65. De reorganisatie in een nieuwe fase1
Een enkele lezer zal, bij het lezen van de titel van dit opstel, misschien in verleiding komen daarop te reageren met een sceptisch: 'de hoeveelste?' En in dat geval zou ik bereid zijn hem dit na te zeggen, alleen in andere toonaard.
Ik bedoel daarmee, dat reeds uit een oogpunt van waarschijnlijkheids-rekening de zaak eenmaal haar beslag moet krijgen. Voor de kerk kunnen wij ons moeilijk een onwaarschijnlijker toestand denken dan die, waarin wij ons thans bevinden. En het is niet aan te nemen, dat dit abnormale evenwicht steeds zou kunnen standhouden in een eeuw, waarin zich zulk een geweldig oordeel voltrekt over alle geestelijke formaties.
Men kent de feiten, die tot deze opmerking aanleiding geven. De synode aanvaardde de conclusie van haar commissie-ad-hoc,2 waarin deze adviseerde 'het ontwerp-januari 1938 niet vast te stellen, maar te besluiten, de zaak der reorganisatie over te brengen bij de Algemene Synodale Commissie, ten einde deze in overleg met de gezamenlijke kerkelijke hoogleraren beraadslage, wat te doen zij, om de in de consideraties der kerk over het ontwerp-1938 tot uiting gebrachte inzichten en wensen het beste tot haar recht te doen komen'. Dit advies werd gegeven "gehoord de consideraties der kerk, die wel - zij het op verschillende gronden - er op wijzen, dat een meerderheid een niet nader bepaalde reorganisatie wenst, maar tevens, dat de meerderheid de in het onderhavige ontwerp vervatte niet wil".
Daarmee is de nieuwe fase, waarin de reorganisatie-beweging gekomen is, aangeduid. Het eerste wat ons hierbij opvalt, is de continuïteit, die er is op te merken tussen de stand van zaken vóór en na de synodale beslissing. Immers deze laatste houdt geen absolute verwerping van de voorstellen in. Wel is het ontwerp-1938 van de baan. Maar de consideraties der kerk daarover worden aan de Synodale Commissie geëndosseerd, met de opdracht daaruit gevolgtrekkingen te maken met het oog op 'een niet nader bepaalde reorganisatie', die de kerk wel wenst. Mocht daaruit dus te avond of morgen een nieuw voorstel geboren worden, dan zou dat z'n ontstaan te danken hebben aan het beraad der kerk over dat van 1938.
Nu sla men deze duurzaamheid in de situatie niet te hoog aan. De 'inzichten en wensen', waarvan hier sprake is, stammen uit een discussie, waarin de meerderheid dergenen die daaraan deelnamen tegen het ontwerp was. Dit feit was het juist, wat de synode tot eenparige afwijzing bewoog. Daaruit zou men derhalve evengoed kunnen afleiden dat de zaak nu precies andersom komt te staan. Men zou kunnen zeggen dat het materiaal, waaruit de Synodale Commissie iets te vormen heeft, in hoofdzaak heterogeen is met de stof, waaruit het afgewezen voorstel is opgebouwd.
Hoe het daarmee nu in werkelijkheid staat, valt niet met één oogopslag te overzien. Daarmee zijn allerlei waarderingen gemoeid die in sommige gevallen merkwaardige uitkomsten brengen. Het geldt hier alle.-minst een rekensom, waarbij men een aantal inzichten en wensen van de 1427 tegenstemmers3 in de classicale vergaderingen bij elkaar zou kunnen optellen om tot het gewenste resultaat te geraken. De commissie-Addink4 sprak zelf van eindcijfers die handwijzers zijn, welke wel eens doen aarzelen. Wanneer dit reeds gezegd kan worden van het cijfermateriaal, dan geldt het nog oneindig veel meer omtrent de geestelijke zin van het uitgebrachte votum. De opvattingen op de beide vleugels, die het reorganisatie-front hebben omvat, staan lijnrecht tegen elkaar over, zodat het ene inzicht het andere en de ene wens de andere precies opheft. Wanneer ik hier bij het beeld van de commissie-ad-hoc mag blijven, dan zou ik willen zeggen dat de adviezen van de 1427 tegenstemmers slechts in negatieve zin als handwijzer te gebruiken zijn. Op deze handwijzer staat: niet zulk een reorganisatie. Meer zal de Synodale Commissie, zelfs met behulp van de kerkelijke professoren, er niet uit kunnen lezen. Zodra de inzichten en wensen van de 1427 naar hun positieve waarde worden bekeken, doen ze elkaar te niet en tasten degenen die daaruit iets moeten te voorschijn brengen in het ledige.
Van hieruit gezien kan het endossement aan de Synodale Commissie moeilijk anders worden gezien dan als een symbolische handeling, waarbij deze commissie als doofpot fungeert en de kerkelijke hoogleraren het deksel vasthouden.
Dit zou niet het geval behoeven te zijn, wanneer dat 'niet zulk een reorganisatie' op het formele in het ontwerp sloeg. Als het enkel betrekking had op de uitwerking van de beginselen, die aan het ontwerp-1938 ten grondslag liggen. Dan zou inderdaad met het overleg in de Synodale Commissie en het advies van enkele hoogleraren in het kerkrecht heel wat te bereiken zijn. Men zou het dan zo kunnen beschouwen, dat het ontwerp-1938 feitelijk aan de orde blijft en het college, dat waakt als de synode naar huis toe is en slaapt5 als deze vergadert, natuurlijkerwijze zorgzaam met de voorstellen bezig blijft tot de synode weer vergadert. Dit zou dan voor deze commissie, aan welke alleen de uitvaardiging van de door de kerk aangenomen reglementen is opgedragen,a nog wel ongewoon werk zijn, maar dat zou te verklaren zijn door de buitengewone omstandigheden. Op dezelfde wijze zou dan te motiveren zijn het betrekken van de kerkelijke hoogleraren in het overleg. Immers dezen zijn ook in de synode bij toerbeurt adviseurs en bovendien is een der zaken die aan de Synodale Commissie zijn opgedragen de correspondentie met bedoelde hoogleraren.b
Bovenbedoelde omstandigheden mogen echter niet aanwezig worden geacht. Het betreft hier geen verschil omtrent de uitwerking van de beginselen in het ontwerp. Integendeel, de discussie die in de laatst verlopen maanden gevoerd werd bracht diepe principiële verschillen aan de dag, ook in groepen6 waarin een zekere mate van overeenstemming bestond. De 'inzichten en wensen', waarmee de Synodale Commissie te doen zal krijgen, houden verband met tegenstellingen op dogmatisch en kerkrechtelijk gebied die in vele gevallen onoverbrugbaar zullen blijken of reeds gebleken zijn. En dat is niet alleen het geval tussen de 902 voorstemmers en de 1427 tegenstemmers, maar nog meer tussen de laatsten onderling, hoe vaak ze ook van elkanders argumenten gebruik mogen hebben gemaakt.
Hiermee is een zeer paradoxale toestand geschapen. Uit een bepaald oogpunt gezien kan men 'cum grano salis' zeggen dat het ontwerp aanblijft. De Synodale Commissie die, hoewel zelve geen bestuur, de machinerie der kerk gaande houdt als de synode naar huis is en aan wie in normale gevallen de uitvaardiging ener kerkelijke wet toevalt, treedt in dit buitengewone geval beredderend op en heeft tot taak ontvangen om in het overweldigende materiaal der kerkelijke adviezen orde te scheppen. Uit de schok tussen het ontwerp-1938 en de consideraties daarop zou dan als resultante een nieuw ontwerp geboren moeten worden, dat logisch als een geamendeerd ontwerp-1938 zou moeten worden gezien. Daarop komt ook ongeveer neer wat ds. Barbas7 in de synode heeft gezegd. Als volgt: "Het is een begrafenis, en toch ook weer niet een begrafenis. Wij houden de reorganisatie vast en arbeiden voort op de arbeid dezer reorganisatiecommissie. De kerk zal nooit kunnen zeggen, dat de synode dit ontwerp in de doofpot heeft gestopt."c Ook de commissie-Addink zelve. geeft het bestaan ener zekere continuïteit toe, al drukte zij zich uit de aard der zaak meer gereserveerd uit. Nadat zij amendering heeft afgeraden, omdat die van zo ingrijpende aard zou worden dat ze een nieuw ontwerp zou scheppen, waarop de adviezen der kerk opnieuw zouden moeten worden gevraagd, geeft de commissie toch uiting aan haar gevoelen "dat het aangeboden ontwerp van betekenis moet worden geacht in de historische ontwikkeling der Nederlandse Hervormde Kerk, welke betekenis uit de aard der zaak door de voorstanders anders gewaardeerd wordt dan door de tegenstanders."d Als restrictie op haar advies om niet te amenderen in de synode, kan en mag men hierin lezen dat ook de commissie-ad-hoc de endossering aan de Synodale Commissie bedoelt als een weg tot amendering van het aanhangige ontwerp, in heel wijde zin;8 waarbij trouwens volgens haar de duurzaamheid van het ontwerp door voor- en tegenstanders in tegengestelde zin kan worden aanvaard, wat weer leidt tot volledige oplossing der amenderingsgedachte.
Hiermee is dan het eerste gezichtspunt aangegeven; de amendering zou, als te omvangrijk en te ingrijpend, de synode gedrongen hebben in ongewone banen. Zij zou tegenover dit ontwerp reeds iets van haar bestuurs-karakter hebben afgelegd en aan de Synodale Commissie een taak hebben opgedragen die beter te rechtvaardigen valt met behulp van de bepalingen van het door de synode verworpen ontwerp-1938 dan met die van de geldende reglementen der Nederlandse Hervormde Kerk. Immers, volgens art. 58 Alg. Regl. van genoemd ontwerp worden de leden der daar voorgestelde Algemene Synodale Commissie uit de Algemene Synode gekozen, wat bij de Synodale Commissie uit de geldende kerkorde niet het geval is. De Algemene Synodale Commissie uit de verworpen voorstellen draagt een zuiver presbyteriaal karakter en verschilt in wezen niet van de andere synodale commissies die daar worden voorgesteld. Ze doen allen synodaal werk en vormen verbindingen van synode tot synode.
Wat de synode nu gedaan heeft is toepassing van art. 58 Alg. Reglement van het ontwerp-1938 en niet van art. 66 Alg. Reglement der Nederlandse Hervormde Kerk.9 De Synodale Commissie, zoals wij die kennen, is een apart instituut tussen de besturen in. Het is een merkwaardig symptoom van de verlegenheid waarin de kerk zich bevindt en van de betekenis van de verworpen voorstellen, dat de synode zich genoodzaakt heeft gezien een weg te volgen, waarvoor de aanwijzingen in haar eigen reglementen ontbreken en die haar brengt in het spoor van de voorstellen die ze bezig was af te wijzen. Wanneer ik zou moeten zeggen wat ik het belangrijkste acht, de opzettelijke aanhouding van de voorstellen door de verwijzing van de consideraties naar de Synodale Commissie of deze onwillekeurige toepassing van het verworpen reglement, dan zou ik mij ongetwijfeld voor het laatste uitspreken.
Want vlak tegenover de amenderingsgedachte staat het grimmige feit dat er 1427 tegenstemmers waren en 902 voorstemmers. De inzichten en wensen van de laatsten zijn bekend uit het ontwerp en uit de publikaties die van hun zijde daarop betrekking hadden. Wanneer er sprake zal zijn van amendering in zeer wijde zin, zodat deze valt buiten het kader van de gewone wetgevende arbeid in de synode, dan zullen daarbij de consideraties van de talrijke tegenstanders vooral als richtsnoer moeten dienen. Ik wees er reeds op hoe aan het einde van de conclusie der commissie-Addink het paradoxale van de toestand om de hoek komt kijken. Het aangeboden ontwerp moet van betekenis worden geacht in de historische ontwikkeling der kerk, maar voor- en tegenstanders waarderen die betekenis verschillend. Daarbij komt dan nog dat de tegenstanders haar onderling weer verschillend waarderen. En op dat laatste komt het juist aan als de gevoelens der tegenstemmers, die de meerderheid vormen, uit de aard der zaak bij een brede amendering het meest naar voren zullen komen. Wat zal de Synodale Commissie daarvan moeten maken? Aan deze zijde komt De Haas10 naast Severijn11 te staan en Beversluis12 naast Lingbeek.13 Het zal heel moeilijk zijn hun inzichten en wensen met elkaar in overeenstemming te brengen. Alleen een 'modus vivendi', zoals indertijd door Utrechtse hoogleraren voorgesteld,14 zou dan nog een kans bieden. Maar daarmee zou alle continuïteit met het te amenderen voorstel verbroken zijn. Wanneer deze inzichten verwerkt moesten worden in het kader van ontwerp1938 zouden ze onmiddellijk elkaar en het ontwerp vernietigen. Hier zie ik geen reële kansen, wanneer de reorganisatie-beweging niet zal ontaarden in een kerkrechtelijk geknutsel dat ons oecumenisch nog meer zou isoleren dan thans reeds het geval is. Het gevaar is niet denkbeeldig dat wij, door daarin betrokken te raken, een kerkelijk-politiek spel gaan drijven dat ons bij de handen afbreekt. Indien ooit, dan hebben we ons in de huidige tijdsomstandigheden aan opportunisme te spenen. 'Houdt Christus zijne kerk in stand, zo mag de hel vrij woeden.'15 Een reorganisatie moet uit geestelijke motieven voortkomen en zuiver principieel worden afgewikkeld. De kerkorde moet uit de Schrift worden afgeleid; zij moet uitdrukking zijn van de belijdenis en zij moet de prediking dienen. Op deze eisen des Geestes kan men geen amendementen maken, ook al bezit men de consideraties van 1427 mensen. Natuurlijk weet ik wel, dat de laatste verabsolutering alleen bij God staat. Maar wij worden toch gemaand op onze hoede te zijn voor relativeringen in de kerkelijke politiek.
Daarom ben ik op dit punt minder optimistisch dan de redacteur van dit tijdschrift. Prof. Haitjema heeft ten opzichte van de conclusie der commissie onderstreept:16 1e. dat de zaak der reorganisatie aanhangig blijft, en 2e. dat de kerk, door middel van de Synodale Commissie, nog meer de leiding neemt dan te voren.e⚑ Beide punten moet men, om ze zuiver te zien, op elkaar betrekken. De zaak blijft aanhangig; maar op welke wijze? De kerk neemt door de Synodale Commissie nog meer de leiding; maar waarheen brengt dit de reorganisatie?
Ik zie nu af van de merkwaardige omstandigheid waarop ik boven wees dat de synode, om de zaak naar eis te kunnen behandelen en de Synodale Commissie te kunnen inschakelen, haar eigen reglementen opzij heeft moeten zetten en zich heeft moeten bedienen van een der artikelen van het verworpen ontwerp. Van hoeveel betekenis deze geste uit een hoger gezichtspunt ook moge zijn, reglementair blijft het voorlopig een fout.
Dit is echter niet het ergste. Er is evenveel reden zich met bezorgdheid af te vragen of de zaak der reorganisatie terecht had moeten komen in een college dat geheel buiten de eigenlijke besturende, wetgevende en rechtsprekende functies der kerk staat en dat alleen is ingesteld omdat het, zoals Vos het uitdrukt, 'voor de behoorlijke gang en spoed van vele zaken bepaald onmisbaar is'.17 Daarmee is niet gezegd dat de leden dezer commissie hoofd voor hoofd niet even goed en beter geschikt zouden kunnen zijn dan wie ook in den lande om over deze dingen te oordelen. De bedoeling is alleen dat ze als zodanig niet de aangewezen instantie is. Een staatsbegroting hoort niet in de Rekenkamer te worden opgesteld en het reorganisatie-vraagstuk is niet op zijn plaats in de Synodale Commissie. Datzelfde geldt - mutatis mutandis - van de kerkelijke hoogleraren. Wel zijn ze twee-aan-twee prae-adviseurs in de synode, maar met z'n zessen vormen ze geen college. Zelfs het 'tres faciunt collegium' is op hen niet van toepassing. Wanneer ze door de synode of de Synodale Commissie worden bijeengeroepen,f schept dit niet meer dan een vergadering. Een kerkelijk instituut vormen ze samen niet. Een kerkelijk ambt bekleden ze ook niet. Bij het neerleggen van hun kerkelijk herdersambt gaan ze over 'tot andere staat des levens'. Vóór de kerkelijke hoogleraar zijn ambtsbelofte aflegt, moet hij de akte van ontslag als predikant overleggen.g Hun werk hebben ze in de school en niet in de kerk. Het epitheton 'kerkelijk' dat ze dragen mag ons dat niet over het hoofd doen zien. Daarom is er reden te vragen, wat de synode er toe bracht om deze hoogleraren 'au grand complet' aan de Synodale Commissie toe te voegen.18
Resumerende constateer ik, dat ik ten opzichte van de beide door prof. Haitjema genoemde lichtpunten zeer sceptisch moet staan. De zaak der reorganisatie blijft aan de orde! Maar is het een voordeel als ze op deze wijze duurzaam is? De kerk zal 'nog meer dan voorheen' de leiding in de beweging hebben! Maar is dat niet een schijn die gewekt wordt door een paar adjectiva die aanleiding geven tot misverstand? De Synodale Commissie is niet synodaal, noch in de zin van 1816, noch in die van 1618. Ze is geen besturend en ook geen vertegenwoordigend lichaam. En de kerkelijke hoogleraren, bovenal als men ze tezamen neemt, zijn geen kerkelijke functionarissen.
De situatie is dus thans zo, dat aan een in hoofdzaak administrerend en controlerend lichaam, bijgestaan door een zestal school-leerkrachten die hun kerkelijk ambt hebben neergelegd en tot andere staat des levens zijn overgegaan, de bereddering is opgedragen van de boedel die de reorganisatie-beweging 1938 heeft nagelaten.
Het is alleen voor de duidelijkheid en om de toestand in scherpe omtrekken te laten zien dat ik hier en daar een ongewone uitdrukking gebezigd heb. In de conversatie ben ik niet gewend de kerkelijke hoogleraren 'leerkrachten' te noemen. Tegenover de door de synode aanvaarde conclusie moesten ze een ogenblik zo heten. Het kan z'n nut hebben dit woord een keer te gebruiken. De laatste tijd ontdekt men hier en daar de neiging dit instituut te verkerkelijken.19 Deze hoogleraren zouden dan een halfkerkelijk of misschien een dubbel-kerkelijk ambt dragen. Dit leidt tot een vermenging van dogmatiek en prediking, van ethiek en pastoraal, die naar beide zijden ongewenst is.
Deze opmerking moge een nog wijder strekking hebben. Tijdens de jongste reorganisatie-beweging heeft een aantal professoren, niet overwegend kerkelijke, zich in gesloten phalanx20 in de discussie geworpen. Men zou, met een variant op de titel van een bekend gedicht van Hesiodus, bijna kunnen spreken van een professoren-predikanten-strijd.21
Deze laatste opmerking echter slechts in het voorbijgaan. Wanneer wij ons dan rekenschap willen geven van de kansen ener reorganisatie naar de eis van Schrift, belijdenis en prediking, dan kan ik die niet vinden in de omstandigheden, waaronder de door de synode aangenomen conclusie ons heeft gebracht. De negativiteit die er uit de wrijving in de massa der 1427 stemmen-tegen resulteert en die van-de-kerk-afzijdige plaats, waar deze chaos door de synode is gedeponeerd, geeft weinig hoop dat daaruit een kosmos zal voortkomen. ⚑Zo worden wij gebracht tot ons derde gezichtspunt. Mij was het, ronduit gezegd, liever geweest, als de synode het ontwerp-1938 zonder meer had verworpen. Het kerkelijk publiek had dan de ware stand van zaken gemakkelijker kunnen overzien.22 En degenen die deze belangen trachten te bevorderen hadden de handen vrijer gehad. De continuïteit der reorganisatie dreigt thans in een schijnfase te treden die haar werkelijke stand aan het oog onttrekt. Dr. J. Ch. Kromsigt23 heeft in De Gereformeerde Kerk van 8 sept. jl. gewezen op het omineuze feit dat in het verslag van het Christelijk Persbureau op het bericht omtrent een dankschrijven dat de synode besloot te zenden aan de reorganisatie-commissie onmiddellijk de mededeling volgt dat een nieuwe uitgave van de reglementen der Nederlandse Hervormde Kerk ter hand zal worden genomen. Behalve aan het endossement van de consideraties der kerk aan de Synodale Commissie kan men ook aan het samentreffen van die dank en die uitgave een symbolische betekenis toeschrijven. De enige mogelijkheid lijkt mij, deze 'omina' te aanvaarden en er zich naar te gedragen. Ze houden een waarschuwing in tegen het zich vastklemmen aan kerkelijk-politieke strohalmen en een aansporing om zich met het reorganisatie-vraagstuk niet in een cul-de-sach te laten dringen.
Wij zullen andermaal de ruimte moeten zoeken en liever, om met dr.Oorthuys24 te spreken, 'de woestijn in' moeten gaan dan ons in een slop begeven. De reorganisatie-beweging loopt niet door waar de synode haar een bedding wees, maar daar waar haar stroombedding in de afgelopen jaren liep, in het volle leven. Met het oog op een uiteindelijk slagen hebben we weinig te verliezen bij openbare tegenslagen, maar alles bij schijnbare successen. Een fabrikaat dat voldoet aan de 'wensen' van het publiek, kan de kerkorde toch niet zijn. Hoe sterker de spanning tussen belijdenis en kerkvorm wordt en hoe meer de nood des tijds dringt tot nieuw belijden, hoe groter de helderheid zal worden waarmee de omtrekken van een nieuwe kerkorde zich aan ons zullen openbaren.25 Daartoe is het echter nodig dat de zaak blijft waar ze thuis hoort, dwz. midden in het leven. Het is niet gemakkelijk te zeggen waar het hart der gemeente het duidelijkst klopt of waar het centrum der kerk ligt.
Deze vraag heeft een mystieke achtergrond. Maar het laat zich denken dat de synode, in plaats van de zaak in de Synodale Commissie te brengen en daartoe, zoals we boven aanwezen, eigenlijk gebruik te maken van een artikel uit het ontwerp-1938, een ruimer gebruik van het afgewezen voorstel had gemaakt en de proef genomen had met de Brede algemene synode van art. 6326 daaruit. Daar hadden dan bijeen kunnen komen, zoals de bedoeling is met zo'n Brede synode, voormannen uit de zending, uit de oecumenische beweging, uit de liturgische vereniging, uit de jeugdbeweging, de inwendige zending, de organisaties van het beheer, om te samen met de gewone ambtsdragers der kerk te overleggen wat er gedaan moest worden, nu "een meerderheid een niet nader bepaalde reorganisatie wenst", terwijl de meerderheid "de in het onderhavige ontwerp vervatte niet wil". Misschien zou dan gebleken zijn dat 'the proof of the pudding is the eating of it'.i Met dat 'niet nader bepaalde' in de reorganisatie die men wenst zou het meegevallen zijn en de overeenstemming die in het votum der kerk ligt opgesloten zou gebleken zijn veel groter te wezen dan in de conclusie uitkomt.27 Prof. Haitjema heeft getracht dit reeds nu tot uitdrukking te brengen.28 Daarvoor bestonden goede gronden, maar ze waren, als de zaak bij de Synodale Commissie moest terechtkomen, moeilijk vast te leggen. Daarvoor legde dan het cijfermateriaal te veel gewicht in de schaal. Had de synode echter de moed gegrepen art. 63 van Ontwerp-1938 voor één keer toe te passen, dan was de zaak heel anders komen te staan. De geestelijke factoren zouden dan bij de beoordeling en bespreking der consideraties van de kerk de doorslag hebben moeten geven. Een Brede synode had kunnen overwegen wat de voordelen en schaduwzijden van het verworpen voorstel waren, gezien van elk der terreinen af, die in art. 8 van het ontwerp worden afgebakend.29 De gedachte dat aan dat overleg zelfs politieke commissarissen zouden deelnemen, behoefde met het oog op art. 8, 8 AR. van het ontwerp niet uitgesloten te zijn. Op die wijze had het verworpen voorstel zich onder de kritiek van de 1427 tegenstemmers zelf enigermate kunnen ontplooien en een billijker beoordeling zou daardoor gewaarborgd geweest zijn. In plaats van dat het, zoals nu, als een dood lichaam naar de snijkamer wordt gebracht. Ik ben overtuigd dat dan, maar ook alleen dan, gebleken zou zijn dat er goede gronden bestonden om te veronderstellen dat het votum der kerk lang niet zo afwijzend is geweest als het wel lijkt en dat een meerderheid een kerkorde wil waarin de belijdenis uitkomt.
Deze gedragslijn zou verder verschillende andere voordelen geboden hebben. Na de afwijzing van het ontwerp was er op zulk een Brede synode plaats geweest voor een bespreking van dezelfde dingen in een heel andere sfeer. De consideraties zijn gegeven onder omstandigheden, waarbij het partijdige van de 'inzichten en wensen' dikwijls zeer sterk naar voren kwam. De vrees voor invoering werkte daartoe mee. Na de verwerping hadden soortgelijke consideraties met een heel ander geluid en effect kunnen gegeven worden. Wanneer men ze enkel als materiaal beschouwt, zelfs als cijfermateriaal, dan is deze verandering niet mogelijk. Daartoe moeten de stemmen eerst weer levend kunnen worden onder andere omstandigheden. ⚑Daarbij waren dan ook de professoren op hun plaats geweest, maar dan in kwaliteit, volgens art. 8,4 van het ontwerp. Hun taak zou het geweest zijn te overwegen wat de betekenis van een nieuwe kerkorde, in de geest van het ontwerp, zou zijn met het oog op de theologie. Ze zouden daarbij inzien dat de tuchtregeling, waarvoor ze zich nu zo sterk hebben geïnteresseerd, een zaak is van het pastoraat, dat zij hebben neergelegd toen ze tot andere staat des levens overgingen. De kans dat het een professoren-predikanten-strijd zou worden was dan bezworen. De predikanten zouden, naast de hoogleraren, ook de zendingsmannen, de jeugdleiders, de liturgen, de armverzorgers, de ouderlingen, de maatschappelijke en politieke werkers ontmoeten en dit zou aan het gesprek een heel andere toon en een veel breder wending geven.
Deze weg acht ik nog niet helemaal afgesneden. Waarom zou de Synodale Commissie, in correspondentie of in gesprek met de kerkelijke hoogleraren, niet tot de overtuiging kunnen komen dat er eerst meer geest moet komen in het cijfermateriaal, voor er iets mee te beginnen is? En wie belet haar om te trachten het daarheen te leiden dat er, tegelijk met de aandachtige beschouwing van de provinciale en classicale consideraties, een aanschouwelijke les wordt gegeven met een der meest diep ingrijpende en ver uitslaande bepalingen van het ontwerp, waarover die consideraties gaan. Dat zou een straal van billijkheid30 zijn dwars door de kerkelijke wolken, die voorbode kon zijn van verdere opklaring. Inderdaad zou het een buitengewoon rationele handelwijze zijn als men, om met goed recht te kunnen oordelen, verlangde dat althans één fiks en kleurig staal van de te beoordelen kerkorde in het volle licht van de publiciteit en de actualiteit zou worden uitgespreid, zonder dat er enig gevaar bestond dat iemand daarbij één haar zou worden gekrenkt.
Zulk een bijeenkomst, voor éénmaal gehouden, zou dan ongeveer het karakter dragen van een kerkelijk congres. De ouderen herinneren zich nog dat van 1886,31 toen het program voor de te volgen gedragslijn vooraf gereed lag. In ons geval zou het andersom zijn en het verschil tussen het tijdsgewricht 1886 en dat van 1938 zou daardoor voor iedereen openbaar wezen, zodat ieder vermoeden dat het er om te doen zou zijn twee 'Gereformeerde Kerken' naast elkaar te plaatsen, in z'n belachelijkheid openbaar zou worden. Tot leuze kon men nemen 'De kerk op de tweesprong' en het zou ieder vrijstaan te beginnen met dit op zijn eigen manier op te vatten. Alleen zou dan voor de hele wereld duidelijk zijn, dat de Synodale Commissie voor God en haar geweten weigert in het jaar 1938 met een kerkelijke doofpot te lopen.
Zulk een kerkelijk congres, zulk een proef-synode volgens art. 63 van de nieuwe kerkorde, aldaar Brede algemene synode genoemd, zou, mits goed voorbereid en in diep gevoel van verantwoordelijkheid gehouden, ons kunnen openbaren in welke fase de reorganisatie zich bevindt. We zouden daarbij niet met een schijnfase kennismaken, maar met een echte.
Ik zeg: reorganisatie, niet: reorganisatie-beweging. Want het is de vernieuwing van de kerkorde zelve die zich bezig is te voltrekken. Ze filtert van alle kanten door onze tegenwoordige reglementen naar binnen en maakt onze huidige organisatie van jaar tot jaar onwaarschijnlijker. Ik heb daar in mijn Kerkelijk denken voorwaarde voor kerkorde hier en daarj op gewezen. De opdracht aan de Synodale Commissie is er, zoals ons reeds eerder bleek, een nieuw bewijs van. De Brede algemene synode, die ik hier bespreek, zou niets anders zijn dan een eerlijke erkenning van dit steeds moeilijker te loochenen feit.
De bespreking van de reorganisatie zal toch overwegend van de nieuwe voorwaarden uit moeten plaatshebben. Het onvruchtbare van de in de afgelopen maanden gevoerde discussie ligt juist hieraan dat dit veel te weinig het geval was. Wanneer wij nu de nieuwe orde op één punt, waarop weinig tegenspraak bestaat en waar het geheel toch in volle werking kan worden gezien, konden laten functioneren, zou dat de beste wijze zijn om 'inzichten en wensen' tot hun recht te laten komen. Onder de bestaande organisatie is daarvoor geen ruimte. Daar is alles, of men wil of niet en hoe lang men ook vergadert of considereert, bestemd gedeponeerd te worden in het vat, waaruit zelfs de walm niet naar buiten mag komen.
De gelegenheid om zich uit te spreken op een plaats en onder omstandigheden, waarvoor het ontwerp-1938 bepalingen inhoudt, zou voor menigeen die zich tegen dit ontwerp verklaard heeft een bevrijding kunnen betekenen. Er moeten bij de tegenstanders heel wat zijn die geleden hebben onder hun eigen argumenten. Men is bijv. opgekomen tegen de waardering van de ambten in het ontwerp, terwijl men bij een ander punt van de synodale agenda, de bevoegdheid van de godsdienstonderwijzers rakende, van dezelfde zijde opkwam voor de betekenis van het ambt. De argumenten ter bestrijding van de nieuwe voorstellen zijn in sommige gevallen beneden de personen gebleven. In andere gevallen heeft men eenvoudig aangeraden de publikaties van voorstanders ongelezen te laten.k Dat is geen normale discussie. Het is een gevolg van de omstandigheid dat over de nieuwe kerkorde moest worden gehandeld onder de druk van de oude. Het zou aanbeveling verdienen de zaak om te keren en onder de auspiciën van de nieuwe, de inzichten en wensen welke de oude heeft wakker gemaakt te bezien.
Veel onheil dat nu tegen wil en dank is gesticht kon dan worden hersteld.
Men kan gemakkelijk verzamelen blazen, maar het geeft niet als men op dezelfde wijze tegenover dezelfde vragen blijft staan. De geesten zijn tegenover de reorganisatie-vraag op een bepaalde wijze openbaar geworden en zij kunnen hun geaardheid niet verloochenen. Het zou dwaasheid zijn dezelfde weg nog eens af te lopen om te proberen of men niet anders uit kan komen. Hergroepering is alleen mogelijk in een nieuwe fase en die komt ook tegen de wil van de synode of de provinciale kerkbesturen in. Alleen een kerkelijk congres in de zin van ons ontwerp of iets van gelijke aard kan de dingen thans verder brengen. Het kerkelijk front moet ruimte hebben zich te ontplooien. Werd daartoe ook maar éénmaal gelegenheid gegeven, dan zouden velen ontdekken dat ze hun houding tegenover het ontwerp konden wijzigen.
Vanzelfsprekend zou bij anderen het omgekeerde het geval zijn. Er zijn er, wie juist de kerkelijke sfeer tegen de borst stuit. Die waarheden alleen in wijsgerige en niet in godsdienstige vorm kunnen verdragen. Er zijn verstokte humanisten, wie eigenlijke theologie een gruwel is. Anderen hebben hun ziel aan de duivel der ethische autonomie verkocht, zodat ze de God der predestinatie niet meer vermogen te dienen. Er zijn schoolse geesten, die niet tot het besef te brengen zijn dat althans in de westerse kerk de vorm der leer door de prediking is bepaald. En er zijn hautaine zielen die maar niet kunnen begrijpen dat de sfeer in de kerk door de pastoraal wordt bepaald.
Op een Brede algemene synode zouden de zodanigen zich niet thuis gevoelen. Maar anderen zouden voor hergroepering gewonnen worden als ze in aanraking kwamen met artikel 8 van het ontwerp in de actualiteit van een nieuwe fase der reorganisatie. Hun inzichten en wensen zouden een nieuwe vorm aannemen, waarin ze geschikt werden om in positieve zin te worden aangepast aan de beginselen die aan de verworpen voorstellen ten grondslag liggen.
Wanneer daarvoor geen mogelijkheid wordt geschapen, dan vrees ik voor 'hinder en grote schade'. De ontwikkeling der dingen tegen te houden zal toch niet mogelijk zijn. Alleen zullen wij er dan, allen zonder onderscheid, tegenstanders zowel als voorstanders, op onnatuurlijke wijze tegenover staan. We zullen de dingen zien in het licht van gisteren en niet in dat van vandaag of morgen. Met een wanhopig formalisme zal men proberen een realiteit te benaderen die vraagt om een scherpe onderscheiding der geesten.
Reeds de onderscheiding tussen gisteren, vandaag en morgen eist een mystiek vermogen. Augustinus, Kierkegaard en Heidegger zijn daar om ons dat te zeggen.32 Wie meent dat 'de kerkvader der negentiende eeuw', Schleiermacher,33 ons in de twintigste nader is dan Calvijn in de zestiende en zelfs Augustinus in de vijfde, heeft de ogen niet goed open.
Alleen wanneer wij kunnen samenkomen in de kerkelijke sfeer die werkelijk van deze tijd is zullen wij elkander kunnen verstaan. Maw. als wij bereid zijn naar Gods Woord te horen. Want de reorganisatie is geen formele aangelegenheid, zoals de tegenstanders het vaak voorstellen. Wij staan met deze vragen midden in de moeilijkheden van vandaag en morgen.
Dat dit het geval is, zal men niet merken als men in een college dat naar z'n aard en karakter het meest buiten de openbare verantwoordelijkheid der kerk staat de consideraties gaat beschouwen, zoals ze in de partijstrijd zijn toegespitst op de onwezenlijke kanten van het ontwerp. Men zal moeten trachten te ontdekken wat ze te zeggen zouden hebben als de reorganisatie-1938 haar beslag kreeg in verband met de nood des tijds. En dit is alleen mogelijk op een kerkelijk congres of hoe men het anders wij noemen.