54. Geest en orde1
In de gesprekken, die nu al wel honderd jaar gaande zijn over de wenselijkheid van een verandering in de bestaande kerkinrichting, komt men ook telkens het argument tegen dat een nieuwe orde zonder een nieuwe geest geen baat zal opleveren. Daarom waarschuwt men tegen te veel ijver. Soms gaat men nog verder en beweert dat we juist omgekeerd moeten te werk gaan. We moeten eerst een nieuwe geest afwachten, dan zal de nieuwe orde vanzelf komen.
Wanneer men dit dan heeft vastgesteld, constateert men kalmweg dat de nieuwe geest nog niet aanwezig is, om daarna te besluiten met het befaamde zinnetje: de tijd is er nog niet rijp voor. In de acta van de synode onzer kerk zal men het op menige pagina kunnen aantreffen.
Nu is de vraag naar de verhouding van organisatie en geest er een, waarover het debat wel nooit van de lucht zal zijn. Het is een probleem waarover men altijd weer opnieuw kan beginnen te praten. Dat zal ook wet de reden zijn, waarom men het altijd weer gedaan heeft. Het is een van die moedervragen, die zo oud zijn als de wereld. Zoals die andere vraag, waarbij men.weten wil wat er het eerst geweest is, een kip of een ei. Dat zijn scholastieke kwesties. Ze zijn behandeld als men veel tijd had, soms zelfs voor tijdverdrijf als men te veel tijd had.
De fout ligt dan niet hierin, dat men tot een bepaalde conclusie kwam, maar daarin schuilt ze dat men de zaak niet dadelijk omkeerde, om tot een tegengestelde uitkomst te geraken.
Een goed scholasticus weet dat; hij kent de knepen van de logica en is vertrouwd met het feit dat zijn redenering een cirkel beschrijft. In zijn beste ogenblikken weet hij dan ook dat het geheim niet benaderd wordt door de kringen die hij beschrijft, maar dat het hem rustig uitlacht op een van de rustpunten, waarom hij zich beweegt, zoals de egel het deed met de haas.2 Dit niet te weten en zelfs niet te vermoeden is eigen aan de niet-scholastieke tijden. Dan wacht men met organiseren tot de geest komt; of wacht met de geest tot de organisatie er is. Men vergeet de mystiek achter elke sluitrede. Men weet niet meer dat God ze beide draagt, de geest en de orde; de orde en de geest. Dat ze elkaar doordringen en altijd samen plegen op te treden.
Deze dingen hebben betekenis voor ons historisch en ons praktisch inzicht beide. Het praktische is het moeilijkste. Wij zijn geen scheppers en kunnen over een van beide beschikken, over de geest niet en over de orde niet. Over die laatste evenmin als over de eerste. Eerder nog over de geest dan over de vorm. Het is het allerhoogste, de vorm te gebieden als de geest aanwezig is.
Historisch hebben wij althans enige winst te boeken. De apostolische en de katholieke gedachte staan in de geschiedkundige beschouwingen niet meer zo vierkant tegenover elkaar als dat nog voor enkele tientallen jaren het geval was. Pinkstergeest en kerkorde kijken elkaar nu niet meer zo verwijtend aan als wel eens het geval is geweest. Men zal thans minder geneigd zijn, in de verschijning van het dogma,3 van de geloofsregel, van de kerkelijke inrichting een teken van verval van het christendom te zien. Ook is men spoediger bereid toe te geven dat het dogma en de kerkorde niet bepaald hun oorsprong in een andere sfeer, bijv. de Griekse geest en het Romeinse recht, behoeven te hebben. Waarom zou de christelijke kerk niet beide, geest en orde, hebben kunnen ontvangen?
De vanzelfsprekendheid die men toekende aan de bewering dat elke kerkelijke orde een buitenkerkelijke oorsprong4 moest hebben, is lichtelijk verouderd. Geest is niet een substantie zonder vorm. De vorm is ook van God en wanneer wij die niet van Hem ontvangen, zal ons de geest niet baten. Wie God tot Vader zal hebben, moet de kerk als zijn moeder5 leren kennen. Het christendom is geen onbepaalde vrijheid, geen onderscheidsloze gelijkheid, geen naamloze broederschap. Het merkteken van de Geest ligt niet in het vormloze, in het vage, in het ondefinieerbare. Wie op de Geest wil wachten tot Hij komt zonder orde, kan lang wachten.
Wij vinden niet iedere orde goed. Orde kan het merk des doods aan zich dragen. Maar evenmin is iedere geest uit God. Dat klemt even strikt. En iedere voorkeur in dat opzicht voor de geest, boven de orde, is niet christelijk.
Onze tijd kent de hypertrofie, de ongezonde, kankerachtige uitwas van de organisatie, als terugslag op de verwaarlozing van de geestelijke orde. Men zoekt geest te produceren door het in werking stellen van inrichtingen,6 die alles aan zich dienstbaar maken. Daartegenover zien wij de kerk opkomen voor haar eigen Geest, die God haar heeft geschonken. Maar zij doet dat niet zonder zich tegelijk te bezinnen op de vorm. Integendeel, zij komt tegelijk op voor de eigen orde, die evenzeer van goddelijke herkomst is. Verzuimt zij dat laatste, dan is ze overgeleverd aan de willekeur van mensen. De kerk zal niet voortbestaan als een broederschap van de vrije geest.7 Haar eigen ordening is niet onverschillig en betekent meer dan een menselijke reglementering van enige geestelijke functies. De geest der mensheid in de toekomst zal voor een groot deel afhangen van de inrichting der kerk.
Dat geldt ook van iedere kerk in 't bijzonder. Onze hervormde kerk werkt nog altijd niet zonder zegen onder ons volk. Wij zouden haar openheid van geest niet willen ruilen tegen iedere bepaalde ordelijkheid. Maar een orde in hogere zin ontbreekt haar wel. Zij zou, zoals ze thans reilt en zeilt, in geen gunstige conditie zijn om een pilaar en vastigheid der waarheid (1 Tim. 3 : 15) te zijn, als er tijden van beproeving kwamen, zoals die elders aanwezig zijn. Met hinder en grote schade zou de orde dan toch gezocht moeten worden. En datzelfde geldt ook als wij in rustiger water mochten blijven varen. Het afbrokkelingsproces is te duidelijk om ons daarvan niet te overtuigen.
Daarom meen ik dat de tijd er nu rijp voor is om dat boze spreekwoord, dat de tijd er niet rijp voor is, te laten varen.