O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 66. Waarom ben ik hervormd?Inhoud68. Boekbespreking van G. Ph. Scheers, 'Philippus Jacobus Hoedemaker' →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 506–512

67. Een Constituante1

Naar aanleiding van de besprekingen op onze vorige bijeenkomst nam ik op mij iets te zeggen over de idee van een constituante, zoals die op de jongste ledenvergadering2 van Kerkherstel door prof. Haitjema naar voren is gebracht.3 Bedoeld is een wijziging van art. 61 van het Algemeen Reglement4 waarbij de wetgevende macht van de synode beperkt zou worden op zodanige wijze dat voor de vaststellingen van grondlijnen der kerkorde een Brede synode zou moeten samenkomen, die samengesteld zou moeten zijn uit leden met beslissende en andere met adviserende stem. De eersten zouden voor iedere classis één predikant en één ouderling moeten zijn, terwijl de laatsten vooraanstaande vertegenwoordigers van verschillende niet-ambtelijke diensten en bewegingen zouden moeten wezen. Een Brede algemene synode dus, zoals daarin voorzien was in ons Reorganisatievoorstel 1938.5 Zulk een synode zou moeten bijeenkomen, zodra meer dan de helft van de kerkeraden der plaatselijke gemeenten daartoe het verzoek bij de synode indienen.

Deze weg zou gekozen worden omdat de duurzaamheid van de Organisatie 1816 zo groot is gebleken dat zij vrijwel bovennatuurlijk schijnt. Immers geen actie, hoe fel ook, was in staat een bres van betekenis in het synodale bolwerk te leggen. Geen argument, hoe dringend ook, vermocht te zegevieren over de gelijkmoedigheid van ons hoogste kerkbestuur. Nooit was de lucht zo vol geestelijke boosheden, dat men op Javastraat 1006 de tijd er voor rijp achtte om de geestelijke wapenrusting der kerk er op ingrijpende wijze voor na te zien.

Deze onbewogenheid, deze synodale mentaliteit is een van de raadselen der kerkhistorie. Dat nu al reeds bijna vijf kwarten van een eeuw er zich in het kerkelijk leven een dam kan vastzetten, die de vrije oefening der kerkelijke ambten op algemeen en oecumenisch terrein belet, is met psychologie alleen niet te verklaren. Ik sprak van iets bovennatuurlijks, iets van een geest in kwade zin, waaronder een kerk gevangen is geraakt. Men kan misschien beter zeggen: het is een stuk natuur, een brok bureaucratische geesteloosheid, een gesteldheid van machinale bestuursliefhebberij, die te kwader ure met de hoogeerwaarde naam van synode is bekleed geworden en die nu de kerk dwars zit. In ieder geval, bovennatuurlijk of natuurlijk, met gewone psychologie kan men er niet bij. Daarvoor is er te veel geestelijk materiaal aan de synodale mentaliteit verspild en spoorloos zoekgeraakt. Een kerkvergadering, die krachtens haar eminente en centrale plaats in een volkskerk sedert eeuwen in geestelijk begrip is geschoold, waarin boer en burger de fijnste geestelijke nuances wisten aan te voelen, deze vergadering heeft zich tientallen jaren geoefend in het lanceren van stupide dooddoeners, waarmee mannen als Gunning werden koudgesteld.7 Wanneer een synode het hart der kerk moet heten, dan valt er te constateren dat er naar binnen toe in onze kerk een afsterving plaatsvindt. De koudste plek in de Hervormde Kerk is Javastraat 100.

Het voorstel van Kerkherstel, om aan de synode het voornaamste deel van haar wetgevende arbeid te ontnemen door de invoering van een Constituante sluit zeer nauw aan bij het ontwerp-1938. Ik wees er reeds op dat de samenstelling daarvan gelijk zou komen te staan met de in art. 63 van het Algemeen Reglement 1938 bedoelde Brede algemene synode, met dit verschil dat de verkiezing der ambtsdragers anders geregeld zou zijn. Kerkherstel keert hier terug tot haar oude voorliefde voor afvaardiging door de classicale vergaderingen. Ik laat dit punt voorlopig rusten. Ik bepaal er mij hier toe, op de verwantschap te wijzen die er bestaat met de Brede algemene synode uit het ontwerp-1938.

De Brede algemene synode uit het ontwerp-1938 is weer een erfenis uit het ontwerp Kerkopbouw, bij welker opstelling ik eveneens van zeer nabij betrokken was. En zo begrijpt men dat ik op zichzelf niet de minste moeite heb mij te vinden in dit teruggrijpen op een der figuren uit de reorganisatiebeweging van de laatste tien jaren. Prof. Haitjema heeft er op de ledenvergadering van Kerkherstel in november, volgens een verslag dat ik las in Nieuw Kerkelijk Leven, ook aan herinnerd dat ik in mijn artikel in Onder Eigen Vaandel van oktober 1938 na de verwerping van het ontwerp-1938 een Brede algemene synode aan de Synodale Commissie gevraagd heb, die dan de hele situatie, zoals die geworden was na de verwerping in augustus van dat jaar, zou hebben te overzien.

In zover ligt het voorstel van Kerkherstel veel meer in de lijn die ik uitstippelde in genoemd artikel dan in de gedragslijn van prof. Haitjema, die toen nog hoopte de zaak binnen de artikelenwereld van ons vigerend Algemeen Reglement zijn beslag te kunnen geven. Ik vatte de opdracht aan de Synodale Commissie symbolisch op, als een noodsprong vanuit de organisatie-1816 in een niet-bestaand reglement van nieuwe allure, een Synodale Commissie in de zin van Reorganisatie-1938 en vroeg daarom, ons dan maar meteen de Brede algemene synode uit dat ontwerp te geven, althans voor één keer. Wij hebben beiden niet gekregen wat wij wilden. Prof. Haitjema kreeg zijn richtlijnen niet uit de synodale molen. Ik kreeg natuurlijk de Brede synode niet buiten de synodale organisatie. Prof. Haitjema heeft van zijn ervaring het volgende verslag gegeven: "De synode had verwerkt en tot stof vermalen al wat over de reorganisatie via het reservoir van het synodale reglement van orde tussen haar maalstenen van 'status quo'-handhaving en ordelijke bestendiging van het bestuurlijke stelsel gevallen was."8 Ook in deze zinsnede ligt de verbazing over de bovennatuurlijke of onnatuurlijke duurzaamheid van het synodale systeem.

Maar hoe moeten wij nu verder. Het lijkt bijna vanzelfsprekend dat een voorstel om nu op een Brede algemene synode aan te sturen in de zin van het ontwerp-1938 verzekerd moet zijn van ons aller instemming. Immers hier was een element uit de sfeer van Kerkopbouw afkomstig. En hier was bovendien het ontwerp-1938 op z'n breedst. Niet de juridische zijde van de beweging, maar de zendingskant kwam hier het meest uit.

Maar juist daarom blijf ik het betreuren dat wij door Kerkherstel op dit punt voor een fait accompli9 zijn gesteld, zodat een actie10 op de ledenvergadering, op streekvergaderingen en in Nieuw Kerkelijk Leven reeds is ingezet, vóór het bredere front dat wij samen hadden gevormd zich op de situatie kon beraden. Want nu maakt deze nieuwe inzet geheel de indruk van een Kerkherstel-actie in de zin van de tijd, die aan de vorming van het nieuwe kerkelijke front voorafging. Dit had voor alles vermeden moeten worden. Het is wel waar wat prof. Haitjema heeft opgemerkt dat een leider van een grote vereniging niet altijd wachten kan, maar het belang dat hier op het spel staat lijkt mij wèl zo groot dat het andere daarbij achtergesteld had moeten zijn. Ik denk hierbij bijv. aan het artikel dat prof. Kraemer pas in Woord en Wereld aan de Reorganisatie gewijd heeft. Hier is nu een man aan het woord die op een Brede algemene synode tot de Gibborim Chajjil11 zou behoren ... Niet alleen omdat hij als vertegenwoordiger van de zendingsgedachte daar suo jure zou thuishoren, maar vooral omdat hij het wezen van een Brede algemene synode zou helpen markeren. Van hem kon men argumenten verwachten, die kwalitatief anders zijn dan die welke men te horen krijgt in de kringen, die op het stuk van kerk en belijdenis ingesteld zijn op min of meer juridische gronden. Wanneer men ontwerp-1938 had willen begrijpen, dan had men het daarop moeten aanzien. Hier was de reorganisatie-beweging, Kerkherstel incluis, in breder contact gekomen met de noden van onze tijd. Deze Brede algemene synode had niet alleen te rekenen met kennis, maar ook met onkunde, niet alleen met christenen, maar ook met heidenen, zonder dat daarbij de vaste pool der belijdenis uit het oog werd verloren.

Het zou van belang geweest zijn, de nieuwe inzet beraamd te hebben in overleg met het hele front van de Brede algemene synode. Wij hadden dan kans gehad onze gemaakte fouten gecorrigeerd te zien, niet slechts uit een oogpunt van kerkelijke politiek, aanpak van de synode en dergelijke, maar ook uit een meer algemeen geestelijk oogpunt.

Nu dit niet gebeurd is, ziet men dadelijk de tegenstelling wakker worden. Ik denk nu niet in de eerste plaats aan mijzelf. Vergelijkenderwijs - ik zeg vergelijkenderwijs-behoorik ook nog tot de juridischen. Maar ik denk aan de representanten van de uiterste brede zijde van de Brede algemene synode.

Prof. Kraemer noemt Kerkherstel het enige stuk in de reorganisatie-beweging dat in de gemeente wortelt.12 Hier is erkenning van een goed recht om opnieuw in te zetten, desnoods alleen. Toch schrijft de Leidse hoogleraar: Daarom staat de vernieuwde actie van de zijde van Kerkherstel, hoezeer zij als teken van wakkerheid en ernst ook te waarderen moge zijn, op fatale wijze in het licht van de poging om de visie op kerk en belijdenis van een bepaalde groep in de kerk op te leggen aan de rest van de kerk.

Dat staat er weer, dadelijk bij de inzet van de nieuwe actie, niet door Beversluis13 of Lindeboom, maar door Kraemer neergeschreven, door iemand die een vocaal zou moeten zijn in een Brede synode en dus ook in de Constituante.

Wij hadden zulke tegenstellingen kunnen vermijden als de nieuwe inzet minder 'kirchenpolitisch' was geweest, minder eenzijdig op een bepaald deel van 't nieuwe front zich bewegend. En als wij met onze teleurstellingen weer opnieuw waren te rade gegaan met de ligging der wereld en der grenzen in 1940.

Hiermee bedoel ik niet dat ik het in alles geheel met Kraemer eens ben.14 (Wanneer hij zegt dat alleen Kerkherstel in de gemeente wortelt, dan geldt dat alleen van het minder bewuste van andere delen der gemeente. Kerkelijk besef bestaat ook elders en is in staat van ontwaken. Maar daarbij sta ik nu niet stil. Ik bedoel iets anders.) Wanneer men uit Indië komt, in 't algemeen uit een werk dat gericht is op geestelijke ontginning, dan brengt men voor leer en werk noties mee, die op meer directe wijze verband houden met de bijbel dan die welke gangbaar zijn in een gevestigde kerk. Het leerstellige en het juridische zijn tot op zekere hoogte kenmerken van een gevestigde stand, met al de gevaren daarvan. Men moet ze als zodanig kunnen waarderen. De ontreddering zou nog groter worden als we de leken zover activeerden dat de theologie en de dominees ophielden, zodat alles op het niveau van de zending werd neergedrukt. In zoverre moeten wij ook zeer voorzichtig zijn met het trekken van conclusies uit de jongste geschiedenis van de Indische kerk.15 Bij ons moet rekening gehouden worden met vele geestelijke kristallisaties van grote waarde. De diepe eeuwigheidservaringen uit de tijd der Hervorming, de psychologische verdieping uit die van het Piëtisme en de gevoelswaarden uit de tijd van het Réveil hebben aan ons kerkvolk een innerlijke ontwikkeling gegeven, waarmee wij zuinig moeten omgaan. Men mag die niet op één lijn stellen met de spontane opwellingen van welwillende moderne leken, zoals wij gewend zijn die bijv. in Algemeen Weekblad te zien spuien. Hoezeer die laatste op prijs moeten worden gesteld, we zouden ons vergissen als we meenden dat daarin reeds genoeg weerstand zit om een kerk op te kunnen bouwen.

Deze dingen weet prof. Kraemer trouwens ook heel goed.

In dit licht is het interessant, een passage over te schrijven uit het jongste artikel, waarin ook hij om een Brede algemene synode vraagt: "De synode zou, dunkt ons - aldus Kraemer - de kerk een grote dienst bewijzen wanneer ze het initiatief wilde nemen om een brede kerkelijke vergadering bijeen te roepen, samengesteld uit ambtsdragers en uit leken, die door hun optreden en streven bewezen hebben, als christenen een levensterrein te bestrijken waar de kerk ook haar woord en daad moet laten gelden. Als praktische, maar niet onbelangrijke kanttekening moet hieraan toegevoegd worden, dat het aantal leken minstens gelijk moet zijn aan dat der ambtsdragers, anders zal hun medewerking van veel geringer betekenis blijven dan wenselijk is, daar'leken', wanneer het over de vragen van kerk en christendom gaat, zich in een overweldigende meerderheid van theologisch-sprekenden zo onwennig voelen, dat zij, hoewel lang niet altijd overtuigd, zwijgen."16

Ook hier dus de behoefte aan een Brede algemene synode, met onderstreping van het woord breed. Men voelt van hoeveel belang het zou zijn, samen op dit punt tot overeenstemming te komen voor een inzet, die van meet af aan de zaak een bepaald cachet geeft.

Kerkherstel gaat nu een actie voeren om deze Brede synode als Constituante een vaste plaats te geven in onze Reglementen. Dat is haar recht. De weg van de gewone kerkelijke politiek staat open. Een vereniging als Kerkherstel kan misschien ook moeilijk anders dan kerkrechtelijk actief blijven. Maar wij moeten ons er wel van bewust zijn, welk een verschil het maakt wanneer deze Brede synode geïsoleerd, als eenvoudige reglementswijziging van een bekende zijde gelanceerd wordt als Constituante, als wetgevend lichaam, dan wel toen ze op de breedste plaats stond in een geheel nieuw Algemeen Reglement als zendingsinstituut,17 in ieder geval als een vergadering, die moest dienen om te verhinderen dat de kristallisatie van het kerkelijk leven zou plaatshebben in verband met het christelijk leven in al zijn bewegingen.

Thans, als Constituante, zou ze een locus zijn van het Synodaal Reglement. Zij zou inderdaad een bres leggen in de organisatie van 1816. Maar deze bres zou de tuimelplaats worden voor de partijstrijd, waar de te hulp geroepen leken zich vermoedelijk toch wel heel onwennig zouden voelen bij het uitbrengen van hun adviezen.

Toen ik in mijn artikel in Onder Eigen Vaandel18 de Synodale Commissie vroeg, het initiatief te nemen voor het bijeenroepen van zo'n Brede synode om de situatie te overzien, heb ik er juist op gewezen dat zulk een congres voor niemand ongewenste consequenties zou moeten meebrengen.

Het voorstel van de Constituante zou ons dus regelrecht terugbrengen in de mêlée waaruit wij komen. Dat dit op dit ogenblik gewenst zou zijn, meen 'k te moeten ontkennen. Afgezien van de kansen van slagen, die ik zeer laag aansla.

De spanning in ons leven is hoog opgevoerd. En het staat te verwachten dat ze nog zal toenemen. Ik vraag mij af of het wel aangaat, nu een actie voor kerkelijke politiek te voeren, in het oude gareel althans. Dat de kerk op non-activiteit zou moeten staan, dat niet. Maar het jaar 1940 is zeker geëigend, op andere wijze op de kerk in te werken dan tot wijziging van een reglementsartikel, van hoe wijde strekking ook.

Ik zou mij voor kunnen stellen dat wij in dit jaar onze organisatie praktisch lieten liggen en eenvoudig samen met de broeders van 1886 synodes gingen houden over wat ons te doen stond in deze nood der tijden, heel onofficieel. En de synode in Den Haag rustig lieten vergaderen. Maar dat wij deze zomer adem zouden hebben voor een reglementaire strijd, daar ben ik niet erg gerust op.

Zulk een actie te voeren kan althans de taak niet zijn van dit reorganisatie-comité. Wij zouden daarbij aan betekenis inboeten. Dat de dagen van de synode geteld zijn is wel zeker. Maar wij zullen daarbij veel meer toeschouwers moeten zijn dan werkers.

Nogmaals, ik wil niet ontkennen dat een vereniging als Kerkherstel, krachtens confessionele traditie, daartoe een zekere voorbestemming en misschien ook roeping heeft. Dat mag zo zijn. Maar of zij in haar werk gerechtvaardigd zal worden, betwijfel ik zeer. En verheerlijkt nog minder. Reeds het woord Constituante is niet erg voorzichtig gekozen.

Tot nog toe de formele zijde.

Ik had eigenlijk de materiële willen behandelen. Maar ik vond het eerste gezichtspunt achteraf voorlopig het belangrijkste.

Wat het materiële betreft: Ik meen dat het niet zonder gevaar zou zijn, een grote vergadering met constituerende rechten, waar de partijstrijd alles zou beheersen, aan het werk te stellen om ab ovo de nieuwe kerkorde op te stellen. Deze moet om zo te zeggen gereedliggen. Zij moet, als zij begint te werken, uit een centrale opvatting afgeleid zijn en bijbels en dogmatisch zijn verantwoord. De Brede algemene synode was in 1938 een exponent en geen wetgevende grondvergadering. Zij had vertakkingen in het hele orgaan van de kerkorde. Met een Constituante is zij niet te vergelijken.19

Eindnoten

  1. 1

    Lezing te Amersfoort in februari 1940 voor het Reorganisatie-comité (zie n. 65.1), dus kort voor de bezetting. Voorgeschiedenis: het reorganisatievoorstel-1938 was verworpen, de algemene synodale cie. had opdracht om samen met de kerkelijke hoogleraren een voortzetting te zoeken, waardoor de consideraties der kerk het best tot hun recht zouden komen. Zij benoemden (op 16.12.1938) een cie. van rapport. Op 5.6.1939 presenteerde deze cie. (bestaande uit de kerkelijke hoogleraren plus W. J. Aalders en K.H.E. Gravemeyer) een rapport plus twee minderheidsnota's. Het werd alles verworpen door de synode van 8.8.1939 (Gravemeyers voorstel mbt. een grote synode met de traditionele 10/9 stemmenverhouding). Vgl. H. Bartels, a.w., p. 205-207.↩

  2. 2

    Gehouden 22.11.1939 te Utrecht. Behalve Th. L. H. (zie noot 3) spraken hier: R. B. Evenhuis over Heeft KHe. nog een taak?; H. C. J. van Deelen over Heeft onze kerk nog een toekomst? Uitvoerig verslag in NKL. 10 (dec. 1939) nr. 4.↩

  3. 3

    Tijdens zijn jaarrede (zie n. 2) over Is de zaak der reorganisatie nu afgedaan? Verslag NKL. zie boven. - H. wil aan art. 61 AR., oud (zie bijlage 2a) deze restrictie toevoegen: "Behalve wanneer de grondlijnen van de gehele kerkelijke grondwet zelve in het geding komen." In dit laatste geval (bedoeld is de opstelling en doorvoering van een nieuwe kerkorde) dient een brede synode, overeenkomstig art. 63, ontwerp-1938 (zie n. 66.26) samen te komen, aan te wijzen zoals door N. weergegeven (eerste alinea van deze lezing). H. zegt verder dat deze wijziging natuurlijk volgens de gewone weg van classes en provincies (art. 62 en de slotbepaling van het AR., zie bijlage 2a) tot stand moet komen Maar de besluitvorming mbt. reorganisatie zou uiteraard 'buiten die doeltreffend belemmerende procesgang' (zie n. 63.2) gehouden moeten worden. Een rem van 2/3 meerderheid der stemming als voorwaarde voor aanneming (in de slotbepaling genoemd) zou een voldoende rem kunnen zijn. Vandaar zijn 'restrictie' als 'hoogst belangrijke inkeping in het keurslijf der ... bestuursorganisatie'. Vgl. De constituerende vergadering als een uitzonderlijke tussen-instantie voor het verkrijgen van een nieuwe kerkorde, NKL. 10 (febr. 1940) nr. 6. H. zwaait de lof voor dit denkbeeld toe aan dr. J. C. S. Locher; vgl. zijn In memoriam, NKL. 10 (mei 1940) nr. 9. (Dr. J. C. S. Locher (1867-1940), hervormd predikant o.a. te Leiden, bewoog zich op wetenschappelijk, pastoraal en bestuurlijk gebied. Vgl. over hem BL. sub voce.) - Opnieuw blijken H. en N. feindliche Brüder: in grondzaken van gereformeerd kerkrecht het met elkaar eens, op bepaalde punten toch afwijkend. Zie voor de praktische aanpak noot 9; voor de diepere zienswijze het accentverschil op het juridische dan wel het 'actuele', EV. (nr. 43).↩

  4. 4

    Zie bijlage 2a.↩

  5. 5

    Zie n. 65.26 De verkiezing is hier anders geregeld dan voor de Constituante in het voorstel van KHe. Vgl. ook art. 68 AR. KO. (zie bijlage 2c).↩

  6. 6

    Hier was vanouds het centrale bureau der NHK. gevestigd.↩

  7. 7

    Zie n. 63.21.↩

  8. 8

    NKL. 10 (dec. 1939) nr. 4 (zie noot 3).↩

  9. 9

    Dit was niet de eerste keer. Zie n. 31.1.↩

  10. 10

    NKL. 10 (maart 1940) nr. 7: R. B. Evenhuis, Reorganisatie van onderen op.↩

  11. 11

    'Strijdbare helden'; vgl. bijv. Joz. 6 : 12.↩

  12. 12

    Vgl. artikel Woord en Wereld, febr. 1940, p. 4 en 7: "KHe. is niet alleen een beweging van predikanten en professoren, maar wortelt ook in een gemeenschappelijke achtergrond."↩

  13. 13

    Zie n. 65.12. Voor Lindeboom zie n. 18.2; voor Kraemer zie n. 40.2; 40.3.↩

  14. 14

    In zijn artikel in Woord en Wereld, getiteld Kerkreorganisatie, schreef K.: "Van dit streven, hoe natuurlijk en gerechtvaardigd in zichzelve ook, gaat geen verenigende, maar splijtende kracht uit." Dit mbt. de reorganisatie-beweging (p. 6). H. antwoordt hierop in NKL. 10 (april 1940) nr. 8: De reorganisatiebeweging, een splijtende kracht? H. wijst op het ook door K. genoemde 'intellectuele separatisme' als eigenlijke splijtende kracht. Hij vermeldt N. met zijn liturgisch-mystiek interesse, zichzelf met zijn verzet tegen het gecamoufleerd remonstrantisme als bestrijders van zulk een splijtzucht. Ook wijst H. op het synodale stelsel; op het positieve goed van echt principieel strijden; op samenbinding, die ook doorgaat. - N. laat Kraemers diskwalificatie van de reorganisatiebeweging hier passeren, later valt hij in een Waagschaal-artikel (nr. 74) E. Emmen vrij hard aan om een wat negatief geluid. Na een aanvankelijke algehele aanvaarding van de ideeën van Kraemer, door wie hij zich eerst geheel begrepen wist, kreeg N. - bij alle fundamentele respect- bezwaar tegen bepaalde spitsen van K.s denken (zie nr. 69 en vooral nr. 70). - N. blijkt zich zowel door K. als door KHe. miskend te achten.↩

  15. 15

    Zie artikel H. Kraemer, a.w., p. 15-17: "De Grote Vergadering van de synode van de gehele Indische kerk plaatste die kerk in een ruimte, welke aan allerlei sluimerende krachten ontplooiing schonk. Dit voorbeeld ter ondersteuning van de plannen tot het bijeenroepen van een brede synode. Het bijeenbrengen der levende krachten brengt 'gebonden en gestolde krachten tot stromen'.↩

  16. 16

    A. w., p. 14.↩

  17. 17

    In de Brede algemene synode, ontwerp- 1 938, A R. art. 63 (zie n. 65.26), zaten behalve de vertegenwoordigers der zending ook zij die leiding moesten geven en voorlichting mbt. de eenheid en verscheidenheid der kerk. Dat was nu net wat N. met de huisgemeente had beoogd, juist daarvoor had hij op de steun van Kraemer gerekend: om de kerk in contact te brengen met 'de noden van de tijd', met 'heidenen', met 'de ligging der wereld en der grenzen in 1940'.↩

  18. 18

    De reorganisatie in een nieuwe phase, nr. 65, p. 497 vv.↩

  19. 19

    N. maakte aantekeningen uit de discussie. Hieraan namen deel: Kromsigt, Koopmans, Zeydner, Scholten, Kohnstamm, (C. J.) Bartels, Haitjema, Oorthuys. De aantekeningen, te beknopt dan dat de standpunten en de gang van de discussie er markant uit naar voren komen, bieden toch informatie. Daarom zijn ze in deze noot opgenomen. - Aantekeningen: "Dr. Kromsigt: repristinatie à la Kohnstamm is niet aanwezig bij de confessionelen. Reformatoren mogen niet teruggedrongen; 3 formulieren; mag niet verarmd worden; niet rechtv. maar wedergeboorte/niet verzoening maar vleesw.: verarming; was 't eens met Noordmans. Koopmans: ik ben bedoeld door Kohnstamm. Zeydner: eens met Kromsigt; nog breder reorgan. front; breder belijdenis-uitlegging; Reformatie was een doorbraak in de kerk zelve. Schotten: onduidelijk wordt het; Kohnstamm wil: waarheid bepalen; nu: wat in 1940 te doen; in de kerk een bespreking aan de gang te brengen; Constit. verg. losmaken en constitueren; eerst bespreken; niet richtingverschillen; hoe nu als kerk te doen; Kraemer over Indië toch wel bier toepasselijk. Koopmans: spreken met broeders van 1886 is 't beste; dat is ongewoon; behalve onze Herv. ook op meer informele wijze met Gereform. Kromsigt: 't is al gebeurd met Gereform. Koopmans: maar dan over vragen van 1940. Kohnstamm: nu niet over achtergronden, maar ook over voorgrond; nu niet over kerkorde, maar nu over kerk en staat. Bartels: de synode moet gepasseerd. De bres moet eerst komen; alle voorlichting heeft geen zin als de kerk zelf niet spreekt, geen kerkopbouwende vereniging nodig; dat de synode er zit is de grootste nood. Haitjema: 't is nog geen voorstel; 't geldt losmaken en gedachten wisselen, geen fait accompli, geen a bout portant 1940; de discussies moeten er rijp voor zijn; de Constituante niet ab ovo; alle grondlijnen-1938 weer aan de orde tegelijk; begin en slot van mijn betoog; Vaandel en Constituante strijden mee; Brede synode heeft Noordmans er ook uit geleerd; mijn desideratum moest een vorm hebben; in verband met ontwerp1938; Kerkherstel is geen bijwagen van Conf. Vereniging; Kerkherstel parallel met Reorganisatie-front; waardering voor deze moeizame strijd moet er zijn. Oorthuys: meer toeschouwers dan werkzaam, wat is dat? Kohnstamm: verschil Haitjema-Noordmans raakt de achtergrond niet van Aristoteles' bezwaren; geen handhaving van intellectuele stellingen; Ik ben de Waarheid; 't dieper liggende moet ... vermeden. Oorthuys: dat onze dogmatiek op Aristoteles rust, laat men zeggen op welk punt!"↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 66. Waarom ben ik hervormd?Inhoud68. Boekbespreking van G. Ph. Scheers, 'Philippus Jacobus Hoedemaker' →