O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 63. Kerkelijk denken voorwaarde voor kerkordeInhoud65. De reorganisatie in een nieuwe fase →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 485–487

64. De spanning in de kerk1

De hoofdredacteur van dit blad schreef in nr. 29 dat de reorganisatiekwestie 'wel zowat doodgepraat' was. Als ik dan toch nog iets tracht te zeggen in deze kolommen, dan lijkt dat wel heel erg in strijd met de redactionele discipline. Er bestaan echter enkele gronden waarop ik verschoning kan pleiten. 1. Na het bovenbedoeld afsluitend artikel van prof. Obbink heeft S. P. Vermeer nog drie kolommen 'compres' over dit onderwerp gegeven (nr. 32). Daardoor is het hek toch weer voorgoed van de dam. 2. Na mijn stuk in het nummer van 5 november 1937, dat ik op verzoek van de redactie over deze materie schreef, zijn er, als ik goed tel, in ons blad zeven artikelen2 over de reorganisatie geschreven.a Alle zeven tegen. Misschien is het goed, als tenminste het la mort sans phrase niet zal worden toegepast, nog een enkel woord vóór te zeggen. In ieder geval kan men niet zeggen dat in ons blad de Reorganisatie door de voorstanders is doodgepraat. 3. In het laatste stuk, dat van Vermeer, zijn wij nu zover gekomen dat iemand over het ontwerp schrijft zonder het onder ogen gehad te hebben. Hij geeft beschouwingen over art. 703 en zegt dat het ná art. 84 komt. Meer blijkt de heer Vermeer er niet van te weten. Hij schrijft letterlijk: "Ja, in art. 70 van het ontwerp gaat men zelfs zo ver om uitdrukkelijk te verklaren dat een ambtsdrager afgezet kan worden alleen als zijn dwaling het karakter der kerk als Kerk van Christus aanraadt." Daarvan staat geen syllabe in art. 70. De schrijver heeft ergens opgevangen dat er zo'n artikel is, maar weet niet wat er in staat. Hij weet blijkbaar ook niet dat het ontwerp meer dan één reglement bevat. Was dit wel het geval, dan zou men kunnen denken dat art. 70 een drukfout is voor art. 7 Reglement van opzicht en tucht. Maar deze rectificatie zou weer fataal worden voor de heer Vermeer, want op het feit dat art. 70 ná art. 8 komt, bouwt hij een hele redenering. En dit hele betoog zou dadelijk kantelen als men leest: art. 7. Want 7 komt niet ná 8. Deze schrijver mag 'in het poolijs' geweest zijn, zoals hij schrijft, in het ontwerp is hij een vreemdeling.

Op het stuk van argumenten lijkt het er dus wel heel erg op dat men zijn kruit verschoten heeft. Gezien dit zevende stuk tégen in het Weekblad, voel ik lust mij bij prof. Obbink aan te sluiten en over te gaan tot het tellen van de neuzen.5 Deze neuzen zullen toch in ieder geval in het ontwerp gestoken moeten worden en er is een kans dat ze weten wat er in staat.

Maar helemaal kan ik daar toch niet toe besluiten. Veel meer dan we zelf weten is de historie der mensheid en bovenal de kerkgeschiedenis met de prediking in haar middelpunt een verhaal van argumenten. Een goed argument gaat verder dan de oppervlakte van het bewustzijn. En ook de grote spanning die er op dit ogenblik in de kerk heerst is er een van argument tegen argument. Nu afgezien van de onzuivere bij mengsels die in een geestelijke strijd nooit ontbreken.6

Dat wil echter niet zeggen dat deze strijd een academisch karakter zou dragen. Juist niet. De reorganisatiestrijd is een conflict tussen kerk en school.7 Dat is in de hele negentiende eeuw het geval geweest, maar het is nog nimmer zo duidelijk aan de dag getreden als nu. Het juridische bij Groen en de systematiek van Kuyper en ook nog min of meer bij Hoedemaker vormden daarvoor een beletsel. De kerk komt thans in opstand tegen een schoolse behandeling van de vragen die haar geloof en inrichting betreffen.

Daarbij gaat het om de meest fundamentele stukken die haar bestaan raken. Het gebeurt werkelijk niet uit weelde dat men in steeds breder kring vraagt naar een kerkinrichting die meer met de Schrift en de belijdenis overeenkomt. Het verschil tussen administratie, waaraan geen geestelijk oordeel toekomt, en pastorale onderscheiding der geesten is toch groot genoeg om de beweging te verklaren die thans gaande is. Heeft de kerk dan in 1938 niets beters te doen dan fondsen beheren en vijlen aan reglementsartikeltjes?

Dat we daarmee niet uit de moeilijkheden komen, spreekt vanzelf. Van alle kanten onder de voorstanders van reorganisatie wordt het erkend: we zullen in de moeilijkheden komen. En met deze moeilijkheden houden de tegenstanders van het ontwerp zich nu op academische wijze bezig. Zij rekenen ons voor welk een tegenstrijdig ding een beroep op 'de Schrift' is. ⚑Dat de bijbel in een tovercirkel ligt en dat de kerk er daarom niet bij kan komen.b Of dat een boer geen verstand van theologie heeft, evenmin als een theoloog van de boerderij.c Dat een classicale vergadering hoofdzakelijk is samengesteld uit jonge dominees en dorpsouderlingen en daarom niet over de leer kan oordelen.d Of dat de drie formulieren een uitgebreid theologisch leerboek zijn en daarom niet kunnen gehandhaafd worden.e

De voorstanders zien de moeilijkheden ook wel. Maar ze komen er tegen op dat van een geestelijke oefening een verstandelijke puzzel gemaakt wordt. Wanneer men, op voetspoor van prof. Brouwer, zegt dat de kerk niet bij de Schrift kan komen, dan is dat alleen waar op de manier van de bekende Griekse paradox, die ontkent dat Achilles een schildpad kan inhalen. In het geloofsleven zelf put de kerk dagelijks uit de Schrift.

Of een boer verstand heeft van theologie, kan misschien een enkele maal in twijfel getrokken worden. Allicht weet hij niet wat er eerst geweest is, een kip of een ei. Maar over een preek kan hij zeker oordelen, anders deugt deze niet. Hij weet best wat zonde is en dat weet een professor niet; want het is waar wat Kierkegaard zegt, dat de zonde in de preek thuishoort en niet in de wetenschap.8 En zo weet hij ook wat vergeving is en al het andere uit de preek.

Dat de ambten soms gedragen worden door jonge of rustieke figuren, kan moeilijk worden ontkend. Maar dat dit een kerk onwaardig zou zijn, laat zich moeilijk volhouden sedert Amos de koeherder en Jeremia de jongeling profeten waren. Zij zelf vonden dat een bezwaar, maar God niet.

En dat de drie formulieren een theologisch leerboek zouden zijn, is misschien even waar als dat 70 ná 8 komt, maar het is tegelijk even apocrief als de rest van het stuk van de heer Vermeer.

Wij komen er tegen in verzet dat zulke belangrijke stukken uit geloof en kerkorde als daar zijn: de Schrift, de prediking, het ambt, de belijdenis, op zulke wijze behandeld worden. Nog meer dan de bijzonderheden van het ontwerp is dit de oorzaak van de spanning in de kerk. Wanneer hier geen verandering komt - door nadere bezinning, wat God geve - zal zich, zo laat het zich aanzien, in snel tempo een scheiding9 voltrekken die wij zouden betreuren. Maar wat het zwaarste is, moet ook het zwaarste wegen. De kerk mag haar wezenstrekken niet laten uitwissen.10

Voetnoten

  1. a

    In de nummers 3, 10, 18, 27, 28, 29, 32. Nu ik dit corrigeer, zijn het er al weer meer.↩

  2. b

    K. Strijd in nr. 27.↩

  3. c

    Prof. Korff te Zwolle.↩

  4. d

    Prof. Brouwer in nr. 28.↩

  5. e

    S. P. Vermeer in nr. 32.↩

Eindnoten

  1. 1

    AWCC. 14 (24.6.1938) nr. 34.↩

  2. 2

    AWCC. publiceerde in de 14e jg.: nr. 1 (5.11.1937) O. Noordmans, De reorganisatievoorstellen (ons nr. 60); 3 (19.11.1937) H. H. Barger, Het reorganisatievoorstel der synode; 10 (7.1.1938) H. Th. Obbink, Het reorganisatierapport; 18 (4.3.1938) A. M. Brouwer, Reorganisatie; 27 (6.5.1938) K. Strijd, Reorganisatie en protestantse ethiek; 28 (1 3.5.1938) A. M. Brouwer, Reorganisatie; 29 (20.5.1938) H. Th. Obbink, Reorganisatie; 32 (10.6.1938) S. P. Vermeer, Naar de kerk of naar de sekte; 33 (17.6.1938) S. P. Vermeer, Bezwaren en gevaren; 34 (24.6.1938) O. Noordmans, De spanning in de kerk (ons nr. 64); 35 (1.7.1938) W. A. Zeydner, Verwerpen niet velen wat zij niet kennen?; 36 (8.7.1938) M. van Rhijn, Verontrustende verschijnselen l; 37 (15.7.1938) M. van Rhijn, Verontrustende verschijnselen 2.↩

  3. 3

    Art. 70 AR. ontwerp-1938: "Hervorming van de belijdenis wordt door de algemene synode ter hand genomen, hetzij op eigen initiatief, hetzij op een daartoe strekkend voorstel van een classicale vergadering of provinciale synode. Alvorens tot behandeling hiervan over te gaan, wint de algemene synode advies in van de in art. 60 sub a genoemde cie. voor belijdenis en liturgie. Indien zij tot de conclusie komt dat hervorming van de belijdenis nodig en het ogenblik daartoe gekomen is, formuleert zij deze en raadpleegt daaromtrent andere kerken, op wier oordeel zij prijs stelt. Na kennis genomen te hebben van het gevoelen dezer kerken, kan de synode met een meerderheid van tenminste twee derde van haar leden besluiten een voorstel tot hervorming der belijdenis voor te leggen aan een opzettelijk daartoe bijeengeroepen kerkvergadering, bestaande uit de leden der algemene synode en tweemaal zoveel afgevaardigde predikanten en ouderlingen, die daartoe door de provinciale synoden worden benoemd. Deze kerkvergadering neemt omtrent de aanhangige hervorming een eindbesluit en kan deze vaststellen, indien tenminste twee derde harer leden zich daarvóór verklaart." Dit artikel, waarin de weg tot hervorming der belijdenis wordt aangegeven, moet gelezen worden tegen de achtergrond van art. 8 lid 5 AR., waarin het geloof der kerk, mede vervat in haar historische belijdenis als regel van geloof en leven geldt, met andere woorden als maatstaf voor tuchtoefening. Dus toch kerkrechtelijke geldigheid der oude belijdenisschriften. En juist daartegen had volgens Brouwer KO. zich tot het laatste toe hardnekkig verzet. Zie A. M. Brouwer, Hervorming-Handhaving, KO. 7 (mei 1938) nr. 1. Voor art. 7 Reglement kerkelijk opzicht en tucht, ontwerp- 1 938, zie n. 63.89. Voor art. 8, zie bijlage 2e. Zie ook n. 62.2.↩

  4. 4

    Prof. Brouwer had in de synode van januari 1938 de volgende wijziging in art. 8 van het concept Algemeen Reglement voorgesteld: "De zorg voor het belijden der kerk, door aan dit belijden nieuwe vorm te geven en van dit belijden de handhaving te behartigen, opdat het geloof der kerk in haar verkondiging en in haar belijdenisschriften en liturgische formulieren steeds zuiverden tot uitdrukking kome." Ter synode januari 1938 telefoneerde Berkelbach v.d. S. met Haitjema en Scholten ten aanzien van het verzoek of 'belijdenis' in 'belijden' kon worden veranderd, hetgeen toegestaan werd. Dit beïnvloedde de stemming, ook al werd het in de vorm van een amendement verworpen. Brouwers standpunt maakte deel uit van een discussie over belijdenis en belijden. N. zag hier geen verschil, hij noemde het ter moderamenvergadering-KO. dd. 8.4.1938 'een woordenboek-kwestie'. Verslag vergadering in KO. 6 (april 1938) nr. 12.↩

  5. 5

    In het door N. reeds aangehaalde artikel (nr. 29) sluit Obbink zich aan bij de algemene onderstelling, "dat de synodale heren - en dus ook andere heren - ondanks alle gepraat en geschrijf - hun reeds lang ingenomen standpunt zullen handhaven." Argumenten kunnen niets veranderen. De fout schuilt niet in de organisatie, maar in de mensen. Voor H. Th. Obbink zie n. 511,2.7. - Over tuchtoefening door classicale vergaderingen schreef O.: "Daar zullen niet-theologen (ouderlingen) ... tezamen met hun predikanten, waarvan ook zeker 50% de juiste maatstaf niet zullen kunnen vinden ... de beslissing in handen hebben." Vgl. AWCC. 14 (7.1.1938) nr. 10.↩

  6. 6

    Op het moment van verschijnen van dit artikel (24.6.1938) is het geschil reeds buiten het kerkelijk erf nl. in de NRC. zichtbaar geworden. De voorgeschiedenis liep aldus: A. M. Brouwer, in een laatste poging leertuchtprocedures uit het ontwerp- 1938 te elimineren, had een aantal amendementen voorgesteld, waarvan die in art. 8, lid 5 het voornaamste was (zie noot 4). In KO. 7 (juni 1938) nr. 2 plaatste A. M. B. een Advies, waarin hij het deed voorkomen of het de Uitvoerende Commissie (orgaan door KO. ingesteld ter wille van de eenheid van beleid in de verdeelde vereniging) was, die dit Advies deed uitgaan, ofschoon hij anderzijds ondertekende met zijn initialen A. M. B. Het advies hield in: steun aan de amendementen-Brouwer. Hierop ontstaat een oorlogje in de NRC. Dit blad neemt nl. het KO-artikel over, maar zonder de initialen van A. M. B. en als afkomstig van de Uitvoerende Commissie. N. schrijft in het zelfde nummer (21.6.1938 Avondblad) een reactie op het KO.-artikel, waaraan hij het wekken van een valse schijn verwijt. In datzelfde nummer verschijnt ook een stuk ondertekend door de moderamenleden van KO., G. van der Leeuw, O. Noordmans en C. G. Wagenaar, waarin zij de Uitvoerende Commissie in gebreke stellen, aangezien besloten was dat A. M. B. een brochure 'geheel op eigen hand 'zou schrijven' om de spanning in de Vereniging niet nog groter te maken'. Enkele dagen later schrijft N. opnieuw een 'Ingezonden', getiteld Een vreemd advies, waarin hij bij zijn mening blijft, dat Brouwer als er 'wij' staat blijkbaar de pluralis majestatis gebruikt, terwijl de Uitvoerende Commissie die hij sprekende invoert niets te adviseren had. Hierop volgt weer een 'Ingezonden'van G. W. Oberman, lid van de Uitv. Cie. en secretaris van de Vereniging KO., waarin hij - met een klein voorbehoud (alle leden der Uitv. Cie. waren niet aanwezig) - Brouwer bijvalt. Uiteindelijk - het is dan al begin juli geworden - bevestigt 0. dan nog eens, dat Br. wel degelijk op verzoek van de Uitv. Cie. zijn advies gaf. Het uitvoerigst is het 'Ingezonden' van A. M. B. (verzonden 23.6.1938) zelf en getiteld Reorganisatie en Pluralis Majestatis. Hij zegt daarin o.a. dat hij steeds uitgesproken heeft te willen blijven binnen de grenzen van het 'Akkoord', dat niets wist van 'hervorming en handhaving'; ook stond in het Akkoord, dat leertucht alleen mocht plaatshebben 'in de geest van KO.', wat zou impliceren deskundige voorlichting, die z.i. in het ontwerp- 1938 ontbrak. Br. verklaart verder, dat deze aanval van N. hem tot een overtuigd tegenstander van het ontwerp heeft gemaakt. Daarnaast heeft vooral het geschrift van N. Kerkelijk denken voorwaarde voor kerkorde hem overtuigd van het gevaar van een 'ongeestelijk, gemakzuchtig optreden'. Hier vinden we het 'oude statische kerkbegrip met enkele uitpuilingen', onbijbels van aard ten aanzien van de ambten, de zending, de oecumene, de liturgie, de leer, de staat. Br. wil alleen de bijbelse, zuiver geestelijke, profetische tucht.↩

  7. 7

    Voor dit inzicht zie o.a. Herschepping, VW., dl. 2, p. 218. Zie voorts n. 34.5.↩

  8. 8

    "Eigenlijk hoort de zonde in geen enkele wetenschap thuis. Zij is het onderwerp van de preek, waar de enkeling als enkeling tot de enkeling spreekt." Vgl. S. Kierkegaard, Angst, vert. S. van Praag, Amsterdam z.j. (1936), p. 17; ook: Der Begriff Angst, Eine schlichte psychologische Überlegung in Richtung auf das dogmatische Problem der Erbsünde, uitg.E.Hirsch, Düsseldorf 1952, p. 13.↩

  9. 9

    De verhouding tot de ethische medestanders wordt steeds meer gedistantieerd. Zie onze nrs. 50 ('hoogmoed'), 48 ('liebäugeln met de cultuur') en 65 ('duivel der ethische autonomie'); Kroniek Woord en Wereld, 1 (1939), p. 475 vv. (VW., dl. 4); VW., dl. 3, p. 503 vv. Zie ook de brief van J. Koopmans aan N. dd. 1.9.1938, welke van bedanken voor KO. door N., D. Tromp en hemzelf rept. Zij zouden zich alsnog weerhouden hebben gevoeld door het 'ethisch familiebloed'. - J. Koopmans (1905-1945), hervormd predikant (o.a. te Amsterdam), naar eigen getuigenis (brief dd. 9.7.1934) Noordmans' leerling en blijkens de gehele correspondentie K.-N., zijn geestverwant, publiceerde in deze tijd zijn Utrechtse dissertatie, waarover hij met N. contact onderhield: Het oudkerkelijk dogma in de Reformatie bepaaldelijk bij Calvijn, Wageningen 1938; vgl. ook K.' felle brochure Vrijzinnige bezwaren beantwoord, Nijkerk (mei) 1938, uitg. Reorganisatiecomité. Voor Tromp, vgl K.H. Miskotte in D. Tromp, Verbond tegen het lot, Amsterdam 1949, p. 5-21.↩

  10. 10

    De diepte van de kloof, die de voorstanders en de tegenstanders van het ontwerp- 1938 verdeeld hield, kan o.a. blijken uit het naschrift van prof. Obbink als hoofdredacteur van het Algemeen Weekblad bij dit artikel. Vermeld zij tevens dat N.'naam stilzwijgend werd afgevoerd van de lijst van medewerkers aan het A WCC.; vgl. H. Bartels, a. w., p. 188. Obbink schreef: "Een rechtzetting. Nog altijd wordt gesuggereerd - zie het artikel van Noordmans in dit nummer - dat wij, die het voorgestelde reorganisatie-reglement verfoeien, de tegenwoordige kerkelijke toestand willen handhaven. Dat is onwaar en een voorstelling tegen beter weten in. Wij willen reorganisatie, maar wij willen niet dit reglement, omdat het naar inquisitie voert en de Heilige Schrift naar de achtergrond schuift, dus omdat het geen reorganisatie maar desorganisatie brengt en een hopeloze verwarring sticht. Het staat niet zó: of dit reglement of niets. Het staat zó: of dit reglement of een béter."↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 63. Kerkelijk denken voorwaarde voor kerkordeInhoud65. De reorganisatie in een nieuwe fase →