68. Boekbespreking van G. Ph. Scheers, 'Philippus Jacobus Hoedemaker'1
Op dit boek is ds. G. Ph. Scheers gepromoveerd te Utrecht. Het is een dissertatie die zeer belangrijk is, zowel om de figuur die er in behandeld is alsook om de rijke stof die de jonge doctor daaromheen heeft bewerkt. Het werk wilde meedoen aan de viering van de honderdjarige geboortedag2 van Hoedemaker. In de literatuur die aan Hoedemaker gewijd is staat het als een echt 'pièce de résistanee'. Na een viertal hoofdstukken, waarin leven en arbeid van die theoloog worden geschetst, volgen er drie die achtereenvolgens gewijd zijn aan zijn schrift-, kerk- en staatsbeschouwing, terwijl in een slotkapittel de betekenis van zijn beginselen wordt uiteengezet. Een lijst van zijn geschriften en een register met een vertaling van enkele citaten sluiten het boek af.
De studie van dr. Scheers is om te beginnen zeer interessant waar hij de jeugdperiode uit Hoedemakers leven, waarvan wij wel eens gehoord hadden maar waarvan de bijzonderheden weinig bekend waren uitvoerig behandelt. Het is de Amerikaanse 'Sturm und Drang'-tijd, die men wel odig heeft te kennen voor het rechte begrip van zijn persoon. In sommige opzichten gedroeg Hoedemaker zich minder conventioneel dan andere Nederlandse predikanten en stond hij open voor contacten die in een vrijere samenleving thuis behoorden. Ook zijn liefde voor de zondagsschool3 en voor andere pioniersarbeid vindt daarin een historische verklaring.
Dit alles is echter slechts een ferment in de stoer-gereformeerde aard van zijn geestelijk leven, dat hem vooral van moederszijde was toegekomen. Voor de zoveelste maal in de geschiedenis der christelijke kerk komen wij ook hier weer een moeder tegen, wier geloofsleven de geestelijke schoot is geweest voor de groei van een groot theoloog. De Amerikaanse periode met zijn vader heeft alleen iets van het strakke van zijn vaderlands godsdienstig leven ontspannen en daarin uitzichten geopend die alleen in een groot continent kunnen ontstaan.
Dat blijkt zodra Hoedemaker te Veenendaal als jong predikant met de confessionele kerkelijkheid in aanraking komt. Hij past daarin, maar toch niet helemaal, zoals hij zelf voelt als hij zich bevindt tussen de psalmodiërende classicale vergadering-gangers. Het kan dan ook niemand verwonderen dat hij in aanraking kwam met de Brightonbeweging4 en daarin voor ons land zelfs een leidende rol vervulde, zonder dat echter zijn kerkelijk besef daardoor werd verzwakt.
Op een andere wijze wordt de Amerikaanse inslag in Hoedemakers leven merkbaar in het eindweegs dat hij met Kuyper is meegegaan. Ook hierin komt de mentaliteit van een pionier uit, die met de gezeten kerkelijkheid van grote Nederlandse kringen geen genoegen kan nemen. Ook het avontuur van een Vrije Universiteit trok hem aan. Hij ziet dat het gereformeerde leven, wil het een toekomst hebben, zich moet weten te verjongen.
Maar dan blijkt ook duidelijk hoezeer zijn opvattingen gestempeld zijn door het kerkelijk denken zoals dat bij ons in de zestiende en zeventiende eeuw zijn beslag kreeg. Waar Kuyper een eigen weg koos, wenste hij zich te houden aan de paden die hij in Schrift en historie zag afgebakend. Deze verschillen hebben op het Kerkelijk Congres5 tot de bekende impasses geleid waarin Hoedemaker vastraakte. Zijn uittreden uit de VU. moest noodwendigerwijze volgen. Een nieuw pied à terre vond hij in de Friese plattelandsgemeente te Nijland. Ik heb daar als jongmens enkele malen zijn prediking beluisterd en steeds is de herinnering mij bijgebleven aan de bijzondere wijze waarop hij beslag legde op zijn gehoor en waarop hij het Woord wist te snijden. Het verschil tussen stad en land was voor hem, wegens zijn pioniersjaren in Amerika, minder groot dan voor vele anderen.
Hier, uit de dorpspastorie, begon De Gereformeerde Kerk in 1888 haar nu al meer dan een halve eeuw tellende jaargangen. De verschijning van het blad was een evenement. De verstrooide gereformeerden die in de Hervormde Kerk waren achtergebleven vonden hier de leiding die zij misten. De eerste jaargangen, waaraan Felix6 en Van Ronkel7 meewerkten, gaven een zeer bijzondere journalistiek te lezen die sprankelde van geest en leven. Ik herinner mij nog goed hoe ik het eerste nummer dat mijn vader mij toezond in de eetzaal van het gymnasium te Zetten aan tafel met mijn post aangereikt kreeg en hoe de directeur ds. Van Lingen8 het mij ter lezing vroeg en het mij met een eigenaardige uitdrukking op het gelaat teruggaf. Het blad werd in die dagen door de hervormde blijvers verslonden. De polemiek met Kuyper bereikte van tijd tot tijd een ongeëvenaarde felheid. Van deze tijd af beginnen dan de klachten over de onbegrijpelijkheid van Hoedemaker.
Op zijn ambtsvervulling te Nijland is, van 1890 af, een nog bijna twintigjarige Evangeliebediening te Amsterdam gevolgd. De werkzaamheid die hij hier uitoefende was zeer universeel; zij was pastoraal, kerkelijk en politiek. In talrijke periodieken en een lange reeks van soms lijvige brochures werden de resultaten van zijn studie neergelegd. Hij heeft in deze jaren een zeer belangrijke invloed op ons volksleven uitgeoefend.
Over deze dingen vertelt het boek van dr. Scheers op onderhoudende en zeer gedocumenteerde manier. Dan volgen nog de hoofdstukken, waarin de godsdienstige, kerkelijke en politieke opvattingen van Hoedemaker worden ontleed. Ik kan daarop uit de aard der zaak hier niet ingaan. De schrijver van deze dissertatie houdt zich ook daarbij in hoofdzaak aan zijn refererende manier. Er blijft, ook na dit boek, ruimte over voor een studie die, meer kritisch, de betekenis van Hoedemaker, die hier in een slotkapittel heel kort ter sprake komt, zoekt te benaderen. Wanneer dr. Scheers schrijft dat ds. Lingbeek de lijnen van Hoedemaker het best heeft doorgetrokken,9 dan zou ik dat niet willen onderschrijven. Men vergeet dan dat hij in zijn jeugd pionier is geweest en daarvan altijd iets heeft behouden. Voor het doortrekken van deze lijn was ds. Lingbeek wel niet de aangewezen man.