O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 5. MobilisatieInhoud7. Pastorale ethiek →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 54–57

6. Bondsorganisatie1

Nu de secretaris ‘vrijgesteld’,2 is, kan en moet de organisatie van de Bond ter hand genomen worden. Een vast bureau heeft geen voldoende aansluiting aan een vereniging, die enkel bestaat in de vorm van 1200 leden + een bestuur. De nieuwe functionaris mag niet rondlopen tussen een groep predikanten, die meer of minder toevallig te hoop gelopen zijn.

Dit is zo vanzelfsprekend, dat men er eigenlijk geen woord aan behoeft te verspillen. Toch vermoed ik, dat de gedachte van serieuze organisatie nog weinig tot de leden doorgedrongen is. Zelfs het hoofdbestuur is nu pas zover op adem gekomen van de eerste aanloop, dat aan dit belangrijke punt voldoende aandacht kan worden gewijd. Daardoor staan we er allemaal nog wat vreemd voor en zullen er ongetwijfeld bondsleden zijn, die pas langzamerhand met de idee van een echte predikanten-organisatie vertrouwd kunnen raken. Dit is bij alle zgn. vrije beroepen het geval. En toch zien wij dat allerwege deze bezwaren moeten wijken voor de noodzakelijkheid.

Geen mens kan nu nog zeggen hoe zich dit organisatorisch element in de ‘vrije beroepen’ ontwikkelen zal. En het allerminst kan men dit ten opzichte van de predikantenstand. Het 'vrije' of 'liberale' staat hier meer dan ergens op de voorgrond en is met de mentaliteit van de stand tot een geheel vergroeid. Historisch heeft het de taaiste wortels en het is niet te verwachten of zelfs te wensen, dat dit alles ineens overboord zal worden geworpen.

Intussen behoren we van die mentaliteit en die historische positie alleen het goede te behouden. Niemand van ons zal willen, dat alleen wij voor de lessen des tijds de oren zullen sluiten. Het zou belachelijk zijn, als we met onverstoorbaar zelfbehagen het kruien der eeuw rondom ons aankeken, zonder daarbij over onze eigen gedragslijn na te willen denken. - Enkele schaduwkanten van het liberale in ons beroep kennen we nu langzamerhand wel. De meesten hebben die aan den lijve gevoeld. Er is gebrek aan solidariteit. Wij staan vrij naast elkaar. Wie een traktement geniet ver boven het gemiddelde voelt het niet te zeer als een onbillijkheid, dat zijn buurman beneden het gemiddelde staat. Hoe sterk het kerkelijk terrein deze ligging heeft, blijkt wel het allermeest hieruit, dat het nieuwe reglement, dat bedoelde gelijkheid te scheppen, vanzelf scheef zakt in de richting van het oude 'liberale' standpunt.3 Nergens is de gelijkheid zo moeilijk te bereiken als in de kerk.

De 'vrije' beroepen, en allermeest het predikantswerk, missen bovendien behoorlijk verband met de huidige maatschappij. De pastorie staat ten opzichte van de maatschappij, als een vogelnest tegen een huis. De bewoner is als de intellectueel in Rusland, die als onproduktief werker van de distributie is uitgesloten. De manier, waarop z'n levensonderhoud aan een onwillige kerkelijke maatschappij moet worden afgedwongen, geeft hem zelfs het karakter van een parasiet. Het 'liberaal' karakter van z'n positie berust op het bestaan van fondsen en is daarom met de gewraakte ongelijkheid onlosmakelijk verbonden. - De meeste predikanten voelen dit wel en houden aan de oude positie vast. Niet slechts in gevallen van toevallig hoog traktement. Er zullen tal van minimum-lijders zijn, die er precies zo onder staan. Zij hangen aan het 'liberale' van hun positie in het leven. Zelf ben ik er sterk aan gehecht.

Wanneer we echter onze plaats in de samenleving op enkele bunders land willen blijven funderen, dan loopt de zaak ten einde. In de gevallen, waarin het aantal bunders het grootst is, het allereerst. De predikant met een toevallig zeer hoog traktement heeft te midden van de algemene achterstand geen prettige positie meer. Ook hij moet de collecte voor weduwen en emeriti afkondigen.4 Wanneer wij aan het 'liberale' in onze stand blijven hangen zal het ons gaan als een verarmde adel; respectabel om z'n houding; maar afgaande onder de standen.5

Daarom is het gelukkig dat er een begin van nieuwe oriëntering is. Het karakter van ons werk zal onze plaats in het leven moeten bepalen. Heeft men ons niet meer nodig, dan zullen wij verdwijnen. Wij moeten echter eerst nog een kans hebben. Wij zullen trachten onze plaats onder de zon te bepalen in verband met onze arbeid en niet in verband met enig dood fonds.

Dit kan zonder organisatie niet geschieden. Zodra het feodale, waarbij de predikant in ruil voor de opbrengst van enig plaatselijk goed omgekeerd ook dorps-eigendom moet zijn, verbroken wordt, komt hij in de lucht te hangen. Slechts een arbeidsorganisatie kan hem hier redden. Dat dit feodale in de verhouding z'n tijd gehad heeft, weet nu wel iedereen. De misère van de laatste jaren heeft er de nekslag aan toegebracht. De illusie van het 'vrije beroep' is verdwenen.

Daarom kan men de oplossing van allerlei moeilijkheden, ook ten opzichte van de traktementen, niet losmaken van allerlei oud-feodale toestanden. Het een is met 't andere gemoeid. In zoverre kunnen we in de moeilijkheden van de Raad van beheer wel inkomen. Het zal moeilijk zijn om, zolang hier en daar iedere anderhalf man en een paardekop een predikant wil hebben, een bevredigende regeling te treffen. Daarom moeten de regelen van de arbeid en niet de toevallige ligging van enig feodaal goed de werkkring van de predikant bepalen. Dit laatste maakt hem tot een lijfeigene.

Nu liggen er bijzondere moeilijkheden in de richting van een predikantenorganisatie. De grootste hinderpaal is, dat er een schijn-organisatie bestaat. De kerkelijke organisatie lijkt veel op een predikantenorganisatie, zodat men zelfs spreekt van een domineeskerk. In werkelijkheid gaan echter de zaken, ook onze eigen zaken, precies buiten ons om. Indien er iets duidelijk is geworden in de laatste tijd, dan wel dit feit. Wanneer een Bond van 1200 predikanten kritiek wil oefenen op geestelijk of financieel beleid in de kerk, wordt dit van zekere zijde als ongepaste aanmatiging beschouwd.

Dit zal niet veranderen tenzij wij ons organiseren op doeltreffender wijze dan tot nog toe. Het ligt in de bedoeling van het hoofdbestuur deze winter iets te beproeven in deze richting. Wij zullen trachten voor elke hervormde classis, die hier slechts geografische betekenis heeft, een correspondent te vinden, die geregeld contact onderhoudt met het bureau in Den Haag. Bij belangrijke bondsaangelegenheden kan dan overal een centrum van beraad en actie worden gevormd. Een communis opinio kan op die wijze worden geconstateerd of zo ze ontbreekt worden gevormd. Plaatselijke ledenvergaderingen kunnen worden opgeroepen. Vanuit het op die wijze gevormde centrum zal het dan mogelijk zijn nog kleinere kringen met correspondenten te vormen, waarbij de ringen, weer in geografische zin genomen, dienst zullen kunnen doen. Wanneer dan de vrijgestelde secretaris, die thans meer mobiel wordt, door persoonlijk bezoek bondsbelangen komt bespreken of behartigen, kent hij overal een adres, waarvan de voorbereiding kan uitgaan.

Een dergelijke regeling houdt het midden tussen de toestand waarin we thans verkeren en waarbij de Bond bestaat uit 1200 leden plus een bestuur en een volledige organisatie met afdelingen en onderafdelingen met vaste besturen, waarvoor de geest in de Bond misschien nog niet rijp is. Dit laatste onderstelt ook een aantal vaste werkzaamheden, die nog niet voldoende vaste vormen hebben aangenomen. Een groot voordeel van de bedoelde regeling zou ook zijn, dat de leden ter jaarvergadering niet geheel onvoorbereid zullen verschijnen. Door meerder contact zal men op een aantal punten z'n wensen of bezwaren in zoverre zien verdichten, dat een vruchtbare en zakelijke discussie van enkele uren de zaak verder brengt. Thans is dit niet het geval. De ontmoeting der leden, eens per jaar, draagt een te incidenteel karakter, waarbij een vruchtbare discussie niet zo maar ineens tot stand kan komen.

Er liggen in de toestand, zoals die zich nu ontwikkelt, redenen te over voor de predikanten, om zich niet lijdelijk maar actief te gedragen. De kerkelijke wereld rekent op de lijdelijkheid der predikanten. De kerk permitteert zich de weelde van een fenomenaal conservatisme. Het ligt aan ons om, door een klein beetje onverwachte activiteit, daaraan een einde te maken en voorgoed.

Eindnoten

  1. 1

    OBNP. 3 (15.10.1921) nr. 8. Korte samenvatting inhoud: De aaneensluiting der predikanten in een organisatie komt voort uit het inzicht in het tekortschieten van de liberale mentaliteit met zijn excessieve individualisme, inherent aan de bestaande (schijn)organisatie: zij is een domineeskerk zonder werkelijke invloed van de predikant. Kennelijk heeft N. gedeelten van dit artikel ontleend aan De tegenwoordige positie van de predikant (nr. 1). Vgl. daarom de aldaar gegeven annotatie.↩

  2. 2

    Bedoeld is ds. D. Boer. Zie n. 1.14; 69.8.↩

  3. 3

    Zie n. 1.14; 10.2.↩

  4. 4

    Zie n. 4.4.↩

  5. 5

    Vgl. het hebräïsme 'afgaande onder de mannen', bijv. in 1 Samuël 17:12 (St.V.).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 5. MobilisatieInhoud7. Pastorale ethiek →