50. Inleiding voor vergadering Kerkopbouw 29 november 19351
l. De locus 'de ecclesia' is wel de moeilijkste uit de hele dogmatiek. Als ik spreek over vergeving der zonden, dan is het duidelijk dat het gaat over een innerlijk, onzichtbaar gebeuren. De opstanding des vleses is zichtbaar, maar toekomstig. Het eeuwige leven is mystische eeuwigheid. Maar de kerk vertoont zich in de tijd en heeft daarom telkens de proef op de som van haar bestaan te leveren en de kritiek op die proef te doorstaan.
Rome heeft daarom eigenlijk nooit veel werk gemaakt van de bepaling van het kerkbegrip. De kerk, dat was de praktische zijde van alle geloofswaarheden; zij werd meer ondersteld dan beschreven.
Toch is er een duidelijke structuur te onderscheiden in de oudere en jongere katholieke kerk. Zij heeft het Evangelie te prediken en het leven te ordenen. Voor de eerste taak dienen de dogmata als regel; voor de tweede de canones. En de moeilijkheid heeft van het begin af gelegen aan de spanning tussen de tweeërlei taak die daarmee is aangegeven.
De Reformatie heeft het canonieke recht kapotgeslagen. Het protest ging, behalve tegen de ceremoniën, ook tegen de canones. Met de dogmata kon men het goed vinden. - Daarom heeft de Hervorming het zo moeilijk gehad met de bepaling van het kerkbegrip. Luther moest er zich rekenschap van geven wat er overbleef als het canonieke recht wegviel. Hij heeft daar veel moeite mee gehad en zijn moed tot kerkorde was buitengewoon klein. Hij liet de kerk opgaan in het predikambt; voor de canones kwam bijna niets in de plaats. ⚑Bij Calvijn staan de dingen anders. Hij was een veel katholieker geest. In plaats van het canonieke recht schrijft hij het vierde boek van zijn Institutie, waarin de kerk niet voorkomt als een onderstelling, ook niet als een geloofsartikel, maar als een zichtbare instelling. Voor het episcopale regiment komt hier de pastoraal. En ook al blijft de proef die Calvijn daarmee te Genève nam een unicum, toch zet in de gereformeerde wereld het conflict tussen wereldlijk en kerkelijk recht, dat in de middeleeuwen tussen keizer en paus werd uitgevochten, zich voort tussen stadsraad en kerkeraad, burgemeester en dominee.
2. Daardoor zijn bepaalde vormen en een bepaald kerkrecht ontstaan dat Voetius in zijn Politica Ecclesiastica2 heeft vastgelegd. Maar de bepalingen daarvan zijn voor een deel weer canoniek en niet dogmatisch. Dwz. ze hebben niet dat bijbelse gezag dat voor de eigenlijke geloofsartikelen geldt. Zij hebben meer met de tijd en de tijdsomstandigheden te maken dan bijv. de inhoud van de Twaalf artikelen. De geografische grenzen van een gemeente, een classis, een provincie hebben geestelijk en praktisch veel minder betekenis dan toen. De stadhouder of de burgemeester kunnen er de wet niet verzetten en de dominee kan iemand niet in de ban doen. Ook dit protestantse canonieke recht, deze Geneefse of Dordtse kerkorde, is zoals het Roomse voor protest in de wieg gelegd en onderworpen aan de invloeden van veranderde tijden. Het gereformeerde gemeentelid kan in vele gevallen de pastorale ban naast zich neerleggen, zoals Luther die van de paus.
Daarom moet de roep om herstel van een nationaal-gereformeerde kerk heel vaak als romantisch bestempeld worden. Men denkt terug aan onze gouden eeuw en aan de plaats die de kerk toen in het burgerlijke leven bekleedde. En men zou het recht dat toen gold weer tot ere willen brengen. Men ziet de dingen historisch en niet geestelijk en dat is het hoofdkenmerk van de romantiek.
3. Met deze afwijzing van een herstel zinspeel ik niet op de naam van de Vereniging Kerkherstel. Integendeel: ik treed op als advocaat voor dat Verbond. Er worden andere stemmen gehoord, andere plannen gesmeed, waartegen Kerkherstel evenzeer gekant is als Kerkopbouw. Daarom heb ik er telkens op gewezen dat de nederlaag van het Verbond evenzeer een nederlaag voor Kerkopbouw zou betekenen. De nationale romantiek heeft in onze tijd3 ongedachte kansen gekregen en er zijn geuzen, die liever voor de poorten van Den Briel zouden terugkeren dan vooruitgaan naar de poorten der eeuwigheid. Het herstel van het onrecht, dat Willem 1 door het opleggen van de organisatie van 1816 aan de kerk heeft aangedaan, kan op twee manieren geschieden. De ene manier zou hierin bestaan dat de geschiedenis van wat wij de Hervormde Kerk noemen, in onderscheiding van de Gereformeerde Kerken, als een vergissing werd gebrandmerkt en onze kerkhistorie bij de republiek zou aanknopen, alsof tussen toen en heden geen leiding Gods maar een geestelijk blanco lag. Van de Hervormde Kerk mogen wij echter zeggen: 'Tot hiertoe heeft ons de Here geholpen' en wij hebben te vragen wat de Hervormde Kerk van nu - en niet die van 1795 - als ze zich haar gereformeerd karakter weer meer bewust wordt, in 1935 heeft te doen. Wij hebben een andere lijn uit te stippelen dan degenen die in 1886 van ons zijn heengegaan. Een weg waarop zij tot ons kunnen terugkeren en niet wij tot hen.
In dat opzicht meen ik te mogen zeggen dat Kerkherstel naast ons staat, ofschoon ik wel eens de nodige beslistheid en helderheid aan die zijde mis op dit punt. Wanneer prof. Haitjema ons verwijt,4 dat er in ons ontwerp te weinig schuldbesef is tegenover het gebeurde in 1834 en 1886, dan kan daarvan iets waar zijn voor zover er in Kerkopbouw mensen mochten zijn die blij waren dat we deze broeders kwijt waren met hun sympathieën voor het gereformeerde leer- en levenstype. Maar het verwijt is onbillijk voor zover het vergeet dat wij Hervormden een eigen gereformeerd leer- en levenstype vertegenwoordigen, waarvan wij menen dat het beter en scherper op de eeuwigheid en daarom ook op de tijd is ingesteld. Ik zou willen dat Kerkherstel daaromtrent beslister en zuiverden geluid gaf. Dat de cultuur bij leidende geesten in de Gereformeerde Kerken te hoog staat aangeschreven is duidelijk genoeg.5 En degenen onder ons die christendom en cultuur wat heel nauw met elkaar plegen te verbinden, mogen zich wel afvragen waar hen dat op den duur zou kunnen brengen. Zij zouden op een zekere dag tot de ontdekking kunnen komen dat ze moeten kiezen tussen een christelijke en een culturele kerk en het zou heel, tragisch zijn als zulke hervormden het in de Gereformeerde Kerken zouden moeten zoeken.
4. Wanneer de nieuwe kerkorde de gelegenheid voor een nieuw belijden zou scheppen, dan zou deze belijdenis niet simplistisch mogen zijn. Ronduit gezegd: wij mogen geen korte formule in ons reglement hebben die door haar vaagheid de verschillen verdoezelt en die uitwijkt voor de vragen des tijds. Wij ruilen onze mooie uitgewerkte gereformeerde belijdenisschriften uit de zestiende en zeventiende eeuw niet uit voor een waterige clausule in de trant van de reglementen der Hervormde Kerk in de negentiende eeuw, toen men enkel op behoud bedacht was. Dat de belijdenisvragen thans akkoord van kerkgemeenschap6 zouden geworden zijn en dat hierin onze hervormde eigenaardigheid zou bestaan, wijs ik met grote nadruk af. Tegenover degenen die dat zouden willen moet Kerkherstel ons helpen. In dat opzicht kan menig Kerkopbouwer van menig Kerkhersteller leren.
Wel is het eeuwig Evangelie niet actueel in de smalle zin van het woord; wel gaat het om de boventijdelijke waarheid. Maar deze waarheid moet uitgesproken worden en is uitgesproken. Het Woord is vlees geworden en de Heilige Geest predikt dat Woord in klare woorden. De ruimte die wij in de kerk wensen is geen ruimte, die daardoor ontstaat dat wij het Woord Gods zo met gomelastiek bewerken dat men niet goed meer zien kan wat er staat en ze is geen veiligheid die hieruit geboren wordt, dat wij het heilige der heiligen eigenhandig van God ontledingen, zodat ieder er ongestraft in kan komen! Wij mogen Jezus niet uit de synagoge werpen om iedere rabbi het woord te kunnen geven. De ruimte der kerk ligt in de barmhartigheid van God en van zijn Evangelie. En daaraan heb ik niets als ze vaag, maar alles als ze duidelijk wordt uitgesproken. Die barmhartigheid moet gepredikt in haar toepasselijke bijzonderheid; ze moet slaan op de vragen die gesteld worden, zoals Jezus dat doet tegenover de rijke jongeling, Nicodemus, de overspelige vrouw (Mt 19 : 16 vv.; Joh. 3 : 1-2 l; Joh. 8 : 2-1 1) en anderen. Daarom mag een belijdenis niet vaag zijn. Zij moet klare artikelen hebben die duidelijk uitspraak doen in de dingen die in iedere tijd met het oog op de eeuwigheid gevraagd worden. Dan krijgt ze tevens een tijdelijke zakelijkheid. Want iedere actuele kwestie - als van oorlog en vrede, man en vrouw - is tenslotte een eeuwigheidsvraag. Daarom moet het geest en hoofdzaak7 gedoodverfd worden als een geestelijke onmachtsformule, een schoolse abstractie, waarvan de kerk geen weet heeft.
Het kerkelijk reglement kan alleen verwijzen naar de belijdenis-in-actie, zoals ze met al haar delen tegelijk het Woord Gods uitdraagt.
5. Wat van de belijdenis geldt is ook van kracht voor de kerkorde. Het presbyteriale zonder meer is ook een abstractie. Wij moeten proberen te bepalen wat nu presbyteriaal is. Daarom houd ik het hardnekkig vasthouden van Kerkherstel aan de functies van de classis voor een hobby. Het is een stukje van de romantiek waarover ik in stelling 2 sprak. Welk waas omhult deze oude classicale begrenzing, dat aan die historische nevel het wel en wee van de huidige kerk zou moeten opgeofferd worden. Dat de classis in oude tijden prachtig werk gedaan heeft kan men in de oude akten nalezen. Maar toen was de kerk in haar geheel een dorpskerk en de classis was een werelddeel. De doorsneemens kwam nooit buiten zijn classis. Deed hij het per diligence, dan nam hij afscheid van zijn familie. Dat is anders geworden. Mijn catechisanten gaan op de fiets bijna iedere zondagmiddag buiten de classis. Daarom moet de kerkelijke aardrijkskunde geestelijk zijn en bekendheid tonen met wijzigingen in het mensenleven. Ik kan dat hier niet verder uitwerken. In mijn Beginselen van Kerkorde heb ik dat vroeger wel eens gedaan.8
Wij hebben wel iets nodig als de classis van vroeger. Maar wij hebben te zoeken naar een middel dat nu werkt als de classis vroeger. ⚑6. Maar dan mag ook - om een ander voorbeeld te noemen, dat naar een andere zijde hout snijdt en niet precies in de richting van Kerkherstel - de tucht niet afgepast worden met het oog op het partijwezen. Want dat is ook een landkaart en een oude landkaart. Een halve eeuw of wat langer geleden, in de bloeitijd der kerkelijke richtingen, zoals wij die nu als vastliggende kringen zien, was de omtrek der richting een soort grens, waarover men ging koppensnellen. Het was een soort wetenschappelijke of culturele haat, die daartoe dreef. Want recht kerkelijk was het motief niet. De school en de cultuur domineerden daarbij.
Ik denk er niet aan, geestelijke verschillen gering te achten. Voor zover ze geestelijk zijn zou ik ze weer scherper willen zien dan een vorig geslacht. Maar ik meen dat het mogelijk is, de dingen zuiverder van de kant van de kerk zelve te zien. Het verschil tussen links en rechts bij de vrijzinnigen is thans dat links zich bij vernieuwing op de school vastlegt en rechts zich kerkelijk wil oriënteren. In andere zin kan dat misschien ook, in verband met cultuur-vragen, bij de ethischen worden opgemerkt.
Nu mag de tucht niet ingesteld worden op de oude landkaart van het partij-wezen. Als het modernisme een verschijnsel is dat in verband staat met de wetenschap omtrent de bijbel en de ethische mentaliteit voeling houdt met moderne culturele gesteldheid, dan mag de tucht daarop niet gaan. Deze tucht zou niet gaan over het geloof maar over schoolse pedanterie bij de vrijzinnigen en culturele hoogmoedigheid bij de ethischen. Dat zou levenstucht en geen leertucht zijn. Het is geen tijd voor pedanterie en voor hoogmoed. Men doet beter daarmee uit te scheiden dan er een kerkelijk reglement op te maken.
De tucht moet kerkelijk en geestelijk zijn. Ze gaat over de zaak der prediking, die het Evangelie klaar moet uitspreken met toepasselijke bijzonderheid en tijdelijke zakelijkheid. Dat is een zwaar en moeilijk werk. En het hoger plan9 dat wij zoeken bestaat niet in een parlement van partijen, waarin parlementair over de verschillen gesproken wordt, terwijl men vroeger over en weer koppen ging snellen. Dat is slechts een cultureel verschil van betrekkelijke draagwijdte.
Het hoger plan is de kerk zelve. En daar staan wij op hete grond. Een ander Evangelie dan het apostolische, daarvan geldt bij ons evengoed als bij Rome - anathema sit.10 En van die tucht kan de kerk zich nooit afmaken zonder van haar hoog plan af te dalen.
Daarom mag differentiatie nooit ideaal worden. Ze kan ook nooit opzettelijk - qua talis - gereglementeerd. Een cultureel belang is er niet mee gemoeid: dat geldt niet in de kerk.
7. Ik kom tot mijn laatste stelling. De kerk staat met het Evangelie tegenover de geestelijke nood: de geestelijke chaos aller dagen en ook onzer dagen. De kerk kan zich niet onttrekken aan haar taak om het leven te ordenen. Na het bovenstaande behoef ik niet veel meer te zeggen van de noodzakelijkheid om met het oog daarop nieuwe organen te scheppen. De kerk heeft dat in iedere eeuw gedaan. Zij schiep het episcopaat en het pastoraat en zoveel meer. De kerk heeft canones nodig en deze zijn meer aan de invloed van de wisseling der tijden onderworpen dan haar dogmata. Wij hebben de parochiale cultusgemeenten en weinig anders. Wij behelpen ons op allerlei wijze in de praktijk. Wij hebben weer eens enige canones nodig om te ordenen wat anders chaotisch dreigt te worden. Als gereformeerden kunnen wij daar geen overwegend bezwaar tegen hebben. Kerkherstel ook niet, als het niet wil blijken crypto-romantisch-gereformeerd te zijn in plaats van katholiek-gereformeerd. Want de ware katholiciteit bestaat in deze vereniging van dogma en canon, met dit verschil dat de canon beweeglijker is omdat ze het leven heeft te ordenen.
Daarom moeten wij tegenover het Verbond principieel op de hulpgemeente staan.11 Er is periculum in mora. En in een of andere vorm moeten wij samen de vorm der kerk aan de huidige situatie trachten aan te passen.