5. Mobilisatie1
De vraag laat zich stellen, hoeveel leden van de Bond er zouden overblijven, wanneer de traktements-actie2 volkomen gelukt of voorgoed mislukt zou zijn. Dit is geen academische vraag om gelegenheid te krijgen met de regelen van de waarschijnlijkheids-rekening te gaan werken. Maar ze sluit aan bij een opmerking, die men telkens kan beluisteren, dat de Bond een efemeer verschijnsel is, in verband met een financiële crisis.
Nu moeten we de zaak nuchter bezien. Er zullen wel leden in de Bond zijn op wie het rijmpje van toepassing is: Om der wille van het smeer - likt de kat de kandeleer.
Wij zullen zelfs moeten veronderstellen, dat voor het merendeel eigen of anderer financiële nood mede de stoot heeft gegeven tot aansluiting. Maar dat wil niet zeggen, dat, nu de Bond er eenmaal is, hij in het teken der financiën zou moeten of kunnen blijven staan. De grote vraag voor de Bond is inderdaad deze: hoeveel leden zouden er overblijven na een slagen of mislukken der traktementsactie.
Ongetwijfeld zijn er daarnaast nog een aantal belangen te noemen, die 't best door gemeenschappelijk optreden worden bevorderd, maar 't is de vraag of deze op den duur het bestaan van een verband van 1200 predikanten met al de rompslomp daaraan verbonden zouden rechtvaardigen. Wij moeten ons nu reeds duidelijk maken, dat de financiën wel de aanleiding, maar niet de reden van het bestaan van de Bond uitmaken.
De eigenlijke reden hebben we te zoeken in de positie van de predikant in het algemeen. Ook in vroeger eeuw kwam financieel het water de predikanten meermalen tot aan en tot over de lippen. En toch gaf dit nooit aanleiding tot een aaneensluiting als waarvan wij nu getuige zijn. Waarom was dit vroeger niet en nu wel mogelijk? De oorzaak moet liggen in veranderde positie. ⚑Voor historische uitweiding heb ik hier geen ruimte. Maar toch wil ik even opmerken, dat van huis uit de predikant in de calvinistische landen niet alleen preekheer3 is.a Heel de strijd van Calvijn te Genève ging er om of de kerk een factor in het zedelijk, maatschappelijk en politieke leven zou zijn, of niet. De positie der kerk in Amerika4 berust geheel op deze aansluiting. En toch zijn in onze kerk de predikanten vrijwel geïsoleerde preekheren geworden; veelmeer naar lutherse, dan naar gereformeerde trant.
Er is iets aantrekkelijks in deze positie, voor sommige naturen. Er ligt een ideaal in deze richting om, meer bisschop dan gewoon mens, alle echte strijd te vermijden, elk conflict te schuwen, tot elke prijs voor allen te willen blijven en het bewijs daarvan elke zondag in een volle kerk te ontvangen. De predikant, die dit ideaal voor ogen heeft, de eigenlijke preekheer, moet buiten de politiek blijven. Hij moet ook het maatschappelijke leven slechts bij uitzondering aanroeren. En hij mag van het zedelijk leven slechts bijkomstig werk maken.
Deze opvatting van het ambt is zeer bepaald die van onze kerkelijke besturen. Onze hele reglementen-bundel is een reglementering van deze kerk-idee. Het is een reglement, niet op actie, maar op rust. Een preekheren-reglement. - De praktijk van kerkelijk bestuur sluit zich hierbij aan. Politiek ligt, om te beginnen, mijlen ver buiten de gezichtskring van onze synode. Zij bederft de karakters, zo hoort men er opmerken. Alleen als de politieke rust in gevaar komt, als in 't geval-De Ligt,5 wordt de synode mobiel. Overigens is de vraag of in stad en land God of de Mammon zal regeren, in de synode weinig actueel.
Hetzelfde geldt van maatschappelijk en zedelijk leven. De besturen kunnen heel wat verduwen op dit gebied. De weduwen der kerk zelve hebben geen brood. "Lass sie betteln gehn."6 Maar als er ergens stagnatie komt in het geven van handjes na preek of vergadering of de rookwolkjes uit de Goudse pijp te fors dreigen uitgestoten te worden, dan mist men smartelijk een artikel om ook deze ceremonies te regelen. In de predikheren-kerk is rust de normale toestand.
Deze geest heeft zich zelfs een eigen voertuig geschapen in de taal onzer kerkelijke circulaires. Gregorius V117 geldt als de schepper van een eigenaardige kerkelijke brief-stijl. Wanneer de geschiedenis daarvan geschreven werd, zou men daarin waarschijnlijk niets aantreffen wat te vergelijken is met de manier onzer kerkelijke rondschrijvens. Geen statige bul komt er onder voor. Geen pamflet als Mattheüs 23 tegen degenen, die de huizen der weduwen opeten. Alles is rustig, gedragen en gepast. De vroomheid is hier in de stijl gevaren.
Nu is de vraag of wij preekheren zullen blijven. Ik vrees, dat men ook hierbij dadelijk de richting-kwestie zal te pas brengen. In een preekherenkerk is de richtingstrijd de enige afleiding en een noodzakelijk euvel. Men zal zeggen, dat het gaat tegen of voor het ambt. Ik zie hier al bijv. socialistische en zgn. 'gereformeerde' predikanten tegenover elkaar. - Dit zou een wonderlijke verwarring zijn. Wanneer de 'gereformeerde' predikant preekheer wil blijven en de sociale predikant aansluiting aan de maatschappij zoekt, dan is de laatste in dit opzicht de meest gereformeerde.8 De richtingstrijd kan er buiten blijven.
De vraag - voor alle richtingen - is, of wij, in een calvinistische kerk, waarvan het wezen actie moet zijn, een gereglementeerde rust zullen bewaren. De bestaansreden van de Bond van Predikanten lijkt mij deze, dat instinctief gevoeld wordt, dat wij een organisatie nodig hebben, die zich aanpast aan het werk dat we te doen hebben. Een organisatie, die ons niet van elkaar isoleert, maar die ons mobiliseert.