Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 346–351

Weergave

52. Reacties op de reorganisatie-voorstellen1

Het is nog te vroeg om te kunnen zeggen welke ontvangst de voorstellen in de kerk gevonden hebben. Wel is er hier en daar gereageerd en soms vrij heftig. Dat het niet dadelijk zou komen tot het aannemen van een definitieve houding ligt in de aard der zaak. De voorstellen zijn resultaat van het overleg van twee verenigingen die een groot deel van het kerkelijk erf bestrijken. Daarom mag men aannemen dat men in deze kringen voorlopig een afwachtende houding zal aannemen. Dat men daar met alles helemaal zal instemmen, moest van te voren reeds onwaarschijnlijk worden geacht. Bij het trekken van de lijnen waren wederzijds slechts enkelen direct betrokken. En de overwegingen, die tot het vaststellen van de artikelen, in die vorm zoals ze er nu liggen, hebben geleid, konden moeilijk in extenso worden gepubliceerd. Sommige formuleringen zijn resultaat van langdurige discussies van tweeërlei standpunt uit. In de verenigingen wier commissies samenwerkten zal men natuurlijk daarmee rekening houden en ook wanneer men bezwaren heeft deze niet dadelijk in 't publiek naar voren brengen. Althans niet in zulke vorm die de samenwerking in gevaar zou kunnen brengen.

Dit zal te meer het geval zijn nu het geen uitgewerkte reglementen geldt, maar richtlijnen. Wel is de inkleding niet onbelangrijk omdat de consensus in vele gevallen vastligt in de formulering en de overeenstemming hier en daar bij andere woordkeuze zelfs labiel zou kunnen worden. Hoe korter zulke artikelen zijn, hoe meer elk woord onder stroom staat. Maar daar staat tegenover dat er dan ook behoefte is aan exegese en dat die uitlegging in de eerste plaats te wachten is van de verdere uitwerking. Hier en daar is alleen een enkele toon aangegeven en wat op die toon gezongen moet worden moet verder worden aangegeven. En ook dat zal niet altijd mogelijk zijn omdat de kerkelijke praktijk dat pas kan doen als het reglement in werking mocht treden.

Dit alles maant tot voorzichtigheid, die dan ook binnen de grenzen van de beide verenigingen die hier samenwerkten, ook door degenen die zich tot kritiek genoopt voelen, wel in acht zal worden genomen. Dit sluit echter een openlijke bespreking van het tot nog toe bereikte niet uit en het is dan ook te verwachten dat tijdens de arbeid der synodale commissie2 de discussie over deze dingen binnen de verenigingen niet zal stilstaan. Wanneer dit geschiedt onder sterk verantwoordelijkheidsbesef ten opzichte van de situatie die door het overleg geschapen is, kan het ongetwijfeld slechts voordelig zijn. De commissie kan daarmee dan rekening houden en haar voordeel doen en ze zal niet voor de onaangename verrassing komen te staan dat ze achteraf een aantal tegenstanders van haar werk ontmoet in mensen, op wier krachtige steun ze meende te kunnen rekenen.

Als voorbeeld van zulk een korte formulering die de exegese van breder uitwerking en van de kerkelijke praktijk in sterke mate nodig heeft, noem ik art. 25 bis onder a. Daar is sprake van "die leden der kerk die door nalatigheid en onverschilligheid3 vervreemd zijn van de kerk of dreigen te vervreemden". Hier wordt het acht geven op zulke groepen van mensen uitdrukkelijk onder de plichten van de kerkeraad genoemd. En in art. 27 wordt het instellen van een commissie daarvoor in gemeenten van meer dan 2000 zielen geboden.

Wie deze korte toevoegingen bij art. 25 en 274 leest, zonder veel te letten op de structuur-verandering die daarmee in het Algemeen Reglement is aangebracht, zal zich misschien stoten aan de dorre woorden, waarmee ieder reglement gedoemd is personen en zaken aan te duiden. Hij zal zich afvragen of de van de kerk vervreemden nu juist onder de titels van nalatigheid en onverschilligheid moeten worden opgevoerd. Men mag daarbij echter niet over het hoofd zien dat het niet mogelijk is de betiteling die de ware evangelist op de vervreemden toepast als "schare die de wet niet weet" (Joh. 7 : 49) of "schapen die geen herder hebben" (Mt. 9 : 36) in een reglement over te brengen, zonder in een onnatuurlijke zalving te vervallen. Nog minder mag men zulke groepen idealiseren als 'eerlijke twijfelaars' of neutraliseren als 'moderne mensen'. Een kerkelijk statuut kan de taal van de psycholoog of van de cultuurhistoricus niet overnemen. Het geeft slechts even, louter schematisch, aan, in welke houding bedoelde groepen tegenover de kerk staan, in dit geval in onderscheiding van de kerkelijk-actieve groepen die in art. 25 bis onder b worden aangeduid. En tegenover die 'doelbewusten' - zoals ze daar heten - zijn die uit art. 25 bis onder a de nalatigen en onverschilligen, geheel formeel vanuit het standpunt der kerk gezien. Dat een reglement zich hierover warmer maakt dan een reglement mag worden, dit te vragen zou ik niet juist achten. Wel vooronderstelt het die warmte bij de personen die volgens een bij art. 27 voorgestelde 2e alinea op dit gebied werkzaam zijn en waarmee de kerkeraad dan verbinding moet zoeken. In hun mond zullen deze verloren schapen heel andere namen dragen.

Met deze uiteenzetting wilde ik laten zien hoe zulke korte richtlijnen, als in onze voorstellen zijn neergelegd, noodwendig commentaar vereisen om ze billijk te kunnen beoordelen. Wanneer de toevoeging onder a van art. 25 met de bijbehorende wijziging in art. 27 reglementair en praktisch werd uitgewerkt, zou daarmee de structuur van het Alg. Reglement niet alleen, maar ook die der kerk een grote verandering ondergaan. De kerk zou weer het werk van een evangelist (2 Tim. 4 : 5) gaan doen. En ze zou, werden deze artikelen wet, iets van de beweeglijkheid terugkrijgen, die ze al te zeer verloren heeft.

Het gevaar bestaat, dat deze voorstellen voornamelijk uit het oogpunt der kerkelijke richtingen zullen worden be7ien. Dat alle aandacht getrokken zal worden door de Overgangsbepalingen. 5Een zekere concentratie bij de vrijzinnigen tegenover het ontwerp,6 wijst mede daarop. De reacties van die zijde kan ik in dit artikel niet meer bespreken. Misschien heb ik daartoe in een volgend nummer gelegenheid.

11

in mijn vorig artikel sprak ik de vrees uit dat de voorstellen hoofdzakelijk uit het oogpunt der kerkelijke richtingen zouden worden bezien. In verband daarmee wees ik op een zekere concentratie bij de vrijzinnigen. Die concentratie is er voor zover op het Derde Congres van vrijzinnig hervormden7 besloten is dat men zich gemeenschappelijk zal bezinnen op een motie van dr. De Haas8 om de synode te verzoeken de nog ongeboren voorstellen van de door de synode benoemde commissie te verwerpen en daarbij terug te grijpen op het program der Vereniging van vrijzinnig hervormden van 1923, waarvan dr. De Graaf de geestelijke vader was. In deze resolutie kwam men op voor een volkskerk en voor een daarmee corresponderende vrijheid van godsdienstige overtuigingen. Men wenste deze beginselen in de reglementen tot uitdrukking te zien gebracht en wierp de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van een tegenovergestelde gang van zaken van zich af.

Nu behoeft een bezinning op de motie-De Haas niet noodzakelijk tot een beslissing naar de zin van de voorstellen te leiden. Van een bepaalde concentratie in het vrijzinnige kamp kan men dan ook nog niet spreken. Ze is er slechts voor zover bezinning tot instemming kan leiden. Over de kansen daarop zal men ook in die kringen zelf verschillend oordelen. Wie de debatten op het congres en daarbuiten gevolgd heeft, zal mij misschien gelijk willen geven als ik zeg dat de verschillen op het stuk van kerkorde links zeker niet kleiner zijn dan rechts en dat, waar een overeenstemming rechts ten naaste bij mogelijk bleek, dit aan de linkerzijde nauwelijks het geval schijnt te zullen zijn.

Waar de dingen zo staan, dringen zich enkele vragen op. Tussen 1923 en 1936 liggen dertien jaren, die tot de meest bewogene uit de wereldgeschiedenis mogen worden gerekend. De kerk is daarbij aan alle kanten zozeer betrokken geworden dat haar voortbestaan als publieke instelling op het spel staat. Hoe is het mogelijk dat de vrijzinnigen, van wie men toch niet kan zeggen dat ze met de contemporaine historie niet meeleven, de resolutie van Arnhem in 19239 riu pas 'uit het vergeetboek' ophalen, zoals een deelnemer aan het congres het noemt in de NRC.? Was de bezinning op kerkorde dan een zo weinig integrerend deel van het vrijzinnige denken?

Deze vraag is niet als verwijt bedoeld. Ze wil enkel tot nadenken prikkelen. Dat deze dingen niet stilgelegen hebben in het vrijzinnige kamp blijkt uit niets zo duidelijk als uit de referaten en discussies op het bedoelde congres. Er heeft sedert 1923 een geweldige opschuiving plaatsgehad. Ik zal niet zeggen naar rechts, want daar gaat het niet om. Maar van het genootschap, de vereniging, naar de kerk. Wel werd ook daar nog de opvatting vernomen dat de kerk-als-instituut een vereniging is, maar dit geluid ging bijna verloren. Voor ds. Klaar ligt het kerkrecht tenslotte gefundeerd in het mysterie der kerk, in Christus. Ds. Klein Wassink hoort in het woord 'handhaving' de groeiende vastberadenheid om getrouw te blijven aan het wezen der kerk. Ds. Los legt er nadruk op dat de kerk een karakter heeft en vraagt om een belijdenis met handhaving door tucht. En ds. Vink wil de sociale en culturele arbeid der kerk onder diaconaal gezichtspunt zien en dit verankeren in de transcendente idee van het koninkrijk Gods.10

En nu weet ik wel dat hier ruimte overblijft voor een zekere toevalligheid. Maar deze toevalligheid - de keuze der referenten - wordt bij de vrijzinnigen ongelijk getaxeerd. Bovendien bestaat er geen toeval.

Uit dit alles blijkt dat de ideeën marcheren. Sedert 1923 in versnelde pas. En nu blijven er hier en ginds nog genoeg moeilijkheden, reserves en aarzelingen over. De genootschaps-idee beïnvloedt ook nog vaak de idee der kerk. Maar men mag misschien vermoeden - en ik hoop het - dat de vrijzinnigen bezig zijn met de overgang van het genootschap naar de kerk met ons te voltrekken. Veel radicaler dan op zuiver dogmatisch gebied heeft hier een principiële verandering plaatsgehad.

Daarom is het geen wonder dat - om met de deelnemer in de NRC. te spreken - de resolutie van 1923 dertien jaar lang in 'het vergeetboek' is gebleven. Daarin ligt niets vreemds. Een wonder is echter dat zij er nu nog eens uit is gehaald. Pas sedert ± 1923 zijn die catastrofale wendingen in de theologie, de kerk, de politiek zich met de vereiste duidelijkheid beginnen te vertonen, om de negentiende eeuw - en langer dan deze - grondig te kunnen afsluiten. Pas toen heeft de nood des tijds allerwegen de geesten rijp gemaakt om zekere fundamenten op te zoeken, naar het bloed of naar de geest, naar de oudheid of naar de eeuwigheid, naar Adam of naar Christus. In deze strijd staan we midden in; een wereldbrand waarvan we vermoedelijk nog maar de eerste symptomen aanschouwden. En nu doet het ons zo vreemd aan als de genootschapsidee nog eens in ons midden verschijnt. Een volkskerk zonder mysterie, zonder wezen, zonder belijdenis, zonder diakonaat. Waarin iedere wind van leer, uit welke hoek ook, vrij spel heeft.11 Wij meenden dat onze tijd grondig opgeruimd had met de absurde gedachte, dat onze kerk een stichting zou kunnen zijn van Willem 1 (ds. Cohen op het congres). Wij hadden gedacht dat de dertien eschatologische jaren die achter ons liggen ons althans van zulke oppervlakkigheden hadden bevrijd.

Uit dit oogpunt bezien is het providentieel dat op het congres het mysterie, het wezen, de belijdenis en het diakonaat der kerk naar voren zijn gebracht. Providentieel ook voor de vrijzinnige richting.

Dit hele anachronisme, het uit-het-vergeetboek-komen van de resolutie van 1923, kan men een reactie noemen op de reorganisatievoorstellen. Het zou zich niet vertoond hebben als er geen 'rumor in casa' was geweest. Het weer-inschakelen van onze Hervormde Kerk in de algemene kerk-historie is een hachelijk werk dat men gerust 'bij de mensen onmogelijk' kan noemen. En toch gaat het natuurlijk gebeuren.

Dat die kerk voorbestemd zou zijn om in de genootschapsgedachte onder te gaan en zich op te lossen in een godsdienstige vereniging kan ik niet geloven. Ook de ontwikkeling der ideeën in het vrijzinnige kamp wijst in andere richting. Er is een teruggrijpen op Christus als het enig fundament.

Intussen blijft het verwonderlijk dat de vrijzinnigheid een hele winter juist een motie-De Haas gaat overwegen. Dr. De Haas is wetenschappelijk en kerkelijk een typische negentiende-eeuwer. In ieder geval heeft hij geweldige moeite om daarvan afscheid te nemen. Hij deelt haar behoefte, reeds van Borger12 bekend, om afstand te nemen tegenover het religieuze mysterie.

Het besluit van het congres kan ik dan ook niet anders zien dan als een reactie in pregnante zin: een crisis. De genootschapsgedachte wordt nog eenmaal wakker om dan, naar we hopen, tot haar negentiende-eeuwse vaderen vergaderd te worden. Ik geloof niet dat de vrijzinnigen zich deze winter slechts op één, maar op twintig eeuwen kerkgeschiedenis zullen bezinnen.

Eindnoten

  1. 1

    KO. 5 (november, december 1936) nrs. 7, 8. Gezien de datering hebben wij in de genoemde voorstellen nog niet met het ontwerp- 1938 te maken, maar met 'het Akkoord', een voorlopige overeenstemming van de drie partners KHe., KO. en de synode-afgevaardigden (zie n. 48.1; 50.1). De kerkvisitator/moderator vond hierin reeds een erkende plaats. Eveneens een formulering van de zorg voor minderheden (een poging om de figuur van de huisgemeente uit het ontwerp-KO. mee op te nemen). In 1. treffen wij een toelichting aan van enkele omstreden bepalingen, zoals KO.-ontwerp AR. art. 25 bis en art. 27 toevoeging (zie bijlage 2d), betrekking hebbend op de zorg voor van de kerk vervreemden en zich ten opzichte van haar distantiërenden; in 2. een bespreking van de reactie van dr. Horreüs de Haas en een deel van de vrijzinnigen.↩

  2. 2

    Het woord 'synodale' is door N. onderstreept om te accentueren, dat de kerk bezig was de zorg van KHe. en KO. tot de hare te maken. Aan de 'informatie'-cie. (zie n. 50. 1) worden toegevoegd:voor de Geref. Bond ds. J. G. Woelderink en voor de 'Walen' prof. A. S. de Blécourt. De werkperiode was van 16.10.1936 tot 28.6.1 937; het aantal zittingen 15. Het voltooide rapport (gepubliceerd met een verklaring van B. J. Aris en een minderheidsnota van A. S. de Blécourt) wordt door de julisynode van 1937 verwezen naar een buitengewone vergadering op 12.1.1938. De cie. van rapport bestaat uit J. Boonstra, W. H. Weeda, T. G. van Reeuwijk en P. Wolffensperger. Vgl. H. Bartels, a. w., p. 145. - J. G. Woelderink (1886-1956), hervormd predikant o.a. te Mijdrecht en Ouderkerk aan de IJssel. Bepleitte terugkeer tot de oorspronkelijke intuïties van de Reformatie met betrekking tot verbond en verkiezing, vgl. De gevaren der doperse geestesstroming, 's-Gravenhage 1941.↩

  3. 3

    Deze woorden 'door nalatigheid of onverschilligheid' zijn in het ontwerp-1938 weggelaten.↩

  4. 4

    Voor 25, 25 bis (= art. 26, ontw.- 1938) en art. 27 (= art. 29, ontw.- 1938) van het Akkoord zie bijlage 2d. Zie voor de 'groepen' (o.m.) nr. 33, 37, 40 en bijlage 2c.↩

  5. 5

    Deze regelen het beleid van de kerkeraad m.b.t. georganiseerde groepen gemeenteleden, die zich doelbewust aan het kerkelijk leven ter plaatseonttrekken en op andere wijze(o.a.door eigen diensten) geestelijke verzorging en gemeenschappelijke Godsverering zoeken. Dat beleid is er op gericht, hen voor de gemeente te behouden. Alles hangt er vanaf of de betrokkenen wezen en doel der kerk eerbiedigden. Maatstaf daarbij was een gewijzigd art. 9 - KHe. waarin een zevental zorgen der kerk werd opgesomd. Zie bijlage 2d; vgl. H. Bartels, a. w., p. 116-118.↩

  6. 6

    Gedoeld wordt op een zekere onrust bij de vrijzinnigen, die de rijen sloten uit vrees voor ]eerzucht. Op het derde congres van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden (VVH.) van 2.10.1 936 te Utrecht hadden de referaten juist nogal 'kerkelijk'geklonken; toch had Horreüs de Haas kans gezien de Arnhemse beginselverklaring van 1923 (zie noot 9) met zijn accent op volle leervrijheid in de komende winter centraal te doen stellen in de afdelingen van de Vereniging. Vgl. H. Bartels, a. w., p. 125-129. De VVH. werd op 8 april 1904 (op initiatief van dr. C. J. Niemeyer) te Leeuwarden opgericht, oorspronkelijk als provinciale vereniging voor Friesland. Op 11 juli 1913 volgt de oprichting van de landelijke Vereniging van Vrijzinnige Hervormden. Orgaan: Weekblad voor Vrijzinnig Hervormden, sinds mei 1931 Kerk en Wereld (KW.) geheten. Tegen confessiedwang en voor de vrije volkskerk. Vgl. K. A. Beversluis, Een halve eeuw strijd en opbouw, Assen 1953; zie daarin over de voorgeschiedenis en het ontstaan van de 'Arnhemse' verklaring (incl. het aandeel daarin van H. T. de Graaf), p. 90-102.↩

  7. 7

    Het Congres (van 2.10.1936 te Utrecht) had juist in het teken gestaan van een geprononceerd 'kerkelijk denken'. De motie-De Haas (zie voor hem n. 2.3; 46.5; 46.14) kwam dus bij verrassing. Zij stelde het Congres voor om "zich opnieuw te verenigen in de Arnhemse beginselverklaring en zich tot de synode te wenden met krachtige aandrang om de reorganisatievoorstellen (bedoeld is 'het Akkoord' - red.), waarvan het gevolg slechts kan wezen meerdere kerkelijke strijd en uitdrijving van minderheden, nadrukkelijk te verwerpen." Het voorstel-De Haas werd verworpen. Wel gaf zijn interventie de stoot tot een bezinning, die resulteerde in een rapport met toelichtingen en minderheidsnota (o.a. van B. J. Aris). Ofschoon processuele leertucht geheel uitgesloten werd, toonde het rapport toch als geheel vergeleken bij 'l923'(d.i. de Arnhemse verklaring) een opschuiving naar rechts. Zie (ook voor het vervolg) H. Bartels, a.w., p. 128-137.↩

  8. 8

    De H. liet in 1934 verschijnen Overleveringen waarheid, dat in KO. op protest stuitte van A.M. Brouweren H. de Vos. (Zie KO. nov./dec. 1934 resp. Ketterjacht en Openbaringen haar gezag). Okt. 1931 had dr. de H. de vraag gesteld of iemand als Van den Bergh van Eysinga lid zou kunnen zijn van KO. Brouwer had daarop geantwoord: "Nee, dat zou in strijd zijn met de motie van Bilthoven" (zie n. 15.4). In genoemd geschrift stelde De H. dat V. d. B. v. E. om zijn ideale christologie niet thuishoorde in de kerk volgens zeggen van Brouwer. In genoemd KO.-artikel antwoordde A.M.B.: "Wanneer ik nu van iemand die de zuivere immanentie predikt en alle christelijke geloofsvoorstellen bestrijdt, heb gezegd dat hij niet in de kerk thuisbehoort, dan is dat niet ... omdat hij de ideale christologie voorstaat, maar omdat hij die Christus losmaakt van de historie en het persoonlijk voortbestaan van Jezus Christus in twijfel trekt." "De kerk is geen vrije tribune. En dat is in april 1931 in KO. erkend."↩

  9. 9

    De georganiseerde Vrijzinnig-Hervormden willen: "voortbouwen op de grondslagen van het Evangelie van Jezus Christus, overeenkomstig de beginselen en het karakter van de NHK.; de NHK. bijeenhouden in haar Protestantse eenheid, waardoor haar karakter als Volkskerk behouden blijft, welk karakter vooronderstelt geloofsvrijheid voor verschillende godsdienstige overtuigingen, een vrijheid, die in de kerkelijke reglementen volledig behoort te worden uitgedrukt; eigener beweging de kerk niet ... verlaten, de verantwoordelijkheid voor een eventueel gedwongen uittreden der Vrijzinnigen geheel leggen op hen, die door hun drijven het samenwonen der verschillende richtingen in de Hervormde Kerk onmogelijk zouden maken." Zie H. Bartels, a.w., p. 128. Voor de opsteller H. T. de Graaf zie n. 2.3; 15.16.↩

  10. 10

    Thema Congres: Wezen en taak der kerk. Sprekers: W. J. Klaar (geb. 1907) over Het mysterie der kerk, hervormd predikant o.a. te Nieuwendam, Amsterdam; vrijzinnig theoloog die later overging naar meer confessionele inzichten. J. H. Klein Wassink (1899-1978) over De kerk als belijdende kerk, zie n. 46.2 D. T. Los (geb. 1903) over De organisatie der kerk, hervormd predikant o.a. te Deventer, Delft, Poortugaal. J. Vink (1895-1970) over De taak der kerk, hervormd predikant o.a. te Bolsward, Wieringermeer. In de discussie mengde zich J. W. B. Cohen (1904-1942), hervormd predikant o.a. te Dokkum; hij gaf een significante bijdrage als joods christen aan de discussie: de kerk is waar het martelaarschap is. Omgekomen in Dachau.↩

  11. 11

    Vgl. voor Haitjema's oordeel over deze opvatting van volkskerk: NKL. 6 (oktober 1935) nr. 2 (verslag 6de jaarvergadering KHe. te Utrecht op 9. 10. 1935), lezing Th. L. H. over open kerk en volk. Bij volkskerk niet uitgaan van volk maar van kerk, niet van bewuste belijders, maar ook niet van allen, die tot het volk behoren (nazi's!). Kruisiging natuur/genade: doopverbond. Later zette H. zijn visie af tegen het vrijzinnige volkskerkbegrip (Horreüs de Haas) in NKL. 7 (mei 1937) nr. 9: Wat is een hervormde volkskerk? Vgl. H. Bartels, a.w., p. 135. Zie n. 19.21. Vgl. ook De strijd om de vrije volkskerk, in K. A. Beversluis, a.w., p. 68-85.↩

  12. 12

    Elias Annes Borger (1784-1820), hoogleraar theologie te Leiden, een van de grondleggers der latere kritische school. Bekend als exegeet en kanselredenaar. Ging over van theologische naar literaire faculteit. Schreef o.a. (als antwoord op prijsvraag Teylers genootschap):Disputatio de mysticisme, Delft 1819. Zie ook GP., p. 91.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 51. Toespraken over Kerkopbouw - Kerkherstel – 3. Kerkopbouw en KerkherstelInhoud53. Rondom het Akkoord →