uitsluitend naar voren brengen, lijdt ons geloof schade. Een Jezus-kerk zal, wanneer zij de enkele ziel bedoelt, te sentimenteel, en als zij zich met de wereld bezighoudt te organisatorisch, te planmatig, te politiek en te programmatisch zijn. Een christocratie8 kan in deze wereld hoogstens sacramenteel worden ingericht, zoals Jezus aan het eind van zijn aardse loopbaan gedaan heeft. Iedere poging om Hem regelrecht over de koninkrijken der aarde te doen heersen, is Hij uit de weg gegaan; op de berg der verzoeking, onder de scharen en ook nog na zijn opstanding op de Olijfberg. Hij verwees dan naar de Vader en de Geest en trad zelf terug (Mt. 4 : 8-1 0; Joh. 6 : 15; Hand. 1 : 6 v.). Wanneer de kerk, als het orgaan en instrument van Jezus de Heer, direct op de wereld betrokken,g en daartoe geoutilleerd wordt, dan kan zij, bij een wat eenzijdige en strakke doorvoering, op een dood spoor komen te staan. Reeds bij opvoeding en onderwijs is de zaak niet zo eenvoudig, als zij ons soms lijkt. Ik denk aan de aarzeling, waarmee de kerk de lectuur van de klassieken naast de Heilige Schrift heeft toegelaten en aan de pogingen van Julianus de Afvallige9 om haar op haar christoeratisch standpunt terug te zetten.10 Hier moest ontspanning komen door een minder militante houding en een meer kinderlijk verkeren en spelen in de wereld des Vaders. - Zo ook weer op andere wijze, bij de martelaarsheiligheid, die door de Donatisten11 op de spits gedreven werd, en waarvan Augustinus de beklemming zocht weg te nemen door hen op te nemen in de vrede der katholieke kerk, de gemeenschap des Geestes.12 Zulk een tempering en verbreding zijn er steeds nodig, wanneer het 'Jezus is Heer'13 uit het trinitarisch verband eenzijdig naar voren wordt gebracht.14
Dit komt nog te scherper uit, als wij de regering van Jezus als Heer gaan betrekken op het zwaard der overheid (Rom. 13 : 4), in vredestijd, of zelfs op leger en vloot. Vandaar de schier ondraaglijke spanning als de kerk in naam van Jezus over de doodstraf adviseert.15 Alleen met grote terughouding en met schaamte zou zij hier misschien, als Jezus, iets in het zand kunnen schrijven (Joh. 8 : 6 vv.).
De militia Christi, het eenzijdig op de voorgrond stellen van een verhouding tot Jezus als Veldheer, is niet nieuwtestamentisch. Zeker, de uitdrukking: 'soldaat van Jezus Christus' komt voor, maar, voor zover ik weet, slechts éénmaal (2 Tim. 2 : 3). Veel vaker dan krijgsknecht, heet de christen, met een veel huiselijker beeld, eenvoudig knecht, slaaf van Jezus Christus. En daar nog geeft de Nederlandse vertaling 'slaaf', die thans vaak wordt gekozen, een verkeerde indruk. Want het is een vrijgekochte slaaf, die de Vader van onze Here Jezus Christus ook zijn Vader mag noemen en die zijn Geest ontvangen heeft. Weer ontspannen de trinitarische betrekkingen een te eenzijdige en te strakke verhouding. - Wel heeft Paulus ook het beeld van de geestelijke wapenrusting, maar dat is in zijn brieven meer een afzonderlijke redefiguur dan dat het, zoals Romeinen 8, het hart van Paulus' prediking zou uitmaken.
Het is niet onmogelijk, dat Paulus de gedachte van de krijgsdienst aan zijn heidense omgeving heeft ontleend. In de Griekse mysteriën kwam die dienst voor in die strenge vorm, waarvan de bijbel niet weet. De ingewijde was een soldaat Gods, tot levenslange gehoorzaamheid verplicht, met een geestelijke wapenrusting en door een legereed gebonden.h ⚑Wanneer Paulus van zulke voorstellingen gebruik maakt, dan betekent dat niet, dat zij zijn prediking gaan beheersen. Kraemer noemt het zelf 'aanpassing'.i De apostel bedient er zich van als van de taal, om het oor en het begrip van zijn lezers te winnen. Hij bedoelt niet, dat het christelijk leven een typisch karakter van dienstbaarheid zal dragen. Integendeel is het er hem om te doen, jood en heiden uit het diensthuis uit te leiden tot de vrijheid der kinderen Gods. Natuurlijk betekent dat kindschap overgave, toebehoren, gehoorzaamheid; maar de gelovigen zijn niet meer dienstknechten, doch vrijen. De militia Christi is niet het meest geëigende beeld om hun betrekking tot God uit te drukken, evenmin als de slavernij.
De ware soldaten-religie is de Islam. Graaf Keyserling16 noemt in zijn Dagboek Allah een generaal en de muzelman zijn soldaat. En de Islam een leger van ongebroken, absoluut solidaire geest. Kraemer spreekt van een middeleeuwse vorm van nationaal-socialisme.j Deze godsdienst van bijna absolute massiviteit en geslotenheid verwerpt dan ook hartstochtelijk het leerstuk van de Triniteit, waarin de openheid der christelijke godsopenbaring is beleden.
Kraemer is hier zelf het meest een 'homme averti'. In zijn The Christian Message beschrijft hij de houding die de zendeling tegenover de Islam behoort aan te nemen.17 Het zijn een paar halve bladzijden,k die ik reken tot de beste christelijke teksten, die ik ken. Tweemaal na elkander, in aangrijpende herhaling, gaan geloof, hoop, liefde en lijdzaamheid daarin aan ons voorbij, als aardse schaduwen van Vader, Zoon, Heilige Geest en kerk. In deze brede spreiding is de houding uitgedrukt, die de kerk leert aannemen tegenover de wereld onder de straling van Gods wijd uitgeplooide openbaring. - Subliminaal weet Kraemer hier heel goed, dat de heilige Triniteit, waarom het in het dogma gaat, de forma Deil zelve is en dat zij door waarheid en gehoorzaamheid nooit op de tweede plaats gedrongen kan worden,18 zoals hij ons in zijn De Roeping der Kerkm wil doen geloven. Triniteit is maar een woord, doch gehoorzaamheid ook; het komt echter op de zaken aan. Van het begrip kan men een afgod maken, maar zo gaat het eveneens bij de gehoorzaamheid, zoals blijkt uit de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar (Lk. 18 : 9 vv.).
Ik kan het niet voldoende beoordelen, maar ik acht het niet onmogelijk, dat er verband bestaat tussen oudere syncretistische voorstellingen omtrent de godsdienstige militia in het oosterse christendom en de leer van Mohammed. Kraemer zelf ziet in de Islam een voortzetting, uit cultureel oogpunt, van de hellenistische-christelijke beschaving van het Nabije en Midden-Oosten.n19 In ieder geval is deze religie een opgericht teken daarvan, dat de eenvoud Gods met de eenvoud ener geloofsgehoorzaamheid kan samensmelten tot een hardheid en geslotenheid, waarin menselijkerwijze geen opening meer te krijgen is.
Het' Jezus is Heer', dat in 1 Korinthe 12 : 3 als een juichkreet is bedoeld, is voor hedendaags dogmatisch en kerkelijk gebruik ook daarom minder geëigend, omdat het een liturgische vondst is, zoals er in de latere jaren zovele gedaan zijn. Over het Kurios Christos verscheen voor jaren een boek, waarin het oudkerkelijke materiaal was verzameld.20 Deze archaïstische stof komt op heel andere wijze tot ons dan de belijdenis van Vader, Zoon en Geest, die ons langs de kerkelijke heerweg bereikte. Het licht dat er van uitgaat verschilt in beide gevallen. Het 'Jezus is Heer' kan een fakkel zijn, die door een profetische figuur, in de nacht der tijden, in een bepaalde kring, wordt doorgegeven. Maar deze toorts zal nooit het daglicht kunnen vervangen, dat de heilige Triniteit Gods in de kerk verspreidt.
Het gereformeerde geloofsleven in de kerken van Calvijn heeft enkele trekken die, in de lijn van wat ons hier bezighoudt, de aandacht vragen. Vergelijkenderwijze is het dogma onder ons geen star, maar een beweeglijk, historisch, dynamisch element.21 In de leerstellige handboeken is rijke verscheidenheid. De orthodoxie is er het minst exclusief. De oecumenische gedachte vindt haar voedingsbodem in het gereformeerd protestantisme.22 En in verband daarmee is er een neiging tot vereenvoudiging, die bijv. in de Institutie van Calvijn opvalt. De Triniteit ondergaat een sterke samentrekking in de leer der predestinatie. Zij schijnt de grens der enkelvoudigheid te naderen. En daarmee hangt weer samen, dat de kerk met haar belijdenis scherp gericht is op het aardse leven; zij tracht dat binnen haar sfeer te trekken en te heiligen. Men zou het gereformeerd protestantisme een politieke religie23 kunnen noemen. En toch is er juist in deze calvinistische wereld een onuitroeibare weerzin tegen de soldateske levenshouding. Toch is juist hier een onoverwinnelijke begeerte naar de vrijheid, de vrijheid der kinderen, der kinderen Gods. Dat is het afdoend bewijs, dat elke vergelijking van islamitisch fatalisme en calvinistisch predestinatianisme er volkomen naast is. De sfeer des levens blijft hier bepaald door de trinitarische spreiding,24 hoezeer deze laatste ook historisch wordt ingebed en op activiteit wordt toegespitst.
Ondanks dit alles moeten wij als gereformeerden altijd op onze hoede zijn. Het gevaar van unitarisme25 en activisme is er. In ons land tot nog toe minder dan in de Angelsaksische landen. Maar nu wij uit ons isolement zijn getrokken,26 is het er hier ook.
De hervormde kerken hebben zich instinctmatig aan dit gevaar onttrokken, door haar organisatie en bewerktuiging zo sober mogelijk te houden. De sacramenten bleven in de kerk, maar het Woord ging ook in de huizen. Een zeer groot deel van het christelijk leven bevond zich onder de invloed van het Evangelie, maar niet zo regelrecht. De mensen leefden in de kerk, meer dan in de staat; maar zij werden niet gemobiliseerd. Het huiselijk en maatschappelijk leven lag in de gemeentelijke sfeer, doch behield daarbij eigen soevereiniteit. - Op die wijze kon de activiteit zich spreiden als het ware onder open hemel; onder de instraling27 van Gods trinitarische goedheid op elk gegeven punt.
Dit had ook anders kunnen lopen. Als de theocratie van Calvijn, in stede van sacramenteel en paradigmatisch te blijven, voor de Atlantische wereld zich maatschappelijk en politiek had doorgezet. De klompenregimenten van Cromwell28 hebben iets te zien gegeven van sommige grensverschijnselen, die bij het calvinistische leven kunnen optreden. Het is echter opmerkelijk, dat zij daarbij moesten teruggrijpen op het Oude Testament. De nieuwtestamentische openbaring laat het niet toe.
Toch heeft in datzelfde Engeland de kerk nog eens de legervorm aangenomen en thans niet onder auspiciën van het Oude Testament, maar onder direct bevel van Jezus, de Redder van armen en verlorenen. De leden heetten hier letterlijk soldaten en de overste generaal. Bij het Heilsleger29 vallen echter de sacramenten, de eigenlijke kenmerken der kerk, weg. Het is, wat men bij Rome een orde noemt.
In een orde kan de betrekking tot God eenzijdiger en als Jezusdienst minder trinitarisch zijn; en kan de spanning der gehoorzaamheid, met het oog op een bepaald doel, meer opzettelijk worden opgevoerd dan dit in de kerk mogelijk is. Loyola's stichting30 is daarvan het wereldbefaamde voorbeeld. Haar activiteit werd echter door de kerk zelve soms gevreesd en haar vrijzinnigheid verrast ons vaak.
Het kan interessant zijn zich het verschil tussen kerk en orde door een goed-roomse te laten aangeven. "De Institutio", aldus Anton van Duinkerken,31 "is een fixering. De protestantse geest, tot dusverre een betrekkelijk zwevende gemoedsgesteldheid, wordt er in vastgelegd. De Exercitia betekenen een mobilisatie ... en richten zich op het dynamische". En verder: "De dogmatische, polemische en apologetische werkdadigheid van de Contrareformatie werd hoofdzakelijk bewogen door de vaders van het Trents Concilie,32 maar de vernieuwing van ... het heroïsche verantwoordelijkheidsbewustzijn van de christen ... door het miskende boek van de eerste Jezuïet." "Ze hebben datgene, wat in een goed geordend leger het moreel van de troep heet."o
Wij komen telkens op hetzelfde punt uit. Het bijeen-behoren van een vereenvoudiging der trinitarische openbaring en het op de voorgrond stellen van de gehoorzaamheid tegenover geloof, hoop en liefde. De hervormde kerken zijn weinig bewerktuigd. In plaats daarvan zijn zij - niet sacramenteel maar - door het Woord uitgestoeld in het leven. Het leven is echter technisch en daardoor vaak onmenselijk, demonisch geworden. Onze woord-kerken, in de maatschappij, in de gezinnen, dreigen onder te gaan. Daartegenover mag de kerk niet werkeloos blijven. Zij heeft bewerktuiging in deze werktuiglijke tijd nodig. Zij behoeft misschien iets wat gelijkenis vertoont met de orden33 in de Roomse Kerk, organisaties met het oog op een bepaald doel. Ik heb deze gedachte reeds naar voren gebracht in de reorganisatie-commissie vóór 1938.p En in het Ontwerp-1938 was de gelegenheid geschapen om met bestaande organisaties van die aard contacten te scheppen.34
De kerk mag echter zelf niet tot een orde worden. Zij heeft die brede openheid te bewaren, die haar tot een moederschoot maakt, waarin allen gelijkelijk, actieven en lijdzamen, een vrij gezicht hebben op het laatste wat haar Credo belooft: het eeuwige leven.