O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 4. Antwoord op 'macht is recht'Inhoud6. Bondsorganisatie →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 51–53

5. Mobilisatie1

De vraag laat zich stellen, hoeveel leden van de Bond er zouden overblijven, wanneer de traktements-actie2 volkomen gelukt of voorgoed mislukt zou zijn. Dit is geen academische vraag om gelegenheid te krijgen met de regelen van de waarschijnlijkheids-rekening te gaan werken. Maar ze sluit aan bij een opmerking, die men telkens kan beluisteren, dat de Bond een efemeer verschijnsel is, in verband met een financiële crisis.

Nu moeten we de zaak nuchter bezien. Er zullen wel leden in de Bond zijn op wie het rijmpje van toepassing is: Om der wille van het smeer - likt de kat de kandeleer.

Wij zullen zelfs moeten veronderstellen, dat voor het merendeel eigen of anderer financiële nood mede de stoot heeft gegeven tot aansluiting. Maar dat wil niet zeggen, dat, nu de Bond er eenmaal is, hij in het teken der financiën zou moeten of kunnen blijven staan. De grote vraag voor de Bond is inderdaad deze: hoeveel leden zouden er overblijven na een slagen of mislukken der traktementsactie.

Ongetwijfeld zijn er daarnaast nog een aantal belangen te noemen, die 't best door gemeenschappelijk optreden worden bevorderd, maar 't is de vraag of deze op den duur het bestaan van een verband van 1200 predikanten met al de rompslomp daaraan verbonden zouden rechtvaardigen. Wij moeten ons nu reeds duidelijk maken, dat de financiën wel de aanleiding, maar niet de reden van het bestaan van de Bond uitmaken.

De eigenlijke reden hebben we te zoeken in de positie van de predikant in het algemeen. Ook in vroeger eeuw kwam financieel het water de predikanten meermalen tot aan en tot over de lippen. En toch gaf dit nooit aanleiding tot een aaneensluiting als waarvan wij nu getuige zijn. Waarom was dit vroeger niet en nu wel mogelijk? De oorzaak moet liggen in veranderde positie. ⚑Voor historische uitweiding heb ik hier geen ruimte. Maar toch wil ik even opmerken, dat van huis uit de predikant in de calvinistische landen niet alleen preekheer3 is.a Heel de strijd van Calvijn te Genève ging er om of de kerk een factor in het zedelijk, maatschappelijk en politieke leven zou zijn, of niet. De positie der kerk in Amerika4 berust geheel op deze aansluiting. En toch zijn in onze kerk de predikanten vrijwel geïsoleerde preekheren geworden; veelmeer naar lutherse, dan naar gereformeerde trant.

Er is iets aantrekkelijks in deze positie, voor sommige naturen. Er ligt een ideaal in deze richting om, meer bisschop dan gewoon mens, alle echte strijd te vermijden, elk conflict te schuwen, tot elke prijs voor allen te willen blijven en het bewijs daarvan elke zondag in een volle kerk te ontvangen. De predikant, die dit ideaal voor ogen heeft, de eigenlijke preekheer, moet buiten de politiek blijven. Hij moet ook het maatschappelijke leven slechts bij uitzondering aanroeren. En hij mag van het zedelijk leven slechts bijkomstig werk maken.

Deze opvatting van het ambt is zeer bepaald die van onze kerkelijke besturen. Onze hele reglementen-bundel is een reglementering van deze kerk-idee. Het is een reglement, niet op actie, maar op rust. Een preekheren-reglement. - De praktijk van kerkelijk bestuur sluit zich hierbij aan. Politiek ligt, om te beginnen, mijlen ver buiten de gezichtskring van onze synode. Zij bederft de karakters, zo hoort men er opmerken. Alleen als de politieke rust in gevaar komt, als in 't geval-De Ligt,5 wordt de synode mobiel. Overigens is de vraag of in stad en land God of de Mammon zal regeren, in de synode weinig actueel.

Hetzelfde geldt van maatschappelijk en zedelijk leven. De besturen kunnen heel wat verduwen op dit gebied. De weduwen der kerk zelve hebben geen brood. "Lass sie betteln gehn."6 Maar als er ergens stagnatie komt in het geven van handjes na preek of vergadering of de rookwolkjes uit de Goudse pijp te fors dreigen uitgestoten te worden, dan mist men smartelijk een artikel om ook deze ceremonies te regelen. In de predikheren-kerk is rust de normale toestand.

Deze geest heeft zich zelfs een eigen voertuig geschapen in de taal onzer kerkelijke circulaires. Gregorius V117 geldt als de schepper van een eigenaardige kerkelijke brief-stijl. Wanneer de geschiedenis daarvan geschreven werd, zou men daarin waarschijnlijk niets aantreffen wat te vergelijken is met de manier onzer kerkelijke rondschrijvens. Geen statige bul komt er onder voor. Geen pamflet als Mattheüs 23 tegen degenen, die de huizen der weduwen opeten. Alles is rustig, gedragen en gepast. De vroomheid is hier in de stijl gevaren.

Nu is de vraag of wij preekheren zullen blijven. Ik vrees, dat men ook hierbij dadelijk de richting-kwestie zal te pas brengen. In een preekherenkerk is de richtingstrijd de enige afleiding en een noodzakelijk euvel. Men zal zeggen, dat het gaat tegen of voor het ambt. Ik zie hier al bijv. socialistische en zgn. 'gereformeerde' predikanten tegenover elkaar. - Dit zou een wonderlijke verwarring zijn. Wanneer de 'gereformeerde' predikant preekheer wil blijven en de sociale predikant aansluiting aan de maatschappij zoekt, dan is de laatste in dit opzicht de meest gereformeerde.8 De richtingstrijd kan er buiten blijven.

De vraag - voor alle richtingen - is, of wij, in een calvinistische kerk, waarvan het wezen actie moet zijn, een gereglementeerde rust zullen bewaren. De bestaansreden van de Bond van Predikanten lijkt mij deze, dat instinctief gevoeld wordt, dat wij een organisatie nodig hebben, die zich aanpast aan het werk dat we te doen hebben. Een organisatie, die ons niet van elkaar isoleert, maar die ons mobiliseert.

Voetnoten

  1. a

    Het eert de synode van dit jaar, dat zij het deurtje van de preekstoel weer opengezet heeft, door het verbod op het Kamerlidmaatschap op te heffen.↩

Eindnoten

  1. 1

    Aan dit artikel in OBNP. 3 (15.9.1921) nr. 7 ging vooraf een (vanwege het zuiver technisch karakter ervan niet opgenomen) artikel van N. in hetzelfde tijdschrift dd.15.4.1921, getiteld Minimum-traktement.↩

  2. 2

    De door de Bond van Ned. Predikanten ondernomen actie tot verbetering van de traktementen der predikanten, resulterend in het bekende reglement.↩

  3. 3

    Predikheren, naam van de door Dominicus de Guzman (1 170-1212) gestichte orde der Dominicanen (O.P.), gericht op de verdediging van de leer der kerk; waren werkzaam in missie, Inquisitie en wetenschap; groot gezag ook door hun medelid Thomas van Aquino.

    N.doelt hier niet enkel op deze orde, maar op de 'spontane doorbraak van het Woord ... in de kerk' van de latere middeleeuwen tengevolge van het optreden van de bedelorden. Zie VW., dl. 8, p. 446 v. Vgl. voor de in noot a genoemde kwestie van de combinatie predikantschap met politieke functie: Handelingen Synode 1921, 20ste zitting, 11 augustus, p. 297 vv.: behandeling rapport over wijziging van art. 3, al. 2, Reglement op de kerkeraden en van art. 1, lid 1, Reglement op de vacaturen met betrekking tot voorstel schepping bepaling onverenigbaarheid lidmaatschap Staten Generaal met het ambt van predikant. W. J. Aalders pleitte sterk voor de schepping. Aangenomen in eerste lezing ( 10/9); volgend jaar weer ingetrokken.↩

  4. 4

    Voor N.: het land der Pilgrimfathers, zie n. 55.25.↩

  5. 5

    Bart(holomeus) de Ligt (1883-1938), hervormd predikant te Nuenen (1910-1916; bediening neergelegd). Christen-anarchist en grondlegger polemologie (Vrede als daad. Beginselen, geschiedenis en strijdmethode van de directe actie tegen oorlog, Arnhem 1931-1933). Schreef bij de honderdjarige herdenking van 1813, die door de synode aanbevolen was, Profetie en volksfeest, Amsterdam 1913, dat als een bom insloeg; in Profeet en volksnood, Schiedam 1914, reageerde hij kritisch op een oproep der synode tot herstel van de algemene vrede. Vgl. Gedenkboek Bart de Ligt, 1883-1938, Arnhem 1939.↩

  6. 6

    Uit het gedicht Die Grenadiere; vgl. H. Heine, Sämtliche Werke, Buch der Lieder, dl. 1, Hamburg 1884, p. 31.↩

  7. 7

    Hildebrand van Siena (1021-1085), genaamd Gregorius VII de Heilige, monnik van Cluny, langdurig aan de macht onder meerdere pausen; was steeds uit op de vrijheid der kerk en haar macht over de vorsten; bewerkte in 1059 de benoeming van de paus door de kardinalen; werd in 1073 door clerus en volk tot paus verheven; vernederde de Roomskoning Hendrik IV te Canossa (1077), waarna deze hem afzette (1084). Voerde het celibaat der priesters in en verbood de invloed der vorsten (via zgn. simonie en lekeninvestituur) op de benoeming van geestelijken. Over zijn regeren door correspondentie vgl.C.Mirbt, Die Publizistik int Zeitalter Gregorius VII, Leipzig 1894; E. Caspar, G. VII in seinen Briefen, Historische Zeitschrift 1924.↩

  8. 8

    Er bestond een 'vereniging van sociale predikanten', zie n. 1.11. De vergelijking 'gereformeerd' en 'sociaal' schijnt te preluderen op die tussen Kerkherstel en Kerkopbouw.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 4. Antwoord op 'macht is recht'Inhoud6. Bondsorganisatie →