O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 3. IsolementInhoud5. Mobilisatie →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 48–50

4. Antwoord op 'macht is recht'1

In het avondblad van maandag 4 april komen onder het opschrift Macht is recht beschouwingen voor van dr. Hoog2 te Nijmegen, waarin o.m. ook aandacht geschonken wordt aan enkele uitdrukkingen uit en de strekking van mijn artikel in het februari-nummer van het Orgaan van de Bond van Predikanten.3 Het zij mij vergund van mijn kant enkele opmerkingen te maken over een paar uitdrukkingen uit en de strekking van het artikel van dr. Hoog.

Eerst de uitdrukkingen. - Het lijkt mij zeer onvoorzichtig van dr. Hoog, als verdediger der kerkvoogdijen, om geheel onnodig de brandkasten van die colleges te noemen. Menig lezer die geen kerkrecht heeft bestudeerd en aldoor de nood der kerk hoorde verluiden zal haar bestaan niet hebben vermoed. Hij zal gedacht hebben dat, evenals bij de staat, onvoldoende soldij wijst op een lege schatkist. Deze lezer zal thans merken dat alles hier geheel anders is. Dr. Hoog zal hem moeten uitleggen hoe het mogelijk was dat op oudjaar die schandelijke collecte voor weduwen en emeriti4 nodig was en tegelijkertijd de kerkvoogdijen brandkasten behoeven. Dat is nu kerkrecht, zal hij moeten zeggen. - Als de lezer dan maar niet antwoordt: liever Turks dan kerks.

Een tweede uitdrukking: vrijbuiterij, die ik zelf gebruikte en waarover dr. Hoog valt. Hij stelt de mogelijkheid dat met dat woord nog iets meer bedoeld is dan de opneming van de predikanten-arbeids-organisatie in de reglementen. De weinig parlementaire wijze waarop dr. Hoog deze gedachte inkleedt blijve op zijn collegiale rekening staan en houdt ons hier verder niet op. Daarvoor is de zaak te belangrijk.

Nu begin ik met op te merken dat de inschakeling van een kerkelijke arbeidsorganisatie geen kleinigheid zou zijn. Wat zou daarbij van de oude organisatie nog overblijven? De achttiende-eeuwse kerkinrichting met haar regenten-colleges, haar getrapte verkiezingen, haar provinciale autonomie staat ten dode opgeschreven. Hoe lang meent dr. Hoog dat de beheerstoestanden, zoals wij die kennen, het tegenover die nieuwe organisatie zouden uithouden?

Die weg wilde ik wijzen. Intussen geef ik toe dat het woord 'vrijbuiter' iets 'dikker' was dan deze toepassing. Een geladen pen stelt haar bijzondere eisen aan de exegese.5 Een deel dier lading bleef zonder uitweg. Te dik was het woord niet. Men vrage zich af wat de kerkelijke werker, vooralsnog zonder eigen organisatie, moet doen onder een achttiendeeeuws bestuur en een middeleeuws beheer? Kan hij anders dan vrijbuiter zijn? Dikwijls heeft hij geen andere keuze dan zich een gesel van touwkens (Joh. 2 : 15), in dit geval woordekens, te maken en ruimte te maken in het dubbele carré dat des zondags symbolisch hem gevangen houdt, de tafels der wisselaars om te keren en hun zitstoelen (Mt. 21 : 12; Mk. 1 1 : 15) om te werpen. Dit werk is hier en daar in volle gang. Is dat geen vrijbuiterij?

Na de uitdrukkingen nog iets over de strekking van het artikel Macht is recht. Dr. Hoog achtte mijn betoog gevaarlijk. Ik zie dat gevaar in het zijne. Wanneer op civiel terrein het formele recht tot onzedelijkheid leidt, grijpt de burgerlijke rechter in of de wetgever of de publieke opinie. In een huis waar een man zijn vrouw of kinderen mishandelt dringen wij binnen, tegen de wet. Volgens dr. Hoog is de kerk een zo onmondig lichaam dat zij zelfs gehouden is tot medewerking ten opzichte van handelingen, die ze uit een moreel oogpunt veroordeelt. Zij moet approberen6 goedkeuren, al wat de Mammon doet. Dieper vernedering is voor de kerk niet denkbaar. Zij blijve, naar haar oud recht, approbatie weigeren van immorele handelingen.

Eindnoten

  1. 1

    Ingezonden in NRC. 9.4.1921, Avondblad C, als antwoord op een Ingezonden van dr. 1.M.J. Hoog in NRC. 4.4.1921 Macht is recht. Zie ook hier n. 1.1; 3.8; 10.9, 10.↩

  2. 2

    Zie n. 3.8.↩

  3. 3

    De titel van het bedoelde artikel van N. was Isolement 3 (15.2.1921) nr. 1. Hoog, die in zijn NRC.-artikel de discussie in feite opende, reageerde met bedoeld ingezonden Macht is recht. Hij stelt daarin o.a. dat: 'de nood der pastorieën' nog niet toestaat 'elk middel goed te keuren dat tot leniging van die nood wordt voorgesteld', op de wijze van N.: " 'Wie vogelvrij verklaard wordt krijgt het recht als vrijbuiter op te treden'. Duidelijk is deze bedreiging niet; vermoedelijk doelt collega N. alleen op de opneming van der predikanten arbeidsorganisatie in de reglementen - dat volgt althans; maar dan zijn de woorden toch nodeloos dik gemaakt, want een vrijbuiter die gereglementeerd wordt belooft een nogal kalm verloop; maar men kan achter de bedreiging ook verborgen zien het plan van deze dominee om de brandkast van de administrerende kerkvoogd zijner gemeente open te breken." Verder zegt N.: " 'de besturen hebben wel geen recht, dan moeten ze het zich maken, anders verliezen ze moreel enz.' ... Deze uiting acht ik gevaarlijker dan het dreigementje met vrijbuiters: het eenvoudig onderstboven lopen van bestaande rechtstoestanden waarmee men niet tevreden is, wordt goedgepraat met dat moreel, moreel recht staande boven het geschreven recht ... Macht alleen is nog geen recht." H. laakt in N., dat deze toegeeft, dat de besturen in wezen het recht missen in te grijpen zoals het nieuwe regl. voorschrijft, maar dat hij ze toch aanmoedigt zulks te doen.

    Sterker: doen ze het niet, dan missen ze hun morele recht van controle over de predikant.

    Hiertegenover stelt H.: macht is geen recht. Het regl. is wederrechtelijk ingevoerd. De handopeningsaanvraag (zie noot 6 en n. 1. l; 10.9; 1 0. 1 0) is uit de tijd. De kerk mag de overheid niet gebruiken als 'beulsknecht'. Trouwens: het zal wel blijken dat de gemeenten de quota niet kunnen betalen. - Voor Hoog is onbegrijpelijk dat N. enerzijds de visie van Van Apeldoorn (zie nr. 3), dat 'de stichting' (en zij alleen) eigenares is van het kerkegoed, onderschrijft, en dat hij anderzijds adviseert om een invasie te doen in 'de stichting'. H. ziet niet dat N. werkt met een ander kerkbegrip, dat niet geheel gesubsumeerd kan worden onder het wereldlijke recht. De hele reorganisatiestrijd is juist een botsing tussen deze twee visies. N. heeft Van A. nodig om scherp te accentueren hoe beklemd de predikant zit in zijn positie, maw. hoezeer de kerk als kerk gevangen zit in een haar niet passend juridisch kader. Maar juist omdat zij kerk is, kan zij zich niet neerleggen bij bestaande rechtstoestanden, maar moet zij middelen en wegen zoeken om zich uit die dodelijke omklemming te bevrijden in de richting van een orde, die de kerk en haar predikanten kerkelijk d.i. geestelijk kan doen functioneren.↩

  4. 4

    "Meermalen is de vraag overwogen, of aan de gemeenten niet de verplichting moet worden opgelegd jaarlijks voor de Beurs een collecte te houden. Laatstelijk is het voorstel daartoe afgewezen door de synode van 1919. Ook heeft men niet willen treden in het denkbeeld een vaste bijdrage bij wijze van quotum te eisen." Vgl. Regl. Alg. Wed. en Wezen Beurs art. 14, noot 2; vgl. voorts Reitsma-Lindeboom, a.w., p. 570, alwaar vermeld: "De oudejaarsavondcollecte door de Bond met zoveel succes in het leven geroepen ter leniging van de ogenblikkelijke nood der emeriti predikanten en -weduwen en -wezen ... Hiermee heeft zich de Bond veel warme vrienden gemaakt."↩

  5. 5

    Typering van N.' schrijverschap!↩

  6. 6

    Approbatie betekent ook de in art. 66 Reglement op de vacaturen bedoelde goedkeuring van het Classicaal bestuur, zonder welke geen beroep kan worden uitgebracht. Overigens moet reeds bij de 'autorisatie' gebleken zijn, dat de gemeente geen achterstand heeft bij de Raad van beheer (art. 4 1). Het Classicaal bestuur zendt dit door de kerkeraad gedane verzoek om autorisatie (of: handopening) niet door aan het bevoegde departement (Financiën) als aan de financiële verplichtingen (classicale quota voor de kosten van het bestuur, consulents- en ringgelden plus kosten verbonden aan weduwen- en wezenbeurzen en de garantie van het predikantstraktement) niet is voldaan. Langs deze weg kreeg de kerk, ter bescherming van de predikanten, een greep op de kerkvoogdijen. Zie n. 1. l; 1. 14; 2. 1.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 3. IsolementInhoud5. Mobilisatie →