7. Pastorale ethiek1
Het wordt hoe langer hoe duidelijker, dat de crisis waarin het predikantsambt gekomen is, niet een voorbijgaande impasse betekent. Het gaat om de toekomst van het werk zelf. En om de mogelijkheid en het karakter daarvan in de toekomst. Daarom valt het misschien niet te betreuren, dat het met de financiële regeling allerminst van een leien dakje gaat. Dit is erg jammer en erg lastig, maar heeft althans dit voordeel, dat zonneklaar blijkt, hoe diep we in het moeras zitten.
Misschien zal daaruit de overtuiging groeien, dat niet alleen financieel, maar naar alle zijden, voor het predikantswerk nieuwe oriëntering nodig is. De machinerie, waarmee wij moeten werken blijkt zo wanhopig verroest en de mentaliteit van de kringen, waarin wij hebben te prediken, zo bovenmate conservatief, dat de vraag ernstig onder de ogen moet worden gezien, of daarmee voor de toekomst iets te bereiken valt.
Een van de hoofdpunten daarbij blijkt de vraag te zijn, of er in de kerk ruimte zal zijn voor een arbeid naar eigen christelijke idee; voor echt persoonlijk werk. De hele inrichting der kerk, zoals die thans bestaat, is gebaseerd op haar institutair karakter. Er wordt verondersteld een gerede schat van uitdeelbare geestelijke en sacramentele goederen. Overal in den lande is, bij kerkstichting, een zelfstandig centrum van uitdeling ingesteld. Het is betrekkelijk onverschillig hoevelen daarvan gebruik maken. De geïnstitueerde kerk van Lutkewierum is even eerwaardig als die van Amsterdam. De predikant is de functionaris, die met de uitdeling is belast. Ook hij is, in zekere zin, plaatselijk eigendom. Hij leeft van het plaatselijk altaar. En de plaatselijke instellingen, die de kosten dragen, hebben tot op zekere hoogte het recht te verlangen, dat de zaak functioneert. De predikant is de Leviet uit Richteren 17, wiens hand 'gevuld' wordt. En die in ruil voor die 'tien zilverlingen, de orde van klederen en de leeftocht', aan de instellers van het 'Godshuis' de veilige verzekerdheid moet bijbrengen, 'dat de Here (hun) weldoen zal'. Hier ware wel een bijbelse fundering voor de 'kerkvoogdij' te vinden.
Voor de beoordeling van het predikantswerk komt het er dan slechts op aan in hoeverre hij de geestelijke en sacramentele handelingen volgens de daarvoor bestaande voorschriften tot een goed einde brengt. Men kan een uitstekend predikant zijn, zonder thuis te zijn in de eigenlijke geestelijke, zedelijke, maatschappelijke en politieke wereld. Dit laatste kan voor de kerkstichters zelfs lastig zijn, in zover het de waan, 'dat de Here (hun) weldoen zal', kan dreigen te verstoren. Daarom zal soms de hand te gereder 'gevuld' worden, naarmate die gevaarlijke inventaris ontbreekt.
In vele, misschien de meeste gevallen, kan functioneren van het ambt en het gewone zedelijke handelen van de predikant naast elkaar plaats hebben of kunnen beide elkaar steunen. Er zijn echter gevallen waarin ze met elkaar in conflict komen, waarin het mannelijk, geestelijk, zedelijk, sociaal positie nemen in de wereld het ambtelijk fungeren bedreigt. Men zal minder hoorders in de kerk hebben, minder kinderen dopen, minder lidmaten aannemen. De gemeente doet niet wat men 'bloeien' noemt.
Een belangrijke vraag is nu, hoe de kerk zich in zo'n geval zal houden. Want de gevallen waarin conflict ontstaat tussen het ambtelijk fungeren en het zedelijk handelen nemen toe en zullen dat steeds meer doen, tenzij de kerk ten dode wordt opgeschreven. Op welke wijze zal de predikant zich kunnen rechtvaardigen en welke instantie is er, die z'n gedragslijn zal kunnen beoordelen. De kerkelijke besturen, zoals wij die kennen, kunnen dat niet. Zij hebben volgens de reglementen na te gaan of de ambten functioneren. Anders niet. Met de eigenlijke ethiek van het werk, de leidende idee van de arbeid, laten ze zich niet in. Wie fungeert is onkwetsbaar. De reglementen, men ziet het direct als men ze slechts even ter hand neemt, zijn ingesteld op de verkiezing tot en de uitoefening van bepaalde functies. Maar ze geven nergens regels voor de eigenlijke arbeid.
Dit brengt de predikant in een tragische situatie. Aan de ene zijde de financiële specialiteiten in de gemeente, die het gehalte van z'n arbeid beoordelen naar de opbrengst der verhuurde zitplaatsen en anderzijds de besturen, die zich niet kunnen inlaten met zoiets als pastorale ethiek en hoogstens een welwillende neutraliteit in acht kunnen nemen.
Komt het werkelijk tot een conflict waarbij de besturen betrokken worden, dan krijgt dit alles nog scherper accent. Een predikant, die zich ten opzichte van z'n arbeid te verantwoorden heeft, zal dit nooit kunnen doen ten opzichte van de hoofdzaak. Hij komt ook niet als gelijke, maar als delinquent. Dit komt eigenaardig tot uitdrukking in de wijze waarop hij, althans door sommige besturen, ontvangen wordt. De zetel waarop hij mag plaats nemen onderscheidt zich door een opvallende eenvoudigheid van die, waarin de kerkelijke rechters zich bevinden. Wanneer hij moreel en financieel gehavend is in de strijd voor de idee, die de kerk vertegenwoordigt, dan legt dit absoluut geen gewicht in de schaal. Het enige wat in een formeel kruisverhoor onderzocht wordt is, of hij reglementair heeft gefunctioneerd. Ontbreekt daaraan iets, dan kan de hoogste pastorale ethiek hem niet redden.
Nu zal in onze kerk dit euvel zich betrekkelijk zelden laten gevoelen. Dat komt echter voor een groot deel hiervan, dat de predikanten zich met ongelooflijke voorzichtigheid in de gemeenten bewegen. En voor een ander deel, dat actieve predikanten voor de expansie van hun persoonlijkheid ruimte zoeken buiten de kerkelijke gemeente. Zij beleven hun eigen christelijke idee in wijde kring en hun leven in de gemeente blijft een tam functioneren.
Dit alles is toch eigenlijk hoogst zonderling. Is het niet vreemd dat de kerk als geheel geen notitie neemt van de leidende idee, de ethiek van ons werk? Dat zij, zonder uitzondering eist, dat deze ethiek zal wijken voor het opus operatum2 van de ambtelijke functie? Dat de kerk haar dienaren met een gepaste toespraak in hun ambt bevestigt en hen verder aan hun lot overlaat?
De kerk is daarin verre onder de zending teruggezonken, die leeft van de leidende idee van haar werk. Wat moet men denken van de stabiliteit der kerk boven de zending, als deze stabiliteit blijkt te berusten op het loslaten van een ethiek voor de arbeid? Een terugzinken op de mechanische functie?
Is het niet zonderling dat vele predikanten uit voorzichtigheid hun geest niet op de gemeente durven richten, hun pastorale ethiek inruilen voor een pastorale functie? Zo krijgt de kerk het aanzien van een kaartenhuis, waartegen men niet blazen mag.
Dit is de kerkelijke misère, de misère ook van de traktementen; maar waarlijk niet alleen van de traktementen.
Micha had op het 'Godshuis' kunnen laten schilderen: Hier houdt men een Leviet. Mutatis mutandis zou dit van menige gemeente kunnen gelden. Deze positie lijkt ons totaal onbegeerlijk zelfs met het goede traktement dat deze vader der kerkvoogden betaalde. Het Evangelie heeft ons wat potiger positie in de wereld toebedacht!