69. Kerk of beweging1
De redactie van dit Orgaan vroeg mij om een artikel en gaf mij daarbij 'de grootst mogelijke vrijheid van spreken'. Een uitnodiging onder zulke voorwaarden is heel verleidelijk en deed mij denken aan de jaren van mijn lid-zijn van het Hoofdbestuur2 een kwart-eeuw geleden, toen wij - De Vrijer3 heeft er in het vorig nummer al aan herinnerd - ook wel eens een zekere 'parrhesia'4 beoefenden.
Daarvoor bestond toen goede reden. Het predikantsambt was bezig financieel vast te lopen. Heel vroeger en nog tot ver in de vorige eeuw stond de dominee geldelijk slechts met één been in de kerk. Voor het andere werd hij geacht steun te kunnen vinden op een eigen kapitaal. De pastor zelf was niet gaarne voorwerp van sociale bemoeiing. Hij wilde dit niet omdat hij zich een beetje kapitalist voelde en vooral ook met het oog op zijn ambt. Hij was immers geen ambtenaar.
Tegen het eind der negentiende eeuw onderging de structuur der samenleving echter grote wijzigingen. Daarbij bleef de predikant achter in een opvallend eenzame positie; gevangene van de kerkvoogdij,5 hier en daar op water en brood. Dit alles spitste zich in de eerste wereldoorlog toe tot een onhoudbare toestand. De Bond heeft toen door de valse schaamte van de stand heengestoten en het contact met de werkelijkheid hersteld. Kapitalist voelt de predikant zich nu zeker niet meer. Maar het andere waar ik over sprak, het ambt, hoe is het daarmee gesteld? Moet hij zich ook van de ambtsidee losmaken en zich voegen in het gareel van de ambtenarij?
Men heeft deze beide dingen vaak aan elkaar gekoppeld, o.a. bij de invoering van het verplichte emeritaat.6 Men zei toen: Wie A zegt moet ook B zeggen. Wie de regeling van zijn loon aanvaardt moet dat ook doen ten opzichte van zijn werk.
Tot een principiële oplossing is het daaromtrent intussen niet gekomen. Wel kwam de kwestie telkens om de hoek kijken. Bijv.: Is de Bond een vakvereniging? Heeft de predikant een werkgever? Moet hij loonbelasting betalen? Geeft het ambt een character indelebilis?7
Daarmee bevinden wij ons op de grenzen van twee werelden, twee civitates. Rechtlijnige conclusies, zoals van loon naar werk, vallen hier niet te trekken. Van de financiële regeling uit, waartoe de Bond het initiatief nam, zal men ze niet dienen te bezien.
De tweede wereldoorlog bracht niet het loon, maar het werk naar voren. Niet het traktement, doch het ambt. Het aftreden van Boer is symbolisch voor dit verschil.8 De vragen die wij stelden komen nu niet zijdelings, maar regelrecht aan de orde. In de naaste toekomst zal over het pastoraat worden beslist. Zal het kerkelijk blijven of wordt het geseculariseerd?
Daarop zal voor onze kerk binnen niet te lange tijd het antwoord komen. En dat zal gebeuren, niet bij wijze van gevolgtrekking uit een loonregeling, maar in verband met het werk zelf dat aan het ambt verbonden is.
Daarom vraag ik kort en goed: Zal ons kerkelijk leven een beweging worden van soortgelijke aard als wij dat zien gebeuren in de politiek? Een kerkelijke volksbeweging derhalve? - Het nationaal-socialisme wilde een beweging heten; wij hebben een Nederlandse Volksbeweging; Frankrijk zijn MRP.;9 ook de communisten ten onzent willen rondom hun partij een beweging. Wat is het verschil tussen een partij en een beweging?
Het antwoord daarop is niet zo gemakkelijk te geven. Het zal niet in alle gevallen gelijk kunnen zijn. Soms zal men moeten zeggen: een beweging is geen partij meer. Zij heeft partijen in zich opgelost. Een ander maal zal het moeten luiden: een beweging is nog geen partij. En wel in die gevallen waarin zij naar buiten open wil blijven tegenover andere bewegingen of partijen.
Sommige bewegingen, zoals het nationaal-socialisme en het communisme, hebben of hadden een partij als kern. De beweging wordt dan door de partij geleid. Bij anderen is dat minder duidelijk en lijkt het alsof zij spontaan haar richting vinden. Misschien kan men zeggen dat de beweging minder belijnd is dan de partij, ofschoon ook dat niet altijd opgaat. De partij kan als kern meer dynamisch zijn dan haar schaal; meer progressief. Bij de nieuwere stand van zaken zal dat meestal het geval zijn. De oude partijen waren dogmatisch; de nieuwe pragmatisch. Zo komt het dat thans partij en beweging in elkaar kunnen overgaan en de eerste een exponent van de laatste kan wezen; de partij nog beweeglijker dan de beweging.
In dit korte artikel kan daarover niet verder worden gesproken. Op een paar dingen wil ik echter de aandacht vestigen. Een beweging schuift of tast zich voorwaarts door zich op het geheel van de werkelijkheid in te stellen. Zij wenst zich niet te oriënteren aan enkele bekende en vertrouwde dingen daaruit, maar probeert nieuwe vastigheden te vinden. Zoals een jongelingsvereniging die aan padvinderij gaat doen. Deze omzetting is weer symbolisch. En zoals de beweging zich richt op de totale realiteit, zo wil zij ook zelf geheel orgaan zijn en haar waarnemingen niet doen door middel van een enkel vermogen. Zij wil zich instinctief richten op wat er embryonaal in de schoot der tijden sluimert. Bij de reddeloosheid der wereld en de radeloosheid der mensen wil zij zich in zekere zin redeloos10 gedragen.
Daarom valt er met een beweging eigenlijk niet te praten. Consequent is het om debat uit te sluiten. Toen men daar voor de oorlog mee begon kwam alles in ons daartegen in opstand. Na de oorlog zullen wij er aan moeten wennen. Misschien niet in letterlijke zin, maar in wezen. Een beweging schuift iemand opzij of laat hem praten. Dat de debatten in ons parlement wezenloos klinken, vindt slechts ten dele zijn oorzaak in de samenstelling van de Kamer. Een beweging wenst haar gang te gaan, ook al heeft zij het besluit genomen ons niet te overrompelen.
Daarbij komt nog iets anders. Het waarheidsbegrip ondergaat wijziging. Waarheden zijn hier instrumenten, waarmede men in een zekere houding staat, die wij in de beweging leren aannemen. Een waarheid die niet werkt is een dooddoener. En de proef op de som der waarheid is of zij op korte termijn en op korte afstand de verlangde werking heeft. Voor wissels op de eeuwigheid heeft men geen geduld. En een beweging wil 'trouw zijn aan de aarde'.11
Ik herhaal nu de vraag of wij bezig zijn een kerkelijke volksbeweging mee te maken en wat daarbij van het predikantsambt zal worden. De kerkelijke actie die gaande is heeft inderdaad enige trekken die daaraan sterk doen denken. Vergis ik mij niet, dan loopt het ambt daarbij gevaar iets van zijn eigen karakter in te boeten.
De opziener der gemeente heeft een pand te bewaren dat hem is toevertrouwd (1 Tim. 6 : 20). Daaronder kan men - als men mij sympathisch wil begrijpen - de leer der Triniteit verstaan. Dat is een waarheid die ook wel werkt, maar op lange termijn. Wij komen niet in verleiding deze leer als een werktuig te gebruiken in eigen hand en er mee in een houding te gaan staan. Wij laten ons er door koesteren. Chesterton heeft de Triniteit eens bij een Engelse haard vergeleken die naar alle kanten uitstraalt.12
De leer der Drieëenheid is de gemeentelijke vorm voor de meer persoonlijke van de rechtvaardiging door het geloof. Op dit dogma moet de gemeente worden opgebouwd. Jezus zegt het zelf tegen Petrus, bij diens Christusbelijdenis die het hart van dit credo uitmaakt. Hij zegt: Op deze petra zal ik mijn gemeente bouwen (Mt. 16 : 19).
De aanwezigheid van dit pand in de gemeente wekt daar altijd door nieuwe geloofsenergie. Vaak latente energie, het moet worden toegegeven. Maar toch energie. De Roomse Kerk heeft het dogma steeds in het centrum laten staan, niettegenstaande haar dwalingen. Zij is nooit, bij al haarveelzijdige arbeid, een beweging geworden. Nooit heeft zij zich uit haar middelpunt te ver naar de wereld overgebogen. Haar evenwicht kwam nimmer in gevaar. ⚑Wij hebben ons daaraan te spiegelen. De latente energie der kerk behoort de openbare actie verre en verre te overtreffen.13 Het is mogelijk roofbouw te plegen op de eerste door middel van de laatste. De kerk krijgt dan het karakter van een beweging en het ambt degenereert. De la Saussaye jr. heeft de beweging van 1886 een avontuur genoemd, een onderneming,14 en niet geheel ten onrechte. De Hervormde Kerk is niettegenstaande de partijstrijd meer kerk gebleven en haar latente energie blijkt telkens groter dan men had vermoed.
In dit verband wil ik een paar dingen noemen die actueel zijn. Onlangs las ik in het Weekblad der Hervormde Kerk dat de synode aan Kerk en Wereld opdracht heeft gegeven, Nederland te herkerstenen.15 In zulk een uitdrukking, waarin het ongewone dadelijk opvalt, is iets niet in orde. Men tracht zich rekenschap te geven van zijn onbehagen. Dit is gesproken in de stijl van een onderneming.
Eykman, de vader van het plan, heeft echter in zijn bekende brochure in 1940 al dadelijk gewezen op de gevaren van een bouwen om te bouwen. Hij vroeg: 'Maar op welke grondslag?'16 Daarmee worden wij teruggewezen op het pand dat aan de kerk is toebetrouwd, dat is de belijdenis van Vader, Zoon en Heilige Geest. Een kerk kan een opdracht als bovenbedoelde niet geven. Het klinkt bijna als een blasfemie. In de mond van de paus zou men het kunnen plaatsen, omdat Rome een staatkundige inrichting heeft of in die van de generaal van het Heilsleger.17 Maar wanneer onze synode zulke orders gaat geven, dan verstaan wij die taal niet. Daarvoor zijn wij te veel bloot kerk en is het ambt, ook dat der gelovigen, te zeer betrokken op de spontane werking van de Heilige Geest. Raken wij dat kwijt, dan wordt het ambt geseculariseerd en komen wij in een beweging te staan, waarin ieder de opdracht heeft om dat voor waarheid en waarde te houden, wat op de kortste termijn het gevraagde resultaat oplevert. Dr. Kraemer18 raadt in verband met het secularisatieproces der moderne wereld een wedstrijd tussen de kerken aan.a Wij kunnen dat in hem plaatsen als zendingsman. Zijn bijbels realisme is diep genoeg om voor hem persoonlijk een tegenwicht te vormen. De methode is echter niet te verenigen met de aard van het kerkelijk ambt. Is zij tenslotte in de zending wel toepasselijk? Omstreeks 1911 gaf John Mott het parool uit van de christianisering der wereld tijdens de toen levende generatie.19 Nu deze generatie voorbij is zitten wij midden in het heidendom.
In de tweede plaats denk ik aan de kerkelijke afkondigingen namens de synode.20 Moeten deze boodschappen na de oorlog doorgaan? Ik meen dit te moeten betwijfelen. Bij de bisschoppelijke hiërarchie zijn ze op hun plaats. Maar in een presbyteriale kerkorde wordt de dienst er door gestoord. Naast de boodschap van Jezus past geen boodschap van een synode. En de ambtsdrager wordt daarbij tot ambtenaar. Deze stukken zijn programma's uit een beweging, die in de kerk niet passen en God het werk uit de handen nemen dat Hij door de bediening des Woords in de harten wil doen. Zij brengen een secularisering van de kerkdienst mee, waardoor het ambt van karakter verandert.
Voor het ambt zal het van beslissende betekenis zijn of het ook zakelijk gebonden blijft aan een toebetrouwd iets, dan wel, zoals dr. Kraemer wil,b in een zuiver persoonlijke levenshouding21 komt te staan. Gebeurt dit laatste, dan zal de drager - het kan niet anders - zijn superieuren moeten krijgen. Een hoofdinspecteur werd door de synode reeds benoemd, zij het dan volgens synodale toelichting incidenteel.22
Over die zakelijke gebondenheid en die 'fundamentele levenshouding' zou veel te zeggen zijn wat hier moet achterwege blijven. Timotheüs werd door Paulus zakelijk gebonden (1 Tim. 6 : 20).23 Dr. Kraemer moet, om alle zakelijkheid uit te drijven, de 'theocratische heilseconomie Gods' samenpersen in de formule: 'Jezus is Heer'.c De trinitarische breedte, met haar zakelijkheid in natuur en Schrift, verdwijnt.
Wanneer dit 'trouw aan de aarde' is, zoals men het thans soms noemt, dan betekent het toch ontrouw aan dat deel der aarde dat wij bewonen, aan Europa. Dr. Kraemer heeft zelf een samengaan van kerk en humanisme verdedigd24 door er op te wijzen dat beide een pand hebben te bewaren. Dr. Miskotte is onlangs in In de Waagschaal voor Europa opgekomen.25 Groen van Prinsterer was christen en platonist.26 De idee, het begrip, de wet, het apriori,d zij geven alle aan wat wij als waarheid belijden of zoeken: een innerlijke, ook zakelijke vastheid, een structurele doorlichting, die ons veroorlooft niet geheel redeloos tegenover de dingen te staan.
Alleen wanneer wij dit alles zouden moeten loslaten, als er geen panden meer te bewaren vielen en wij de chaos voor ons hadden, dan zouden wij misschien, misschien een absoluut pragmatische houding moeten aannemen. Wij zouden ons als padvinders en woudlopers een weg moeten banen in de wildernis. Waarheid zou dan een instrument in onze eigen hand zijn en geen schat die wij hebben te hoeden. Ons ambt zouden wij dan echter vooraf moeten neerleggen. De kerk zou zich in een beweging hebben opgelost. ⚑Ik heb 'Parrhesia' gebruikt; men houde het mij ten goede. Het is nu de tijd om het te doen. Overigens weet ik heel goed dat alles - hoe kán het anders? - nog in een toestand van gisting verkeert. Allerlei lijnen kruisen elkaar. Er is hier ruimte voor meer of minder. De kerk moet zich kunnen bewegen, ook al mag zij niet in een beweging opgaan. De concrete gegevens der Schrift zijn historisch bepaald,e ook al mogen zij hún zakelijkheid niet verliezen. Ten opzichte van de doodstraf27 ging de synode op concrete gegevens in de bijbel terug en verloor m.i. de historische bepaaldheid28 uit het oog. Hier was aanleiding geweest om naar de fundamentele levenshoudingenf van Jezus en Paulus te vragen. Ook Calvijn exegetiseert met een: 'Zoals de zaken nu staan'.29 Hij oefent wat ik vroeger30 eens een 'wereldhistorische exegese' genoemd heb. Dr. Kraemerg vindt echter de calvinistische exegese, die uit de concrete gegevens beginselen afleidt, ontoelaatbaar. Hij wil de band met de bijbelse zakelijkheid geheel doorsnijden en op de 'grondtrekken der bijbelse openbaring'h teruggaan.31 Op de apriori's van de bijbel derhalve. Dus toch nog trouw aan Europa. Toch nog platonist, al zijn ook de apriori's de aan zakelijkheid ledigste vormen der ideeën.
Ik zal niet verder gaan. Men ziet hoeveel er in beweging is. Maar het is nog geen .32 Laat het dat ook niet worden.