4. Antwoord op 'macht is recht'1
In het avondblad van maandag 4 april komen onder het opschrift Macht is recht beschouwingen voor van dr. Hoog2 te Nijmegen, waarin o.m. ook aandacht geschonken wordt aan enkele uitdrukkingen uit en de strekking van mijn artikel in het februari-nummer van het Orgaan van de Bond van Predikanten.3 Het zij mij vergund van mijn kant enkele opmerkingen te maken over een paar uitdrukkingen uit en de strekking van het artikel van dr. Hoog.
Eerst de uitdrukkingen. - Het lijkt mij zeer onvoorzichtig van dr. Hoog, als verdediger der kerkvoogdijen, om geheel onnodig de brandkasten van die colleges te noemen. Menig lezer die geen kerkrecht heeft bestudeerd en aldoor de nood der kerk hoorde verluiden zal haar bestaan niet hebben vermoed. Hij zal gedacht hebben dat, evenals bij de staat, onvoldoende soldij wijst op een lege schatkist. Deze lezer zal thans merken dat alles hier geheel anders is. Dr. Hoog zal hem moeten uitleggen hoe het mogelijk was dat op oudjaar die schandelijke collecte voor weduwen en emeriti4 nodig was en tegelijkertijd de kerkvoogdijen brandkasten behoeven. Dat is nu kerkrecht, zal hij moeten zeggen. - Als de lezer dan maar niet antwoordt: liever Turks dan kerks.
Een tweede uitdrukking: vrijbuiterij, die ik zelf gebruikte en waarover dr. Hoog valt. Hij stelt de mogelijkheid dat met dat woord nog iets meer bedoeld is dan de opneming van de predikanten-arbeids-organisatie in de reglementen. De weinig parlementaire wijze waarop dr. Hoog deze gedachte inkleedt blijve op zijn collegiale rekening staan en houdt ons hier verder niet op. Daarvoor is de zaak te belangrijk.
Nu begin ik met op te merken dat de inschakeling van een kerkelijke arbeidsorganisatie geen kleinigheid zou zijn. Wat zou daarbij van de oude organisatie nog overblijven? De achttiende-eeuwse kerkinrichting met haar regenten-colleges, haar getrapte verkiezingen, haar provinciale autonomie staat ten dode opgeschreven. Hoe lang meent dr. Hoog dat de beheerstoestanden, zoals wij die kennen, het tegenover die nieuwe organisatie zouden uithouden?
Die weg wilde ik wijzen. Intussen geef ik toe dat het woord 'vrijbuiter' iets 'dikker' was dan deze toepassing. Een geladen pen stelt haar bijzondere eisen aan de exegese.5 Een deel dier lading bleef zonder uitweg. Te dik was het woord niet. Men vrage zich af wat de kerkelijke werker, vooralsnog zonder eigen organisatie, moet doen onder een achttiendeeeuws bestuur en een middeleeuws beheer? Kan hij anders dan vrijbuiter zijn? Dikwijls heeft hij geen andere keuze dan zich een gesel van touwkens (Joh. 2 : 15), in dit geval woordekens, te maken en ruimte te maken in het dubbele carré dat des zondags symbolisch hem gevangen houdt, de tafels der wisselaars om te keren en hun zitstoelen (Mt. 21 : 12; Mk. 1 1 : 15) om te werpen. Dit werk is hier en daar in volle gang. Is dat geen vrijbuiterij?
Na de uitdrukkingen nog iets over de strekking van het artikel Macht is recht. Dr. Hoog achtte mijn betoog gevaarlijk. Ik zie dat gevaar in het zijne. Wanneer op civiel terrein het formele recht tot onzedelijkheid leidt, grijpt de burgerlijke rechter in of de wetgever of de publieke opinie. In een huis waar een man zijn vrouw of kinderen mishandelt dringen wij binnen, tegen de wet. Volgens dr. Hoog is de kerk een zo onmondig lichaam dat zij zelfs gehouden is tot medewerking ten opzichte van handelingen, die ze uit een moreel oogpunt veroordeelt. Zij moet approberen6 goedkeuren, al wat de Mammon doet. Dieper vernedering is voor de kerk niet denkbaar. Zij blijve, naar haar oud recht, approbatie weigeren van immorele handelingen.