53. Rondom het Akkoord1
Kritiek
Dat onze mensen binnen en buiten Kerkopbouw op het reorganisatieakkoord reageren, is een gelukkig verschijnsel. Alles is beter dan doodzwijgen. Dat de tijd voor dat laatste voorbij schijnt te zijn, wijst er op dat het getij verloopt. Het kerkelijk vraagstuk is zo centraal geworden dat men er van alle kanten mee in aanraking komt. In heel Europa staat de kerk zozeer in de branding, dat alleen een wanhopig flegma daarbij onverschillig kan blijven. De vraag naar de verhouding van kerk en staat is de allerlaatste jaren in een heel fel licht komen te staan. Daarbij komt de nood der zending. Een oplossing zonder een geheel nieuwe aanpak, waarbij de kerk op veel geestelijken en intenser wijze betrokken wordt, schijnt onmogelijk. Ook de verhouding van kerk en school komt weer aan de orde. De neutraliteit staat op zeer lage koersen. En op maatschappelijk gebied zien wij 't zelfde. Voor vele werklozen is er alleen levensmogelijkheid in een verband, dat onder de een of andere naam kerkelijk moet heten.
Waar de zaken zo staan, mag men van de kritiek vragen dat ze bewogen zal zijn. Ze zal geen harde afwijzing mogen inhouden. Zij zij fel, het zij zo. Maar zij mag niet louter afbrekend zijn. Dat is een weelde die men zich misschien nog enkele jaren veroorloven kan, maar niet lang meer. De vraag van de kerk is ook voor ons land aan de orde gesteld en niemand zal haar daarvan kunnen afvoeren. Ons reglement op orde en rust2 heeft zijn tijd gehad. Geen flegma, hoe taai ook, kan de dood negeren.
Tucht
Ds. Aris3 schreef in het Vrijzinnig Hervormd Amsterdamsch Weekblad (9 okt. 1936) dat hij op het Vrijzinnig Hervormd Congres4 de indruk kreeg dat de overgrote meerderheid met de reorganisatie-beweging van harte zou meewerken, als men de tucht, met name de leertucht, zou opgeven. Ik kom hier op dat congres niet terug. Ik polemiseer ook niet tegen ds. Aris. Hij verklaart zich voorstander van leertucht. Ik vraag alleen of het mogelijk zou zijn een reglement op orde en rust, zoals wij er nu een hebben, te vervangen door een waarlijk kerkelijk reglement, zonder de tucht en met name de leertucht er in te betrekken.
Een lichaam heeft enkele dingen zonder welke het geen lichaam is: het heeft afmetingen. Ons lichaam heeft een hoofd en bovendien handen en voeten. Zo is het ook met de kerk. Zij bezit ambten, een leer, liturgie en ook een organisatie. Dat zijn allemaal regels, die niet denkbaar zijn zonder een zeker gezag. De uitoefening daarvan noemen wij tucht. De kerk kan, als ze zich gaat bewegen, die tucht niet thuis laten, evenmin als een lichaam zijn afmetingen of wij mensen onze handen en voeten.
Wie daarom zijn flegma laat varen en geïnteresseerd raakt voor kerk en zending, kerk en staat, kerk en school, kerk en maatschappij, en niet meer genoeg heeft aan een reglement op orde en rust, moet weten hoe hij wil met de ambten, de leer, de liturgie, de organisatie en daarom ook met de tucht. Kritiek is niet voldoende. Hij kan de tucht er niet buiten laten. Hij moet zeggen hoe ze dan moet functioneren.
Wie drijft er tucht?
Wanneer we vragen, uit welke hoek de tucht naar voren komt, dan moet men goed rondkijken. Wij wijzen onwillekeurig naar Assen en zeggen: uit die hoek. De gereformeerden doen het. Ik stem toe dat ze tot die opvatting aanleiding hebben gegeven. Maar ik meen dat ze in Assen zijn vastgelopen.5 In 't algemeen zijn gereformeerden in de geschiedenis niet merkwaardig om hun ijver voor kerkelijke tucht, maar om hun aanpak van het mensenleven. Een gereformeerde kerk heeft een open deur naar de kant van de politiek. Het kerkelijk leven gaat er soms onmerkbaar over in het staatkundig leven, zonder dat de grens nauwkeurig is aan te wijzen.
Een gereformeerde kerk is geen klooster en geen reservaat. Daarom is ze ook nu nog een geestelijk bolwerk in Europa. Zij dreigt daardoor soms, zoals het neo-calvinisme, te verpolitieken. Goed, maar dát hangt meer met haar wezen samen dan het op de spits drijven van kerkelijke tucht. Dordt is een episode in de geschiedenis der Hervormde Kerk, meer niet.
Daarom acht ik het ook een geestelijke en tactische fout van de confessionelen in onze kerk en ook van Kerkherstel dat ze het odium van ketterjagerij zozeer over zich hebben laten komen. Dat is ongetwijfeld een gevolg van de omstandigheden. Het is een protest tegen het reglement op orde en rust van 1816. Maar het had toch niet zo eenzijdig hebben mogen plaatsvinden. Het maakt de mensen kopschuw. Ons program moet zijn een nieuwe inzet van de kerk tegenover haar taak in de wereld.
De tucht behoort uit een andere hoek te komen, vrijer van het gevaar om te verpolitieken. Ze komt van die zijde, waar men de kerk der eeuwen te hulp roept, haar sacramenten, haar liturgie. Daarmee worden ook de kerkleer en de tucht ingeroepen. Deze komen van hoger-kerkelijke zijde dan de gereformeerden en confessionelen zich kunnen beroemen te zijn. Dat dit niet zo duidelijk is als het zou moeten zijn, komt hier vandaan dat onze kerk ingekneld zit tussen de lutherse en de anglicaanse. De luthersen hadden geen volledige kerkvorm en de anglicanen worden gemakkelijk zeer latitudinaristisch,6 zeer breed-verdraagzaam, in verband met hun apologetische, aan de natuurfilosofie aansluitende manier van theologiseren. Zo komt het dat een hoog-kerkelijk mens ten onzent, dwz. iemand die het ambt, het sacrament, de liturgie mee op de voorgrond wil brengen, soms vergeet dat leer en tucht er ook bij horen en op die manier latitudinarist wordt. Een hoog-kerkelijk gereformeerde moet zich echter niet aan de Engelse kerk, maar aan de roomse kerk oriënteren. De weg naar Jeruzalem loopt over Genève en Rome, niet over Canterbury. Wanneer onze hoog-kerkelijke mensen dat inzien - ze beginnen dat te doen - dan zullen ze loskomen uit de beknelling tussen onze tegenwoordige lutherse7 kerkorde en een anglicaans latitudinarisme en ze zullen de betekenis van leer en tucht beseffen, zoals Rome dat doet. Zij, en niet de gereformeerden en confessionelen, hebben de specifieke roeping, daarvoor in de bres te treden. En van die zijde krijgt de tucht dan tevens een meer episcopaal-gereformeerd karakter.
Barmhartigheid in de leer
Dat is een eigenaardige combinatie van woorden, waaraan we weinig gewend zijn. Is er latitudinarisme mee bedoeld, een brede verdraagzaamheid ten opzichte van de inhoud der prediking? Is dat de episcopaal-gereformeerde opvatting van tucht? Zo zullen wij de constellatie van leer en barmhartigheid toch niet mogen zien. De barmhartigheid valt niet op de leer terug, maar gaat voor haar uit. De leer is zelf barmhartig en een verkeerde leer, die niet van Jezus Christus is, is onbarmhartig. Een mens van het Evangelie weer onder de wet brengen, is onbarmhartig. De kerk mag dat niet toelaten. Haar barmhartigheid gaat meer over de schapen dan over de herders.
De barmhartigheid is niet retrovers, slaat niet terug op het ambt, de liturgie, de leer, het sacrament. Dat zijn de instrumenten der kerk en zij is streng voor zichzelve. De barmhartigheid is prevers, zij gaat voor de kerk uit in de wereld, het mensenleven. Op dat eerste, het streng zijn voor zichzelf, hebben de hoog-kerkelijken te wijzen. De kerk kweekt en koestert geen heresie, maar werpt ze uit. Zo is het in de kerk der eeuwen steeds geweest. De gereformeerden in engere zin,8 die de grenzen der kerk steeds voor zich uit schuiven in de zede en de politiek, hebben het als het hun toegevallen deel te beschouwen, de barmhartigheid voor de leer te laten uitgaan in het mensenleven.
Dat zal vaak stuksgewijze en stootsgewijze gebeuren. En men zal niet altijd precies kunnen zeggen waar de hoog-kerkelijke tucht over de leer en waar de laag-kerkelijke barmhartigheid over het leven van toepassing is. De kerk zal heel dikwijls haar oordeel moeten opschorten.