62. Geest en orde1
Wij hebben in Kerkopbouw en in dit moderamen de zaak van de reorganisatie al enige malen doorgepraat. Iets nieuws daarover te zeggen is niet gemakkelijk. Maar ook wijzigt de situatie zich telkens. En uit dat oogpunt wordt het niet gemakkelijker, maar moeilijker de dingen te bespreken.
Vroeger was er een zekere consensus. Maar die is er nu niet meer. Ze is er niet in de kerk. En ze is er niet in Kerkopbouw.2 Op zichzelf is dat geen wonder. Het zou eigenlijk vreemd zijn als het anders was. Wij zijn niet bezig een huiskamer wat anders in te richten. De tafel om te draaien of een paar andere meubelen te verzetten. Ook dan spreekt de gewoonte en soms de piëteit nog mee. Geen wonder dat we ten opzichte van de inrichting der kerk conservatief, voorzichtig, jaloers, schroomvallig zijn. Alles heeft een oude traditie achter zich. Alles is eerwaardig, we mogen zeggen min of meer heilig. Het is christelijk, dat wil zeggen: Christus heeft er beslag op gelegd. De dominee op de preekstoel, de ouderling in de bank, ze zijn zo saamgeweven met onze gedachten over de bijbel, over God, over Jezus, dat we onwillekeurig wat vijandig staan tegen elk voorstel om in kerkelijke dingen iets te veranderen. Zulke bezwaren zijn altijd respectabel. En wanneer er geen andere overwegingen bijkwamen, dan geloof ik dat we het beste deden met de dingen te laten zoals ze zijn.
Maar zo staat het juist niet. Wij hebben er juist over te klagen dat het eerwaardige gelaat van de gereformeerde kerk in ons land niet meer duidelijk zichtbaar is. De organisatie van Willem 1 was departementaal maakwerk, iets als op dit ogenblik in Duitsland klaargemaakt3 wordt voor de keuken daar te lande. Het karakter van die caesaro-papistische4⌫ regeling is verzacht. In het begin werd de kerk door de konin geregeerd. Maar de structuur, het type, het bestuurd worden, al is het dan ook door zelfgekozen mensen, is gebleven.
Een intensief geestelijk en ook cultureel werk, zoals de gereformeerde kerk in ons land - blijkens de synodale akten daarvan zijnde - heeft verricht, is nu niet mogelijk. Men denke aan de slome sfeer die er hangt op onze classicale vergaderingen,5 waar de voorzitter soms al zijn best doet de stemmingen en de discussies voor het kofficuur te doen aflopen. En dat in deze tijd. Dat zijn geen kerkvergaderingen. Daar wordt kunstmatig onmondigheid gekweekt die verwant is aan die welke in de roomse kerk wordt gevonden. Wij hervormden moeten ons schamen als we vergelijken de lectuur van beter gehalte die in gereformeerde kringen doorgenomen wordt, ook in eenvoudige kringen, als we daarnaast stellen de vergelijkenderwijs stupide of futiele mentaliteit in hervormde kringen. ⚑Diezelfde geestelijke belangstelling bestond er vanouds in de gereformieerde kerk in ons land. Het geestelijke en culturele peil van ons volk, tot in de uithoeken toe, zoals ook in Schotland,6 is buitengewoon hoog geweest. Getuige de massale boekenschat die in burger- en boerengezinnen overgeërfd is uit de zestiende en zeventiende eeuw. In de hervormde kerk heeft dat nagewerkt tot in de nadagen van het Réveil. Maar toen is het gaan dalen. En wij dreigen een geestelijk versufte massa over te houden. Individueel wordt daartegen veel gedaan. Er wordt wel gewerkt in de hervormde kerk. Maar die arbeid kon veel produktiever zijn. 2 + 2 = 4. En 2 x 2 ook 4. Maar dan is toevallig 3 + 3 = 6. En 3 x 3 = 9. Dat scheelt 3. En bij 4 + 4 of 4 x 4 scheelt het 8. En bij 5 + 5 en 5 x 5 al 15. En zo telkens meer. Een goed georganiseerde, door één Heer, één Geest geleide kerk is een tafel van vermenigvuldiging. Newman wijst er telkens op dat de idee zich in de kerk vermenigvuldigt, dat ze anticipeert, assimileert.7 Wie heeft, dien zal gegeven worden. In onze kerk vindt dat proces ook wel plaats, maar meestal buiten de kerk om. In buitenkerkelijke verenigingen, die de gave der vermenigvuldiging, die de kerk van Christuswege bezit, niet in die mate hebben. Ze kunnen nooit dat centrale, dat de uitgangen des levens uit het hart uitleidende vermogen hebben, dat God aan de kerk schonk. Wat onze kerk heden ten dage ontbreekt is de vermenigvuldiging. Zij is bezig met aftrekking en dat kan de voorbode van deling zijn, een snelle vermindering, het omgekeerde van vermenigvuldiging. En dat is nu de hervormde kerk, de voortzetting van de martelaarskerk uit de zestiende eeuw. Wij weten allen van de ernstige pogingen die er aangewend zijn om daarin verandering te brengen. Ik noem de naam van Gunning, waarlijk niet de eerste de beste. Het laatste en ook eerste perspectief van Gunning was een opbouw uit de fundamenten.8 Het schijnt wel dat dat niet kan en niet mag voor onze kerk. Alsof dat caesaropapistische, dat typisch synodale, in de zin die het vooral na 1886 kreeg, zo diep is ingedrongen in onze mentaliteit dat we het vermogen missen om ons daarvan los te maken. Alsof we gebiologeerd zijn. Wie biologeert ons? Het antwoord is niet moeilijk: de wetenschap. Koning Willem 1 heeft het degenen die over kerkelijk opzicht en tucht spraken in 1816 al laten zeggen: daarvoor waren nu instellingen, de academies.9 Daar werd de leer gekeurd, niet door de kerk. Wel was er artikel 9, maar dat moest zo uitgelegd. De afgestudeerde heeft dan een onmiskenbaar brevet om te mogen prediken.
Telkens schijnt een besef te ontwaken dat dit een smartelijke gebondenheid voor de kerk betekent. Telkens schijnen de richtingen inzake leer en kerkorde naar elkaar toe te buigen. En telkens komt er dan iets tussenbeide. Prof. Brouwer schreef al lang geleden een boek over De moderne richting. Hij vroeg of de theologie daar niet telkens positiever moest worden, gegeven naar wat men er van merkte.10 Maar dan komt het sceptische zinnetje: Wij zouden niets liever wensen dan dit, maar ontveinzen ons toch niet de mogelijkheid dat straks 'de' wetenschap de wegen weder verder uit elkaar doet lopen. Hier is de wetenschap de concurrent van het Evangelie, genoemd als degene die ons biologeert.
Wij zien in de reorganisatie-beweging hetzelfde. De richtingen buigen naar elkaar toe. Maar de wetenschap, bij monde van dr. De Haas,11 blaast verzamelen naar de andere zijde. De verhoudingen zijn daarmee echter nog niet zuiver gesteld. De zaak ligt natuurlijk veel gecompliceerder. Dat gebiologeerd worden is er wel. Maar wanneer er een resolute erkenning was in heel Kerkopbouw van de richting der kerk als zodanig tegenover de wetenschap als zodanig, dan was er al veel gewonnen. Dat was dan een hoofdzaak die men zwaar zou laten gelden. Men zou het heel erg vinden dat de wetenschap de kerk haar eigenlijke functie, het belijden verhindert. Men zou er voor opkomen dat de kerk haar eigen zaken regelt. Men zou haar de kans geven zich als kerk te vergissen of te misdragen. Maar men zou niet willen dat een andere geestesmacht haar verhindert zichzelf te zijn. Men zou haar het recht van vergaderen, dat haar in eerste instantie toekomt, niet onthouden. Nu doet men dat wel. Men is bang voor de vergadering van onmondigen die onmondiger worden hoe langer men ze de kerkelijke rechten onthoudt. Men kan zulke dingen in een discussie niet tot een eind brengen, soms zelfs niet verder brengen. Men kan een beroep doen op elkaars kerkelijk geweten.
Het ontwerp ligt voor ons en de materie daarvan hebben wij al vaak besproken. Ik heb nu natuurlijk geen gelegenheid elk punt nog naar voren te brengen. In de discussie zal dat wel gebeuren. Toch wil ik op enkele dingen even wijzen. De regeling van de visitatie is in hoofdzaak dezelfde gebleven. Voor de huisgemeente kwamen de overgangsbepalingen. Zij sluiten zich aan bij art. 25.4 en 5 'in de verscheidenheid de eenheid bewaren' en 26b 'tot de eenheid terugbrengen'.
De overgangsbepalingen. Art. 8 geldt als de band der kerk waarbinnen men heeft te blijven. Een eenheid daarbuiten zoekt het Reglement niet, art.la.
Dan: art. Ib vraagt naar het wettige van de verscheidenheid en van de onttrekking aan het plaatselijk verband. En c. wil dat de zucht om te behouden niet ontbreke, geen partijgeest.12
Er is geen snelle afwikkeling bedoeld. Om de 10 jaar een uitspraak. Overal zeer rekbaar. Is de kerkeraad niet tevreden, dan de kerkvisitator. Dan de kerkeraad in kennis gesteld. Dan zendt de kerkeraad pas een besluit aan de organisatie. Dan kan het voor de classicale vergadering. De classicale vergadering kan de beslissing opschorten. Van de beslissing of opschorting is weer hoger beroep mogelijk bij provinciale synode, waarbij de visitator wordt gehoord. Dan kan nog vernietiging aangevraagd bij de algemene synode. De moderator wordt daarbij gehoord. Intussen mag de vrijheid van de organisatie niet belemmerd worden. Verliest tenslotte de organisatie, dan krijgt de kerkeraad daarvan bericht. Ze hebben dan geen kerkelijke rechten. Hun wordt een aanmaning tot onthouding gegeven. Verder gebeurt er niets. Tot tuchtmiddelen kan slechts met tweederde van de stemmen besloten worden.
Ik wijs verder op de uitbreiding die is gegeven aan de regeling van het in art. 25.4 en 26a bedoelde: in art. 9 Alg. Regl.13
De kerkelijke vergaderingen zullen zich in verbinding kunnen stellen met verenigingen en groepen in de lijn van art. 8, bijv. groep Zendingsacties enzovoorts.14