64. De spanning in de kerk1
De hoofdredacteur van dit blad schreef in nr. 29 dat de reorganisatiekwestie 'wel zowat doodgepraat' was. Als ik dan toch nog iets tracht te zeggen in deze kolommen, dan lijkt dat wel heel erg in strijd met de redactionele discipline. Er bestaan echter enkele gronden waarop ik verschoning kan pleiten. 1. Na het bovenbedoeld afsluitend artikel van prof. Obbink heeft S. P. Vermeer nog drie kolommen 'compres' over dit onderwerp gegeven (nr. 32). Daardoor is het hek toch weer voorgoed van de dam. 2. Na mijn stuk in het nummer van 5 november 1937, dat ik op verzoek van de redactie over deze materie schreef, zijn er, als ik goed tel, in ons blad zeven artikelen2 over de reorganisatie geschreven.a Alle zeven tegen. Misschien is het goed, als tenminste het la mort sans phrase niet zal worden toegepast, nog een enkel woord vóór te zeggen. In ieder geval kan men niet zeggen dat in ons blad de Reorganisatie door de voorstanders is doodgepraat. 3. In het laatste stuk, dat van Vermeer, zijn wij nu zover gekomen dat iemand over het ontwerp schrijft zonder het onder ogen gehad te hebben. Hij geeft beschouwingen over art. 703 en zegt dat het ná art. 84 komt. Meer blijkt de heer Vermeer er niet van te weten. Hij schrijft letterlijk: "Ja, in art. 70 van het ontwerp gaat men zelfs zo ver om uitdrukkelijk te verklaren dat een ambtsdrager afgezet kan worden alleen als zijn dwaling het karakter der kerk als Kerk van Christus aanraadt." Daarvan staat geen syllabe in art. 70. De schrijver heeft ergens opgevangen dat er zo'n artikel is, maar weet niet wat er in staat. Hij weet blijkbaar ook niet dat het ontwerp meer dan één reglement bevat. Was dit wel het geval, dan zou men kunnen denken dat art. 70 een drukfout is voor art. 7 Reglement van opzicht en tucht. Maar deze rectificatie zou weer fataal worden voor de heer Vermeer, want op het feit dat art. 70 ná art. 8 komt, bouwt hij een hele redenering. En dit hele betoog zou dadelijk kantelen als men leest: art. 7. Want 7 komt niet ná 8. Deze schrijver mag 'in het poolijs' geweest zijn, zoals hij schrijft, in het ontwerp is hij een vreemdeling.
Op het stuk van argumenten lijkt het er dus wel heel erg op dat men zijn kruit verschoten heeft. Gezien dit zevende stuk tégen in het Weekblad, voel ik lust mij bij prof. Obbink aan te sluiten en over te gaan tot het tellen van de neuzen.5 Deze neuzen zullen toch in ieder geval in het ontwerp gestoken moeten worden en er is een kans dat ze weten wat er in staat.
Maar helemaal kan ik daar toch niet toe besluiten. Veel meer dan we zelf weten is de historie der mensheid en bovenal de kerkgeschiedenis met de prediking in haar middelpunt een verhaal van argumenten. Een goed argument gaat verder dan de oppervlakte van het bewustzijn. En ook de grote spanning die er op dit ogenblik in de kerk heerst is er een van argument tegen argument. Nu afgezien van de onzuivere bij mengsels die in een geestelijke strijd nooit ontbreken.6
Dat wil echter niet zeggen dat deze strijd een academisch karakter zou dragen. Juist niet. De reorganisatiestrijd is een conflict tussen kerk en school.7 Dat is in de hele negentiende eeuw het geval geweest, maar het is nog nimmer zo duidelijk aan de dag getreden als nu. Het juridische bij Groen en de systematiek van Kuyper en ook nog min of meer bij Hoedemaker vormden daarvoor een beletsel. De kerk komt thans in opstand tegen een schoolse behandeling van de vragen die haar geloof en inrichting betreffen.
Daarbij gaat het om de meest fundamentele stukken die haar bestaan raken. Het gebeurt werkelijk niet uit weelde dat men in steeds breder kring vraagt naar een kerkinrichting die meer met de Schrift en de belijdenis overeenkomt. Het verschil tussen administratie, waaraan geen geestelijk oordeel toekomt, en pastorale onderscheiding der geesten is toch groot genoeg om de beweging te verklaren die thans gaande is. Heeft de kerk dan in 1938 niets beters te doen dan fondsen beheren en vijlen aan reglementsartikeltjes?
Dat we daarmee niet uit de moeilijkheden komen, spreekt vanzelf. Van alle kanten onder de voorstanders van reorganisatie wordt het erkend: we zullen in de moeilijkheden komen. En met deze moeilijkheden houden de tegenstanders van het ontwerp zich nu op academische wijze bezig. Zij rekenen ons voor welk een tegenstrijdig ding een beroep op 'de Schrift' is. ⚑Dat de bijbel in een tovercirkel ligt en dat de kerk er daarom niet bij kan komen.b Of dat een boer geen verstand van theologie heeft, evenmin als een theoloog van de boerderij.c Dat een classicale vergadering hoofdzakelijk is samengesteld uit jonge dominees en dorpsouderlingen en daarom niet over de leer kan oordelen.d Of dat de drie formulieren een uitgebreid theologisch leerboek zijn en daarom niet kunnen gehandhaafd worden.e
De voorstanders zien de moeilijkheden ook wel. Maar ze komen er tegen op dat van een geestelijke oefening een verstandelijke puzzel gemaakt wordt. Wanneer men, op voetspoor van prof. Brouwer, zegt dat de kerk niet bij de Schrift kan komen, dan is dat alleen waar op de manier van de bekende Griekse paradox, die ontkent dat Achilles een schildpad kan inhalen. In het geloofsleven zelf put de kerk dagelijks uit de Schrift.
Of een boer verstand heeft van theologie, kan misschien een enkele maal in twijfel getrokken worden. Allicht weet hij niet wat er eerst geweest is, een kip of een ei. Maar over een preek kan hij zeker oordelen, anders deugt deze niet. Hij weet best wat zonde is en dat weet een professor niet; want het is waar wat Kierkegaard zegt, dat de zonde in de preek thuishoort en niet in de wetenschap.8 En zo weet hij ook wat vergeving is en al het andere uit de preek.
Dat de ambten soms gedragen worden door jonge of rustieke figuren, kan moeilijk worden ontkend. Maar dat dit een kerk onwaardig zou zijn, laat zich moeilijk volhouden sedert Amos de koeherder en Jeremia de jongeling profeten waren. Zij zelf vonden dat een bezwaar, maar God niet.
En dat de drie formulieren een theologisch leerboek zouden zijn, is misschien even waar als dat 70 ná 8 komt, maar het is tegelijk even apocrief als de rest van het stuk van de heer Vermeer.
Wij komen er tegen in verzet dat zulke belangrijke stukken uit geloof en kerkorde als daar zijn: de Schrift, de prediking, het ambt, de belijdenis, op zulke wijze behandeld worden. Nog meer dan de bijzonderheden van het ontwerp is dit de oorzaak van de spanning in de kerk. Wanneer hier geen verandering komt - door nadere bezinning, wat God geve - zal zich, zo laat het zich aanzien, in snel tempo een scheiding9 voltrekken die wij zouden betreuren. Maar wat het zwaarste is, moet ook het zwaarste wegen. De kerk mag haar wezenstrekken niet laten uitwissen.10