61. Ambt en dienst1
In de artikelen over kerkorde en beroep op de Schrift die ik in dit blad gaf kwam enkele malen de onderscheiding tussen ambt en dienst ter sprake.2 Over dit onderwerp wil ik hier nog iets meer zeggen. In mijn vroegere artikelen heb ik hiervoor reeds enkele lijnen getrokken die ik hier slechts behoef te verlengen. Over de praktische kant van deze dingen schreef ik reeds uitvoerig in het juninummer. En de mystische zijde gaf ik aan in het daaropvolgende. Hier komt het er dan op aan deze beide aspecten op elkaar te betrekken en daaruit enkele evolgtrekkingen af te leiden.
Allereerst de mystiek van het ambt. Daarvoor zijn we aangewezen op de bouw van de Una Sancta, de structuur van het lichaam van Christus.3 We mogen ons bij onze praktische kerkelijke politiek daarvan niet geheel losmaken.
Wel moeten wij duidelijk onderscheiden tussen de kerk als geloofsartikel en de kerk als middel om ons tot dat geloof te brengen. Anders stichten wij grote verwarring. Bij het laatste, de kerk als middel, komen de ambten ter sprake. En ieder ziet zelf wel in dat in de hemelse kerk zomin predikanten, ouderlingen en diakenen, als bisschoppen en kardinalen nodig zullen zijn. Het Evangelie behoeft dan niet meer gepredikt te worden; de armen zullen het Koninkrijk der hemelen bezitten en voor de ouderlingen zal er geen werk meer zijn, voor zover dat volgens de oude Franse kerkorden4 bestaat in het 'rassembler le peuple et rapporter les scandales'.a
Maar toch blijft er een zeker verband tussen die beide kerken; tussen de hemelse en de aardse, tussen de kerk des geloofs en het instituut. Jezus wordt als de hemelse bisschop of opziener genoemd in 1 Petrus 2 : 25 en in de Openbaring van Johannes (Apk. 4 : 4) komen de vierentwintig ouderlingen voor die zich nederbuigen voor het Lam. De kerk des geloofs geeft aan het aardse instituut een mystische wijding die dit laatste niet kan missen. Anders zou er geen kerk meer zijn.
Nu bestaat er voor de kerk als instituut niet die dogmatische klaarheid die wij aantreffen bijv. bij de Triniteit of de Christologie. Daarvoor is er te veel historie en praktijk mee gemoeid. Ze is voor de zaligheid ook niet strikt nodig als het eigenlijke Credo. De afleiding uit de Schrift is derhalve ook ruimer en van een enigszins andere aard. Maar de kerkorde mag van de Schrift toch niet worden losgemaakt. De mystieke band met de kerk des geloofs, de Una Sancta, zou daardoor verbroken worden en we hielden een aardse en burgerlijke vereniging over. Wij moeten blijven aannemen dat de geïnstitueerde kerken onder invloed van de Ene algemene kerk staan en dat de vragen van kerkorde moeten worden uitgemaakt. Deze dingen kunnen niet aan menselijk believen overgelaten worden. Daarvoor heeft de kerk als instituut te veel mystische kanten.
Nu vinden wij in de Schrift alleen de eerste beginselen van de kerk als instituut. Dat Christus heeft geïnstitueerd kan men niet of nauwelijks zeggen. De roomsen5 (ook Kuyper)6 denken hier meer historisch. De gereformeerden meer eschatologisch. In de apostolische tijd horen wij het eerst van opzieners, ouderlingen en diakenen. Wanneer nu de afleiding strikt historisch zou moeten zijn, zou de oudheid beslissend zijn. Zo is het heel sterk, ofschoon ook weer niet uitsluitend, bij Newman.7 En roomse geschiedschrijvers maken heden ten dage Jezus niet in mystische of eschatologische, maar in historische zin tot de eerste bisschop.8 Voor ons staan de dingen anders. Als wij staan op de afleiding van de kerkorde uit de Schrift, treden naast de historische ook de mystische en eschatologische argumenten op. Ook wanneer de presbyter of dominee later zou optreden dan de bisschop - wat niet blijkt - dan zou het verband tussen de kerk als geloofsartikel en de kerk als instituut toch beslissend kunnen zijn voor de eerste.9 Dat is bij de Hervorming gebeurd.
De afleiding uit de Schrift blijkt dus in de wereldgeschiedenis voor de kerk als instituut niet van letterlijke en historische Schriftuitlegging alleen af te hangen. Er zijn argumenten van mystische aard in het spel,10 waarbij de hemelse en aardse kerk beide meespreken.
Wanneer we dan, in verband daarmee, vragen naar het onderscheid tussen ambt en dienst, dan merken wij op dat een kerkelijk ambt niet alleen historie, maar ook andere dingen achter zich heeft. Invloeden van de Una Sancta op de kerk als instituut, op de hoogtepunten der kerkhistorie, beïnvloeden hier de aansluitingen aan de eerste beginselen van kerkorde die wij in de bijbel beschreven vinden. Vandaar ook de onderscheiding tussen tijdelijke en blijvende ambten. Deze is niet willekeurig.
Evenmin is dat die tussen ambt en dienst. Het ligt niet aan ons, voor een op zich zelf nodige en nuttige arbeid een nieuw ambt te scheppen. De structuur der kerk is heel eenvoudig. Leren, regeren en dienen zijn de drie fundamentele functies waartoe eigenlijk alles kan worden teruggebracht en die men zich in de hemelse kerk niet behoeft weg te denken. De hervormde kerken hebben daaraan in uiterst vereenvoudigde vorm uitdrukking gegeven in hun ambten. Een dergelijke trias heeft een zekere volledigheid in zich zelf, zoals ook blijkt uit de geschiedenis van het doctoren-ambt, waarvan de bekleders tot andere staat des levens overgingen. Bij dit drietal zouden we ook onmogelijk een episcopale figuur kunnen voegen. De hele bouw der hervormde kerk zou er door scheef getrokken worden.
Wanneer men aan zulk een eenvoudi samenstel van ambten, dat een zekere volledigheid bezit, iets wil toevoegen, dan zou dat op twee wijzen kunnen gebeuren. Allereerst door een teruggrijpen op de Schrift en daarmee op de Una Sancta zelve. Maar daarvoor is een mystieke doop in de gegevens der Schrift nodig, zoals die in de kerkgeschiedenis zelden kan voorkomen. Of, wanneer men tot zulk een machtige greep zich niet bevoegd rekent, door het meer uitwendig en instrumenteel invoegen van diensten naast de ambten. Deze diensten moeten dan eigenlijk, wegens de volledigheid van het samenstel, onder de ambten gesubsumeerd worden. Maar ze treden daarnaast om praktische redenen. Daarbij gaat dan onherroepelijk iets van de mystische wijding verloren.
Wij zien dit duidelijk bij de verhouding van predikant en zendeling. Men zou de laatste met de eerste kunnen identificeren, zoals men in de gereformeerde kerken dienaren des woords uitzendt. Ook bij ons wint dit gezichtspunt veld. - Doet men dit om praktische redenen niet. dan gaat het niet zuiver toe als men daarvoor een concurrerend ambt schept. Uit een oogpunt van gereformeerde kerkorde is daarvoor geen plaats.
Dit alles geldt voor de huidige situatie. De veranderde wereldorde echter, de eschatologische factoren in onze tijd, de tegenstelling van de civitas Dei en de civitas terrena waaronder wij leven, doen de vraag wakker worden of de kerk niet misschien opnieuw op de Schrift zou moeten teruggrijpen, ook voor haar inrichting. Dit kan echter nooit aanvullend en à l'improviste gebeuren. De verandering zou totaal en in volle zin reformatorisch moeten zijn. De kerkvorm zou daarbij tussen Rome en de Reformatie opnieuw in geding komen. Deze mogelijkheid is in Gods hand.