Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 410–415

Weergave

59. Het reorganisatie-ontwerp (de noodzakelijkheid)1

1. Dat de inrichting van de kerk grote betekenis heeft, ziet men heden in Duitsland. De kerken staan daar onder hoge druk. En die druk wordt uitgeoefend door de hoogste spanning die we bij de aardse dingen kennen. De uitzettingen en inkrimpingen bij een nationale stam. Deze druk is geweldig en wie de betekenis van een kerkorde wil bestuderen kan hier terecht.

Heel verschillend is daarbij de positie in de r.-k., de lutherse en de gereformeerde kerk. De roomse, met haar vaste, sterk met de burgerlijke ordeningen overeenkomende inrichting, ondervindt de minste last. Ze onderhandelt op voet van aardse gelijkheid met de nationale macht. De lutherse kerk, met haar minimale gemeentevorming, haar concentratie op de prediking des Woords, heeft grote moeite om in de nationale storm niet meegetrokken te worden. De Duitser dreigt hier de christen te verstikken. Daartegenover toont de gereformeerde kerk in Duitsland weer meer weerstand, omdat voor haar de kerkorde ook tot het Credo behoort. Zij kan er moeilijk in berusten als de staat de kerkelijke wet verzet.2

Uit dit alles blijkt dat het niet onverschillig is of de druk waaraan een kerk wordt blootgesteld wordt opgevangen door een organisatie. Als de prediking des Woords onbeschut3 staat, wordt ze blootgesteld aan politieke wind, bij ons ook. Een kaars op een tochtige vloer. ⚑2.Dit is niet de bedoeling geweest van de kerkvaders en de reformatoren. Zij hebben niet een zo overgeestelijke gedachte van het geloof gehad dat men het opzettelijk moest blootstellen. Wij zijn nog geen engelen, zegt Calvijn in zijn Institutie, als hij over de kerkinrichting gaat spreken. Maar wij zijn nog in de gevangenis van ons vlees. Wel heeft Luther sterk geaarzeld.4 Het bleef bij Luther een onopgeloste vraag hoe de kerk zich kon organiseren, zonder haar wezen te verliezen. De overheid mag de predikant niet leren, noch de wederdoper op het raadhuis zitten. De overheid regeert volgens Romeins of heidens recht. Het canonieke recht veracht Luther.

De schrik voor de roomse ceremoniën zit er diep in. Wel moet de overheid enige kerkelijke regels voorschrijven, maar dat zijn geen nieuwe decretalen maar een historie (een illustratie).

In zijn Duitse Mis in 1526 zegt Luther dat er eerst onder de menigte als onder Turken godsdienst geoefend moet worden. Een kerkorde zomaar invoeren, daarvoor schrikt hij terug. Hij is bang voor ceremoniën. Toen een lutherse synode een idee van Luther in ernst nam en tucht en gemeentelijke ambtskeuze wou invoeren, ried Luther het af om 'solch ein Haufen Gesetze mit so machtigen Worten hei uns vorzunehmen'. Hij wil het laten bij het weren van openbare kerkelijke ergernissen door de overheid. Luther ziet (Deutsche Messe 1526) geen kans een christenvolk met tucht en armenzorg in te richten, 'denn wir Deutsche sind ein wild, roh, tobend Volk, mit dem nicht leicht ist etwas anzufangen, es treibe dann die höchste Not.'

Luther houdt iets van de mystieken. De kerkinrichting is niet voor degenen die al christen zijn, maar voor degenen die het nog moeten worden.

De christenen hebben hun godsdienst in de geest.

Voor de eenvoudigen en het jonge volk zou Luther wel met alle klokken willen luiden, met alle orgels pijpen en alles laten klinken wat klinken kan. De fout van de Pauselijken is echter dat ze deze uitwendige dingen voor de zaligheid nodig rekenen.

Er is geen kerkelijke overheid.
Het predikambt is het hoogste ambt in de kerk.

3.Luther waagt het ook niet met een kerkorde om de democratie.'Man darf dem Pofel nicht pfeiffen, es tollet sonst gerne.' De schaduwkant van deze lutherse schroom voor gemeentevorming ondervindt de lutherse kerk in onze dagen. Melanchton5 heeft hier wel aangevuld, maar niet eigenlijk in kerkelijke richting. Meer naar de kant van de school en het humanisme. Hij heeft de Duitse ambtenaarsstand geschapen. Dat is de eerste gestaltelijke vorm, de materialisering van de Duitse christen. In zijn soort een prachtig mensentype. 'Die deutsche Jacke ist ein bischen rauh', zei Bismarck, 'hält aber warm.' En hij had wel wat gelijk.

Naar dit melanchtoniaanse christentype grijpen thans de besten in de rijen der Duitse christenen terug. Dat is hun gevormde christen, de beste christen, de beste burger. Maar ze brengen daarbij de drager van het hoogste ambt, de Evangelie-prediker in lutherse zin, in het gedrang. Men wil de materialisering niet van de ware geest. In zijn pastorie, idyllisch in het Harzgebergte of reëel in de grote stad, heeft de pastor wel een gezegende positie gehad, maar ze is heel weinig in het leven ingebouwd. En dat brengt de kerk nu in grote moeilijkheid.

4.a. Calvijn heeft Luthers kerkbegrip naar een heel andere zijde uitgebouwd dan Melanchton. Hij durft de christen aan, niet alleen als burgerambtenaar - de beste christen, de beste burger - maar ook als kerklid. Het burgerschap in de Civitas Dei, de Godsstad. In Zuid-Duitsland waren mannen als Butzer6 reeds in die richting gegaan.

b. De gereformeerde kerk is een middenvorm tussen Rome en de wederdopers. De kerk is de gemeenschap der gelovigen onder elkaar en deze roept concrete vormen des levens te voorschijn. Helemaal duidelijk is dit bij Calvijn nooit geworden evenmin als bij Augustinus.

(Een van de moeilijkste plaatsen in de Institutie is die, waar hij het artikel van de kerk in de 12 Artikelen ook 'aliquatenus'7 tot op zekere hoogte, op de zichtbare kerk laat slaan.) Hier zweeft het geluid van de calvinistische reformatie. Calvijn durft, evenmin als Luther, deze zijde van de gemeentevorm uit te werken. Dan zou hij wederdoper geworden zijn. Hij gaat haastig over tot de behandeling van de kerk der ambten. Een zuiver kerkelijke samenleving durft hij niet aan, ook in zijn theocratie te Genève niet. Maar in de kerk der ambten heeft Calvijn toch een stuk gegrepen van wat bij Luther in de gemeenschap der heiligen - die hij in de grote Catechismus vertaalt met 'ein heiliges Häuflein'8 - schuil blijft gaan en bij hem zelf ook.

c.Calvijn zet de prediking des Woords niet zo naakt onder de Turk en als Luther dat doet. Hij zegt ook niet dat de heiligen zelf van de Geest kunnen leven.

De prediking des Woords heeft ook de gelovige tot object. Calvijn legt er dadelijk in Boek IV9 nadruk op dat de gelovigen uiterlijke middelen nodig hebben. Dat het geloof daardoor niet alleen geboren, maar ook vermeerderd moet worden.

d. En zo wordt de ambtelijke zichtbare kerk toch meer een samenleving, ofschoon die niet regelrecht uit de gemeenschap der heiligen wordt afgeleid. Dat zou doperse kortsluiting brengen. De gemeenschap loopt over de ambtelijke prediking en daardoor blijft de distantie bewaard. Het kan geen aardse liefdesgemeenschap worden, omdat de gemeenschap door het geloof heen geoefend moet worden. Ze moet een omweg maken over de eeuwigheid.

e. Hiervan geldt wat de Apologie van de Augsburgse Confessie10 ook zegt: dat de kerk geen gemeenschap is van uitwendige dingen, zoals andere burgerschappen, maar dat het hoofdzakelijk een gemeenschap des geloofs en des Heiligen Geestes in de harten is.

Maar Calvijn legt er meer nadruk11 op wat de Apologie trouwens ook nog zegt, dat die gemeenschap uitwendige herkenningstekenen heeft, nl. Woord en sacramenten. Wel zegt hij ook met Luther (1527) hoe eenvoudiger de eredienst des te beter, als het Woord en het teken slechts overblijven. Alles om aardse kortsluiting te voorkomen. Zo van aardse liefde, zo van aardse schoonheid. Daarom legt Calvijn er in zijn Institutie evenals Luther de nadruk op, dat niet de zonde ons van de kerk scheidt maar wel de valse leer. Alles komt er op aan het Woord Gods zuiver te houden. De paus hoort niet tot de kerk, de zondaren wel (Luther).12

5.Maar als het er nu op aan komt, die kenmerken van de ware kerk vast te stellen, dan gaat Calvijn verder dan Luther. Dan wordt er door de tucht, door het onderwijs, door de christelijke liefdadigheid een gemeentevorm geboren die van grote betekenis is geworden voor de calvinistische volkeren. Rondom het Woord en de sacramenten ontstaat een levensvorm, die ons helpt om ons te oriënteren omtrent de ware kerk.

6. Deze is in de eerste plaats bedoeld om de zondaar de weg tot de zaligheid te vergemakkelijken.

De gemeente is een handwijzer naar de prediking en deze is een handwijzer naar Christus. De gemeente bedoelt niet een aardse levensvorm te scheppen en alles aan haar moet daarom eenvoudig zijn. Het is nog geen tijd voor glorie, maar voor strijd.

7. Maar in de gemeente krijgt de zondaar toch een thuis. Het is geen prediking onder Turken. Hier worden andere aardse levensvormen gekweekt dan door Melanchton. De figuur van de trouwe staatsambtenaar is niet de eerste herberg, waarin de christelijke geest kan inkeren. Er zijn vormen die nader bij de prediking liggen en die iets vastleggen van wat uit het Woord geboren wordt. De gelovige behoeft niet geheel in de politieke stand terug te keren, om daar de overige tijd zijns levens de wet der aardse burgerschap te dienen. Hij kan ook een stelling daarvoor betrekken op het terrein der kerk. Zijn houding daar heeft allereerst een dubbele symbolische betekenis. Allereerst is er een aanwijzing waar het Woord Gods te horen is; een kenmerk der kerk.

En in de tweede plaats is ze een gestadige kritiek op de staat. De gereformeerde gemeente ontlaadt het demonische, heidense karakter van de staat. Door achter deze een levensvorm te demonstreren die in beginsel met het heidendom gebroken heeft. Canoniek recht tegen Romeins recht. Ze demonstreert dit ook door haar ascese, haar soberheid niet alleen in de eredienst maar ook in het leven. Kuypers openzetten van het hele levensterrein is een fout. De gemeente kan haar kritische functie op het gepaganiseerde13 leven slechts oefenen in een zekere zichtbare mate van onthouding.

Deze functies van de gemeente: handwijzer naar het Woord en kritische houding tegenover de staat, zijn primair.

8. Maar dan komt daarbij dat de gemeente op die wijze een aardse bestaansmogelijkheid schept voor de gelovigen. Zoals het tegenwoordig gaat dat alle levensverschillen wegvallen en alle grenzen tussen wereld en kerk worden uitgewist, zo gaat het niet lang meer of de kerkelijke kruik breekt.

De stuipen die de staat in onze dagen vertoont hangen daarmee samen. Men moet het fascisme de mosterd van een kerkelijke ascetische levenshouding aan de voeten leggen.14 Anders gaan we weer terug naar een periode van eaesarenwaanzin. Wij willen niet alles van het leven. Wij staan vrijwillig veel af omdat wij veel verwachten van de eeuwigheid. Wij doen niet aan alles mee. Wij willen en moeten de moed hebben om te zeggen: ik doe niet mee. En alleen te staan. Dat is de weg om gemeenschap te leren kennen. Dat is gemeentevorming. Deze laatste betekenis van de gemeentevorm kan gevaarlijk zijn.

9. Wij kennen die gevaren uit de geschiedenis en de ervaring. Wij kennen ze uit Calvijns machtige proef te Genève. Uit het Puritanisme van Cromwell.15 De schaduwkanten zijn natuurlijk erg overdreven, maar ze bestaan. Dogmatisch slangetje, liturgisch gezangetje.16 Maar een gemeente die niet meer demonstreert is geen gemeente. Ze moet heenwijzen naar het Woord. Zij moet het heidendom van de staat kritiseren door eeuwigheidshouding.

10. Het derde, dat ze daardoor een aardse bestaansmogelijkheid schept voor de gelovigen, dat wordt haar toegeworpen. Dat is geen doel, maar toegift. Wanneer ze dit vergeet en een kerkelijke 'Kulturseligkeit' kweekt, zoals sommige neocalvinisten dat doen,17 dan heeft ze haar loon weg en wordt het zout smakeloos (Mt. 6 : 2, 15, 16; 5 : 13

1l. Daarom moet de kerk kerk zijn. a. De dogmatiek moet hard zijn.

b.De tucht mag niet marchanderen. a. De kerk mag vrijgevig zijn in alles, behalve met de waarheid. b. En datzelfde demonstreert ze in een soberheid des levens die, als ze echt is, getuigenis geeft van de eeuwigheid. Alleen in die vorm is leven eigenlijk mogelijk.

12. Het staatkundig leven op zichzelf is een onmogelijkheid. Aards heidens leven is oorlog, ondergang. Da Costa.18 Augustinus: roofrijk.19

13. Aards leven is alleen mogelijk als een projectie van eeuwig leven. De projectie kan niet uit zichzelf begrepen worden. Ze toont verkortingen die alleen te verklaren zijn uit haar verhouding tot de oorspronkelijke figuur.

Aards leven is een schaduw van een hemelse wolk en op deze wolk staat Christus.

Dat is de betekenis van de gemeente als levensvorm, afgezien van haar symbolische en kritische betekenis. Ze schept de mogelijkheid om te leven.

14. Dat is geen optimistische geschiedbeschouwing. Men kan ze evengoed pessimistisch noemen. 't Is een theologische geschiedbeschouwing die betekenis heeft voor onze tijd. Niet de staat geeft ons het leven, zoals Gogarten20 wil. Het geloof bezit een voorlopige materialisatie in de gemeente. Dit is een vraagstuk van de eerste rang voor onze tijd.

Eindnoten

  1. 1

    Plaats- en datumbepaling ontbreken op het manuscript van deze lezing. In Noordmans' handschrift staat er boven: Het Reorganisatie-Ontwerp. Maar het woord Reorganisatie is geschrapt. Als ondertitel: De noodzakelijkheid!!! Een onbekende heeft als vermoedelijke ontstaanstijd genoteerd: '± 1937'. Zie in verband hiermee n. 52.1, 2; 62.2. Vóór de Duitse kerkstrijd zie n. 26.8; 60.2.↩

  2. 2

    Na het woord 'verzet' is nog te ontcijferen: 'Dat moet - bij Gunning ook.' Bedoeld is misschien: ook Gunning zou niet berust hebben. Vgl. vooral zijn strijdbaarheid van de Arnhemse jaren (1900-1905). Waarschijnlijker, dat deze woorden horen bij: 'kerkorde ook tot het Credo behoort'. Een dergelijke visie is stellig gunningiaans. Voor de Duitse gereformeerden zie n. 48.44.↩

  3. 3

    Kerkorde ter bescherming van de prediking: voor Calvijn zie nr. 55, p. 372; voor N. zie Verantwoording, p. 14 v.↩

  4. 4

    Voor dit Luthercitaat en de volgende zie n. 55.19-24.↩

  5. 5

    Zie n. 58.6.↩

  6. 6

    Martinus Bucer (1491-1551), dominicaan, door Luther bekeerd, hervormer van Straatsburg (ook te Ulm en te Keulen), beoogde eenwording luthersen en gereformeerden, vooral m.b.t. Heilig Avondmaal (Wittenberger Concordia 1536). Op uitnodiging van Cranmer naar Engeland, hoogleraar te Cambridge. - Bij Zuid-Duitsland valt te denken aan Ulm, waar Oecolampadius gewerkt had, die Bucer op dit spoor gebracht heeft, vgl. A. van Ginkel, De ouderling, diss. Utrecht 1975, Amsterdam 1975, p. 81 vv.↩

  7. 7

    Zie n. 19. 1 0.↩

  8. 8

    Zie n. 55.34.↩

  9. 9

    Wij vinden in het volgende een weergave van de eerste hoofdstukken van Inst. IV, 1-8.

    Aldaar ook het argument, dat "wij nog niet 'tot de trap der engelen gekomen zijn' " (zie p. 173 en n. 30.14).↩

  10. 10

    De Apologie is Melanchtons antwoord op de Confutatio der Augustana door r.-k. theologen. Het citaat is uit art. 7 De ecclesia. Zie Die Bekenntnisschriften der evangelischlutherischen Kirche, herausgegeben im Gedenkjahr der Augsburgischen Konfession, Göttingen 1930; 2e verbeterde druk, Göttingen 1952, p. 233.↩

  11. 11

    N. vervolgt zijn weergave van Inst. IV, 1. Van IV, 1. 13 af komt de levenstucht sterk naar voren.↩

  12. 12

    N. citeert hier (waarschijnlijk) vrij naar R. Seeberg, Lehrbuch der Dogmengeschichte IV-l, p. 358, Bazel 19535. Over Luthers denkwijze aldaar: "Nicht die Sünden trennen von der Kirche, wohl aber die falsche Lehre. Daher gehört der Papst auch nicht zu der sichtbaren Kirche, wohl aber Sünder, die im Prinzip die christliche Wahrheit anerkennen" (WA., 43, 429).↩

  13. 13

    Term uit de cultuurleer van A. Kuyper. Zie ook n. 31.19.↩

  14. 14

    Niet duidelijk wat bedoeld is. Misschien = mosterdpapier, d.i. grof wit papier met een laagje ontolied mosterdpoeder bestrooid, in de geneeskunde als sterk huidprikkelend middel aangewend.↩

  15. 15

    Zie n. 85.32.↩

  16. 16

    Bedoeld zal zijn het feit dat men zowel in de geloofsleer als bij de eredienst zich blind staart op kwesties die als een toetssteen van rechtzinnigheid worden beschouwd, zoals de kwestie van de sprekende slang en het zingen van gezangen in de kerkdienst.↩

  17. 17

    Vgl. N.' VU.-lezing van nov. 1935, in G. Puchinger, Een theologie in discussie (met als bijlage het debat Noordmans-Schilder uit 1936), Kampen 1970, m.n. p. 40-50.↩

  18. 18

    Deze grondgedachte, meer en meer verbonden met zijn eschatologische verwachting, vinden wij met name in de grote gedichten uit de jaren veertig. Vgl. Da Costa's complete dichtwerken, uitg. J. P. Hasebroek, Amsterdam 1871, dln. 3,4. Vgl. A. J. Rasker,a.w., p. 84.↩

  19. 19

    'Magnum latrocinium', zie VW., dl. 3, p. 87.↩

  20. 20

    Friedrich Gogarten (1887-1967), oorspronkelijk 'dialectisch' theoloog, ging mee met 'Deutsche Christen' (zie n. 26.8). Schepping en geschiedenis voor hem centraal. Vgl. Glaube und Wirklichkeit, Jena 1928, p. 1 l; Gericht oder Skepsis, Jena 1937 (hierin zijn breuk met Barth); vgl. ook Eckhard Lessing, Das Problem der Gesellschaft in der Theologie Karl Barths und Friedrich Gogartens, Gütersloh 1972, p. 209-222.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 58. Het vierde ambt in de Hervormde kerkInhoud60. De reorganisatievoorstellen →