51. Toespraken over Kerkopbouw - Kerkherstel – 1, 2. De houding van Kerkopbouw in de samensprekingen met Kerkherstel
1, 2. De houding van Kerkopbouw in de samensprekingen met Kerkherstel1
u er aanvankelijk overeenstemming2 bereikt is tussen Kerkherstel en Kerkopbouw, is het eerste gevolg een zekere verwondering; men kan zeggen rechts en links. Niet zozeer in de verenigingen zelf, die de loop der dingen van meer of minder nabij hebben gevolgd, maar vooral van rechts en links buiten de verenigingen. Het gold hier twee verenigingen die vaak vrij scherp tegenover elkaar hebben gestaan: men kan zelfs zeggen dat ze cum grano salis - tegen elkaar zijn opgericht. Kerkherstel werd opgericht na de verwerping van de reorganisatievoorstellen van 1929. En kort daarop werd Kerkopbouw opgericht, wel niet tegen Kerkherstel maar toch wel daartegenover. Kerkherstel verklaarde steeds zich te blijven stellen op de grondstal van de verworpen voorstellen. In de beginselen en zelfs in de artikelen daarvan bestond de band die de vereniging samenhield. Een vereniging, waarin mensen die dogmatisch belangrijk verschilden elkaar hadden gevonden op het stuk van de kerkregering. En waarin mensen zaten die enerzijds mochten worden gerekend de kenmerken en de mentaliteit der ethische groep te vertonen in de onderscheiding van de confessionele geestesgesteldheid en anderzijds mensen van een typisch gereformeerde gezindheid, die zich bijv. in de Confessionele Vereniging niet geheel op hun plaats zouden gevoelen. Deze drie soorten van kerkleden nu, als ik ze voor 't gemak maar zo mag noemen: sommige gereformeerden3 - de Fransen zouden het article partitif gebruiken en spreken van des réformés, dat wil zeggen niet alle -; sommige gereformeerden dan en sommige ethischen - weer het article partitif - waren het met de confessionelen - niet met sommige confessionelen, hier geen article partitif - met alle confessionelen dan eens geworden op het stuk van de kerkregering. Wanneer ik dat zo zeg: alle confessionelen, dan heb ik echter iets te veel gezegd. De confessionele mentaliteit, zoals die na de actieve leiding van Groen van Prinsterer tegenover de leiding van dr. Kuyper en later weer na de leiding van dr. Hoedemaker tegenover de geest van Gunning4 zich heeft vastgezet, verdraagt eigenlijk niet een samengaan met sommige gereformeerden en met sommige ethischen. De zo korte geschiedenis van Kerkherstel heeft daarvan al weer reeds de bewijzen geleverd. De gereformeerden zijn hun te actief en de ethischen te speculatief. Daartussenin voelt de typische confessioneel zich allerminst op zijn gemak. Hij houdt zijn hart vast, enerzijds dat er te veel zal gebeuren en anderzijds dat ideeën van te grote draagwijdte op de werkelijkheid zullen worden gericht.
Daarom is het van grote betekenis dat ik toch - al is het dan met de pas gemaakte correctie - kon zeggen dat alle confessionelen met sommige gereformeerden en sommige ethischen een front hadden gevormd op het stuk van de kerkregering. We mogen dat niet over het hoofd zien en mogen in dat opzicht de betekenis en de persoon en het werk van prof. Haitjema niet onderschatten. We mogen ook geen leedvermaak laten opkomen als we zien dat het hem moeilijk valt om alle confessionelen met sommige gereformeerden en sommige ethischen te laten optrekken. Het confessionalisme kan alleen vruchtbaar zijn voor de kerk als het gepaard wordt enerzijds met gereformeerde activiteit en anderzijds met de breed-katholieke ideeën waarvoor de ethischen zijn opgekomen.
Men kan zich afvragen of dan in de Vereniging Kerkherstel geen plaats was voor alle ethischen en waarom het bij sommigen moest blijven. Het ging hier toch om een bepaald punt: de kerkorde en de kerkregering en daar hadden omstreeks 1900 Hoedemaker en Gunning elkaar reeds gevonden. Vanwaar dan het verschijnsel dat, terwijl de confessionele groep weer eens op haar best scheen te zijn en bevleugeld met actie en idee voor hoger kerkelijke vlucht scheen gereed te staan, de ethischen er bijna en bloc buiten bleven, zodat het sommigen naar deze zijde wel heel erg partitief moet klinken?
En toch is het zo geweest. Wanneer ik een ogenblik persoonlijk mag zijn en mij in de herinnering terugroep hoe ik stond tegenover het ontwerp van 1929 en het daarachter opkomende Verbond, dan komt er in mijn geheugen een zekere onrust5 die mij waarschuwde dat ik hier niet geheel passief mocht blijven maar dat er iets tegen gedaan moest worden. Zij kwam tot uiting in een artikel in het Weekblad,6 een paar weken voor de buitengewone synode van januari 1930. Deze onrust openbaarde zich ook bij anderen: bij prof. Obbink, bij prof. Brouwer, bij prof. Van der Leeuw, bij Oberman, bij prof. Korff.7 Ze was vrij algemeen in de ethische groep en het was een verlossende daad toen wij door het bekende comité bijeengeroepen werden tot de vergadering die aanleiding gaf tot de oprichting van Kerkopbouw. Het gold bier een moeten waar geen ontkomen aan was. We moesten samen zoeken naar wat ons van Kerkherstel onderscheidde en wat ons sámen verbond.
Natuurlijk was het laatste, het positieve, het voornaamste. Het kwam er op aan, ons te bezinnen op de breed-katholieke ideeën, waar wij wisten dat ze door de gereformeerde activiteit niet restloos waren verbruikt. Een confessionalisme dat daarmee te weinig rekening hield, de gereformeerde kerkvorm als adequate uitdrukking van de bijbelse kerkidee beschouwde, de presbyteriale kerkorde als het geheel passende kleed van de kerk uit de Twaalf artikelen en vraag 54 van de Heidelbergse Catechismus, konden wij geen van allen aanvaarden. Wij meenden dat sommige ethischen, die zich achter het ontwerp van 1929 hadden geschaard, dit te veel uit het oog hadden verloren. En dat sommige actieve gereformeerden, die zich er ook achter hadden geschaard, daardoor te weinig herinnerd waren aan de geweldige eisen die de huidige wereldsituatie aan de kerk stelt. Het is eenvoudig onmogelijk, dit met activiteit te bereiken zonder de idee der kerk weer in haar volle katholiciteit, haar zending in de wereld opnieuw op ons te laten inwerken. Bij het ontwerp 1929 zou de activiteit qua talis, die in 1886 tot een uiteenvallen in de gereformeerde gezindheid had geleid, vermoedelijk weer een soortgelijk effect hebben gehad. De gereformeerde gezindheid wordt op die wijze hoe langer hoe meer van haar universeel karakter beroofd. De kerk is op haar wijze ook op de wereld gericht. Door haar vergadert God de uitverkorenen daaruit, door zijn Woord en Geest. Activiteit die haar inspiratie ontleent aan een aardse verwerkelijking in de historie, laat ons zeggen in de zeventiende8 eeuw en die niet teruggehouden wordt, niet naar alle kanten door vragen wordt opgehouden9 niet in de breedte tot een zegen zich uitdijt, in een woord niet door de idee van haar al te directe menselijke beslistheid wordt ontheven, zulk een activiteit wordt een vloek10 voor de kerk waarin ze wordt losgelaten. Een kerk is een kerk en al haar functies hebben daardoor een eigen karakter. De kerk moet werken maar ze gaat daarin niet op. Ze heeft ook een bestaan, een wezen, een toekomst die van hoger aard zijn dan alles wat ze daarin kan verwezenlijken. Nooit mag men vergeten dat ze een gebrekkige openbaring is van wat wij in het geloof van haar weten. De kerk mag niet opgaan in een wereldverband. Ze is geen werkvorm alleen. Ze is meer.
Zulke overwegingen hebben ons in Kerkopbouw samengebracht. Wanneer wij nu moesten zeggen wat ons nu uit de katholiciteit der kerk, uit haar heilige algemeenheid het belangrijkste voorkwam, dan zouden we merken dat er verschillen zijn. Maar in het beroep op de hogere algemeenheid der kerk zijn wij één.
Wij zijn ons daarvan bewust geworden niet enkel door de oppositie11 tegen Kerkherstel. Ik behoef dat verder niet uit te werken. Wanneer de actie van 1929 er niet was geweest en Kerkherstel niet was opgericht, zou Kerkopbouw toch wel gekomen zijn, ofschoon deze dingen tot onze bewustwording hebben bijgedragen. De vraag naar de kerk is aan de orde en ze is dat in veel intenser mate dan in de vorige eeuw. Gunning12 heeft het 50 jaar geleden al zien aankomen. Het is ondenkbaar dat wij het nu niet zouden gemerkt hebben. Wij kunnen zeggen dat de oprichting van Kerkherstel en Kerkopbouw een splitsing betekend heeft in een beweging die reeds gaande was en die samenhing met wat ook in andere landen plaatsvond. Daarin ligt een gunstig perspectief. We behoeven de beide verenigingen niet hoofdzakelijk te zien als voortzettingen van wat behoort tot de vaderlandse kerkgeschiedenis der negentiende eeuw, we mogen ze bovenal zien als vertakkingen van een kerkelijke beweging, die op de twintigste eeuw gericht is. De nood is ons beiden opgelegd.
Bij deze beschouwingen heb ik een verzuim gepleegd. Een verzuim dat zich lelijk op mij wreken zal en mij nog heel wat te doen zal geven als ik de eindstreep in het referaatje wil halen. Ik heb de vrijzinnigen nog niet genoemd. En ieder weet met hoeveel verwachtingen zij de oprichting van Kerkopbouw hebben begroet. In groten getale zijn ze lid geworden en hebben binnen de vereniging geschiedenis gemaakt.
Dat ik ze niet eerder heb genoemd hangt samen daarmee, dat ik gevraagd ben onze verhouding tot Kerkherstel te bespreken bij de uitwerking van de reorganisatievoorstellen. Een directe verhouding van de vrijzinnigen tot Kerkherstel bestaat niet. Kerkopbouw heeft in hoofdzaak naar twee kanten geconfereerd, met Kerkherstel en met de vrijzinnigen. Het verschil was dat de vrijzinnigen in de Vereniging waren, de Kerkherstellers niet. En toch heeft Kerkopbouw geconfereerd met de vrijzinnigen. In deze conferenties zat niet minder spanning dan in die met Kerkherstel. Dit wijst op een bijzondere verhouding van de vrijzinnigen tot de Vereniging. Er is iets van waar wat wel eens gezegd wordt: Kerkopbouw is een ethische vereniging. Om namen is het mij hier niet te doen. Het woord ethisch heeft zich allang overleefd. Maar toch is het waar dat de vrijzinnigen op andere wijze lid zijn dan de ethischen. Zij zijn lid geworden; de ethischen waren het.13 Hoe moeten we dat begrijpen. Het is niet moeilijk. Kerkopbouw is ook een front, evenals Kerkherstel, en een front met het oog op kerkorde en kerkregering. In de constructie van de fronten is echter een duidelijk verschil. In Kerkopbouw is het front tweeledig, terwijl het bij Kerkherstel drieledig was. In Kerkherstel vonden we alle confessionelen, sommige gereformeerden en sommige ethischen. In Kerkopbouw vinden we alle ethischen en sommige vrijzinnigen. Hier schijnt een tegenspraak te schuilen. Hoe kunnen in Kerkopbouw alle ethischen zitten, als er sommigen in Kerkherstel zijn. Dit is een paradox die te denken geeft. Misschien is Kerkherstel ook tweeledig en zitten daar alle confessionelen plus sommige gereformeerden.
Daarbij moet er dan aan herinnerd worden dat we de groepen hier niet moeten nemen naar haar dogmatische opvattingen maar met het oog op haar opvattingen over de kerk. De vrijzinnigen zijn niet in Kerkopbouw gekomen omdat ze dachten het spoedig eens te zullen zijn met de daar aanwezige orthodoxen. Er zijn en worden veel besprekingen gehouden. Maar daarom zijn ze niet in groten getale lid geworden. Hun was het te doen om het kerkelijk perspectief. Het ging hun hier om kerkorde en kerkregering. De actie van Kerkherstel betekende voor hen - zo zagen ze het - een bedreiging. Zij vreesden daarin het gereformeerde activisme. In het werkprogramma van Kerkopbouw beluisterden ze andere tonen. Sommigen meenden daarin een secularisering en humanisering14 van het kerkbegrip te beluisteren. Enkele punten van de 1515 gaven daartoe aanleiding. Reeds op de oprichtingsvergadering van Kerkopbouw heb ik daartegen gewaarschuwd. Dit kon naar beide zijden niet anders dan teleurstelling baren. In Kerkopbouw ging het om de heilige algemene, de katholieke16 ideeën in het christendom, waarin men houvast zocht tegenover de gevaren van een presbyteriaal activisme, waarin het protestantisme dreigde vast te lopen in verburgerlijking. Wat Kerkopbouw bedoelde was het omgekeerde van secularisering en humanisering. Kerkopbouw bedoelde herkerkelijking van het leven en hertheologisering van de prediking.17 Het legde nadruk op de apostolische oorsprong van de prediking en op de episcopale aard van de kerkregering en de tucht. En naar rechts én naar links18 verzette de Kerkopbouw-geest zich tegen dat bederf van het Evangelie, eensdeels door de school - hetzij in de vorm van wetenschappelijk materiaal bij de vrijzinnigen of van wetenschappelijke vorm of systeem bij de gereformeerden - en anderzijds door de politiek, een overbrenging van het wetenschappelijk en burgerlijk vrijheidsbegrip bij de vrijzinnigen en van de wetenschappelijke en burgerlijke19 tucht bij de gereformeerden.
Tegen deze secularisering en humanisering bracht Kerkopbouw de apostolische en episcopale idee naar voren.20 Het Evangelie is een boodschap, door vissers en tollenaars namens Jezus in de wereld gebracht. Ik hoorde deze zomer een vooraanstaand vrijzinnige, lid van Kerkopbouw, waarschuwen tegen een dominees-God. Er is misschien aanleiding toe. Maar wij zullen toch de God van profeten en apostelen niet verruilen tegen een God der wetenschap en der cultuur. De leer. Boodschap van visserlieden en tentemakers. Geen dominees- God moeten we hebben, zei een vrijzinnig voorman21 deze zomer op Barchem.22 Goed, dan een God van vissers en tentemakers. Evangelisten en apostelen zijn hoogst gebrekkige historici en filosofen, zei een ander vrijzinnig voorman dit voorjaar te Amsterdam.23 Dus dan toch een dominees- God? Neen, zou deze voorman zeggen: een professoren- God. Dus nog iets erger. Welke kant moeten wij nu uit? De vrijzinnigen moeten dat in eigen kring uitmaken. Maar in KO. kan het geen kwestie zijn. Geen professoren- God, maar een God van vissers en tentemakers. De leer is historisch-traditioneel. Op dit punt hebben wij resoluut aan de zijde van KHe. te staan. Als dr. De Haas minachtend spreekt van 'dordtse toevoegsels' aan het Evangelie (op het congres) dan hebben wij daarvoor niet in de schulp te kruipen, 24ook niet sommige vrijzinnigen van KO., door verwijzingen naar de kerkelijke formulieren terug te nemen. Het baat toch niet als men zich op het Evangelie terugtrekt.25 Evangelisten en apostelen zijn toch ook slechte historici en filosofen. En ook wanneer men van evangelisten en apostelen op Jezus terugging, baatte het niet. De verzekering dat wij zouden beschikken over een persoonlijke Godsmededeling, pas voor2000 jaren ergens gegeven, klinkt alvast onwaarschijnlijk (dr. De Haas dit voorjaar in Amsterdam). Wij stáán dus voor het apostolisch karakter van de leer in KO. En zo staat het ook met het karakter der vrijheid. En nu de kerkelijke tucht ...
We worden vrij ergens ván en ergens vóór. Wij vechten in de kerk niet voor de rechten van de mens, maar voor het recht Gods op de mensen ...
Een criticisme in de leer maar ook een autonomisme in de kerkorde, zoals De Haas daarvoor opkomt, verwoest de kerk tot in de fundamenten. KO., ook sommige vrijzinnigen die er lid van zijn, moeten dat wel goed voor ogen houden. De tucht is herderlijk, maar het blijft tucht. En we voelen ons meer één met prof. Grosheide26 als hij, in een sympathiek artikel in N.H. Weekblad, perspectieven opent van hereniging, ook bij wat hij noemt gebrekkige tuchtoefening, dan met dr. De Haas, die absolute geloofsvrijheid in een volkskerk27 propageert. Wij stellen geen prijs op het voortbestaan van de Hervormde Kerk in haar huidige formatie. Maar dan moet ook voor de volle duidelijkheid de nadruk gelegd worden op het herderlijk karakter der tucht. Het is niet zeker, niettegenstaande de uitlating van prof. Grosheide, dat ze de gescheidenen zou bevredigen. Maar is het onmogelijk ze te winnen? Tegen de kans dat dit niet mogelijk zou zijn en dat KHe. zich daaraan zou willen conformeren en zich laten leiden door sommige gereformeerden daartegen, moet KO. op haarhoede zijn. Tegen het gereformeerde activisme, dat vergeet dat bestaan en wezen der kerk boven haar daad uitgaan; dat iedere kerkelijke actie door de kerkelijke idee moet worden vertraagd naar de aard van het herderschap. Anders verpolitiekt de kerkorde en de tucht. De vrijheid draagt een theologisch karakter, niet een wetenschappelijk. Wij zijn niet vrij maar moeten vrijgemaakt worden en dan is het één Heer, één geloof, één doop. En de vrijheid is niet burgerlijk maar kerkelijk. Niet de eigen vinding bepaalt de inhoud der prediking maar de opdracht van Christus en niet wat de mensen willen horen maar wat ze nodig hebben moet hun gezegd worden. De kerk kan niet zonder een orde, die dit waarborgt. En zo legt Kerkopbouw ook tegenover een exclusief gereformeerd activisme de nadruk op het apostolische en episcopale, op het kerkelijk karakter van leer en tucht. Leer is wat anders dan systeem, het is boodschap. En tucht is wat anders dan verwijdering.
Wanneer ik zeg dat sommige vrijzinnigen de lijnen van Kerkopbouw verkeerd zagen, dan bedoel ik zeker niet alleen. Ik gebruik hier weer zeer bepaald het article partitif. Een deel der vrijzinnigen was ook zelf door de idee ener heilige algemene christelijke kerk gegrepen. Er is Wahlverwandtschaft28 tussen hen en de andere groep in Kerkopbouw, waarbij ze zich aansloten. Hun was het er niet om te doen om, door lid te worden van Kerkopbouw, de mentaliteit in die vereniging tot kerkelijke vrijzinnigheid om te bouwen. Dat Kerkopbouw hen aantrok kwam daarvandaan, dat ze ook zelf weer oog hadden gekregen voor het wezen en de kenmerken der kerk. Zij wisten weer dat de woorden gezag, belijdenis, orde, tucht tot het wezen ener kerk behoren en ze hadden dit meermalen uitgesproken voor ze lid werden van Kerkopbouw. Ook zij hadden reeds begrepen dat wij in gevaar verkeren om de kerk te seculariseren en te verburgerlijken en dat daarmee de kerk in het politieke leven van onze tijd zou ondergaan. De kerk heeft andere maatstaven. Ze is gebouwd op het fundament van apostels en profeten en niet van natuurkundigen en filosofen. Niet Thales en Plato maar Mozes en Paulus zijn de vaders der kerk. Juist de herontdekking van dit heilig-algemene, in onderscheiding van het profaan-algemene bracht hen in Kerkopbouw. Deze ontdekking was voor henzelf een bevrijding en daarom was het verblijf in Kerkopbouw voor hen geen daad van kerkelijke politiek maar middel om zich theologisch en kerkelijk weer in te schakelen in de katholiciteit. Met de orthodoxe leden van Kerkopbouw waren ze daarbij beducht voor een gereformeerd activisme dat gevaar loopt zijn katholieke trekken te verliezen.29
Zo stonden de zaken toen het overleg tussen Kerkopbouw en Kerkherstel begon. De Kerkopbouw-mentaliteit had het voorstel van 1929 doen vallen. Kerkherstel had zich verzet tegen het reorganisatievoorstel van Kerkopbouw. Was hier overeenstemming mogelijk? Men meende het te moeten proberen en velen in den lande hoopten het. Anderen hoopten dat de reorganisatie-beweging op een onverzoenlijke tegenstelling zou doodlopen. Nu het bleek dat een overeenstemming op de hoofdpunten bereikt is, is daardoor vooral in het vrijzinnige kamp verwondering, ontstemming, ongerustheid ontstaan. En de vrijzinnigen in Kerkopbouw, die er aan hebben meegewerkt, hebben het niet gemakkelijk. Maar ook in andere kringen vraagt men zich af hoe nu ineens mogelijk is wat vroeger gelijk stond met het zoeken naar de quadratuur van de cirkel. Wij moeten dus wel rekenschap doen, ook met het oog op de toekomst van de beweging.
Ik moet beginnen met te zeggen dat Kerkopbouw begonnen is het als een merkwaardig en verheugend feit te beschouwen dat er twee fronten waren ontstaan, een van alle confessionelen en sommige gereformeerden en een ander van alle ethischen en sommige vrijzinnigen, die beide bereid waren hun best te doen voor een betere kerkorde. Dat was trouwens geen toeválligheid maar een teken des tijds. En de tekens der tijden moet men leren lezen. Wij moeten niet zeggen: wat vroeger onmogelijk bleek is het nog. Wanneer de leden der Hervormde Kerk in een tijd als de onze niet in staat blijken zich met hernieuwde bezinning van hun eigen kerkelijk leven rekenschap te geven, dan zullen ze het wel nooit doen.
Zo hebben wij dan ons best gedaan om de fronten aaneen te sluiten. Dat dit niet zonder moeilijkheden mogelijk was weet ieder. Het overleg met Kerkherstel vlotte in het begin na de oprichting van Kerkopbouw heel slecht. Daarna kwam de strijd over ons eigen ontwerp. Artikel 1 en 2 en de huisgemeente. Maar na de verwerping bleek toch aan beide zijden de oprechte bereidheid te bestaan om samen te praten.
Het kan niet in de bedoeling liggen, bijzonderheden van mij te vragen over dat praten. Het was een besloten commissie30 en dat karakter moet worden geëerbiedigd. Bovendien zitten alle leden van de oude commissie in de door de synode benoemde reorganisatie-commissie. Met de bereikte overeenstemming zal ernstig rekening moeten worden gehouden in de synodale Commissie. Bescheidenheid is dus geboden nu het werk nog in gang is en ik zal dan ook niet anders kunnen doen dan er van spreken hoe wij getracht hebben in aansluiting aan de beginselen, die ik boven heb besproken, te werk te gaan.
Toch is het ook weer niet goed helemaal te zwijgen. De buitenstaanders die de besprekingen niet hebben bijgewoond, zelfs in onze vereniging, spreken over de lijnen die wij getrokken hebben; zij betuigen instemming of het tegendeel. In 't bijzonder de vrijzinnigen in onze vereniging, Voor zover ze een loskomen van de kerk en een openbaring van de ware katholiciteit in het protestantisme van harte begeren, moeten het van het grootste belang achten dat ze in onze vereniging versterkt worden in hun kerkelijk denken, om dat in eigen kring te kunnen uitdragen. Er is in die kringen een concentratie naar links31 gaande, leerstelling en praktisch beide, die noodlottig voor onze kerk zou kunnen worden. Het moet duidelijk gemaakt worden dat de aaneensluiting van twee kerkelijke fronten geen teken is van een marchanderen en transigeren van beginselen, maar plaats heeft onder een ontzaglijke spanning, waaronder de kerk weer meer zich zelf moet worden.
Zo zijn de beide verenigingen naar elkaar toe gedreven en hebben op sommige belangrijke punten elkaar gevonden.