63. Kerkelijk denken voorwaarde voor kerkorde1
Inleiding
Dat onze kerk een andere inrichting moet hebben, is wel ongeveer algemene overtuiging geworden. De verstokte 'synodalen' kan men bijna op de vingers tellen. Men hoorde ze dezer dagen 'de laatsten der Mohikanen' noemen. Voor dit uitsterven bestaat meer dan voldoende reden. In de contemporaine kerkgeschiedenis maakt de manier waarop onze kerk zich beweegt, een indruk van onwezenlijkheid. Katholieke uitspraken zijn onmogelijk en haar canoniek recht wordt gecontroleerd door provinciale besturen.2
Dat hierin verandering moet komen, behoeft gelukkig nauwelijks meer betoog. Bij de besprekingen, die er de laatste jaren gehouden zijn tussen verschillende groepen, bleek ook, dat er in vrij brede kring overeenstemming te bereiken was ten opzichte van een nieuwe kerkorde. De voorstellen van 1929, 1933 en 1937 leggen daarvan getuigenis af.3
Tevens blijkt echter dat het bijzonder moeilijk is, uit de impasse te geraken. De organisatie van 1816 is er op ingericht, zichzelf te kunnen bestendigen. Maar erger is nog dat zij in zo sterke mate een vermogen heeft, het onkerkelijk denken, waaruit zij voortkwam, in stand te houden. Uit dat oogpunt zal de christenheid wel geen droeviger lectuur aan te wijzen hebben dan de Handelingen der Synode van 1816 tot heden. Beets heeft ergens geschreven, dat de mensen in de diligence werden afgeplat.4 Ik hoorde Gunning daarvan eens gebruik maken om de Synode te karakteriseren. Zijn nobele inborst was er voldoende borg voor, dat dit geen polemiek van minder allooi was. Het werd bovendien gezegd in bijzijn van de toenmalige voorzitter der Synode.5 De bedoeling van deze strijder voor reorganisatie was, een tekort aan kerkelijk gehalte in de overwegingen van deze hoge vergadering aan te wijzen. Eminente ouderlingen, predikanten, professoren zijn het slachtoffer geworden van de politieke sfeer, die ook na 18526 in de vergaderzaal der Synode is blijven hangen.
Deze verburgerlijking van alle kerkelijke begrippen heeft de hele kerk doortrokken en zij is de voornaamste hinderpaal voor onderlinge overeenstemming inzake kerkorde. Men verstaat de woorden van een nieuwe kerkorde naar de betekenis die ze kregen onder de inrichting, waaronder wij nu leven. Men denkt zich de ontwikkeling der dingen in de wereldconjunctuur- 1938, alsof wij nog 1816, 1852 of 1886 schreven. Men vreest dat de personen, als ze weer in een kerkelijke orde zullen geschaard staan, zich precies zo zullen gedragen als toen ze met elkaar in een genootschap waren opgesloten. Wij zijn allemaal ongelovig geworden ten opzichte van de mogelijkheid van de meer algemene functies der kerkelijke ambten. De gedachte dat onze kerk weer zou worden ingeschakeld in de kerkhistorie, vervult ons met schrik. Wij zijn gewend de geschiedenis aan de staat over te laten.
Deze verlamming van het kerkelijk denken; maw. dit gebrek aan geloof aan de heilige, algemene, christelijke kerk en de gemeenschap der heiligen is een grote zonde. Het Ontwerp-1938 moet gezien worden tegen de achtergrond van de brochures die Gunning omstreeks 1900 over deze dingen schreef.7 Dat is eerste eis voor de lectuur. Er is een schuldige achterstand, een paralysering van ons kerkelijk besef, die ieder jaar groter wordt.
Daarom behoort men bij de lezing van het aanhangige ontwerp een kerkelijke exegese toe te passen. Men mag niet proberen de opstellers in het garen van genootschappelijke woorden en begrippen te vangen. Men moet hen helpen de dingen daaruit los te wikkelen, want ook zij hebben zich niet als met een toverslag kunnen onttrekken aan het spel, waaronder het macabere jaar 1816, in de kerkelijke vermomming van 1852, ons gevangen houdt.
Deze brochure bedoelt een hulpmiddel te zijn bij de lezing van het ontwerp, van nieuwe kerkelijke vooronderstellingen uit. Men heeft dat een naïviteit genoemd. Het zij zo. Het Evangelie is de grote naïviteit in deze wereld. En ook een kerkorde moet daarvan iets bezitten.
1. De kerkelijke nood
Het wezen van de inrichting van 1816 was, dat ze geen kerkorde kon heten. Een organisatie, die op besturen en niet op belijden is ingesteld, mag die naam niet dragen. Er is eenvoudig orde op de kerk gesteld; orde-zonder-meer; dwz. burgerlijke orde. De afgescheidenen8 hebben dat aan den lijve gevoeld.9 Dat deel van de algemene christelijke kerk, waarvan wij lid zijn, leeft onder omstandigheden, die haar ontstaan te danken hebben aan maatregelen, die uit de verte enigszins gelijken op die, welke thans ten opzichte van de Duitse kerken10 genomen worden. De Hervormde Kerk, die op de synoden tussen 1570 en 1618/19 zo fier de grenslijn tussen kerk en staat wist af te bakenen,11 werd in 1816 als een verdwaald regiment een eindweegs achter het geestelijk front geplaatst en het is haar sedert niet gelukt weer in de linie te komen. De Raad van State oordeelde een Algemene Synode voor de invoering van de organisatie onnodig.12 Een commissie van advies uit de kerk werd bij geheim besluit benoemd. Zo werd bij de kerk, zonder haar, over haar onderhandeld.
Groen noemde de inrichting, die haar geschonken werd, een politieke administratie, waarbij de leraars bijna als ambtenaren, de ledematen bijna als onderdanen werden beschouwd. Hij noemde het rondweg een staatscreatuur.13 De verburgerlijking van alle kerkelijke begrippen, waaronder wij lijden, hangt daarmee samen. Het kan een heilzame kuur zijn, zich daarvan eens scherp rekenschap te geven. 'Het Synode' werd, zo verklaarde de Commissaris-Generaal, 'thans niet opgeroepen' 'om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de kerk te besturen'. Daarmee wordt de kerkelijke functie der belijdenis verruild tegen de burgerlijke van bestuur. En de zuiverheid van de leer, zo verklaart dezelfde functionaris, zal gewaarborgd moeten worden 'door het vaststellen van inrichtingen, geschikt om de ware christelijke geest in leraars te versterken door de vermeende ring van godsdienstige kennis'.14 Wat aan de kerk toekomt wordt hier blijkbaar aan de school toegewezen15 en tegelijk wordt de massale verkondiging inde kerkelijke belijdenisteruggebrachttotdeindividueleprediking van de godsdienstleraar.
Maar de les in kerkrecht is nog niet afgelopen. De uitwendige kerkvorm, zo leraart de commissaris verder, is bij de Reformatie in de verschillende landen zeer onderscheiden gewijzigd; meestal naar de smaak der burgerlijke regering. De classes zijn geen instellingen van de apostelen, maar toevallige vrucht der omstandigheden van de zestiende eeuw. Het christelijk geloof is onafhankelijk van tijd, land en staatsinrichting; maar de kerkvormen schikken zich naar het ene en andere.16
Dit onderwijs is aan onze kerk het eerst gegeven door een gewezen directeur-generaal van Waterstaat. Ik wilde wel dat ieder, voor hij de band tussen belijdenis en kerkorde radicaal doorsnijdt, en van de laatste een zuiver praktische aangelegenheid maakt, zich er nog eens goed rekenschap van gaf dat wij, tengevolge van een meer dan honderdjarige verbastering van onze kerkelijke begrippen, zwak zijn komen te staan in de geweldige geestelijke crisis van deze tijd.
Maar 1852 dan? Heeft de kerk toen niet de beschikking over eigen toekomst teruggekregen? In één opzicht. Zij kon haar eigen doodvonnis tekenen,17 zoals ze nu, bijna honderd jaar later, gedaan heeft.18 Maar dit beschikkingsrecht kreeg ze dan ook alleen in deze éne, radicale zin. - De Synode heeft nu gedaan naar wat in 1863 de Minister van Justitie19 aan Groen antwoordde, toen deze de vrijmaking der kerk van de regering vroeg. Hij zeide: "De overtuiging der gemeenteleden moet een toestand in het leven roepen, welke aan die overtuiging de meest passende schijnt." Daarvoor moest de Synode vrijheid van handelen hebben. - Dat klonk toen als hoon. Wat de vrijmaking der kerk in 1852 betekende, heeft weer niemand scherper gezegd dan Groen. Hij noemde ze voortzetting van de slavernij van 1816. Het was 'overlevering aan de Synode'.
Motief daarvoor is mede geweest, dat de staat verdriet kreeg van de richtingsstrijd. Kerkelijke vragen kunnen met burgerlijke middelen niet opgelost worden. Een ministerie van Eredienst bleef voorlopig nog bestaan, omdat dogmatisch getwist op politiek gebied kon overslaan. Maar overigens werd de Synode 'staatserfgename'20 (Groen).
De Synode heeft zich daarnaar gedragen. Zij heeft evenmin kans gezien belijdenisvragen tot oplossing te brengen. Maar haar onwil om het te doen is nog groter geweest dan haar onmacht. Zij wilde besturen en niet belijden. van 1852 tot 1900 is daarmee haar geschiedenis geschreven. Niets is zo karakteristiek voor deze periode als de ontmoeting, aan het eind daarvan, tussen dit burgerlijke bestuurslichaam en Gunning, die alle kerkelijke eeuwen in zich droeg. Daarbij was wederzijds, van tevoren reeds, alle mogelijkheid van begrip uitgesloten. De herinnering aan deze episode uit onze vaderlandse kerkgeschiedenis wekt na zo vele jaren nog schaamte.21
De keerzijde van deze dingen moest zijn, dat de belijdenis gelijk geschakeld werd met de organisatie. Belijdenis en bestuur passen niet bij elkaar; daarom moest de eerste pasklaar gemaakt worden aan de laatste. De classis Amsterdam22 had in 1816 zeer juist gevoeld, dat een bestuursinrichting de een veel beter zou liggen dan de ander. Zij voorzag daarom, dat deze de richtingsstrijd voor correlaat zou blijken te hebben. Groen sprak later van 'confessionelen' en 'reglementairen'.23 Naar zijn overtuiging was de vrijheidsberoving der kerk een partijdige daad. De bestuursinrichting was de kerkvorm van een partij en niet van de hele kerk.
Het woord 'confessioneel' heeft dus oorspronkelijk geen dogmatische, maar een kerkrechtelijke zin. Er was mee bedoeld, dat men een kerkorde begeerde die bij de confessie paste en daarmee samenhing. Een kerkelijke en geen burgerlijke organisatie.
Dat een kerkvorm ten opzichte van de belijdenis niet neutraal kan zijn, bewijst de geschiedenis na 1852 overvloedig. Een burgerlijke kerkorde is van huis uit de vijand van de belijdenis, die ze heet te zullen handhaven.24 Zij heeft tot taak te waken, dat er inzake van leer geen openbare beslissingen vallen, die van invloed zouden kunnen zijn op het openbare leven. Dat de zaken zo staan, kan ieder thans in de Duitse kerkstrijd met handen tasten.
De laatste helft van de negentiende eeuw bewijst voor onze kerk bovendien heel duidelijk dat een onbijbelse kerkorde de belijdenis aanvreet. De belijdenisfunctie onzer kerk in die tijd laat zich beschrijven als een strijd om een paar formules: de belijdenisvragen en de proponentsformule.25 Terwijl deze vroeger bedoelden een maximum te bevestigen, ging het nu steeds meer naar een minimum. De bedoeling van zulke beloften is, dat men zich één verklaart met de leer der profeten en apostelen, met de Twaalf artikelen, met het kerkelijk dogma, met wat in de eigen kerk geleerd wordt. Een formule heeft daarbij slechts een verwijzend karakter. De striktheid en de ruimte moeten geacht worden tot de uitlegging der kerk te behoren, naar pastorale maatstaf. Daartegenover zoekt men ze nu in de formules zelf vast te leggen. - De kerkvader Tertullianus26 sprekende over de geloofsbelijdenis bij de Doop, zegt ergens, dat men daarbij iets meer uitsprak dan de Heer had voorgeschreven. Een zekere liturgische overvloed moest het overvloeien van de mond tot voertuig dienen.27 De formule van de jaren 1852-190028 betekent echter een listige reserve tegenover de waarheid van het Evangelie, die verraadt dat men innerlijk van zins is, daarop af te dingen. Dat is een absoluut ongeestelijke en onkerkelijke houding in de gewichtigste ogenblikken van ambtelijk en gemeentelijk leven. Maar deze houding paste precies bij de kerkorde, waaronder wij leven. Ze is er de keerzijde van.
Wanneer dit proces van burgerlijke betwijfeling der kerkelijke belijdenis omstreeks 1900 is beëindigd, dan kan Sinninghe Damsté29 in 1907 op een vergadering van Vrijzinnig-Hervormden verklaren, dat de Nederlandse Hervormde Kerk rechtstreeks niets meer met de formulieren van enigheid te maken heeft, 'zomin met de geest en de hoofdzaak daarvan, als met de letter,- met geen jota of tittel'. - En ds. D. Bakker,30 in zijn voorwoord voor het enkele jaren geleden verschenen Wij belijden . . .,31 ofschoon niet van het radicale stempel, dat ouderen als Sinninghe Damsté droegen, zegt toch ook dat de Nederlandse Hervormde Kerk in de belijdenisvragen de godsdienstige norm aangeeft, die zij voor het lidmaatschap stelt. Al wat men er verder aan zou toevoegen, noemt hij 'subjectieve willekeur'.
Bakker schrijft, dat het Reglement op het godsdienstonderwijs beantwoording vraagt, 'wat betreft de geest en de hoofdzaak'. Dit is een beminnelijke vergissing in een vrijzinnig-hervormde. Want het is erger. De vragen mogen worden gedaan, wat betreft de geest en de hoofdzaak. Bakkers voorrede maakt geheel de indruk alsof wij nog vaste belijdenisvragen hebben. Maar die hebben wij niet. Prof. Lindeboom, verderop in het boekje, weet dat natuurlijk wel: "De drie vragen zijn een grondslag, een richtsnoer."
De gereserveerde formule, het betwijfelende belijden heeft zich hier zelf opgeheven. Het enige wat nog vaststaat, is het geest en hoofdzaak zelf, de formulering van de gereserveerdheid ten opzichte van de belijdenis. En daaraan hangt nu de liefde der 'reglementairen'. Voor dat 'in geest en hoofdzaak' - aldus prof. Lindeboom -'heeft de beweging der Vrijzinnige Hervormden vóór alles pal te staan.' Deze clausule, die op even burgerlijke wijze - zonder de kerk te horen - in de Reglementen is gekomen32 als het Reglement zelf in 1816, geeft precies aan op welke voet de kerkorde en belijdenis staan in de Nederlandse Hervormde Kerk.
Daarom zou ik alle, ook de vrijzinnige 'reglementairen', willen oproepen, het 'confessionele' standpunt te aanvaarden; confessioneel in de bovenbedoelde, kerkrechtelijke zin. Sommigen hunner zijn een eindweegs daarheen op weg geweest. Hoe onze confessie in dogmatische zin ook moge zijn, wij hebben er allen belang bij, verlost te worden van een kerkorde, die regels stelt op de twijfel en niet op het geloof. Die het plaats hebben van plaatselijke prediking uitstekend ordent, maar verhindert dat het een massaal geluid wordt, dat gevolgen zou kunnen hebben voor het openbare leven. Die er voor zorgt dat er gepreekt wordt, maar zich geen zorgen maakt over wat er gepreekt wordt.
Wanneer men opmerkt het enkele feit, dat er ten opzichte van de belijdenis eigenlijk alleen de woorden geest en hoofdzaak vaststaan, dan is men genoodzaakt daarin het meest overtuigende testimonium paupertatis te zien, dat een kerkorde zichzelf kan geven. Dat het 'allerminst enkel maar een nieuwigheid' is, zoals prof. Lindeboom schrijft in Wij belijden . . ., ontken ik ten sterkste. Ook wanneer dit waar was ten opzichte van het reglement van 1816, waarnaar hij verwijst, dan zou de negentiende eeuw nog als een nieuwelinge staan tussen de andere eeuwen. Maar de vaagheid van 1816 stamt uit een kerkelijke orde, waarvan een bepaald en breed pastoraal belijden de vooronderstelling was. De tegenwoordige onbepaaldheid is bestudeerd verzet tegen een belijdenis-achtergrond. Men heeft die eerst op formule gebracht en daarna de bepaaldheid van die formule opgeheven.
Welk een vreemde noot dat brengt in het kerkelijke denken, blijkt wel uit de oneffenheden, die onze Reglementen op dit punt nog aankleven. Er is nog altijd sprake van belijdenis des geloofs (art. 2 AR.) en van deze vragen (art. 39 Regl. op het godsdienstonderwijs), wat er na de besproken reglementswijzigingen niet meer had mogen blijven staan. Maar de doorsnijding van het verband tussen kerkorde en confessie is een zo openbare anomalie, dat ook de meest verwoede 'reglementair' moeite heeft, het feit recht in de ogen te zien.
Dat is niet alleen het geval uit een oogpunt van belijdenis in engere zin, maar evenzeer liturgisch en oecumenisch. Men behoeft zich slechts in te denken de betekenis, die de belijdenis had in de oude kerk, waar ze als goddelijke openbaring aan de dopelingen werd behandeld. Onder de kerkorde van 1852, waarbij de kerk aan de Synode werd overgeleverd, is dit zo geworden, dat de liturg zich in de belijdenisvragen openbaart.
Ook oecumenisch staart ons de anomalie in het gezicht. Wanneer de belijdenisvragen, gedaan naar geest en hoofdzaak, de godsdienstige norm zijn in de Nederlandse Hervormde Kerk; wanneer dit het enig objectieve is en 'alles wat men er meer aan zou toevoegen' 'subjectieve willekeur' (ds. Bakker), dan staan wij te midden van het oecumenisch belijden wanhopig geïsoleerd. Gelukkig kan een man als Bakker hier niet consequent zijn. Hij schrijft: "Zij (de vrijzinnig hervormden) erkennen de diepe zin van de 12 artikelen des geloofs. Zo goed als van de 3 formulieren van enigheid, die voor hen in de belijdenisvragen dan ook zijn voorondersteld, maar tegelijkertijd toch ook weer opgeheven." Maar dan is ook die vooronderstelling het grote objectieve in de geloofsbelijdenis en al het andere, de particuliere geest en hoofdzaak', is subjectieve willekeur.
Ds. Bakker zit hier in het 'reglementaire' garen verward. Hij wil kerkrechtelijk 'confessioneel' zijn, maar kan het niet. De tragische omstandigheid waaraan hij, en velen met hem, dat te wijten hebben, onthult hij ons zelf. Het is deze, "dat de vrijzinnige hervormden zich, behalve van de Nederlandse Hervormde Kerk, ook deel weten van de aan geen bepaalde kerk gebonden ruime geestelijke gemeenschap van het Vrijzinnig Protestantisme". Deze openhartige bekentenis, die ook prof. Lindeboom op allerlei wijzen telkens uitspreekt, verklaart veel. Wij moeten een kerkorde hebben, die ons oecumenisch isoleert, omdat men, behalve lid van de kerk, ook nog lid is van een richting. Wij offeren onze katholiciteit op aan het humanisme. Groen had toch wel gelijk toen hij zei, dat de organisatie van 1816 niet voor een kerk, maar voor een richting was geschapen.
Onze kerkelijke gezindheid en ons spraakgebruik zijn daardoor in velerlei opzicht bedorven. Ik denk daarbij aan de wijze, waarop men denkt aan en spreekt over onze belijdenisschriften. Onze organisatie en vooral de Synode na 1852 hebben al het mogelijke gedaan om ze achteruit te zetten. De woorden 'formulieren van enigheid' komen noch in 't Algemeen Reglement, noch in enig organiek reglement voor. En waar, zoals in art. 6 van het Reglement voor opzicht en tucht,33 sprake is van de belijdenis der kerk, wordt tussen haakjes naar de belijdenisvragen en de proponentsformule verwezen. Dit gemist-worden van een bepaalde aanhaling kan in een kerkorde iets onopvallends zijn. Maar in onze reglementen is het een wegmoffelen geweest, in verband met het onconfessionele karakter der organisatie. Er heerst in onze reglementen een traditoren-stemming,34 waarbij de kerkelijke boeken worden verraden aan een 'aan geen bepaalde kerk gebonden geestelijke gemeenschap'.
Het accent, dat daarbij op de laatste helft van het woord belijdenisschriften is komen te vallen, mag men gerust taalbederf noemen. Het moet op 'belijdenis' vallen. Dat we van de belijdenissen der zestiende en zeventiende eeuw naar de letter kennis moeten nemen, spreekt wel vanzelf. Dat men daarin een ongunstige klank hoort, is voor goed kerkelijk denken wel heel vreemd. Wij noemen de bijbel toch ook kortweg de Schrift.
2. Het nieuwe kerkelijke front
Waar de dingen zo staan als ik in het vorige hoofdstuk heb zoeken aan te wijzen, is het geen wonder dat ongeveer sedert het begin dezer eeuw zich een nieuw kerkelijk front is beginnen te vormen. De kerkrechtelijke ebbe kon niet op lager peil komen dan ze ± 1888 kwam te staan. Daarbij is echter geen sprake van een directe overwinning van de 'confessionelen' op de 'reglementairen'. De invloeden die hier in het spel zijn, hebben zich owel in het ene als in het andere kamp laten gevoelen. Het is ten slotte geen persoonlijke strijd, maar een geestelijke. Volbloed 'synodalen', zoals men ze - onzaliger gedachtenis - omstreeks 1886 aantrof, zijn bijna niet meer te vinden. Deze ontzettende mentaliteit behoort gelukkig tot het verleden. Overigens zijn de kleuren sterk dooreen gelopen. Er zijn in het kamp der vroegere 'reglementairen', ook onder de vrijzinnigen, velen, wier kerkelijk besef onder de invloed van de lessen der twintigste eeuw zozeer is versterkt,35 dat ze de kerkorde, waaronder wij leven, als een ernstige belemmering voor hun geestelijke arbeid gevoelen. En er zijn anderen die, hoewel door geestelijke ligging van 'confessionelen' huize, in hun liefde voor christelijk belijden sterk geremd worden door angst voor 'geschiedenis'.36 Zij zijn bang, dat de liefde van velen verkouden zal. Het zijn vaak toere, trouwe, stille werkers, die vrezen dat hun langzaam opbouwend werk zal worden gestoord. Dezelfde angst, die de confessionelen koesterden, toen ze gedwongen waren in 1816 de richtingskerk binnen te gaan, bekruipt sommigen hunner als het er op aan komt die weer te verlaten.
Ik denk hier dus, als ik van een nieuw kerkelijk front spreek, niet aan een eenzijdige opschuiving. Ik mag dat niet doen, als ik denk aan de ijver en de toewijding, waarmee sommige vrijzinnigen hebben meegewerkt in de richting, waarin de laatste jaren ons hebben geleid. Maar wel is het mij onmogelijk, zonder bitterheid te denken aan het tweeërlei lidmaatschap, waarover wij ds. Bakker hoorden spreken: één van de kerk en één van een richting. De strijd tegen de organisatie van nu ontleent zijn kracht aan de overtuiging, dat deze geen kerkorde is, maar een burgerlijke orde voor richtingen. Wanneer dat zo is, moet het sommigen wel hard vallen een keuze te doen.
Wanneer we ons rekenschap geven van de krachten, die ons gebracht hebben in de verhoudingen, waarin wij nu staan, dan hebben wij 't eerst aan de zending37 te denken. Zij drijft bij uitnemendheid een kerkelijke arbeid, die zonder belijdenis ondenkbaar is. Zij heeft zich binnen onze kerkelijke organisatie nooit thuis gevoeld, maar heeft van buiten af steeds sterker invloed op de kerk gekregen. Zij is, of men 't zo noemen wil of niet, reeds bezig de kerk te mobiliseren en te reorganiseren. Wanneer wij oecumenische contacten hebben gehad, dan was dat het eerst op de zendingsconferenties in binnen- en buitenland. En gemeentelijk heeft een figuur als bijv. de zendingsdirector Gunning, die zich even thuis voelde op een vergadering in een klein gehucht als op een bijeenkomst van het 'Continuation-Committee', veel bijgedragen om ons de sfeer ener kerk weer nader bij te brengen. De nagedachtenis van deze harde werker en nederige christen zij in zegening.38
De vervelende, maar in haar herhaling grootse bedelarij van Oegstgeest heeft de gemeente belet in te slapen en haar de suggestie bijgebracht, dat er misschien nog werk en toekomst voor haar was. En daar achteraan komt nu weer de actie van dr. Kraemer.39
Op het zendingsfront is de richtingsstrijd bijna automatisch uitgeschakeld. Niet door een geest-en-hoofdzaak-clausule, maar door het belijdend karakter van de arbeid zelf. Het doordringen van de zendingsroeping in de kerk doet steeds krachtiger de behoefte aan reorganisatie gevoelen. Het adres aan de Synode, dat van Oegstgeest uitging, heeft dan ook meer dan persoonlijke betekenis.40
Na de zending volgt onmiddellijk de Oecumenische beweging. Ik behoef daarover niet veel te zeggen. De conferenties te Stockholm en Lausanne in 1925 en 1927 en die te Oxford en Edinburgh41 in het vorige jaar hebben de belangstelling van de hele en medewerking van de halve christenheid gehad. Die van Lausanne en Edinburgh hebben zich beziggehouden juist met de onderwerpen, die bij een reorganisatie betrokken zijn: belijdenis en kerkorde; en het onderling verband tussen beide. Wanneer deze vragen dus bij ons aan de orde komen, dan is dat niet alleen een poging om terug te komen op de geschiedenis der negentiende eeuw; het is geen reactionaire beweging, zoals men het soms voorstelt. Het ligt geheel in de lijn van de kerkgeschiedenis van onze tijd.
Daarom mag men ten opzichte van Lausanne-Edinburgh het order niet terugzetten tegenover het faith. Deze beweging wilde tegemoetkomen aan een behoefte, die reeds te Stockholm gevoeld werd. "Men wilde uitdrukkelijk constateren en onderzoeken in hoeverre het mogelijk zou zijn, tot zekere eenheid van geloof in de vorm van geloofsbelijdenis en ook van kerkinrichting te komen. Want het geloof is de geest der kerken en de kerk is het lichaam van het geloof."a Zij wil dus niet enkel een terugslag zijn op de slordigheid van de negentiende eeuw, voor zover deze de belijdenisfunctie der kerk verwaarloosde, maar ze wil dat zijn in meer volle zin, door ook te protesteren tegen de losmaking van de band tussen belijdenis en kerkorde. Ze komt er tegen op dat de laatste, in onderscheiding van de eerste, geacht zou worden van burgerlijke, althans van betrekkelijk toevallige aard te zijn. Voor haar staat het vast, dat zulk een scheiding voor beide, ook voor de belijdenis, de droevigste gevolgen meebrengt. Daarvan acht ik de geschiedenis van onze kerk, zoals ik die in het vorig hoofdstuk heb geschetst, wel het allerduidelijkste voorbeeld. Zij kan in de Lausanne-beweging, voor de propaganda, als afschrikwekkend voorbeeld dienen. Men zou bijna grafisch kunnen voorstellen hoe het belijdend peil zinkt, naarmate de kerkorde in de slechte richting wordt geperfectioneerd.
Daarom ligt het ook niet in de lijn van het oecumenisch denken om voor d e belijdenis op de Schrift en voor de kerkorde op de praktijk terug te gaan. Het Rapport-Edinburgh-1937 komt tot de slotsom, "dat de moeilijkst te overwinnen hinderpalen die zijn, waarbij elementen van 'geloof' en 'kerkorde' dooreen gemengd zijn".b Dat zal wel waar zijn. Men gaf die uitspraak hier als de uitkomst van een ervaring. Men had haar evengoed als een axioma of als motto helemaal voorop kunnen plaatsen. Want a priori laat zich niets anders verwachten. Terecht schrijft het rapport dan verder, dat de volle wijdte van het verschil inzake kerkvorm "in geen enkel opzicht samenvalt met de tegenstelling tussen episcopale en niet-episcopale kerkorde". Wèl meent men die wijdte te hebben uitgemeten, als men de afstand laat zien tussen hen, die nadruk leggen op de 'goddelijke gegevenheid' en anderen, die dat doen op de 'vrijheid' als 'godsdienstige verplichting'. Let wel, hier is sprake van godsdienstige verplichting.42 Wie op dit standpunt staat, zal zich ook nog rekenschap moeten geven van de band tussen belijdenis en organisatie. Ook hij zal zich moeten verantwoorden tegenover de kerk, de Schrift, tegenover God. Tegen de aanmatiging van de staat om de kerkorde te bepalen, verzet zich het hele oecumenische front. Het verschil gaat over de wijze waarop, en de weg waarlangs men zich tegenover de Schrift, de openbaring Gods, verantwoordt.43 Daarom meen ik ook, dat het tegen de geest der Lausanne-beweging ingaat, als prof. Brouwer de moeilijkheden zoekt te verminderen door een eenzijdige ontspanning in de verhouding van belijdenis en kerkorde. Hij meent dat de verschillende typen van kerkregering zich met hetzelfde recht op de Schrift kunnen beroepen. Hij meent dat het in het belang is van de zaak, waarom het hier gaat, als wij daarvan overtuigd raken. Voor de confessies zou de eis ener godsdienstige verplichting en verantwoording blijven bestaan; voor de kerkorde niet meer. Zuiver zakelijke overwegingen zouden daarbij de doorslag geven.
Voor mijn besef zou, werd deze opvatting geaccepteerd, de oecumenische beweging om hals gebracht zijn. Hier moet ik ook de theoloog-Brouwer tegen de exegeet-Brouwer in bescherming nemen. Het kan zijn bedoeling niet zijn, dat de kerkvorm indifferent is. Hij behoort tot de voorstanders van wat het Rapport-Edinburgh het 'persoonlijke' kerktype noemt, waarbij de vrijheid, bijv. inzake leertucht, als een godsdienstige verplichting wordt beschouwd. Dit verklaart zijn taai verzet tegen het aanhangige Ontwerp.
Maar daarmee kiest ook hij voor een bepaalde kerkorde. En daarvoor zal hij zich tenslotte ook op de Schrift beroepen. Hij vergeet daarbij, of liever hij vergeet het niet, dat ook op deze punten verschil van exegese mogelijk is. Maar daardoor laat hij zich niet van de wijs brengen. Hier zal hij zich op de Schrift beroepen en alle indifferentisme afwijzen. Hij zal nooit willen toegeven, dat men op grond van de Schrift evengoed tot leertucht als tot zijn opvatting kan komen.
Waarom dan wel op die andere punten? Omdat die hem, als voorstander van het 'persoonlijke' kerktype, niet voldoende interesseren. Deden ze dat, zoals hij zich interesseert voor al-of-geen leertucht, dan zou hij ook hier niet alleen exegeet, maar ook theoloog willen zijn. Hij zou geen 'verkorte' bijbel44 geven in deze zin, dat de teksten, die op kerkorde betrekking hebben, te onduidelijk zijn om canoniek te kunnen heten. Hij zou een theologische exegese van de gegevens der Schrift omtrent kerkorde blijven eisen, evengoed als van die omtrent de tucht; dwz. een uitlegging door de Heilige Geest, waarbij de hele kerk en de hele belijdenis betrokken zijn, in verleden en heden. Zulk een eis laat men varen, zodra men op litterairexegetische gronden bij voorbaat verklaart, dat de éne uitlegging even gewettigd is als de andere. Men krijgt dan een letterkunstige enclave op theologisch gebied, waar de volle werking des Geestes niet meer merkbaar is. De zakelijke overwegingen, die daar gelden, zullen geen volledig kerkelijk en theologisch karakter meer dragen en ieder kan vooruit raden wat daarvan, in de huidige wereldcrisis, de gevolgen zullen zijn. De kerk zal een niemandsland zijn, waarop verschillende theologische richtingen hun uitvallen doen, tot de staat er ten slotte beslag op legt.
De Lausanne-beweging, in haar jongste rapport, wil non tali auxilioc gediend worden. Zij ontkent de moeilijkheden niet. Maar hoopt dat ze, onder leidin van de Heilige Geest op Gods tijd mogen worden overwonnen'. Inderdaad, theologische en kerkelijke vragen eisen een beslissing. Daarom wil de oecumenische beweging in eerste instantie het kerkbesef versterken en niet verzwakken. Zij weet dat een verzwakking van dat besef ook de kracht der belijdenis aantast. De richtingsstrijd op hoger plan45 brengen is slechts mogelijk door haar op te heffen in de kerkelijke belijdenis. ⚑Dat de dingen zo liggen, blijkt ook heel duidelijk uit de geschiedenis van Kerkopbouw. Tweeërlei heeft aanleiding gegeven tot de oprichting van deze vereniging. De Lambeth-conferentie en de oprichting van Kerkherstel.46 Het eerste meer positief, het andere meer negatief. Wie deze geschiedenis heeft meegemaakt, weet, dat het negatieve, zoals zo vaak, vooral niet minder gewerkt heeft dan het positieve. De kerkorde heeft in de belangstelling bij de belijdenis niet achtergestaan. De arbeid ten opzichte van de laatste is wel de meest intensieve geweest, niettegenstaande de herhaalde herinnering, dat het slechts één van de vijftien punten was.47
Naast de zending en de oecumenische beweging moet de Liturgische Vereniging48 genoemd worden. Het is al lang geleden, dat dr. J. H. Gunning JHzn.49 en dr. Kuyper50 zich met deze onderwerpen bezighielden. Deze belangstelling was echter nog meer van persoonlijke aard. Ze kwam op tegen de verwaarlozing der vormen en tegen de individuele willekeur. De slordigheid, die hier was ingedrongen, gaf daarvoor voldoende verklaring.
Thans echter schuilt er meer51 achter de arbeid aan de liturgie. Hij komt voort uit een sterke verlevendiging van het kerkelijk besef en een nieuwe liefde voor kerkelijke vormen; voor kerkorde in de ruimste zin. Maar daarmede is tevens gezegd, dat het daarbij eveneens om de belijdenis gaat, evenals bij de Lausanne-beweging. Het gaat om belijdenis en liturgie in onderling verband; om het wezen van de eredienst.
Daarom is het absoluut niet zeker, en zelfs niet waarschijnlijk, dat een weelderige vormen-rijkdom het resultaat zal zijn. De liturgische beweging kan, na een begrijpelijke katholiserende expansie, evengoed terugkeren tot uiterst eenvoudige vormen, in overeenstemming met de gereformeerde religie. Maar zeker is, dat zij het kerkelijk besef uitermate versterkt. Zij brengt inzonderheid vele jongeren, die zich een tijdlang beter thuis voelden in de open lucht, weer binnen de kerkmuren terug. En zij leert hen om zich van die vormen te bedienen, die tegenover Schrift en belijdenis verantwoord zijn. Burgerlijke vormen zijn in het bijzonder de moderne liturg een gruwel.
Dit alles zou reeds voldoende zijn om van een nieuw kerkelijk front te doen spreken. Daarbij komen dan echter in de allerlaatste tijd nog twee verschijnselen van meer dynamische aard: de invloed van de kerkstrijd in Duitsland en de Groepsbeweging. De samenvoeging lijkt heel wonderlijk Wat heeft Barth52 met Buchman te maken? De belijdenisbeweging in Duitsland lijkt een zwakke poging van een kerk, om zich staande te houden. De Buchman-beweging53 wil een wereldrevolutie zijn, niet op verdediging, maar op verovering uit. Toch zijn beide te vergelijken om de dynamiek, die ze ontwikkelen. Ik ben geneigd de kracht van de eerste hoger aan te slaan dan die van de laatste. Zij wordt ontwikkeld onder het kruis; ze gaat uit in de weg van gehoorzaamheid zonder meer; zij zetelt in het centrum van de Evangelieverkondiging en ze demonstreert ons de grenzen van het burgerlijke. Dit alles kan de groepsbeweging niet aanwijzen. En dit onderscheid openbaart aan velen in onze tijd, die gereed waren ten opzichte van de kerk over te gaan tot de orde van de dag, weer opnieuw haar betekenis. Menigeen, wiens voeten bijna uitgegleden waren (Ps. 73 : 2), voelde daardoor weer iets van de grond, waarop alle dingen rusten. De gevangenschap van ds. Niemöller,54 een stukje 'gewone' pastorale geschiedenis, doet meer dan een gigantische houseparty.
Het scheen mij nodig om, nu de Synode haar eigen doodvonnis getekend heeft55 en haar goedkeuring heeft gehecht aan wat op grond van het bekende akkoord56 tussen twee verenigingen was voorgesteld, mijzelf en de lezer rekenschap te geven van wat daar achter schuilt. Dr. Beerens schreef in het februari-nummer van Kerkopbouw: "Daarom geloof ik, dat het hele ontwerp prematuur is. Het is het produkt van het moeizame overleg van knappe, goedwillende theologen, maar het is niet opgekomen uit de boezem der kerk ... Maar het is er nu eenmaal." Dr. Beerens is geen tegenstander van reorganisatie en een zeer welwillend man. Deze uitlating kwam ruim zoveel uit zijn onderbewustzijn als uit zijn bewustzijn. Maar daarom juist schreef ik ze hier uit; ze is typerend voor veler, ik zou haast zeggen, passief verzet tegen iedere reorganisatie. De Synode van vroeger jaren had daarvoor een vaste formule: de tijd is er niet rijp voor.
Men kan over dat verzet niet billijk oordelen, als men zich ontveinst, dat men het zelf ook in zich draagt. Wij zijn hervormd; dwz., wij zijn, al zijn wij kerkrechtelijk 'confessioneel' en niet 'reglementair', al zijn wij niet 'synodaal', toch na 1886 nog hervormd. Wij hebben nu al meer dan vijftig jaren voorbij laten gaan, zonder met de organisatie van 1816 te breken. Zelf heb ik de laatste jaren meer dan eenmaal geschreven, dat die halve eeuw wachten niet tevergeefs mocht zijn. We zochten een andere oplossing van het kerkelijk vraagstuk dan Kuyper vond. Kan dit thans, vraagt men ons, niet tot een herhaling van 1886 leiden? En gesteld al, zo vraagt men verder, dat er een voldoend aantal nieuwe bepalingen in het Ontwerp staan, zal de gemeente, die ze hanteren moet, daarvan dan het rechte gebruik maken?
Het eerste wat ik hier ter beantwoording van die vraag zou willen doen is: wijzen op het nieuwe kerkelijke front dat ik heb trachten te tekenen. De Doleantie van 1886 is geboren uit een opzettelijke en acute toespitsing van de tegenstelling: 'confessioneel' en 'reglementair'. Van een dergelijk uitlokken van een conflict is thans geen spoor te ontdekken. Integendeel, de Synode zelf stelt voor de wet te verzetten. En daarmee is aan de meest extreme eisen van politieken en kerkelijken, als minister Van Lynden57 in 1869 en dr. Bronsveld58 in De Stemmen van 1870, voldaan. Die eis klonk Groen toen in de oren als een oppervlakkig spreken over kwesties, die het volksgeweten raken, omdat een abdicatie van de Synode ondenkbaar leek. De éne conclusie uit dit conflict tussen belijdenis en kerkorde in het volksgeweten heeft Kuyper in 1886 getrokken. De tegenovergestelde trok de Synode thans. In 1886 week de belijdenis uit voor de burgerlijke kerkorde. Thans wijkt deze kerkorde voor de belijdenis.
Wij hebben dan toch niet vergeefs gewacht. Maar heel deze omzetting van de situatie zou schijn kunnen zijn, als het een zaak van verovering der besturen geweest was. Van zulk een campagne is mij echter niets bekend. Deze verandering wordt gedragen door kerkelijke bewegingen, waarvan in 1886 nog nauwelijks een spoor te ontdekken viel. En deze bewegingen, zoals ik ze boven heb aangewezen, zijn zonder uitzondering van oecumenische aard. Niets herinnert hier aan een uitgelokt plaatselijk conflict. Het zijn grote geestelijke golven, die met brede slag komen aanrollen om het scheepke der kerk van het anker te lichten. Een nieuw canoniek recht kondigt zijn wording aan, waarvan de controle binnen korte tijd wel aan provinciale besturen zal ontsnappen.59
Wat de opstellers van het Ontwerp60 te doen hadden was, in bescheiden mate aansluiting te zoeken aan deze nieuwe situatie. Daarbij moesten ze heel sober blijven. Ze moesten van het oude gereformeerde kerkrecht uitgaan en konden slechts hier en daar iets aanbrengen, wat als orgaan moet dienen om naar de toekomst vooruit te grijpen.
Ten eerste moest een aanvulling van de presbyteriale kerkorde worden aangebracht, die duidelijk het katholieke, pastorale bedoelen, ook tegenover 1886, tot uiting bracht. Als zodanig is het instituut van de kerkvisitator bedoeld. Daarnaast gaf de opstelling van het nieuwe, kerkelijke front als vanzelf aan, waar een innovatie moest plaatshebben. De beide volgende hoofdstukken handelen over het oude en het nieuwe in het Ontwerp.
3. Presbyteriale kerkorde
In het vorige hoofdstuk kwamen wij tot de slotsom, dat de reorganisatie op sobere wijze moet te werk gaan. De gedachte dat wij zouden overgaan tot een ander type van kerkelijke samenleving, is bij het hele overleg, met aller instemming, van te voren uitgesloten geweest. Dit berustte op de overtuiging dat wij aan het bestaande type gebonden zijn. Over de aard dier gebondenheid bestaat, gegeven de grote bewegingen waarover ik gesproken heb, begrijpelijkerwijze verschil.
De invloed die er, in reorganiserende zin, uitgaat van de zending, de Oecumenische beweging, de Liturgische Vereniging, de belijdeniskerk in Duitsland kan niet anders dan invloed uitoefenen op de voorstellingen en wensen ten opzichte van kerkinrichting. Des te meer echter klemde hier de eis om bepaalde wensen ondergeschikt te maken aan het hoofddoel: de kerk te bevrijden van haar bestuursinrichting. De diepere zin van die bevrijding heeft Gunning vroeger zo geformuleerd, dat het ging om 's Heren heerschappij in de kerk.61 Wie echter de bestuursinrichting verwijdert, vindt daaronder een gereformeerde kerk van het presbyteriale type.
Daaraan waren wij derhalve gebonden. Dat die binding verschillend kan worden geïnterpreteerd, is al opgemerkt. Mits de eis van kerkelijk denken, dat er verband is tussen belijdenis en organisatie, worde vastgehouden. Ik heb vroeger geschreven dat de kerkorde niet met dezelfde geestelijke macht uit de Schrift wordt afgeleid als het sola fide.d Maar de afleiding uit de bijbel dient vastgehouden. In de onder aan deze pagina genoemde brochure sprak ik reeds van pneumatische exegese.e
Wanneer wij het presbyteriale stelsel aanvaarden, komt onmiddellijk de vraag van de democratie naar voren. Hier en daar schijnt men als bezwaar tegen het Ontwerp in te brengen dat, terwijl men alom de volksheerschappij gedaan heeft gegeven, wij haar ter twaalfden ure in de kerk zouden zoeken binnen te halen.
Een groter verwarring tussen kerkelijke en politieke begrippen lijkt mij nauwelijks mogelijk. Dat ik er hier op inga, gebeurt dan ook alleen, omdat er nog één en ander meer mee in verband staat. Op zichzelf kan een kerkinrichting met democratie nooit iets te maken hebben, omdat die laatste tot een heel andere sfeer behoort. Wanneer gelovigen bijeenkomen om te spreken over prediking, zielszorg, armenzorg, belijdenis, zending, gemeenschap, dan moet de manier waarop dat gebeurt altijd hemelsbreed verschillen van die, waarop men handelt over koloniën, waterstaat, leger en vloot. Het verwijt van democratie komt dan ook hierop neer, dat de presbyteriale kerkorde is, en altijd geweest is, een burgerlijke orde evengoed als de organisatie van 1816 en dat men beide tegelijk moet afwerpen, om tot het episcopale stelsel terug te keren. Dit zal echter door heel weinigen van onze zegslieden bedoeld zijn. Integendeel, men wil wel kerkelijke vergaderingen die praten over rekeningen, statistieken, reglementsartikelen enz., maar gene die zich bezighouden met geestelijke dingen. Dat is overleefde 'synodale' geest. Zulke meningen behoorden onder een nieuwe orde allereerst onder de tucht te vallen.
Een andere vraag is of de presbyteriale kerkorde in vroeger eeuw niet soms, onder burgerlijke invloed, iets van haar integrale kerkelijkheid heeft ingeboet. Of niet sommige vormen van staatkundig verkeer door haar ten onrechte zijn overgenomen. Ik denk hier aan het bezwaar van ds. Lingbeek in zijn brochure niet zulk een Reorganisatie. Hij beroept zich daarop art. 33 van de Dortse Kerkorde,62⚑ waar sprake is van een lastbrief,63 die de leden ener kerkelijke vergadering nodig hadden. Uit het ontbreken daarvan in het reorganisatie-voorstel concludeert de schrijver, dat de meerdere vergaderingen daarin feitelijk weer niets anders dan besturen zouden zijn. Prof. Scholten heeft, op de predikanten-vergadering te Utrecht,64 daarop reeds geattendeerd. Hij merkte op, dat het meerderheidsbeginsel hier zonder enige grond verheven werd ten koste van de vertegenwoordiging en dat de Heilige Geest evengoed met de hogere vergadering kan zijn als met de lagere.f Inderdaad zet ds. Lingbeek hier de dingen op de kop. Het synodaalwezen heeft in de eeuw voor de Reformatie, in de Roomse Kerk, reeds een nationaal-politieke inzinking ondergaan. De conciliën worden kerkelijke parlementen, waartoe men wordt afgevaardigd.g Vroeger had een synode een veel meer ambtelijk karakter. Dit parlementarisme heeft na de Reformatie doorgewerkt. Bij de kerken onder het kruis kon dat uit de aard der zaak niet het geval zijn. Een martelaar is nooit afgevaardigde. Maar onder nze Republiek is dit wel weer het geval geweest. Voetius offert nog meer op dit altaar dan de Dordtse Kerkorde.h Ds. Lingbeek is hier ver van de lijn van Gunning afgekomen. Hij voert de taal van Cannegieter c.s., die in 190265 als rapporteurs in de Synode, aan Gunning c.s. antwoordden: "gij wilt een andere Bestuursinrichting".i
Of een college kerkelijke macht zal hebben of in burgerlijke zin een bestuur moet heten, hangt bovenal af van de dingen waarmee het zich mag bezighouden. Onze colleges mogen besluiten in bestuurszaken, beslissen in geschillen en uitspraken doen in zaken van kerkelijke orde. Maar ze kunnen geen belijdenis doen en geen tucht oefenen in hogere zin. Dat is hun bij de instelling ook uitdrukkelijk verboden.
Er zijn dingen waarmee men zich alleen ambtelijk kan bezighouden, volgens hogere opdracht. Een preek kan iemand als bestuurslid niet houden; hij moet daartoe van God en de gemeente geroepen zijn. Pas dit ambtelijke ontheft hem van de bestuurlijkheid, van de burgerlijkheid. De ouderling in de regering; de diaken in de barmhartigheid.
Het ligt niet in ons bereik, dit ambtelijke in een hogere macht te verheffen. Wij kunnen niet van vele ouderlingen een groot-ouderling, van vele predikanten een groot-predikant maken. Het bestuurlijke blijft een gevaar, dat altijd dreigt in onze kerkelijke vergaderingen. Maar daarom is het juist een misdaad om het tot regel te maken en de ambten daaronder te plaatsen. De oorspronkelijke synode is een uitbreiding van de gemeente; een te hulp roepen van andere herders, regeerders, die eveneens van God geroepen zijn. En zo zien wij soms in de kerkgeschiedenis het samenstromen van het pastoraat voor een historische ambtelijke daad. Dat was Nicea; dat waren Wesel en Embden; dat was Dordrecht, niettegenstaande de lastbrief. Zo zien wij het nu weer in Duitsland. Dat is het patroon voor een kerkelijke vergadering. Het Ontwerp is daarom, als ik het zo noemen mag, zuinig bij de ambten geweest. Er zijn geen nieuwe gecreëerd. Op de kerkvisitatoren kom ik later terug. Hier wil ik er alleen op wijzen, dat wij geen ambten doctor, zendeling, vrouwj - hebben geïmproviseerd, omdat het hier een belang geldt, waarbij de diepste sferen der kerk in beweging komen. Wie de bestuursinrichting verwijdert, ontdekt daaronder drie ambten.
In verband met de tegenstelling van bestuur en ambt moet hier nog ter sprake komen de verhouding van predikant en ouderling. In het Ontwerp is daarvan sprake in art. 30 van het AR.66 De nadruk wordt daar gelegd op 'ieders ambtelijke verantwoordelijkheid'. Daarvoor is goede reden. De reorganisatie is vaak gelijkgesteld met herstel van de classicale vergaderingen. Men kan echter bijna evengoed zeggen: herstel van de kerkeraden. Dit valt minder op, omdat men ambtelijk in de kerkeraad zit en er, om mee te helpen besturen, niet in behoeft gekozen te worden, zoals in 't classicaal bestuur. Maar in werkelijkheid is de kerkeraad ten dele ook een bestuur geworden. De ouderling werd bijna geheel bestuurslid; als gevolg van het feit dat hij zijn oorspronkelijke ambtelijke werkkring schiergeheel verloor.
Voor een kerkorde, die presbyteriaal heet en dus naar de ouderling genoemd wordt, is dat wat erg onnatuurlijk. Reorganisatie moet hier inzetten. Als de ouderling bestuurslid is, wordt de predikant ambtenaar. Dit gevaar dreigt vooral in de Gereformeerde Kerken na 1886. Maar het is reeds veel vroeger ontstaan, lang voor 1816. De werkkring, die Calvijn voor de ouderling had afgebakend, het constitueren van de gemeente,k kwam achterop te staan. En in plaats daarvan werd hij de man die, vermoedelijk uit.kerkelijke concurrentie met de politieke heren, moest toezien op de predikant. Naarmate zijn eigen ambtelijke verantwoordelijkheid inkromp, nam deze bestuurlijke functie de overhand; althans in de theorie. Een volledige praktische doorvoering zou geleid hebben tot een totale ondermijning van het presbyteriale stelsel. De ambtelijke kerkinrichting ware dan in de kerkeraad door de bestuurlijke vervangen. ⚑De ambten in de kerk mogen niet op elkander gericht zijn.67 Hun werking richt zich naar buiten op onderscheiden terrein en zo alleen kan het presbyteriale systeem zijn kerkelijke aard zuiver bewaren. De onderscheiding die Paulus in 1 Kor. 12 ten opzichte van de geestelijke gaven maakt, als hij ze vergelijkt met hand en voet, geldt ook van de ambten. Een zekere mystische eenheid blijft daarbij echter voorondersteld.
Het bijzondere van de presbyteriale kerkorde was dit, dat er een ambt was voor de bearbeiding van het terrein tussen de huiselijke en de openbare godsdienstoefening; tussen het huiselijk godsdienstonderwijs en de catechisatie; tussen het gezin en de gemeente. Dat was het werk van de ouderling.
Dat er zulk een afzonderlijk ambt bestaat, om de gemeente geregeld uit de gezinnen op te bouwen, is van grote betekenis. Het stempelt een gereformeerde kerk in de goede zin des woords tot een volkskerk. In die naam ligt niet opgesloten, dat ieder door geboorte in de kerk recht heeft, zondei op het geloof te letten. Maar wel dat de kerk, zoveel in haar is, met behoud van de tucht, de weg van het gezin naar de gemeente, van het natuurlijke naar het geestelijke, effent en daar zelfs een apart ambt voor heeft. De ouderling is dan ook, als hij zijn ambt goed waarneemt, niet een belijdenisboeman, wat hij kan worden als hij tot bestuurslid in de kerkeraad ontaardt, Neen, in zijn werk komt de verbondsgedachte het meest naar voren. Hij is de exponent van de kerkorde, voor zover deze het correlaat is van de belijdenis.
Een volkskerk, die deze binding mist, verwildert. Zij is een stad zonder muur, een tuin zonder schutting. Maar daardoor straks ook een volkskerk zonder volk. Want de presbyteriale kerkorde, met haar ambt tussen huis en kerk, heeft een beter middel om een gemeente te bouwen dan iedere andere.
Dat wij deze presbyteriale orde nodig hebben, blijkt op allerlei wijze. Overal, op conferenties, in kampen, onder werklozen, ziet men verschijnen wat ik nood-ouderlingen zou willen noemen; wier werk het is, aan een kring iets geestelijks, iets van een kerk te geven.
Slechts wanneer deze presbyteriale omtuining er is, kan ook de prediking pas goed pastoraal zijn. Anders wordt de predikant licht propagandist. De predikstoel staat in de hervormde kerken in het doophek en deze plaats is symbool van onze kerkorde. Het is de wereldhistorische daad van Calvijn, de gemeente zo te hebben ingericht. Het gereformeerde protestantisme draagt daardoor een katholiek karakter.
Wanneer men het woord 'volkskerk' gebruikt, dan mag men dus de binding, die daarin ligt opgesloten, nooit uit het oog verliezen. Prof. Brouwer heeft kort geledenl een weergave van mijn opvatting gegeven, die ik niet geheel kan onderschrijven. Hij schrijft, dat volgens mijn voorstelling het kerkvolk door de ouderling vertegenwoordigd wordt. Hier schuilt een misverstand. In het verslag van mijn lezingen over Reorganisatie, te Zutfen, staat dat ook niet te lezen. - Ook merk ik tegen prof. Brouwer op, dat ook bij mij de Hervormde Kerk in andere zin volkskerk is dan de Gereformeerde Kerken. Wel betrek ik, zoals uit het bovenstaande blijkt, de ouderling in de volkskerk-gedachte, maar niet als vertegenwoordiger van het volk, wat hem een bestuursfunctie zou geven; als men het tenminste niet mystiek opvat, in de zin van het bevestigingsformulier. Deze mystieke inslag verbindt hem echter niet met het volk, maar met de herder der gemeente, met wie hij samen de gemeente 'vertoont'.68
4. De uitbouw der kerkorde
In dit hoofdstuk wil ik de aandacht vestigen op die artikelen van het Ontwerp, die men als een uitbouw van de presbyteriale kerkorde kan beschouwen. Ik heb de redenen reeds genoemd, waarom de veranderingen van betrekkelijk bescheiden formaat moesten blijven. Hoofdzaak is de verwijdering der bestuursinrichting en het herstel van het belijdend karakter der kerk.
Daarnaast deed zich als noodzaak een nadere regeling van opzicht en tucht gelden, omdat wij, hervormden, de belijdenis niet als wet, niet op zichzelf, maar als beginsel-van-kerkorde wensen te handhaven. Waren het allemaal straatpredikers, dan behoefde de belijdenis niet gehandhaafd te worden. Ieder deed dan rekenschap voor zichzelf. - Maar uit dat verband tussen belijdenis en orde blijkt dan ook dat bij de handhaving het wezen van een kerkorde ook meespreekt. Zij is het middel, waardoor kerk en volk verbonden worden tot volkskerk. Wij hebben gezien dat het presbyteriaal systeem daar zelfs een afzonderlijk ambt voor heeft. En dit zal bij de regeling van opzicht en tucht van grote invloed moeten zijn.
Na dit tweede principiële punt komen dan de eisen, wensen en mogelijkheden in verband met de nood en de taak, waarvoor de kerk zich in onze tijd gesteld ziet. Calvijn noemde dat 'de stand van zaken',69 waarmee hij rekening hield. Hier was dan plaats voor een plan. - De commissie heeft daarvan, om begrijpelijke redenen, een spaarzaam gebruik gemaakt. Door haar band met de belijdenis is elke kerkorde sterk bepaald. Het instellen van nieuwe ambten zou niet alleen hare bevoegdheid ver te boven gegaan zijn, maar evengoed die van een kerkvergadering, als deze niet zeker was van een nieuwe uitlegging der Heilige Schrift, en van de zalving des Heiligen Geestes.
Wel behoorden in het Ontwerp, zoals dat ook reeds in het Rapport van Kerkopbouw was gebeurd, nieuwe diensten te worden ingebouwd. Geestelijke arbeid, in verband met de belijdenis, die onder de besturen niet kon tieren, moest in de nieuwe organisatie de aanknopingspunten kunnen vinden, waaraan ze zich kon oriënteren. Allereerst moet daarbij aan de zending gedacht worden. Ik heb er reeds op gewezen, dat zij zich zelf reeds ver in de kerk heeft ingebouwd en daarmee tevens een reorganiserende kracht in de kerk is geworden. Maar ze bleef toch, als het er op aan kwam, een soort zendingskerk naast de kerk. Het is nu vooral dr. Kraemer, die het onhoudbare daarvan, uit een bijbels en confessioneel oogpunt, heeft ingezien en betoogd. De kracht, waarmee de zending thans organisatorisch indringt in de kerk, dreigt alleen reeds aan de bestuursorganisatie een einde te maken. Het is ondenkbaar dat de kerk met het oog op de uitwendige zending een bijbelse en confessionele organisatie zou krijgen en dat ze die voor haar eigen prediking en arbeid zou missen. De actie-Kraemer leidt in de classes tot onwaarschijnlijke, paradoxale toestanden.
In het Ontwerp is nu de zending classicaal en synodaal ingeschakeld.70 De artikelen, die daarover handelen, moet men niet enkel als drukinkt wat het zal betekenen als de aanzien, maar men moet zich realiseren zendingsmannen, met hun kosmische visie en oecumenische relaties, niet meer als gasten en vreemdelingen, maar als huisgenoten op onze kerkelijke vergaderingen zullen verkeren. Men moet het Reorganisatie-ontwerp op zulke perspectieven eens aanzien, in plaats van, met een vergrootglas, de plaats van een komma na te speuren. Wanneer men bedenkt, dat de behartiging van de zending pas in 1909 in art. 11 van het AR. is opgenomen, dan spreekt dat boekdelen.
Na de uitwendige zending volgt dadelijk de inwendige. Daarvoor is in het Ontwerp nog een andere plaats ingeruimd71 dan aan de uitwendige. Ze is tot een vaste tak van dienst gemaakt in gemeenten van 2000 zielen en daarboven. Niet in aansluiting aan bestaande organisaties, die op Oegstgeest lijken, maar voor iedere gemeente apart bedoeld. - Ik denk hier aan het in art. 29 AR. bepaalde, waar verwezen wordt naar art. 26a. Daar is sprake van die leden der kerk, die van de kerk zijn vervreemd of dreigen te vervreemden. Art. 29 bepaalt, dat met het oog daarop door de kerkeraad een commissie zal worden benoemd en dat deze zich in verbinding zal kunnen stellen met kringen van gemeenteleden en personen, die reeds op dat gebied werkzaam zijn.
Dat is een belangrijke uitbouw van de presbyteriale kerkorde. Daarin ligt een erkenning van de charismatische begaafdheid van personen en kringen in de gemeente, waarmee de ambtsdragers rekening houden. Het is een zijde van het kerkelijk leven, die lange tijd weinig de aandacht heeft gehad en waarmee de historische presbyteriale kerkorden weinig rekening houden. ⚑Ik moge hier verwijzen naar wat ik schreef in de Toelichting op het Ontwerp van Kerkopbouw, die ik in 1933 gaf. Wat ik toen schreef wordt nogal eens aangehaald door tegenstanders van het thans aanhangige voorstel. Zo in de pas verschenen brochure van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden in Nederland.m In genoemde Toelichting onderscheidde ik drie mogelijkheden voor het instituut van de huisgemeente. Het kon ten eerste dienen bij confessionele en psychologische verschillen. Een derde mogelijkheid trok mij echter het meest aan. Ik schreef:n "De eigenlijke perspectieven opent het instituut mij echter in een derde richting. Art. 44 van onso Algemeen Reglement bevat de bepaling: 'De Kerkeraad ener plaatselijke gemeente kan het initiatief nemen tot vorming ener huisgemeente.' En in de toelichting bij art. 39 wordt gezegd, dat het een schuld der kerk zocht te delgen en moet beschouwd worden in verband met de ontredderde kerkelijke werkelijkheid. Dit is het wat ik de uitbouw der gemeente onder de schare noem. Reeds nu kan een predikant voor bijzondere werkzaamheden worden beroepen (art. 20 al. 2 en 3 van het Syn. Alg. Regl.). Maar van een kerkelijke organisatie van de kring waarin hij werken moet weet de kerk tot dusverre niet. Hierin voorzien nu de artikelen op de huisgemeenten.
In dit geval staat de instelling niet min of meer tegenover de cultusgemeente, maar werkt als een nieuw orgaan der plaatselijke kerk. Er zijn kringen waarvan met vrij grote zekerheid kan worden gezegd, dat zij binnen afzienbare tijd niet te winnen zullen zijn voor deelneming aan het gewone gemeenteleven. Zij staan met vermeende of werkelijke grieven ter zijde. Hun bezwaren zullen in onze tijd vaak meer met politieke en sociale gevoelens samenhangen dan met traditioneel-godsdienstige. Bij de toenemende behoefte aan geestelijke concentratie is het niet uitgesloten dat ze kringvorming, in meer zijdelings verband met de kerk, onder bepaalde voor hen aannemelijke leiding, niet van de hand zullen wijzen."
Tot zover mijn Toelichting van 1933. Ik stel er prijs op, daaraan nu nog eens te herinneren. Ten eerste omdat er uit blijkt, dat toen reeds de zendingsgedachte in de huisgemeente bij mij vooropstond. En in de tweede plaats omdat men uit art. 29 van het Ontwerp- 1938 kan zien, dat dat aspect van de huisgemeente in het nieuwe plan is overgegaan. En dat niet in overgangsbepalingen, maar in het AR. zelf. Daaruit blijkt zonneklaar, dat wij aan de zendingsgedachte van Kerkopbouw niet ontrouw zijn geworden.
Deze organisatie van de charismata, waarbij de kerk contact zoekt met "kringen van gemeenteleden en personen, die reeds op dit gebiedp werkzaam zijn" (art. 29 AR.), betekent een belangrijke uitbouw van de presbyteriale kerkorde. "Wanneer dan de nieuwe kerkorde meer dan vroeger een reglementering van het ambt der gelovigen zal zijn en het lekenelement daarin meer zal worden gemobiliseerd, zodat enerzijds het gevaar van een benadering der politieke orde toeneemt, dan moet anderzijds blijken, dat zij zich door deze ontwikkeling daarvan verwijdert. Wanneer de kerk niet meer zuiver geografisch en parochiaal wordt opgevat, maar ook belangrijke geestelijke lekencorporaties in haar verband worden opgenomen, dan zal haar wijze van zakenbehandeling daardoor sterk gewijzigd worden."q In de thans aanhangige voorstellen is deze organisatie van de charismata, bel halve in art. 29 AR., ook elders op vele plaatsen ter hand genomen, waar commissies van lekenwerkers op grote schaal in de classicale en synodale arbeid zijn ingeschakeld.
Dit Ontwerp heeft dus, ook al mocht het geen nieuwe ambten scheppen, veel aandacht geschonken aan de regeling van de diensten.
In andere richting is naar uitzetting van de kerkelijke ruimte gezocht in art. 9 AR. Daarin wordt voorgeschreven, dat kerkelijke vergaderingen met verenigingen of groepen, die zich in het bijzonder de behartiging van een deel van hetgeen in art. 872 genoemd wordt ten doel hebben gesteld, verband kunnen zoeken. Hierbij is gedacht aan geestelijke bewegingen, die volgens een bepaalde regel hun aandacht richten op een stuk van het Credo of de wet of het gebed, die de kerk in hun geheel in haar belijdenis heeft opgenomen.r In de Roomse Kerk neemt het ordewezen een geweldige plaats in. Wij hebben in onze kerk daarvan eigenlijk slechts dit over, dat ons hoogste kerkbestuur zich soms laat vertegenwoordigen op belangrijke bijeenkomsten van niet strikt kerkelijke aard. De kerk presenteert dan haar visitekaartje. - In het Ontwerp is nu voor iedere kerkelijke vergadering, van de Kerkeraad tot de Synode, de mogelijkheid geschapen om, zowel plaatselijk als algemeen, 'tot meer duurzame betrekkingen te komen' (art. 9) met wat men een orde kan noemen. - Daarbij kan men denken aan machtige bewegingen als die van de Groep.
Het kerkelijk leven is door zijn plaatselijke en ambtelijke bepaaldheid tot een zekere statische houding en een rust der veelzijdigheid gedwongen. De christenheid heeft soms nodig, zich op één of meer bepaalde punten krachtiger en enthousiaster uit te leven, dan dit in het gewone verband mogelijk is. Verenigingen of groepen, die daaraan gevolg geven, worden gemakkelijk van de kerk vervreemd. Het Ontwerp voorziet in een mogelijk contact; een incorporering in de kerkelijke ruimte.
Het bovenstaande bewijst dat, al moest bij de opstelling van dit reorganisatie-plan het zwaarste ook het zwaarste wegen; al moest de verwijdering der besturen het hoofddoel zijn, om de kerkelijke zelfverlaging te doen ophouden, er toch ernstig naar gestreefd is, de pastorale katholiciteit, de presbyteriale volkskerkgedachte, in overeenstemming met de noden des tijds en de formatie van het nieuwe kerkelijke front tot uitdrukking te brengen. Wie oog heeft voor de grenzen tussen mogelijkheid en werkelijkheid, zal niet kunnen ontkennen dat, al moest uit de aard der zaak de presbyteriale kerkvorm bewaard blijven, in dit Ontwerp heel wat te zien is van de 'verlenging' van de figuur der kerk en de 'wanorde',73 die ik in 1932 en 1933 als eis stelde. Niet het minst als men het Ontwerp in dat opzicht vergelijkt met de burgerlijke netheid van onze tegenwoordige Reglementen.
5. De belijdenis
De belijdenis als zodanig, dwz. een afzonderlijk artikel, waarin het geloof der kerk regelrecht tot uitdrukking wordt gebracht, behoort in een kerkorde niet thuis. Men vervalt daarbij noodzakelijkerwijze in de fout, dat een of ander stuk van het Credo als hoofdzaak naar voren wordt gebracht. Of, dat de belijdenis in haar geheel op formule wordt gesteld, zoals men dat met het wezen van het christendom heeft proberen te doen. Of, dat zij mystisch vervaagd wordt in een liturgische uitspraak over Jezus Christus. In alle drie gevallen74 wordt er hopeloze verwarring gesticht, omdat de kerkorde zich begeeft op het gebied van belijdenis en liturgie.
In de kerkelijke reglementen kan de belijdenis slechts op twee manieren voorkomen: als beginsel van kerkorde en als achtergrond; immanent en transcendent. - Over het eerste heb ik reeds eerder iets gezegd in een vorig hoofdstuk. Deze gedachte ligt ten grondslag aan het geheel der beschouwingen over: kerkelijk denken als voorwaarde voor kerkorde. Ieder artikel van een kerkelijk reglement wordt gedragen door een kerkelijke, christelijke bezinning. Het is niet geschreven voor de burgerlijke rechter, maar met het oog op de regering door de ambten in de gemeente. Het pastoraats zal er de zin van hebben te overwegen en het hebben toe te passen. Juridische prudentie en exegetische vaardigheid is daarvoor niet voldoende. Iedere letter van een kerkorde is vervuld van de geest der confessie en moet daarnaar worden verklaard. Kerkelijk recht, hoe eenvoudig ook gehouden en in welke burgerlijke bewoordingen ook gekleed, blijft altijd canoniek recht en van eigen uitlegging. Men moet gelovige, soms ook leraar, herder, zijn, om er de rechte zin van te kunnen weergeven.
De tweede manier waarop de belijdenis in de reglementen kan voorkomen, bestaat in een transcendente verhouding. De belijdenis is dan de achtergrond, waarnaar verwezen wordt. Zulk een verwijzing is niet altijd te vermijden. Ofschoon de belijdenis der Hervormde Kerk, het algemeen christelijk Credo, de Schrift, de Openbaring Gods nooit wetsartikelen kunnen zijn, kunnen ze in de kerkorde soms toch genoemd worden. Men kan er niet altijd volstaan met de opnoeming van de aardrijkskundige namen der verschillende provinciën en classes. Maar dan moet ieder die zulk een artikel leest, ook ten volle recht laten wedervaren aan het verwijzend karakter van zulke aanhalingen. We moeten zulke bepalingen beschouwen als middelen om de hele achtergrond van het kerkelijk belijden in te schakelen in de kerkelijke levensordening. Zoals de hele kerkorde, in al haar artikelen, doortrokken moet zijn van de geest der belijdenis, zo staat de hele werkelijkheid, die de kerk belijdt, nog weer vrij en autoritair achter elke bepaling daarvan. - Dat is de reden waarom onze gereformeerde vaderen hun organisatie zo sober hebben gehouden. En daarom is een burgerlijke orde, zoals onze kerk die thans bezit, zo onheilig, omdat ze onze kerk isoleert van de algemene christelijke kerk en de achtergrond van Gods Openbaring in de geschiedenis. Er is in onze reglementen niet op gerekend, dat er zulk een belijdenis-transcendentie in de kerk bestaat. Integendeel, het is verboden daarmee rekening te houden. Beslissingen in leergeschillen zijn onmogelijk gemaakt. Wij hebben een geografische, afgeplatte kerkorde, zoals het oude Romeinse rijk er een gehad zou hebben, als de keizer enkel orde op de prediking had gesteld, en reizende filosofen en christelijke evangelisten in één organisatie waren verenigd.
Het debat over het aanhangig Ontwerp is daarom dikwijls zo wanhopig, omdat men weigert met de boven besproken dubbele verhouding van belijdenissen kerkorde rekening te houden. Men eist dat de artikelen van de nieuwe kerkorde 'reglementair' zullen bekeken worden, naar de wijze, waarop men ze zou moeten lezen onder de 'politieke administratie' van 1816. Men wil ze niet lezen naar hun 'confessionele' uitlegging, hun verhouding tot de belijdenis, onder een kerkelijke bediening. Men vindt dat een idealisme, waarvoor in de werkelijkheid geen grond te vinden is.
Dit laatste is natuurlijk waar als men de provincie Friesland of Groningen of de classis Amersfoort of Zutfen, met al wat daarin is, als de werkelijkheid beschouwt. Maar het is ongeloof als men denkt aan de werkelijkheid waarover ik boven sprak, de achtergrond der kerk, waarvan de belijdenis getuigt. Is het geoorloofd die laatste uit de kerkorde uit te schakelen?
Ik kan niet anders zien of men doet dat, als men alle hogere instanties, waarnaar kerkelijk, canoniek recht moet verwijzen, eenvoudigweg wraakt. In boven aangehaalde brochure van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden herken ik op sommige bladzijden de vroegere medewerkers aan reorganisatie in Kerkopbouw en bij het laatste ontwerp. Zo wanneer er staat "dat de verscheidenheid van belijden haar grenzen vinden moet in kerkelijk opzicht en tucht"t en dat de kerk "in broederlijk, diepgaand dispuut moet ... dwingen tot het zichzelf ernstig rekenschap geven". Maar daarnaast staan dan weer ontstellende beweringen als de volgende: "In de praktijk valt dus Gods Woord samen met de opvatting der meerderheid in de kerk. Het plechtige 'behoudens beroep op Gods Woord' betekent dus feitelijk niets." Op grond van het feit dat artikel 8 nu reeds verschillend wordt uitgelegd, wat bij verwijzing naar de achtergronden van belijdenis, Schrift, Openbaring nooit te vermijden is, wordt het verwerpelijk geacht (p. 9 v.). En in verband daarmee wordt op p. 12 betoogd, dat de letter beslist.
Men weigert er mee te rekenen, dat we hier met een kerkorde te doen hebben. Men wil een orde die alle hogere, algemeen-christelijke, ambtelijke, charismatische, pneumatische, mystische elementen volledig uitschakelt. En dat terwijl men toch zelf zegt: "Bij een kerkorde gelden behalve bijbelse ook dogmatische en praktische overwegingen" (p. 9). Derhalve omgekeerd behalve praktische ook dogmatische en bijbelse. Er moet dus verwijzing, verdieping in ieder artikel zijn en de goddelijke achtergrond, waarvan de belijdenis getuigt, mag niet 'reglementair' worden buitengesloten, maar moet 'confessioneel' worden geëerd. Het protest tegen 'het confessioneel karakter van het Ontwerp' (p. 11) houdt in, dat men bezwaar heeft tegen kerkorde als zodanig.
Dit lijkt mij heel moeilijk te verenigen met het beroep op het Evangelie van Jezus Christus, dat de vrijzinnigen steeds gaarne tegenover een beroep op de belijdenis stellen. Immers, hoe dichter wij bij 'de evangeliën'komen, hoe buitengewoner alles wordt. Het Woord is daar alles en de letter is niets. Hoe kan men dan kerkorde noemen een regeling, waarin de 'letter' alles is en 'Gods Woord' niets?
Prof. Lindeboom is overigens te goed historicus dan dat hij niet zou weten van een mystisch element in de kerkhistorie. Ik meen het uit zijn eigen mond te hebben, dat de kerk bij haar beslissingen bijna altijd gelijk heeft gehad. Waarom moeten wij ons dan in de kerkorde tegen deze leiding des Heiligen Geestes afsluiten? Waarom dan nu geen beslissingen meer? Waarom moeten wij dan een kerkorde hebben, die a priori op de 'ketter' met zijn letter is aangelegd (p. 17)? Dat zal toch niet baten. Met de kerk verdwijnen ook de ketters. En de grote ketters: Paulus, Luther, die zo'n geweldig beroep op Gods Woord doen, dat de hele kerk er van omvalt, zijn alleen mogelijk onder de spanning van een kerkorde. Zonder deze geen apostelen - twaalf is toch een ordelijk getal - geen kerkvaders, geen reformatoren. Grote geestelijke figuren - denk aan Newman -en geestelijke vormen ontstaan alleen onder heilige bepaaldheid.
De schrijvers van deze brochure willen ons oecumenisch isolement doen voortduren. Ze willen geen kerkorde. Dit is alleen te verklaren uit het tweeërlei lidmaatschap, waarvan ik boven sprak; één van de kerk en één van een richting. De kenmerken van die laatste heeft dr. De Vos75 onlangs te Amsterdam nog eens onderstreept, toen hij sprak van autonomie, spiritualisme, humanisme en een natuurrechtelijke inslag. Wie op zulk een been rust, zal het andere graag niet te vast in de kerk zetten. Pas wanneer de vrijzinnigen zich het onhoudbare van deze toestand bewust worden, zullen zij kerkrechtelijk tot een betere houding kunnen komen.
Dr. Hoedemaker heeft het in 1903 reeds heel duidelijk gezegd: Wanneer er sprake is van Reorganisatie, staat het "niet plan tegenover plan, maar beginsel tegenover beginsel. Indien men de kerk in de kring van de classis of van de provincie zó of anders wil toelaten om te doen wat der kerke is, geven wij alle verdere bijzonderheden in zekere zin cadeau."u Inderdaad staan de zaken zo. Het lijkt soms of een of andere finesse van het Ontwerp de oorzaak is van tegenstand. Meestal, ik zeg meestal zit er veel meer achter. Dr. Hoedemaker noemt in zijn boven aangehaalde brochure de bezwaren op, die de Synode van 1873 tegen de eis tot reorganisatie had.76 Ze lijken als twee druppels water op die van nu. Men was er tegen, omdat er al vijfentwintig jaren over gepraat was; omdat de confessie akkoord van kerkgemeenschap zou worden; omdat die confessie daarvoor te oud was; omdat herziening ervan beroering zou brengen; omdat in art. 11 geen sprake was van de hervormde, maar van de algemene christelijke kerk.77 De bezwaren blijven stereotiep dezelfde. Er zit een beginsel achter. Ook het geweldige péle-méle van argumenten, dat in de brochure der Vrijzinnige Hervormden wordt te berde gebracht en waarbij rechts en links ieder geplukt wordt door een bijdrage, kan dit feit niet verdoezelen.
Ik moet hier ten slotte nog wijzen op een eigenaardige antinomie in het vrijzinnige denken, die haar oplossing slechts kan vinden in homogeen kerkelijk denken. Ik bedoel de spanning tussen de liefde voor geest en hoofdzaak en het gebrand zijn op de formule en de letter. - Wij hebben prof. Lindeboom in Wij belijden ... horen verklaren, dat de Vrijzinnige Hervormden vóór alles pal hebben te staan voor het'in geest en hoofdzaak'. In de jongste brochure wordt daartegenover geleerd dat de letter het moet doen. Een overweging van deze antinomie is zeer leerzaam.
Wie de geschiedenis van het kerkelijk belijden in de negentiende eeuw in onze kerk volgt, ziet dat in toenemende mate de neiging bestaat om het op formule te brengen en deze laatste dan los te maken van haar achtergrond. Het meest effectieve middel daartoe was het gebruik van uitdrukkingen als 'beginselen en karakter', 'geest en hoofdzaak'. Deze betekenden dan niet, dat men voor verdere informatie terug verwezen werd naar de leer der kerk in haar meer uitgewerkte vorm. Neen, zij gingen als een stoomploeg voor de formule uit, om de grond nog losser te maken en de mogelijkheid te scheppen, nog iets minder te belijden dan in de formule stond.
Wie dus, behalve dat hij lid is van de kerk, ook nog lid wil zijn van een richting, waarvan autonomie, spiritualisme, humanisme en een natuurrechtelijke inslag de kenmerken zijn, zal, of hij wil of niet, kerkrechtelijk de volgende tactiek moeten volgen. Is er een formule, dan zal hij die, met behulp van een 'geest en hoofdzaak', of iets dergelijks open moeten maken voor zijn natuurrechtelijke inslagen. Is ze er niet, dan is hij genoodzaakt er een te verlangen en op de letter te staan, omdat zijn autonomisme, spiritualisme en humanisme anders ongedekt bloot komt te liggen voor de volle Geest en de ware hoofdzaak van Gods Woord en de belijdenis.
Want geest en hoofdzaak, als ze in goed bijbelse en kerkelijke zin genomen worden, kunnen we, ook al noemen wij ze niet, in de kerkorde niet ontberen. Wij vechten op dit ogenblik tegen de 'reglementairen' voor geest en hoofdzaak en tegen de letter. Wij trachten hen te laten zien, dat iedere bepaling in de kerkorde van canonieke uitlegging is. Dat het Hoofd en de Geest de kerk moeten regeren en dat wij hun inwerking door onze formule of letter niet mogen afsluiten. De kerk moet niet alleen open zijn naar alle zijden voor de mensen, maar bovenal naar boven voor God. Daarom mogen wij in een kerkelijk reglement de bepalingen niet zo maken, dat ze van te voren reeds de geschiedenis der kerk vastleggen. De woorden, die in een kerkorde staan, hebben betrekking op dingen, die in de belijdenis staan. Die dingen moeten hun volumen kunnen ontwikkelen.
In het licht van het bovenstaande moet men het noemen van de belijdenisschriften der kerk in art. 8 beschouwen. Zij komen daarin niet voor om alleen als maatstaf voor de prediking te dienen en daardoor weer voor de tuchtoefening. Het is weer kenmerkend voor de partijgeest, die er in de kerk waait, dat men alles onmiddellijk door die bril bekijkt. Deze geschriften worden hier genoemd in verband met alle acht punten: prediking, regering, barmhartigheid, onderwijs, belijdenis, zending, gemeenschap en levensordening. Het artikel zegt dat dit alles voortvloeit uit het wezen der kerk, zoals dat tot uiting gekomen is in hare geschriften. Wanneer men dit artikel met alle geweld dadelijk met het Reglement van Opzicht en Tucht in verband wil brengen, dan zou men dus gecensureerd kunnen worden in acht gevallen: als men niet wil weten van prediking en sacrament; de pastoraal verwaarloost; geen christelijke handreiking doet; niets voor theologie voelt; niets van een 'confessionele' kerkorde wil weten en alles van een 'reglementaire' verwacht; niet aan zending doet; z'n katholiciteit verwaarloost; de totalitaire staat belijdt. Voor al deze dingen zou men ter verantwoording geroepen kunnen worden. Of dat werkelijk zou gebeuren, zou intussen geheel van de pastorale prudentie afhangen.
Maar er staat niet in artikel 8, dat men de regeringsvorm uit de tijd van de drie formulieren moet huldigen; alleen maar, dat de kerk ook deel heeft aan de ordening van het leven. Er staat evenmin in, dat men katholiek moet zijn naar de mate der drie formulieren; of de zendingsmethode daarvan moet toepassen; of de theologie der drie formulieren; of dat men de drie formulieren prediken moet. Wanneer dat zo was, dan had punt 5 wel helemaal weg kunnen blijven, want dan zou de zorg voor de belijdenis letterlijk volgens de drie formulieren moeten plaatshebben, zodat deze altijd zich zelf zouden reproduceren.
Maar wat staat er dan wèl in art. 8?78 Wij zouden daarop kunnen antwoorden wat Luther omtrent de kerk zegt, dat een kind dat heden ten dage wel weet.v Er staat in, dat uit het wezen en de taak der kerk voortvloeit, dat ieder lid van de kerk, naar de mate en de aard van elks bevoegdheid, meedoet aan de acht geweldige werken die hier staan opgenoemd. Daarbij is de gedachte aan tucht nog op geen voeten of vamen te ontdekken. Voor ieder van de acht punten kan men een representatieve figuur noemen: 1. Paulus; 2. Johannes; 3. Stephanus; 4. Augustinus; 5. Thomas Aquinas; 6. Livingstone; 7. John Mott; 8. Barth.
Ik ben opzettelijk zo plastisch, omdat ik het kind van Luther aan het woord wil laten in het wonderlijke debat rondom art. 8. Het vraagt mij, of dat dan geen mooi kerkelijk prentenboek is. Ik moet antwoorden, dat men er helaas niet in wil kijken, omdat er in art. 8 ook sprake is van drie oude boekjes, waarop onze kerk altijd veel prijs heeft gesteld. Ze vraagt mij dan weer, waarvoor die dan moeten dienen; waarop ik antwoord, dat er toch ook bijschriften bij de prenten moeten staan, anders weet men niet wat ze voorstellen; en die kan men uit die oude boekjes halen. Maar ze heeft mij zo pas horen zeggen, dat de mensen die boekjes in 1873 al zo oud vonden79 en kan zich best begrijpen, dat zoiets in 1938 een nog veel groter bezwaar is. Ze vraagt of de versjes van Van Alphen dan niet kunnen dienen; die zijn toch ook ernstig, maar tenminste niet zó oud. Ik zou haar graag gelijk geven, maar moet toch opmerken, dat die goed zijn voor prentjes, waar Jantje en Flip en Cornelis op staan, maar niet geschikt bij Paulus en Augustinus en Barth. Ik probeer haar verder duidelijk te maken, dat dit heus de nieuwste boekjes zijn, die in aanmerking komen voor dit doel. Bijv. daar staat op prent nummer 5 die grote Hervormer-Handhaver Thomas Aquinas. Nu moet er toch wel even bij staan dat er later nog andere Hervormers-Handhavers zijn gekomen en dat dat juist degenen zijn, waarnaar wij nu nog hervormd heten. En dat staat nu juist in die boekjes.
Het kind van Luther is weg. Gelukkig. Die ogen van zo'n kind! Ik zie weer volwassen mensen. Ze hebben natuurlijk niet begrepen wat ik tegen het kind gezegd heb en vragen nog altijd wat die belijdenisschriften daar in de kerkorde doen. Zij vragen of dat geen 'stok achter de deur'w is en of ze niet veel te oudx zijn voor gebruik. Ik herhaal, dat ze in art. 8 niet willen zijn een stok om te slaan, maar een staf om te gaan. Wat de betekenis zou kunnen zijn voor de tucht, in verband met art. 7 van Opzicht en Tucht80 en de Overgangsbepalingen,81 dat bespreek ik verderop. Hier dienen ze mij om te weten te komen, wat onder die acht geweldige werken te verstaan zij, waartoe wezen en taak der Hervormde Kerk mij verplichten. Reeds uit een fenomenologisch oogpunt is dat nodig. Ik moet weten wat onder Evangelie of sacrament of zending verstaan wordt. Het woordbeeld in een formule is niet voldoende. "Wie de formule heeft, heeft de zaak niet."y Er is een benaderende beschrijving nodig. Sacramenten zijn wat anders bij de roomsen dan bij ons. Hervorming betekent in de zestiende eeuw iets anders dan in de dertiende. Zending kan allerlei betekenissen hebben. Katholiciteit laat zich op allerlei manieren oefenen. En ordening van het leven kan ook totalitair worden opgevat. - Waarheen zal men nu ieder lid van de Nederlandse Hervormde Kerk beter verwijzen dan naar de belijdenisschriften zijner eigen kerk? Waar zijn andere, nieuwere aan te wijzen van zulk een religieus gehalte, met zulke oecumenische relaties, met zo'n gezag! Wie de werken wil doen, die uit het wezen onzer kerk voortvloeien, moet hier ter schole gaan.
Wie derhalve uitdrukkingen als 'beginsel en karakter' (art. 27 Examen) of 'geest en hoofdzaak' (art. 39 Godsdienstonderwijs) niet wil gebruiken om door de formule van de zaak af te komen, maar achter de formule de zaak zoekt, die zal het vanzelfsprekend vinden, dat de kerkorde verwijst naar de belijdenis, die haar beginsel is, maar die ten haren opzichte ook transcendent blijft. Hij zal eisen dat de kerkorde haar letter niet afsluit, maar openhoudt voor hogere interpretatie. Hij zal zich gelukkig achten, dat hij zich niet in 'reglementair' garen behoeft te laten inspannen, en dat er 'confessionele' uitleg mogelijk is.
Hetzelfde gebrand zijn op de letter en de formule tref ik tot mijn verbazing ook aan bij de Hoedemakeriaan ds. Lingbeek. Wanneer hij zich met art. 8 gaat bezighouden, verklaart hij zich gelukkig met het feit, dat daar nu ook staat, wat het wezen en doel onzer kerk, tot uiting gebracht in hare belijdenisschriften, in zich sluit. Maar dan negeert hij verder de achtvoudige ontplooiing der belijdenis, om regelrecht op punt 5 af te gaan.z Ik zal, wat hij daarover opmerkt, hier niet punt voor punt behandelen. Ik wijs er alleen op dat in de uitsluitende aandacht voor de wijze, waarop in punt 5 de zorg voor de belijdenis omschreven wordt, en het aandringen op 'glasheldere bepalingen' een mentaliteit blijkt, die nauw verwant is aan die, welke wij aantroffen in de brochure der Vrijzinnige Hervormden. In beide doet men alsof bij reorganisatie de formule nog dezelfde diensten zou moeten bewijzen als onder de besturen. Deze verwaarlozing van de andere punten en de uitsluitende aandacht voor de behandeling van de belijdenisschriften leidt tot een even eng confessionalisme als dat van de vrijzinnigen, alleen in omgekeerde zin. Het brengt er ten slotte beiderzijds toe, om er genoegen mee te nemen, als de belijdenis dood in de 'safe'ligt. Alleen in verband met alle acht punten heeft de zorg voor de belijdenis betekenis. Maar als deze alle acht in werking komen, heeft de kerk weer historie en kunnen wij naast het 'comma Johanneum'82 in art. 8, 5, de zorg voor een komma, een simpele 'virgule' best wat laten verslappen.
Dat punt 5 dan ook wat breder is uitgedijd dan de andere, vindt niet hierin zijn reden, dat weer opnieuw een art. 11 (9), als in 1816, zou zijn uitgebroed, waarin voor een nieuwe honderd jaar het belijden onzer kerk zou worden stilgezet.a Maar daarin is juist tot uitdrukking gebracht, dat de belijdenis ten opzichte van de kerkorde transcendent is; de Schrift ten opzichte van de belijdenis; de Openbaring ten opzichte van de Schrift. Hier is met de formule, die ds. Lingbeek en de Vrijzinnigen zo ter harte gaat, principieel gebroken. Het was er ons om te doen, de zaak van 1816 ditmaal niet voort te zetten.
Dat het woord hervorming hier een plaats heeft gekregen, is overigens in een Hervormde Kerk nogal begrijpelijk. Prof. Severijn poogt, in zijn betrekkelijk sympathieke brochure,83 dialectisch in de materie door te dringen. Hij ziet wel dat hier geen herhaling van 1816 bedoeld is. Maar ook hij spitst zijn aandacht sterk op de codex in de 'safe'.b Het beeld dat zijn brochure oproept, voor de kerk die hij dan zou begeren, is dat van volk met een heilige Schrift. Met Paulus (Rom. 3 : 12) zou hij kunnen zeggen: "Wat is dan het voordeel van de gereformeerde? Vele in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de drie formulieren zijn toevertrouwd." Hij ziet heel goed en volkomen scherp, dat aan dit Ontwerp een andere verbondsbeschouwing ten grondslag ligt. Hij wraakt het, dat de kerkorde met een 'conglomeraat van richtingen' (p. 13) zou optrekken. Hij vergelijkt dat met de reformatorische tijd voor de vestiging der Hervormde Kerk. Hij had ook kunnen spreken van 'veel vermengd volk' (Ex. 12 : 38) dat met Israël uit Egypte trok. Prof. Severijn wil echter de gevestigde Hervormde Kerk; het gevestigde Jodendom.
Dit Ontwerp ziet daarin niet het ideaal. Het heeft liever de Jood en de Griek van Paulus dan de enkele Jood van diens leermeesters. Daarom past het woord hervorming wel in dit reglement.
Dat blijkt ook wel als men, zoals behoort, punt 5 niet isoleert van de overige zeven. Ook prof. Severijn doet dit, krachtens zijn visie, veel te veel. Klinken de woorden 'hervorming en handhaving' zo onwaarschijnlijk in verband met prediking, zielszorg, armenzorg, onderwijs, zending, éénheidsbeweging en kerkelijk-eschatologische wereldordening? Moet dit woord nu per sé betrokken blijven op herziening van geschriften, die wel nooit herzien zullen worden, en moet er geen zijlicht op vallen door alles wat ik daar opnoemde? Ook deze brochure lijdt aan de wettelijkheid en letter-lijkheid, die ik moet wraken. De belijdenis blijft transcendent ten opzichte van de kerkorde, maar ook ten opzichte van de wereldorde en alles wat de kerk daarin, blijkens art. 8 in zijn geheel, te doen heeft.
6. De tucht
Uit de beschouwingen in het vorig hoofdstuk volgt, dat het Ontwerp de belijdenis allerminst door een reglements-artikel heeft willen vervangen. Het gaat juist van de vooronderstelling uit, dat de confessie in haar geheel immanent of transcendent is voor de kerkorde. In het eerste geval interpreteert deze de belijdenis. In het andere is het omgekeerde het geval. Nooit kan de belijdenis derhalve als een artikel tussen andere bepalingen van een reglement staan. 'Een kerk op artikel 8' is het allerlaatste, wat in de bedoeling van de opstellers lag.
Dat men tot zulk een opvatting kon komen, is alleen te verklaren uit de eng-confessionele stemming bij vele vrijzinnigen en rechtzinnigen, waardoor men alles ziet alléén in verband met een enkele formulering en deze weer in verband met de tucht. Men verloor dan de hele belijdenis-achtergrond, waarvan de tucht slechts de ultima ratio is, uit het oog, om dan nog weer - en dit dient onderstreept - alleen op de leertucht te letten.
In dit hoofdstuk moeten wij ons nu echter bezighouden met het verband dat er in het Ontwerp gelegd is tussen de belijdenis enerzijds en tussen opzicht en tucht anderzijds. Voor opzicht denken wij dan meer in het bijzonder aan de Overgangsbepalingen84 en voor de tucht aan art. 7 van Opzicht en Tucht.
Dat het heel onwaarschijnlijk is dat de tucht, met name de leertucht, in dit Ontwerp op een uittreksel uit de belijdenis zou berekend zijn, blijkt ten overvloede wel uit de geschiedenis van de reorganisatie-beweging in deze eeuw. Gunning en Hoedemaker c.s. hebben het kerkelijk vraagstuk wel zo principieel mogelijk aan de orde gesteld. Hier stond geen 'plan tegen plan, maar beginsel tegen beginsel'. De belijdenis in een artikel van de kerkorde saam te vatten en daarop alleen recht te spreken, zou echter eerst recht een plan kunnen heten.
Wij zien dan ook dat het eerste reorganisatie-ontwerp, dat in deze eeuw aan de Synode werd aangeboden, daaraan totaal gespeend is. In het Concept-Algemeen Reglement van J.R. Slotemaker de Bruïne en L. J. Blanson Henkemans85 wordt alles, wat thans in art. 11 Alg. Syn. Regl. staat, weggelaten, omdat "de regeling van de belijdenis ener kerk eigenlijk niet in een kerkorde behoort." En het verband tussen tucht en belijdenis wordt, in art. 13, gelegd over alle andere artikelen van de kerkorde heen. Op de volgende wijze:
"Tuchtzaken aangaande de belijdenis van de leden der gemeenten worden behandeld naar de regel, dat de Nederlandse Hervormde Kerk de heilsopenbaring Gods verstaat in de zin, die daaraan gehecht is door hare Synode van 1618 en 1619 blijkens de aldaar laatstelijk herziene en vastgestelde belijdenisschriften en zulks met de nadrukkelijke vermelding van het recht en de plicht der kerk, om deze belijdenisschriften voortdurend te toetsen aan de Heilige Schrift en ze daarnaar, indien nodig, te veranderen; enz."
Voordeel van zulk een regeling was, dat de transcendentie van de belijdenis ten opzichte van de kerkorde hier duidelijk tot uiting was gebracht. Geen enkel artikel stond in de weg en de belijdenis stond niet in enig artikel van het Reglement; precies als in de Dordtse kerkorde. Maar een groot nadeel was dat de belijdenis op die manier alleen bij de tucht ter sprake komt. Als ze onderstelling is van alles, dan kan ze dat ook bij de tucht zijn. Wordt ze echter genoemd bij de 'ultima ratio', dan is zo'n verwijzing elders nog eerder op haar plaats.
Het Ontwerp- 1929 sluit zich dan ook weer nauwer aan bij het bestaande. In art. 9 wordt daar een gewijzigd art. 11 Syn. Regl. gegeven. Art. 11 is niet opgesteld met het oog op de tucht. Er is sprake van de zorg voor de belangen der kerk. Ook 'de handhaving harer leer', waarvan daar sprake is, moet in de eerste plaats verstaan worden als zorg voor hare leer. In zoverre is de uitlegging, die de Commissaris-Generaal daarvan gaf, juist. Ze was alleen ontoelaatbaar voor zover ze die zorg beperkte tot bestuur, en regering uitsloot.
Die leer nu, waarvan hier sprake is, wordt in art. 9 van het Ontwerp- 1929 verduidelijkt door de toevoeging "met name van de eerbiediging van Gods Woord als regel van geloof en leven (art. 7, Nederlandse Geloofsbelijdenis) en de prediking van het heilig Evangelie van Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon, onze Heer (Zondag 6, Heidelb. Catech.)."86 Men wilde, zo luidt de Toelichting, 'de centrale betekenis van Gods Woord en van de Christus als middelpunt daarvan ... met verwijzing naar onze Confessie' vermelden.
Hier is dan het volgende op te merken. Een afzonderlijk artikel, een soort program, met de zorg voor de leer er in, wordt, tegenover het Ontwerp- 1905, hersteld, in aansluiting aan het geldend AR. Dit art. heeft verder, evenmin als art. 11 Syn. AR., direct betrekking op de tucht, maar geeft, evenals dit laatste, een soort kerkelijk program. De belijdenisschriften worden alleen incidenteel tussen haakjes genoemd. En tenslotte dient goed opgemerkt dat hier, ook volgens de Toelichting, twee centrale dingen als hoofdzaken naar voren worden gebracht.
In het Reglement voor Opzicht en Tucht, in Ontwerp-1929, wordt dan bij art. 6 gesproken over tucht wegens ernstige strijd met de belijdenis der kerk, zonder dat nader gezegd wordt, welke de norm is voor die belijdenis. De verwijzingen naar art. 27 Examen en art. 39 Godsdienstonderwijs, de proponentsformule en de belijdenisvragen, die in art. 6 van het Synodaal Reglement voor Opzicht en Tucht staan, worden echter geroyeerd. De belijdenis wordt hier dus tegenover de formule in ere hersteld, maar niet nader bepaald. - Eindelijk wordt bij de leertucht in art. 86 van het Reglement van Leergeschillen en Leertucht,87 als 'hoofdbeginsel' "het heilig Evangelie van Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon, onze Heer" gesteld, met verwijzing, tussen haakjes, naar art. 9 AR.
Resumerend kan men zeggen dat in dit Ontwerp de belijdenis èn in het program èn bij de discipline voorkomt. Daarbij is voor de transcendentie en tegen de formule gekozen. In art. 9 AR. zijn haakjes aangebracht; in art. 6 Opzicht en Tucht zijn ze verwijderd. Maar daartegenover staat, dat in art. 9 toch weer twee bepaalde punten uit de confessie gekozen zijn met het oog op de handhaving. En dat in art. 86 Leergeschillen en Leertucht slechts één daarvan als hoofdbeginsel bij de leertucht genoemd wordt, met verwijzing naar art. 9 AR.
Niettegenstaande deze omstandigheid heb ik in 1929 toch nooit horen praten over 'Een kerk op artikel 9'. ⚑In het Ontwerp-1933, van Kerkopbouw, stonden twee programmatische belijdenis-artikelen voorop. In art. 1 viel een oecumenisch motief te beluisteren. Er is sprake van de ene algemene christelijke kerk en in verband daarmee wordt Jezus Christus het enig fundament genoemd. Hoewel dit lijkt op art. 11 Syn. AR., is het toch heel iets anders. Daar is 'de christelijke kerk in het algemeen'in 1851 in de plaats gekomen van 'christendom', wat er in 1816 stond. In dat 'christendom' was de kerkelijke notie heel zwak. Toen men daar dan ook in 1851 'de christelijke Kerk in het algemeen' van maakte, ging men er langzamerhand toe over (1873-1878)88 daarin een christendom boven geloofsverdeeldheid te horen en men liet de 'leer' daarin opgaan: een soort humanisme. Art. 1 van het Ontwerp-1933 heeft echter een liturgische klank en komt voort uit nieuwe kerkelijke bewustwording. De Nederlandse Hervormde Kerk staat dan ook voorop en artikel 1 spreekt over haar historische belijdenis. Toch is deze oecumenische uitweiding voor sommigen89 in Kerkopbouw van principiële betekenis geweest. Anders dan in het Ontwerp- 1905 zocht men daarin een regel voor de tucht. Deze zou er alleen voor hebben te waken dat het algemeen christelijk karakter der kerk werd bewaard. De invoeging in art. 1 zou dan niet dienen om de draagkracht van de belijdenis-achtergrond der Hervormde Kerk te verzwaren, maar te verzwakken. Alleen uiterste en niet de eigenlijk-actuele gevallen zouden te behandelen zijn.
Ofschoon het Ontwerp-1933, door het vooropstellen van art. 1 en 2, evenmin als dat van 1905, de belijdenis tot een artikel van de kerkorde wilde maken, sloot het zich dus, evenals het Ontwerp-1929 toch meer bij art. 11 Syn. AR. aan. In 1933, evenals in 1929, stak daar achter de erkenning van de noodzaak om met een werkelijkheid te rekenen, die tegen de belijdenis-achtergrond schril afstak. Het scheen niet overbodig, de belijdenis ook programmatisch voorop te stellen.
In Kerkopbouw kwam daar nog bij, dat er een grondslag voor de huisgemeente moest zijn. Het ware onmogelijk geweest, zulke gemeenten in te stellen op de stilzwijgende vooronderstelling van een belijdenis-achtergrond. Zij hielden het midden tussen een gemeente en een vereniging en daarom kon een programmatische omschrijving van het wezen der kerk moeilijk gemist.
Wij komen nu tot het Ontwerp-1938. Wij merken op dat, wat ik een programmatisch belijdenis-artikel noemde, is bijgehouden; anders dan in het Ontwerp-1905 en in overeenstemming met 1816, 1929 en 1933. Wij leven niet meer in een eeuw, die de proclamatie van de Hervormde belijdenis als een recente ervaring met zich omdroeg. Al komt de confessie niet in de kerkorde te staan, een herinnering daaraan en een verwijzing daarheen is niet overbodig. Maar dit mag niet enkel geschieden in verband met de tucht. De handhaving der leer heeft een kerkelijk-imperiale betekenis en strekt zich uit over alle acht punten. Van tucht is in zulk een programmatisch artikel zelfs geen sprake. De samenvoeging van hervorming en handhaving zou, in direct verband met de tucht, een dwaasheid zijn.
Daarom moeten wij meer opzettelijk een onderzoek instellen naar de functie, die zulk een programmatisch artikel achteraf bij de oefening van opzicht en tucht, al of niet kan vervullen. Voor opzicht moet daarbij vooral gelet worden op de Overgangsbepalingen. Voor de tucht op art. 7 van het Reglement voor Opzicht en Tucht, waar met zoveel woorden naar art. 8 verwezen wordt.
Wanneer wij art. 7 (Opzicht en Tucht) vergelijken met art. 6 van hetzelfde synodale reglement,90 dan valt allereerst op, dat de verwijzingen naar art. 39 Godsdienstonderwijs en art. 27 Examen zijn weggevallen. Met de heerschappij van deze formules, die de belijdenis-achtergrond hebben willen verdringen, zou het dus uit zijn. De uitdrukking 'afwijking van de belijdenis' krijgt haar betekenis niet in verband met een enkele belofte van een lid der kerk, maar slaat op alle beloften van het Hoofd der Kerk. Daarmee is de breuk met het negentiende-eeuwse burgerlijke kerkrecht aangewezen.
De vraag is nu echter of met de verwijzing naar art. 8, aan het slot van art. 7 Opzicht en Tucht, daarop niet ten dele teruggekomen wordt en de kerkelijke rechtspraak toch niet weer naar bepaalde formuleringen zal plaatshebben, zodat alles op de letter van die formulering in art. 8 zou aankomen. Hierom draait dan vooral het debat, nu eenmaal, het richtingsgezichtspunt niet willende prijsgeven, zowel rechts als links meer belangstelling heeft voor de enkele ultima ratio der kerk dan voor alle acht kerkelijke werken samen.
In verband daarmee begin ik met op te merken, dat naar art. 8 verwezen wordt niet alleen voor de leertucht, maar voor de tucht in haar gehele omvang. De éne zin, die art. 7 Opzicht en Tucht uitmaakt, eindigt met de woorden: 'alles volgens artikel 8 . . .' Ik heb in het vorige hoofdstuk reeds geschreven dat, als men art. 8 met de tucht in verband brengt - waarvoor het in eerste aanleg volstrekt niet gesteld is - men acht kerkelijke hoofdzonden krijgt, in verband met de werken, die de universele ontplooiing van de belijdenis uitmaken. En nu is de goede belijdenis in engere zin, het martelaarschap,91 nog niet eens genoemd. Het was beter in het debat alles op die 'ultima ratio' te betrekken dan op de straks genoemde, waarbij de eigen veiligheid het punt in discussie is. De reorganisatie moet niet de gedachte aan ds. Zaalberg,92 maar aan ds. Niemöller oproepen.
De tucht zal dus gaan over de hele belijdenis, zoals die, volgens onze historische belijdenisschriften,93 waarvan er één onder de brandstapel geschreven is,94 uitkomt in acht zorgen der kerk, culminerende in de grote zorg van de passie. Er zijn tijden geweest dat de hele tucht-vraag liep over dat laatste, dit negende, in het Ontwerp niet genoemde punt.
Maar ook als wij ons houden aan de acht in het Ontwerp wèl genoemde zorgen, dan is er voldoende reden om er zijn bevreemding over uit te spreken dat men, waar het Reglement voor Opzicht en Tucht naar art. 8 verwijst, dit artikel er enkel op aanziet, wat het kan opleveren voor de leertucht. Men vraagt niet wat art. 7 (Opzicht en Tucht) in verband met art. 8 (AR.) kan opleveren voor het hele terrein van de belijdenis, zoals dat hier uitgespreid ligt. Men vraagt alleen of hier ook een kerkelijke strop gedraaid kan worden voor eigen hals en of men er ook een strop mee kan draaien voor de hals van een ander. En men ziet de woorden van het artikel er één voor een op aan, alsof ze, positief of negatief, in verband met zulke bedoelingen gekozen waren. En als men dat al niet doet wat betreft de opstellers, dan doet men het ten opzichte van de toekomstige gebruikers. Het laatste is nog erger dan het eerste. Wanneer men een kerkorde wil, waarin de woorden geen geestelijke zin hebben, zodat eik geestelijk risico er uit verwijderd is, en alles zo naar de letter kan worden toegepast, dat geestelijke onderscheiding ten opzichte van de dingen, waar het over gaat, onnodig is, dan is er voor kerkelijke tucht geen kerkelijke instantie meet nodig. Men kan dan de burgerlijke rechter uitnodigen de zaak uit te maken.
Dit Ontwerp wil echter ook de tucht weer uit de burgerlijke in de kerkelijke sfeer terugbrengen. Derhalve zal men in een kerkorde hebben toe te laten termen, waar de mystiek nog niet helemaal uit is. Men zal moeten rekenen met Gods Woord en de belijdenis en het geloof en de gemeente en de ambten. Wanneer dat allemaal niets is en de letteralles, dan doen we beter in 1938 niet te reorganiseren, maar te sluiten. De dreiging van het ongenoemde punt 9 uit art. 8 is dan meteen verdwenen. Wij kunnen blijven onder de 'politieke administratie' die ons nu reeds isoleert van de algemene christelijke kerk. - De kerk zal zich dan openbaren onder die mensen, aan wie men de toepassing van een meer geestelijke en gemeentelijke kerkorde niet toevertrouwt, omdat men ze voor geestdrijvers houdt.
Een Hervormde Kerk met gereformeerd gemeenteleven, zoals haar wezen tot uiting komt in hare belijdenisschriften, bergt nu eenmaal geestelijke spanningen, die groter zijn dan ergens elders. Hervormde christenen zijn roomsen zonder paus en Kwakers95 zonder het innerlijk licht. Tussen deze twee uitersten golft hun geloofsleven op en neer. Wanneer het er op aankomt, hun roeping en verkiezing vast te maken (2 Pt. 1 : 10), moeten ze daarmee gereed komen zonder biechtvader en toch zoekt hun ziel de autoriteit. Daarin ligt een zielezorg opgesloten, die in de godsdienstige en christelijke wereld haar gelijke niet kent. Het zou slechts weinig kosten de spanning daarvan weg te nemen. De roomse en de Kwaker wonen naast de deur. Maar dit ware verraad aan het hoogste. - Zo is het nu ook gesteld met de kerkorde der Hervormden. Men kan de moeilijkheden van een kerkorde, welke tussen Rome en de Doperij is opgesteld, niet gemakkelijk overschatten. Maar daartegenover staat dan ook dat nergens kerk en orde elkaar zozeer doordringen, zodat de orde een kerkelijke blijft en de kerk geen geestdrijverij wordt.
In een Hervormde Kerk kan de leerruimte, de striktheid of rekkelijkheid ten opzichte van de prediking en de belijdenis, niet reglementair worden bepaald; niet naar de letter vastgelegd. Dat zou wel orde zijn, maar geen kerkorde. Het zou verraad betekenen aan het wezen ener kerk. Wanneer wij de verwijzing aan het slot van art. 7 (Opzicht en Tucht) nu aanzien op het verband dat het legt; nu niet tussen de tucht-in-het-algemeen en art. 8, maar tussen leertucht en art. 8, dan dient opgemerkt dat, wanneer het op een der daar genoemde zorgen der kerk meer direct betrekking zou moeten hebben, dit niet punt 5, maar punt 196 zou moeten zijn. Punt 5 is een leer-artikel in meer algemeen-kerkelijke zin; punt 1 in meer persoonlijke zin. Wel is in 5 de belijdenis ook als regel voor de verkondigingc bedoeld, maar de handhaving, waarvan hier gesproken wordt, mag niet direct op leertucht betrokken worden. Het heeft de veel wijdere betekenis van een 'je maintiendrai'; een openbare belijdenis97 door de hele kerk van de Godsopenbaring naar de Heilige Schrift.d Nog minder kan natuurlijk een, reglementaire' leertuchtbepaling gevonden worden in de preambule van art. 8. Wanneer daar als oorkonde der belijdenis de historische belijdenisschriften en liturgische formulieren genoemd worden, dan is het een dwaze constructie om daarin een reglementaire leertucht-formule te vinden, die dan, verbonden met het woord handhaving en de verwijzing naar art. 8 aan het slot van art. 7 (Opzicht en Tucht), iedere burgerlijke rechter de middelen in handen zou geven, de leer van een ambtsdrager te beoordelen. Dan zou het een pracht-reglement voor een SA.-man wezen.
Zulke constructies behoren bij een kerkorde volledig uitgesloten te zijn. In dat opzicht was de leertucht-paragraaf van 1905 leerzaam.98 Daar werd men à bout portant voor de belijdenisschriften geplaatst, met beroep op Gods Woord. Maar juist het onbewimpelde sloot de gedachte, dat dit, reglementair' bedoeld kon zijn, direct uit.
Een 'reglementaire' regeling van de leertucht is in het Ontwerp-1938 niet te vinden. Zulk een tucht is een pastorale aangelegenheid. Wanneer er zich zulk een geval mocht voordoen, dan zou het te hoop gelopen pastoraat dit woord nu in de ruime zin van het hele presbyteraat genomen - de zaak moeten bezien. Zo wil het de presbyteriale kerkorde. Daarbij zou geoordeeld moeten worden met inachtneming van alle instanties, die de kerk kent. Geen enkele zou daarvan zijn uitgesloten. De belijdenis der kerk, de bijbel en daarachter God zelf zouden in de rechtspraak betrokken zijn. Alle zorgen, die de kerk volgens art. 8 heeft, zouden meespreken. Niet alleen de zorg voor de belijdenis, van art. 8, 5, maar ook de zendingszorg van art. 8, 6. Niet alleen die voor de prediking van art. 8, 1, maar ook de herderlijke zorg en de onderlinge liefde uit art. 8, 2. Er zou gedacht moeten worden aan de opleiding van de dienaren des Woords uit art. 8, 4, maar evengoed aan de zorg voor de barmhartigheid uit art. 8, 3. Men zou moeten denken aan de betrekkingen met andere delen van de algemene christelijke kerk uit art. 8, 7 en eveneens rekening moeten houden met de invloed die de beslissing zou hebben op de ordening van het leven, waartoe de kerk, blijkens het bestaan van haar kerkorde, geroepen is. De hele situatie zou moeten meespreken. En de uitspraak zou in Christus' Naam moeten vallen.
De ruimheid en strengheid die hierin liggen opgesloten, mag de kerk niet verruilen voor een burgerlijke, 'reglementaire' striktheid of rekkelijkheid. Als eis voor de leertucht blijft dus vooropstaan, dat ze niet reglementair, maar pastoraal geregeld moet zijn. De kerkorde kan noch mag artikelen bevatten, waarin men zomaar kan lezen, aan welke voorwaarden de prediking moet voldoen, om buiten bereik van de kerkelijke censuur te blijven. Zulk een bepaling zou een zo onheilig karakter dragen, dat ze op de eerste synode der gereorganiseerde kerk onmiddellijk zou moeten worden verwijderd. Wanneer in de verkondiging werkelijk het Woord Gods zal worden beluisterd, dan is daardoor een dergelijk voorschrift uitgesloten.
Daarom heeft schrijver dezes zich ook reeds verzet tegen een actie van een twintigtal jaren geleden, die bedoelde de belijdenisvragen en de proponentsformule te verscherpen,99 zoals men dat toen noemde. Natuurlijk mogen dergelijke verklaringen niet dienstdoen om de willekeur, de wanorde en de slordigheid te bevorderen, zoals dat van 1852-1900 het geval was. Maar ze mogen evenmin de strekking hebben, iemand in zijn woorden te vangen. Dat ware van de zijde der kerk een even onwaardig bedrijf als het dat is voor de belijder zelf, als deze de formule gebruikt met een 'reservatio mentalis'e om onder zijn belijdenis tegelijk af te dingen. De formule, in zulke heilige ogenblikken gebruikt, behoort zich te kenmerken door een liturgische overvloed.100 Maar deze moet dan ook de kerk voor heilig gelden. Hij moet veilig kunnen stromen, zonder dat hij op zijn hoede behoeft te zijn voor de kerkelijke jurisdictie. Zelfs een verklaring, dat men zich zal onderwerpen aan de kerkelijke vermaning, indien men zich kwam te ontgaan of dat men instemt "met de grondleggende artikelen der nieuwe kerkorde" (art. 10 en 11 van de Overgangsbepalingen)101 mag zulk een kerkelijke achterbaksheid niet insluiten. Het is een verklaring van instemming zonder meer, die vanzelf spreekt, maar die in de verhouding tussen de belijder en de kerk niets verandert of verscherpt. De belijdenis en de kerkorde in haar volle omvang brengen toch wel mee, dat iemand zich moet onderwerpen aan de tucht.
Deze beginselen werden in 1912 ook bepleit in een nog altijd lezenswaardige brochure van dr. J. R. Slotemaker de Bruïne.f Ik haal daaruit enkele hier ter zake doende uitspraken aan. Hij schrijft: "Voor de handhaving van de getuigenis is de formule onverschillig; de handhaving wordt verkregen door de geest, die in de kerk ... woont" (p. 23). En: "Het is onmogelijk, op een formule recht te spreken in een leergeschil!"(p. 25). "Voor de handhaving is iets anders nodig. Namelijk het geestelijk leven der gemeente, waardoor 'leer' tot leven wordt en dan vanzelf zich handhaaft en dan vanzelf de afwijkingen uitdrijft" (p. 28). "Het schijnt, dat op deze wijze in Schotland de leertucht gehandhaafd wordt, in grote lijnen en met brede blik" (p. 29).
Wanneer de dingen zo staan, dan moeten wij er ons nog rekenschap van geven welke betekenis het voor de leertucht kan hebben, als in de kerkorde niet enkel naar de belijdenis, de Schrift, Gods Woord, de Openbaring verwezen wordt, maar ook een soort richtsnoer wordt aangegeven, waarnaar de leertucht zou moeten plaatsvinden en waarvan dan de bedoeling is, dat ze niet 'reglementair' maar 'pastoraal' zal geoefend worden; 'in grote lijnen en met brede blik'.
Zulk een clausule kwam er voor in het Ontwerp-1929, waar in art. 86 van het Reglement op Leergeschillen en Leertucht werd bepaald, dat bij de behandeling als hoofdbeginsel zou gelden, "dat het middelpunt der Belijdenis is het heilig Evangelie van Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon, onze Heer (Algemeen Reglement, art. 9)." In art. 9 AR. stond dan, zoals we reeds zagen, zondag 6 HC. in parenthesi toegevoegd.
Dr. Slotemaker de Bruïne, mede-opsteller van het Ontwerp-1905, heette in zijn bovenaangehaalde brochure van 1912 het kiezen van bepaalde punten willekeurig. Hij noemde in dat verband dr. Riemens, die de belijdenis van Jezus als Christus en Heer, als fundament en kern der belijdenis had genoemd. Het was nl. in de dagen van de Hervormde Broederschap. Dr. Riemens102 werd later één van de opstellers van het Ontwerp-1929. Hij heeft dat vooral van deze clausule uit verdedigd. Het zou dan een aanwijzing tot een ruime toepassing van de leertucht zijn, in niet specifiek hervormde, maar algemeen-christelijke zin. - Men kan de clausule uit art. 86 in verband met art. 9 echter ook anders lezen. Dan zal men er, met afzien van dr. Riemens, een anti-vrijzinnige verscherping in zien van de onbepaalde formule: het Evangelie van Jezus Christus, zoals die in de Synodale reglementen wel voorkomt; vooral als men denkt aan de verwijzing naar art. 9 AR. en daarmee naar de Heidelbergse Catechismus.
Men ziet ook hier weer hoe onmogelijk het is, op een formule recht te spreken in de kerk. En zelfs hoe moeilijk het is, om een richtsnoer voor de leertucht in enkele korte bepalingen vast te leggen, ook wanneer de bedoeling is, daardoor een ruimere toepassing te verzekeren.
Ook in het Ontwerp- 1933 wordt Jezus Christus het enig fundament van de Nederlandse Hervormde Kerk genoemd (art. 1 AR.). Maar hier is, zoals we boven reeds opmerkten, het oecumenische besef sterker dan in 1929. In 1929 kan men, wanneer men althans de interpretatie-Riemens volgt, een algemeen-christelijk richtsnoer voor de tucht vinden aangegeven. Voor het Ontwerp-1933 doen wij beter te spreken van een algemeen-kerkelijke regel. Het oecumenisch besef is in die jaren sterk toegenomen. Het is de moeite waard de programmatische artikelen van 1816 1851), 1929, 1933 eens naast elkaar te leggen, en ze uit dit oogpunt te vergelijken.103 Men moet daarbij de gedachte van opzettelijkheid min of meer uitschakelen en rekening houden met de verschillende invloeden, die zich hier laten gelden. In art. 9 AR. van 1929 is de benoeming van 'de christelijke kerk in het algemeen' uit art. 11 (Syn. Regl.) vervallen. Volgens de toelichting achtte men die in de Nederlandse Hervormde Kerk begrepen. In art. 1 AR.- 1 933 staat wel de Nederlandse Hervormde Kerk voorop, anders dan in het Synodaal Reglement, maar er wordt nadrukkelijk verklaard, dat zij deel is van 'de éne, algemene, christelijke kerk'. De algemene kerk is hier concreter gedacht dan in art. 9 van 1929, waar in de Toelichting gezegd wordt, dat zij is weggelaten, omdat de zorg voor de Hervormde Kerk toch reeds bewijst, dat men gelooft in de algemene. In art. 11 (1816) was het 'christendom' en in 1851 'de christelijke kerk in het algemeen' eigenlijk een andere naam voor de humaniteit, die men hoger stelt dan het kerkelijke en daarom ook voorop stelt. Op de prioriteit van die christelijke Kerk in het algemeen beroept men zich dan ook uitdrukkelijk in de zeventiger jaren van de vorige eeuw. De 'handhaving der leer' in art. 11 zou daarop slaan. Als daaraan dan, zoals inderdaad het geval werd, een richtsnoer voor een toepassing van de leertucht wordt ontleend, dan volgt daaruit, dat kerk, dogma en belijdenis feitelijk geheel terzijde zullen worden gelaten. Er blijft voor de Synode niets anders over dan te besturen. En zo blijkt dan dat de kerkorde van 1816 bij deze belijdenis wonderwel past. Dat 'handhaving harer leer' is dan ook een 'Fremdkörper'g in art. 1l; men geeft er noodgedwongen een andere uitleg aan.h Wanneer men dan ook de zending, die er pas in 1909 in kwam, een ogenblik wegdenkt, krijgt men het eigenlijke program-artikel van 1816. Het bevat: de zorg voor christelijkheid in het algemeen; voor de vermeerdering van religieuze kennis; voor de christelijke zeden; voor orde en eendracht; voor vaderlandsliefde. Dit is geen program voor een kerk, maar voor 'de aan geen bepaalde kerk gebonden ruimei geestelijke gemeenschap'.104 En het richtsnoer voor de leertucht, dat in verband daarmee verkregen wordt, heeft met kerkelijk denken niets te maken.
Wij keren terug tot het Ontwerp- 1933. Ik schreef, dat het oecumenisch besef daar weer sterk begint mee te spreken, meer dan in 1929. Ook een aantal vrijzinnigen hebben daarbij getoond, dat ze de gevaren van een dubbel lidmaatschap, van kerk en richting tegelijk, wel inzien. Van die kant moet inderdaad de heling van de breuk komen. Zolang ieder voor zichzelf, of in verbinding met buitenkerkelijke stromingen zijn Credo opstelt, zullen wij niet veel vorderen. Belijden is een kerkelijke handeling; het is niet voldoende als wij betitelen: 'Wij belijden - . .' De kerk is het subject der belijdenis. Zolang men bang is voor het confessionele karakter van een kerkorde105 -'confessioneel' niet als aanduiding van een richting, maar van het beginsel der kerkorde - zolang vorderen wij niet.
In Kerkopbouw had dit oecumenisch besef aanvankelijk enige vorderingen gemaakt. Dit is een winst die, niettegenstaande de reactie, zo spoedig wel niet verloren zal gaan. Maar tegelijk was daarbij het hervormd besef uitermate versterkt. In art. 1 (1933) stond de Hervormde Kerk voorop, zoals in een programmatisch belijdenis-artikel behoort.
En nu moeten wij dan terugkomen op onze vraag welk richtsnoer in dit Ontwerp gegeven was voor een ruime leertucht, een handhaving 'in grote lijnen en met brede blik'. Natuurlijk geldt als zodanig allereerst, wat ik reeds betoogde naar aanleiding van het Ontwerp- 1938, dat art. 7 (Opzicht en Tucht) van 1933,106 blijkens eigen formulering, op art. 1 en 2 (AR.) in hun geheel slaat; dus ook op alle 7 punten van art. 2. Dat geeft dadelijk een grote breedte aan de draagkracht van zo'n artikel. De belijdenis wordt dus, evenals in het Ontwerp-1938, niet statisch, maar dynamisch beschouwd. Het verwijt, dat dit in de Reorganisatie-1938 niet het geval zou zijn, raakt kant noch wal; in dat opzicht is er geen verschil tussen beide voorstellen.
Maar hier houdt ons speciaal de vraag bezig of in die richting nog eens weer een opzettelijke aanwijzing gegeven wordt, zoals wij die vonden in art. 86 (Leergeschillen en Leertucht) van 1929. En dan vinden we zo'n formule, waar gezegd wordt, dat de tucht wordt toegepast terzake van "zodanige afwijking van de belijdenis der Nederlandse Hervormde Kerk, dat haar karakter als kerk van Christus daardoor in gevaar gebracht wordt" (art. 7 van Opzicht en Tucht). Wat betekenen deze woorden?
Men mag, om te beginnen, daarmee niet te werk gaan, zoals men dat in 1873 en 1878107 met art. 11 (Synodaal Reglement) deed, door de handhaving der leer op 'de christelijke kerk in het algemeen' te laten slaan. Zulk een 'kerk in het algemeen' kent het Ontwerp-1933 niet. Het kent wel 'de éne algemene christelijke kerk' in concrete, oecumenische zin. - Is er dan bedoeld dat de leertucht zal te rade gaan met de uitspraken van de oude kerk, bijv. Nicea, Chalcedon; of met het apostolisch christendom? Dat kan ook het geval niet zijn, want er is sprake van 'afwijking van de belijdenis der Nederlandse Hervormde Kerk'. Wanneer brengen zulke afwijkingen haar karakter als kerk van Christus in gevaar? Moeten we hier een reductiemethode toepassen, zodat het dogma der eerste eeuwen als minimum geldt? Of zelfs de toestemming op een liturgische formule uit het N.T., als: Jezus Christus als Heer? En leggen de uitspraken van de kerk der Reformatie, het 'sola fide' en de predestinatie minder gewicht in de schaal? Worden misschien alleen de 'uitersten' door de tucht getroffen, waar de belijdenis minimaal wordt? - Zulk een opvatting zou ons weer terugvoeren in de gereglementeerde betwijfeling, waarover ik in hoofdstuk 1 sprak. Een richtsnoer voor een brede toepassing van de leertucht kan ook niet in een formule gegeven worden. Want de formule zou het brede onmiddellijk weer smal maken, in de allerongunstigste zin. Zulk een aanwijzing voor ruime leertucht heeft eveneens een verwijzend karakter. Ook daar blijft de kerkorde op de interpretatie door de belijdenis zelf aangegeven. Ook hier handhaaft zich het dynamisch karakter, ook van de leertucht.
Daarmee hebben we onze uitleg gegeven, ook van de overeenkomstige artikelen van het Ontwerp-1938. Dat daarin een geremde of tijdelijk opgeschorte of enkel op uitersten gerichte leertucht voorkomt, zou ik niet kunnen toegeven. Die tucht is er totaal, maar totaal kerkelijk. En daarin ligt het richtsnoer, dat in een aparte formule niet kan worden gereglementeerd, doch slechts beleden. Wat daarin ligt opgesloten kan alleen blijken uit de samenwerking van alle factoren, die in het kerkelijk denken en doen meewerken. Op die wijze alleen, door versterking van de waarlijk kerkelijke en 'confessionele', niet-'reglementaire' motieven kunnen de gevaren bijvoorbeeld van het processuele in de leertucht worden ondervangen.
Dat is de hoofdreden geweest voor de invoering van het instituut der kerkvisitatoren in het Ontwerp-1933. Wij hoopten dat deze mensen, beter dan artikelen, zouden kunnen waken voor ontsporingen. Zij zouden zich kunnen inleven in de kerk, wat een reglement niet kan. Zij zouden er derhalve toe kunnen bijdragen dat er éénheid en continuïteit in de kerkelijke rechtspraak komt, beter dan een statuut of een telkens anders samengestelde vergadering dat vermag. Maar ze zouden de tuchtoefening niet in de weg staan, omdat hun slechts opzicht is opgedragen. Ze zouden niet kunnen beletten dat de kerk tot beslissingen komt en weer geschiedenis krijgt. Overigens zouden ze er veel toe kunnen bijdragen, dat het kerkgeschiedenis blijft. De eigenlijke tuchtoefening bleef dan ook in het Ontwerp-1938 aan de kerkelijke vergaderingen toebetrouwd en wel over de gehele lijn. Behalve de versterking van het opzicht door het vaste instituut der visitatie zijn er dan in het ontwerp allerlei dingen te noemen die bij invoering zouden meewerken om de leertucht voor ontaarding te behoeden. De ambten, zoals ze thans onder de besturen gesteld zijn, worden daardoor van alle verder evangeliewerk afgezonderd. De dragers van die ambten nemen daaraan wel deel, maar ze behoeven daarvoor geen verantwoording te doen aan de besturen. Daarom denkt men voor leertucht bijna uitsluitend aan de éne zondagse preek. In sommige gevallen wordt die voor tien of twintig mensen gehouden. Onze organisatie stelt orde op de predikantsplaatsen. De leertucht, zoals men zich die denkt in de begrippen van 1816, verliest haar object. Het zal in vele gevallen niet de moeite waard zijn, haar uit te oefenen, omdat ze alleen de geïsoleerde predikantsplaats en niet het evangeliewerk zou raken.
Geheel anders wordt het, wanneer dat werk door de kerkorde weer wordt ingeschakeld. Als arbeiders uit de uit- en inwendige zending, de sociale arbeid enz. enz. op de kerkelijke vergaderingen verschijnen. Wanneer de charismatisch begaafden naast de ambtsdrager, soms in de zelfde persoon, aan de beraadslaging op de brede classicale en synodale vergaderingen zullen deelnemen. De gewone classicale en synodale vergaderingen, waar de tucht geoefend wordt, zullen niet hermetisch afgesloten zijn van de brede samenkomsten; het zijn gedeeltelijk dezelfde personen. Ik heb reeds eerder opgemerkt dat Oegstgeest en Hemmen108 reeds bezig zijn de kerk te reorganiseren. De predikantsplaats wordt een eilandje. Het ambt zit vast in een totaal geantiqueerd verband. Onder de nieuwe kerkorde zou daaraan een einde komen. En de kerkelijke existentie der ambtsdragers zou aanmerkelijk uitstoelen als hun niet-ambtelijke arbeid daarin werd meegerekend. - Juist hierdoor zou de leertucht haar smal-confessioneel karakter verliezen. Ze zou confessioneel zijn in de ware zin, dat de confessie in alle acht programmapunten van art. 8 uitkomt; en dat ze beginsel is van de kerkorde en van de kerkelijk-eschatologische levensordening in haar geheel. Hierdoor, maar hierdoor ook voorgoed, zou de leertuchtoefening 'in grote lijnen en met brede blik' mogelijk worden. Dan alleen verliest het schrikbeeld van de codex in de 'safe' zijn verstarrende kracht.
Het wanhopige van de strijd over de tucht is, dat men zich ambtelijk wil veilig stellen tegen een codex, door formule en letter, alsof het een bezwering gold; en het enige middel om van deze nachtmerrie bevrijd te raken, de aankleding van de belijdenis met de kerkorde. vreest.
In dat verband moet ik nog even stilstaan bij de rechten, die de classicale vergadering in het Ontwerp- 1938 heeft gekregen. Ik behoor niet tot degenen die van nature geneigd zijn, de leertucht op deze vergaderingen te laten beginnen. In het Ontwerp van Kerkopbouw begon deze op de Provinciale Synode, na advies van de classicale vergadering. Er zijn echter enkele typisch geestelijke argumenten, die pleiten voor de regeling, zoals het ontwerp-1938 die heeft. Het eerste is, dat men gemakkelijk advies kan geven in een zaak, waarvoor men verder geen verantwoordelijkheid draagt. Wie die echter wel moet aangaan, zal zich ambtelijk verplicht voelen, rekenschap af te leggen. - Het tweede argument weegt mij echter zwaarder. Het vloeit voort uit het wezen van de kerkorde, zoals die in het Ontwerp-1938 is belichaamd. Wanneer de leertucht enkel betrekking zou hebben op een geïsoleerde preek, een lezing, misschien voor tien of twintig mensen gehouden, welke preek dan geconfronteerd zou moeten worden met de codex der belijdenis, die voor deze gelegenheid uit de 'safe' zou worden genomen, dan was de classicale vergadering daarvoor niet de geschikte plaats en zouden wij dat werk misschien aan de kerkelijke hoogleraren kunnen opdragen. Of liever nog zou één van hen voor archivaris kunnen worden aangesteld. - Zo moet de leertucht echter niet zijn. Ook de leertucht moet uit haar isolement worden verlost. Zij zal geoefend moeten worden met inachtneming van alle gezichtspunten, die de belijdenis, zoals die zich in de zorgen der kerk ontplooit, aanbiedt. Daarvoor is de classicale vergadering echter de naaste instantie.
Er is nog een reden, die mij noopt de classicale vergadering als zodanig te aanvaarden. Het is de wijze waarop men dikwijls uit de hoogte spreekt over het geestelijk onderscheidingsvermogen van de leden dezer vergadering. Zo nog pas prof. Brouwer in het Algemeen Weekblad van 13 mei jl.,109 waar hij uitrekent dat tot die vergadering behoren 'de pas van de Academie gekomen jonge predikanten en in de regel grotendeels dorpsouderlingen'. Deze hautaine toon was misschien nog te verdragen, toen de tweede generatie van de ethische richting Gunning voor confessioneel schold. Misschien ook nog toen het Algemeen Weekblad nog Bergopwaarts110 heette. Maar ze is het nu niet meer.
Wanneer een kerkorde wordt opgesteld, dan mag die geen reglementering van de betwijfeling der belijdenis bedoelen. Ze mag ook niet opgesteld zijn ten behoeve van de ketter met zijn letter. Maar ze mag evenmin ongeestelijk en onkerkelijk gehouden worden uit vrees voor het gebruik dat geestdrijvers - zoals men ze genoemd heeft - er van zouden kunnen maken. Wij hebben nodig een kerkorde zonder meer.
De leertucht zal actueel moeten zijn. De kerkelijke vergaderingen moeten niet worden opgeroepen om'leerstellige geschillen'te beslissen. Daarin kon de Commissaris-Generaal van 1816111 wel eens gelijk gehad hebben. Maar ze zouden zo veel meer te doen krijgen met de belijdenis der kerk ten opzichte van alle dingen en midden onder de mensen.