60. De reorganisatievoorstellen1
Het besef dat de organisatie van 1816 niet deugt voor een gereformeerde kerk als de onze, heeft nooit geheel ontbroken. Maar het begint thans sterker en algemener te worden dan vroeger ooit. Steeds meerderen vragen zich met onrust en ongeduld af hoe onze kerk haar plaats zal vinden aan het geestelijk front der christenheid en haar stem zal laten horen in de raad der kerken, als er geen verandering komt. De redenen waarom het moet, nemen steeds concretere vormen aan. Men behoeft ze werkelijk niet bijeen te zoeken uit een dogmatisch of kerkrechtelijk handboek. De evidentie staart ons in het gezicht, welke kant wij ook uitkijken. Niet alleen de zorg voor de gewone pastoraal, maar ook belangstelling in liturgische en oecumenische vragen, evenals overwegingen van publieke zedelijkheid, leiden tot de overtuiging dat het dringend nodig is.
Vroeger leek de belangstelling voor kerkorde wel een liefhebberij van een bepaalde groep. De nieuwste geschiedenis heeft echter een openbare les gegeven van niet te miskennen duidelijkheid.
De staatsorde ging voorop. Zij is het principe waaruit de geschiedenis van Europa zich de laatste tijd inspireert. Wie de communist en de fascist zijn, ziet men, nog beter dan uit hun leerstellingen, uit de orde waarin ze leven. Daartegenover voelen wij weer beter dat de kerkorde ook geen bijkomstigheid is. Voor Rome hebben wij dit altijd wel geweten. Wij zochten het wezen dier kerk in haar inrichting. Maar daarmee spraken wij tevens een grief uit. Voor onze eigen kerk negeerden wij het verband tussen wezen en vorm en wij waren daar soms trots op. De Geest of de geest zou het wel doen. - Nu zien wij dat de Duitse kerken een strijd op leven en dood voor haar organisatie voeren2 en wij beginnen te denken dat wij de zorg voor deze dingen niet straffeloos kunnen verzuimen.
Deden we dit toch, dan zouden we spoedig geïsoleerd komen te staan. Een groep christenen die in de grootste geestelijke veldslag die de wereld heeft gekend contact waren kwijtgeraakt. Een vergeten regiment. Alle kerken zijn in de weer. Naast leven en werk en geloof is ook kerkorde een vast punt op het oecumenisch program. Wij kunnen en mogen ons daar niet buiten houden.
Ten onzent is dat ook wel duidelijk te merken. Punten die vroeger nooit werden aangeroerd, zoals getal en aard van de kerkelijke ambten, vormen nu een onderwerp van discussie. Daardoor wordt het kerkelijk besef verhoogd. Naast de dogmatische vragen komen de kwesties van kerkinrichting te staan. Ze blijken ook een dogmatisch karakter te hebben, zodat men er mee op de Schrift terug moet gaan. Daardoor worden allereerst de verschillen verscherpt. De oecumenische beweging wint er niet bij als men omtrent deze dingen een tolerantie zoekt te kweken die op leerstelling gebied fiasco heeft geleden. De Schrift geeft onderwijs niet alleen op het gebied van het geloof, maar ook op dat van de kerkorde.3 - Maar juist als wij die vragen zoeken uit te maken, wast het gevoel van onderlinge eenheid. Men voelt weer de betekenis van die levensorde die in alle christelijke eeuwen de naam van kerk gedragen heeft. ⚑Wanneer dan ook, zoals nu het geval is, het hoogste kerkbestuur zich heeft laten vertegenwoordigen om met leden van twee grote verenigingen, Kerkherstel en Kerkopbouw, een reorganisatie voor te bereiden,4 horen we daarin de roep van de Ene heilige algemene christelijke kerk.
Het grote motief voor een verandering heb ik reeds genoemd. Onze organisatie past niet bij een gereformeerde kerk. Onze kerk heeft een bestuursinrichting die niet behoort bij haar ambtelijke instellingen. Predikanten, ouderlingen en diakenen kunnen onder een bestuur niet werken naar hun aard. Zij zijn geen ambtenaren, maar doen hun werk van Christuswege. Geen kerk zal over een kerk, geen predikant, ouderling of diaken over de ander heerschappij voeren. Dat is de grondregel der hervormde kerkorde.5 Kerkvergaderingen zijn geen volksvergaderingen; evenmin bestuursvergaderingen. Ieder komt er in zijn eigen kwaliteit, in dezelfde functie die hij in de gemeente bekleedt. Daarom moet onze kerk van haar ambtenari weer af. Wat een christen is, moet te zien zijn aan de kerkorde. De Christus-regering moet daarin uitkomen. De verantwoordelijkheid dergenen die dat zouden willen verhinderen is wel heel groot, groter dan ooit. De vrees voor de openbaring van het wezen der kerk is een slechte raadgeefster. Geen gehechtheid aan een bestuursfunctie of partij-angst mag ons daaraan het oor doen lenen.
Het wezen der kerk komt uit in haar belijdenis. De kerkorde kan daarnaar slechts verwijzen. Zij kan de belijdenis niet regelen, evenmin als ze de ambten onder bestuur kan plaatsen. Daarom kunnen besturen ook nooit belijden en zij hebben zich daarvan dan ook wijselijk altijd onthouden. Het is een herderlijke functie. Ze is nauw verwant aan de prediking en sluit zich, evenals deze, regelrecht aan bij de Schrift. De kerkorde mag daaraan niet toe- of afdoen. Zij mag geen artikelen bevatten waarin de ruimte der belijdenis omschreven wordt.6 Zij verwijst naar deze. Zij mag ze niet strikt of ruim proberen te maken, ze te regelen. De belijdenis laat zich dat niet doen. Ze wil niet op een juridische formule gebracht worden. Maar evenzeer verzet ze zich er tegen om mystisch vervaagd te worden tot een enkele liturgische uitspraak als bijv. 'Christus de Heer'.7 De pastorale belijdenis houdt ook geen voorzichtige middenweg. Ze is expliciet, volledig, uitgewerkt, duidelijk, op alles verdacht, nadrukkelijk, evenals de preek. Haar doel is het bijeenhouden en weiden van de schapen en het afschrikken en weren van de wolven.8 De kerkorde mag in dat herderlijk werk niet ingrijpen met storende artikelen over striktheid of rekkelijkheid. De kerk is geen school of rechtszaal. Het pastoraat moet in de kerk een vrije armslag hebben.
Voor zover deze belijdenis in de historie uitgeoefend is, kennen we haar uit de belijdenis-geschriften en liturgische formulieren. Wat betreft de volledigheid en nadrukkelijkheid vooral uit de eerste. Zoals we de openbaring kennen uit de Schrift, zo ook de belijdenis der kerk uit haar confessies. Men treft vaak een zekere angst aan voor de letter van deze stukken. Deze is in de kerk evenmin op haar plaats als wanneer een predikant bang zou zijn van een bijbeltekst als hij een preek gaat maken. Daarmee worden ze niet gelijkgesteld met de bijbel. Alleen de onmisbaarheid van het geschrevene wordt daardoor onderstreept.
Wij hebben de belijdenis leren kennen als een herderlijke functie: weiden van de schapen, weren van de wolven. Dit laatste is de tucht. Ze behoort onafscheidelijk tot het wezen der kerk. Besturen kunnen niet belijden; ze kunnen ook geen tucht uitoefenen. En ze hebben zich er weer met een onfeilbare instinctieve gevoeligheid van onthouden. Een bestuur gaat de tucht, althans de leertucht, altijd uit de weg. Onze kerk heeft meer dan honderd jaar lang de leertucht aan de academie overgelaten.9 Er was lettertucht, geen leertucht. Besturen kunnen een ambtenaar verwijderen waarover zij ontevreden zijn uit het oogpunt van orde en rust. Ze kunnen de wanorde en de onrust niet verduren, die de echte tuchtoefening meebrengt.
Waar een bestuur is, wordt geen tucht geoefend en waar de tucht verschijnt, verdwijnt een bestuur. Een ambtenaar wenst kalmte om zich heen.
Voor het conflict tussen herder en wolf biedt de organisatie van 1816 geen ruimte. Daarvoor is de vrijmaking van de ambten nodig.
Een overgang als de hier bepleite is uit de aard der zaak aan grote gevaren onderhevig. Deze zijn ten dele een gevolg van het feit dat wij, door het leven onder onze tegenwoordige organisatie, ontwend zijn aan een echte kerkelijke orde. Voor een nog veel groter deel echter hangen ze samen met de moeilijkheid om in deze wereld de geboden van Christus te onderhouden. Een geestelijke levensorde, een herderlijke regering, zoals de kerk die in werking wil stellen, dreigt altijd tot het burgerlijke en politieke niveau terug te zinken. Daarmee moet rekening gehouden worden. De kerk moet met volharding en geduld gewapend zijn en bij veranderingen als nu nodig zijn, moet bovendien gedacht worden aan de bezwaren van iedere geestelijke overgangstijd. Daarom is het nodig in de gereformeerde, presbyteriale kerkorde het pastorale, pedagogische en missionaire karakter der belijdenis meer naar voren te brengen en bij de tuchtregeling het broederlijk vermaan een grotere plaats te geven. Daardoor zullen de ambtelijke en de synodale zijde van de kerkorde tevens beter bij elkaar aansluiten.
Deze ideeën10 zijn het die ten grondslag liggen aan het jongste reorganisatie-ontwerp.