O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 47. De DoleantieInhoud49. Stellingen over kerkorde →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 312–321

48. De naaste toekomst der kerk1

1. De titel van mijn referaat2 klinkt vrij gewichtig, zo zelfs dat hij mij bijna de moed benam het onderwerp aan te snijden. De naaste toekomst der kerk. Daarover te moeten spreken en dat in deze tijd, nu de wereld midden in een spiongvariatie schijnt te staan en nu daarbij de kerk weer in het middelpunt van het leven komt te staan. Want dat is toch zo. En daarmee bedoel ik niet dat alle mensen opeens vroom zijn geworden of zullen worden.3 Wij weten wel dat dat in de grote epoques der kerk in vroeger eeuwen ook niet het geval is geweest. Men kent de klachten van Paulus en Luther of de gemeenteleden hunner dagen.

Ik bedoel dit: Nu alles op losse schroeven staat vraagt de mens zich af: wat zou God er van zeggen, of: wat heeft God er mee te zeggen? Twee vragen die nogal verschillen.

De eerste: Wat zou God er van zeggen betekent dat we ons God transcendent boven de kerk denken, als de eeuwige Spreker die zijn Woord zendt op aarde om te doen wat Hem behaagt (Hebr. 1 : 1l; Ps. 147: 15; Jes. 55: 11). Wij wachten op het profetische woord, dat zeer vast is, een pilaar, een vastigheid der waarheid (Ps. 147: 15; 2 Pt. 1 : 19; 1 Tim. 3: 15). De behoefte aan die vastigheid is er. Ze heeft zich kort geleden op zeer sensationele wijze gedemonstreerd in het geval-Marchant,4 dat, hoe men het ook moge commnentariëren, een teken des tijds is, een vlucht voor de bolsjewering5 van het christendom. Dat men daarbij over het protestantisme heengrijpt doet ons pijnlijk aan, maar wij hebben geen recht om daarover al te zeer te klagen. Daarvoor is genoemde bolsjewering te diep in de kerk en de theologie der Reformatie ingedrongen. Iemand moet al veel innerlijkheid hebben of liever, hij moet geoefend zijn in het horen van het Woord, om in onze kerk de rust te kunnen vinden die hij zoekt. Maar goed dan: de vraag naar het Woord Gods, de vraag: wat zou God er van zeggen? leeft weer.

De tweede vraag stelde ik zo: Wat zou God er mee te zeggen hebben? Als we haar stellen, zoeken we de gebeurtenissen te interpreteren, de tekenen der tijden te duiden. Er wordt dan meer een beroep gedaan op onze activiteit. Wij letten er dan op dat God altijd werkt (Joh. 5 : 17), soms ook op de sabbat als de Farizeeër rust; soms buiten de kerk als de ouderling slaapt; dat Hij dat doet tegen Mozes en de Tien geboden in. Wij weten dan dat God gesproken heeft en altijd spreekt, ook in de donder der wereldgebeurtenissen van Kaïns doodslag af tot de wereldoorlog toe.6 Dat Hij gesproken heeft éénmaal door de Zoon en dat dat Woord, dat reeds in den beginne was, niet stil kan worden maar doorklinkt in de prediking en de sacramenten der kerk niet alleen, maar tot in de verste hoeken der schepping. ⚑Wij geloven dat God zich uit de wereld een gemeente vergadert, beschermt en onderhoudt7 en wij vragen waar die vergadering plaatsheeft. Het profetische woord gaat vanouds niet buiten de geschiedenis om, maar slaat er de bliksem uit; doet haar donder horen.

2. Beide vragen maken ons even verlegen, maar bij vraag 1 mogen we de verlegenheid niet groter maken dan ze al is.

Wanneer wij vragen: wat zou God er van zeggen? Als wij onze adem inhouden en elk verzoeken te zwijgen en met Tersteegen8 ook ons zelf vermanen: Gott ist in der Mitte, alles in uns schweige, dan weten wij toch wel dat het dezelfde God is die vele malen door de profetie en éénmaal door de Zoon tot ons gesproken heeft (Hebr. 1 : 1). Wij weten wel dat het niet alleen de laatste encycliek is die ons helpen kan, maar ook niet de laatste dogmatiek en ook niet alleen de laatste preek. Wij geloven dat de harten der kinderen tot de vaderen zullen worden wedergebracht (Mal. 4 : 6), dat Lazarus zal uitrusten in Abrahams schoot (Lk. 16 : 22), dat wij tot onze vaderen zullen worden vergaderd, dat er is een heilige, algemene christelijke kerk en een gemeenschap der heiligen. Wij kunnen Rome niet geheel ongelijk geven als het zo sterk de nadruk legt op de continuïteit en de successie en de traditie;9 wij willen niet terugvallen in het oncoherente van het animisme,10 zelfs niet tot de verschijningskerk van de patriarchen of de extasenkerk der profeten of het veertig dagen-christendom van voor Pinksteren.11 Wij belijden te geloven in de Heilige Geest, de Trooster die blijft en woont in de kerk tot aan het einde der wereld. Wij zoeken geen Lourdes-christendom en wachten geen Jeanne d'Arc of welke Heilige Maagd, maar Jezus Christus die gisteren en heden en tot in eeuwigheid dezelfde is.

Wat wij tegen Rome en tegen de orthodoxie van het protestantisme hebben, is dit dat zij de continuïteit der kerk en der prediking te natuurlijk opvatten, te zeer als een aardse gegevenheid, niet genoeg als een verborgenheid. Wij weten wel, met Rome, dat het Te Deum,12 de belijdenis van Vader, Zoon en Heilige Geest, een lied is, dat de kerk eeuwig zal zingen. Maar wij weten ook dat het hier op aarde een gezang van martelaren is en in de hemel van de zaligen.

De kerk is wel een afgezonderde, geschutte plaats, maar ze is het in tweeërlei opzicht. Ze is conferentie, vergadering, desnoods catacombe of hagepreek, maar ook concentratiekamp, kerker.13 En dat geldt niet alleen uitwendig, maar ook inwendig. Wij gereformeerden vooral willen niet vergeten dat de continuïteit onzer kerk en die van ons geloof in de predestinatie verankerd ligt en zich aan de uitwendige waarneming onttrekt, dat ze samenhangt met de voorbede van Christus en dat de rust die daaruit geboren wordt diep gedoken blijft. Wij dragen het Woord Gods niet te koop (2 Kor. 2 : 17) en kunnen het niet uitventen. God blijft de Spreker en de kerk kan dat niet van Hem overnemen.

Wij blijven dus verlegen mensen als de vraag gesteld wordt: wat zou God er van zeggen? Maar ook die andere vraag: wat zou God er mee willen zeggen? onze tweede vraag redt ons daar niet uit. Het lijkt wel zo. Wij hebben dan wat, dat we kunnen proberen uit te leggen. Niet alleen de Schrift, maar alles wat er om ons heen gebeurt. De courant van iedere dag.14

Maar daarbij moeten wij ons herinneren dat het een kleinigheid is, de zin der geschiedenis te willen uitleggen. Daartoe zijn profeten nodig en hier moeten wij er juist op wijzen dat de tijd van het vele malen voorbij is en dat daarvoor het éénmaal (Hebr. 1 : 1; 10 : 10) in de plaats is gekomen. De kerk heeft geen profeten, ze heeft apostelen. Afgezien van een enkele figuur als Savonarola15 heeft de christenheid ook geen duidelijke profetische figuren aan te wijzen.

Des te meer heeft de theologie en de prediking in de negentiende eeuw getracht het profetische element te seculariseren, werelds te maken. Allerlei theorieën over de overgang van de kerk in de staat16 of over de zin der wereldgeschiedenis,17 systemen der geschiedenis in grote stijl, met of zonder Untergang des Abendlandes,18 zijn er opgesteld door mensen die hun geboorteplaats nooit verlieten of door anderen die de moeite namen eerst over de hele aardbol rond te kijken, zoals Kayserling.19 In een woord: de cultuurfilosofie heeft getracht de profetie te herstellen tegen het Evangelie in. Dit kan niet gelukken.20 De verborgenheid van de komst van het Koninkrijk heeft de Vader in zijn eigen macht gesteld. Het komt ons niet toe die tijden en gelegenheden te weten (Hand. 1 : 6-8). Wanneer er ergens continuïteit te zoeken en te vinden is, dan niet hier, maar dan in de kerk, in de buurt van het Woord. Er blijft dan een rust over voor het volk Gods (Hebr. 4 : 9).

Het zal ook wel niet baten als mensen de zin der dingen wat vereenvoudigen en op lager niveau drukken. Als ze de Geest "Widersacher der Seele"21 gaan noemen en de vragen gaan beantwoorden in verband met ras en bloed.22 Zo'n geestelijke simplificering naast technische gecompliceerdheid is primitief. Wij houden vast aan de zin, het eeuwige leven. Maar dat is een verborgenheid. En Jezus vertelt ons er van in gelijkenissen. Oren hebbende hoort men niet, ogen hebbende ziet men niet (Mt. 13 : 14).

Hebben we dan helemaal af te zien van de tekenen der tijden en ons van Jezus' vermaning over het morgenrood en het avondrood (Mt. 16 : 2 v.) niets aan te trekken? Natuurlijk mogen we zo niet doen. Maar dit moeten we toch goed in gedachten houden, dat de profetie, extatisch of geseculariseerd, niet in onze macht staat. Wij zijn apostolische christenen. De loop der wereld is veel te discontinu, haar zin veel te hoog boven ons begrip, haar vrede veel te trinitarisch, dan dat wij de dingen tot een geheel zouden kunnen samenvoegen. Wij moeten het beproeven op eenvoudiger wijze. Het licht moet komen van de kant der kerk. Naar die zijde ligt de samenhang, de voortgang, de continuïteit, al is ze daar ook zeer verborgen.23 Verstandig praten over het mensenleven kan men alleen in een preek. Al het andere is bazelen.

Wij zijn nog niet veel verder gekomen met de vraag naar de naaste toekomst der kerk. Ge zult ook wel niet verwacht hebben dat ik u haar zou onthullen. Maar een ding hebben wij toch gewonnen. Als wij aan de toekomst denken, en ook aan de allernaaste, dan staan wij nu met ons overleg in de buurt van de bijbel en de kerk.

Dit is, dit is de poort des Heren, daar zal 't rechtvaardig volk door treên.24

Omgekeerd: de vraag naar de naaste toekomst der kerk is de vraag naar de toekomst in het algemeen. Er is geen toekomst buiten het Evangelie om.

3. Daardoor krijgt de kwestie van de kerk een grote spanwijdte. Men stelt haar aan de orde, zoals prof. Aalders te Hemmen25 deed naar aanleiding van een reorganisatievoorstel, in dit geval het voorstel van Kerkopbouw dat nu verworpen werd. Maar men doet het ook - men stelt ook de kerkelijke kwestie, als men - zoals ds. E. Jansen Schoonhoven26 dezer dagen deed en in een recente publikatie vraagt: Christelijk pacifisme nu? Dat is evenzeer de kerkelijke vraag. De toekomst der kerk raakt de toekomst der wereld. Het Evangelie is een raad des vredes tussen Vader, Zoon en Heilige Geest. En Augustinus met name heeft de hele wereldgeschiedenis onder dit gezichtspunt gesteld. Rover of apostel27 staat het dilemma voor de hele mensheid. Een derde mogelijkheid is er niet.

Het ritme in het mensenleven kan vreselijk en dreigend zijn. Brood en spelen enerzijds - oorlog en pestilentie de keerzijde. Op de dorpen evengoed als in de steden wordt men het gewaar. Onze christelijke feestdagen worden verlicht door de rosse vlam der paasvuren28 en het hoefgetrappel van de paardesport op de hemelvaartsdag, symbolen van het naderen van de moderne Hunnen. Men beeft als men er aan denkt. Maar er is ook een ander ritme. Laat mij een gedachte mogen uitspreken, die bij mij opkwam op de tweede pinksterdag. Ik stond onder een grote kastanje aan de overkant van de weg tegenover mijn pastorie. 's Morgens was er jeugddienst geweest in de kerk. En de kerk, anders op zo'n dag bijna leeg, was nu bijna vol geweest. In de bossen van Verwolde hield collega Bartels29 een openluchtsamenkomst met een groep jongens. Onder Ampsen was een meeting van het Ned. Jongelingsverbond. Onder mijn kastanjeboom tamboerde en getuigde een brigade van het heilsleger uit Zutfen. Met een troepje fietsende kinders er omheen. En ik luisterde naar hun trommelen en zingen en spreken en bidden in de naam van Jezus. Toen werd ik met ontroering dat andere ritme op deze stille warme tweede pinksterdag gewaar. Dat is het ritselen des levens, het andere: het rennen van het vale paard des doods. Alle knie zal zich voor Jezus moeten buigen.30

4. En nu durf ik over deze dingen bijna niet concreet te spreken. Mag ik dat noemen in verband met onze reorganisatiebeweging? Reorganisatie! Heeft dat wat te maken met wedergeboorte? Want wedergeboorte heeft de kerk nodig. Wedergeboorte heeft de wereld nodig. Of we het zoeken op de manier van de houseparty31 of anders. Het doet er niet toe of het doet er wel toe, maar in ieder geval: wedergeboorte! Met onze macht is 't niets gedaan.32 Als te midden van de vulkanische machten, de bolsjewering van het christendom,33 geen herscheppende macht openbaar wordt, dan zijn we toch verloren. Wat geeft dan een grotere synode,34 een betere vertegenwoordiging, een visitator of een moderator.

Daarmee was voor enige jaren de kwestie afgedaan. De geest moest eerst komen, dan werd alles in 't eind goed. Maar de aardse machten denken daar anders over. Zij zijn meesters in de kunst van organiseren. Zij weten ook wel dat het zonder de geest niet gaat. Maar zij produceren geest door organisatie. Wij begeren geen aardse macht35 voor de kerk. Geen geproduceerde geest. Maar wij schakelen toch de organisatie voor de werking des Geestes niet uit. Wij erkennen het verband. Wij erkennen ook dat ook de aardse macht van God is en van God gegeven. Wij weten dat ze zonder God geen geest zou kunnen wekken. Er is kerk in de grote bewegingen van onze tijd. Door organisatie overwoekerde en gebonden geest, maar er is een schaduw van kerk in. Organisatie en geest horen samen. God schiep Adam uit het stof der aarde en toen blies Hij in zijn neusgaten de adem, de Adam des levens (Gen. 2 : 7). De christelijke kerk heeft het verband altijd erkend en is er mee te rade gegaan. Zij predikte en bad, zij bad en predikte, maar zij organiseerde van het begin af aan alsof het geloof ervan afhing. Het bestand van het christendom in deze streken is te danken geweest aan Bonifatius,36 die beter dan de Ierse zending van deze christelijke regel doordrongen was. De Reformatie weet het ook. Calvijn was haar grote organisator en heden ten dage is de geest van Luther veilig in de gereformeerde kerken, meer dan in zijn eigene.

Wat uitwendig geldt is ook inwendig van toepassing. Wij wensen het werk der wedergeboorte en der bekering niet te doen opgaan in een psychoanalytisch proces, zoals, ik meen, van mensen in de Klokkenberg37 is verlangd. Christus en Künkel38 zijn twee. Maar is daarmee gezegd dat de Heilige Geest zonder methode werkt en het werk van Christus zonder samenhang is? Is er geen ordo salutis,39 op geen enkele andere dan verborgen wijze? Neen. Geest en organisatie sluiten elkaar niet uit, maar in. Wij raken daarvan langzamerhand overtuigd. Wij moeten wel. Het is geen verdienste. De nood is ons opgelegd. Wij verkwisten zoveel geest door gebrekkige organisatie. De eenvoudigste regels voor het gebruik der aanwezige krachten, op politiek of militair gebied tot het ijzeren bestand van wijsheid behorende, worden op kerkelijk gebied met een schampere opmerking terzijde gesteld. Ik zal u vissers van mensen maken, zegt Jezus tot zijn discipelen (Mt. 4 : 19). En de kerk zet bij ieder plasje een hengelaar en laat diepe vijvers ongemoeid. Waar het snoer met vademen gemeten moest worden, zit de pier vaak tegen de kurk, en omgekeerd. En wat bezitten wij op het gebied van vissen met het sleepnet, 153 grote vissen tegelijk?40

5. Ik wil op dit thema niet doorgaan. Men wordt ook gemakkelijk onbillijk. Onze kerkinrichting stamt niet uit een burgerlijke tijd en de huidige maatschappij zoekt nog naar haar vormen. Is het billijk van de kerk te vragen dat ze die nu reeds kant en klaar bezit? En meer nog. Wij waren overeengekomen dat - indien ergens - de continuïteit bij de kerk gevonden moet worden. Zij is apostolisch, nog meer dan profetisch. Christus is gekomen, al is het waar dat Hij wederkomen zal. De kerk mag, moet conservatief zijn, zij moet het Woord Gods bewaren. Zij mag, moet traditioneel zijn, zij blijft in de waarheid. Haar achterlijkheid is in vele gevallen gemaskeerde eeuwigheid.

Men mag hier dus niet zomaar een satire schrijven. Thackeray41 deed andersom. Hij zette in zijn Book of Snobs alle standen, maar liet de dominees er buiten. Maar wel moet met beslistheid de eis van reorganisatie gesteld. Ik wil hier gaarne de eis van prof. Aalders overnemen dat wij de via media tussen quiëtisme en activisme moeten houden. Niet veranderen quand méme. Maar veranderen als God het wil en werkt.

Daarmee is echter allerlei conservatisme wel geoordeeld: ⚑a. Het eerst denk ik aan een zeker synodaal conservatisme, uit de negentiende eeuw welbekend en in de twintigste eeuw nog niet onbekend. Hier is nu wel moeilijk geen satire te schrijven, maar ik zal het niet doen. De tegenstelling tussen de nood der kerk en de rust van deze geesteshouding is te schrijnend. Men mag het gerust aan de naaste toekomst overlaten om daarmee af te rekenen. Zij zal er wel mee klaarkomen. Duren heeft op deze wereld een grens. Wij zijn nog niet in de eeuwigheid. Er is misschien een heilige synode, maar geen eeuwige.

b. Er is een ander conservatisme, dat bezien moet worden. Het is de wet der traagheid, die achter de kerkelijke partijpolitiek zit. Hier staan een aantal heilige huisjes rondom 'het hoge huis des Heren', dat 'onbeweegt en vast staat'.42 En zij willen dat ook doen. Kerkherstel ondervindt last van de Confessionele Vereniging. De nieuwe koers wordt zachtkens door de oude gesaboteerd. Zal de Vereniging43 vlot blijven of aan de grond raken?

c. In de Vereniging voor vrijzinnig-hervormden is een reactie ook duidelijk merkbaar. Oude leuzen: leervrijheid, suprematie van de school in de kerk, worden met kracht ingezet tegen nieuwe geluiden die daar gehoord worden. Hoe zal dat in de naaste toekomst zich ontwikkelen? Voor de kerk is dat van groot belang. Is de kloof tussen links en rechts onoverbrugbaar? Is ze principieel of ligt ze ergens op het erf van de vrijzinnigen? Valt ze samen met de tegenstelling tussen humanisme en geloof? Kan deze tegenstelling onderbouwd worden door een diepere eenheid in verband met de schepping? Of staat ze scherp in de vorm van een oordeel? Is hier een genezing van negentiende-eeuwse wonden der kerk in 't zicht? Of gaan we de oplossing tegemoet van wat toen in genootschappelijk verband aanéén bleef hangen? Een ding is zeker, dat de geesten beproefd worden of ze uit God zijn (1 Joh. 4 : 1). De kerk en het oordeel horen bijeen. Niet de geboorte, maar de wedergeboorte, de kosmische revolutie zet ons in de kerk. En wij merken dat heden ten dage.

d. Ook de ethische groep kent haar spanningen. Is leertucht geoorloofd in de kerk? Is ze een vergissing geweest bij Calvijn? Moeten de duits-gereformeerden, die haar afraden,44 hier onze leermeesters zijn? Of kennen zij de mogelijkheden in het gereformeerde levensritme niet voldoende? De doperse inslag,45 de drijving van de kerk naar het koninkrijk. Of anders: is het Engelse independentisme46 met zijn grens tegen het kwakerisme,47 het christelijke pacifisme ons voorbeeld, ingesteld op het leven, georganiseerd naar de eis in het Nieuwe Testament - of is het anglicanisme, met zijn breed incarnationalisme, zijn breed liturgisch wereldgebaar, de kerk die ons voor ogen moet staan? Moeten wij tot Christus komen of kunnen wij van Hem uitgaan? Of meer Hollands beperkt: moeten wij ons houden aan de geest van De la Saussaye, misschien de oudere Gunning; moeten wij anti-confessioneel zijn en de persoonlijkheid op de voorgrond brengen: de gewetensvrijheid als een kerkelijk goed waarderen, of hebben wij bij het noemen van geest - in tegenstelling met het idealisme - duidelijker de Heilige Geest te noemen?

Moeten wij gaan op de weg van de cultuur-ethischen, die een nauw verband leggen tussen christendom en cultuur en het Evangelie willen brengen met wat door oog en oor tot ons komt - of moeten wij bij de cultuur verdacht zijn op een sterk demonische inslag, waarvoor alleen bewuste ascese ons kan beveiligen?48

Moet daarom ook bij de organisatie der kerk erg gerekend worden - dat is weer een andere vraag - met culturele en psychologische en sociale verschillen - wat prof. Aalders ook wel wil - of moet de kerk een gemeenschap der heiligen zijn, een hoopje gelovigen waar dit alles van geringe betekenis wordt. En behoort het rekenen met deze verschillen in de zendingsmethode en de apologetiek thuis, zodat ze niet principieel blijvend mag worden? Hier loert allerlei partij-conservatisme. Het is niet zomaar met één woord te zeggen waar hier de rechte weg ligt; waar de synthese toelaatbaar is en waar de beslissing moet vallen. Stuksgewijze zal dat moeten worden uitgemaakt. Maar over de hele lijn zal toch het bewustzijn moeten heersen dat de kerk met de wereld in een crisis staat. Maar grotere continuïteit betekent nog geen eeuwigheid. En wanneer dat de kerk geldt, hoeveel te meer dan de partijen die in haar zijn en niet in haar mochten wezen. Zo is onze tijd toch wel en de dreiging waaronder de kerk staat is toch wel zo dat we niet met enige versleten clichés klaarkomen. Het mag waar wezen dat er een tijd was waarin enige geleerde of zeer geleerde heren in de kerk de lakens uitdeelden, dat het wetenschappelijk geweten in de plaats kwam van het echte geweten der kerk, de Heilige Geest. Zo zal het niet blijven. Wij zullen het moeten hebben van wat Aalders de 'ruige gemeenschap' der kerk noemt, de kerk der werkelijkheid, het kerkvolk. En het lichaam, waarvan Christus het Hoofd heet, zullen wij hebben te zoeken onder de scharen die Hem volgden.49 Daarbij zal een stuk van het partij wezen vanzelf in duigen vallen. Men ziet het bij de zending, waar de hele methode en de organisatie op het arbeidsveld is ingesteld. Afgezien van het werk van Schweitzer - en het is merkwaardig dat hij aan een Franse zendingsvereniging heeft beloofd, stom te zijn als een karper50 - afgezien van deze uitzondering, dwingt de zending haar dienaren vrijwel om positief bijbels te zijn. Ik bedoel daarmee: het werk zelf dwingt hen.

a. Allereerst geldt dat van de verhouding tussen kerk en school, kerk en wetenschap. Men heeft mij verweten dat ik de tegenstelling overdrijf; dat de kerk soms ook tegelijk school is en dat kerk en school elkaar toch in de theologie doordringen. In het wezen van de zaak is dat veel minder het geval dan wij vaak denken. Men moet bij een sterfbed staan om dat te gevoelen.51⌫ Maar bovendien is de - wat ik noem ziekelijke wetenschappelijkheid in de theologie een gevolg van het historicisme der negentiende eeuw. Ze was in ieder geval vroeger veel mystischer getint. De christologie is de plaats waar de school in de kerk is binnengedrongen, voor zover de christologie een sterk historische zijde heeft. In onze dagen, waarin de christologie weer meer in de samenhang met de leer van Vader en Geest Wordt opgenomen, is dit veel minder het geval. De school meent van Christus veel te weten of niet te weten. Maar is er ook plaats voor deze houding tegenover de Vader en de Heilige Geest? En moet het dan ook geen aanmatiging zijn, de Zoon voor haar vierschaar te dagen?

Op het stuk van de christologie zal de beslissing niet vallen voor de kerk.52 En de tijd om met de historische kritiek de kerk te regeren is voorbij, zoals die ook voorbij is om het met de natuurwetenschap te doen. ⚑Tenslotte gaat het om Geest tegen geest en "was das Herz nicht will, lässt der Kopf nicht ein".

b. Ook het liebäugeln met de cultuur brengt ons niet verder en het raakt vanzelf op de achtergrond. Het is het zwak van de ethischen, de angel van hun hoogmoedigheid als groep.53 Ik heb nooit een house-party bijgewoond, maar ik hoor dat daar alle standen, van de hoogste tot de laagste, met elkaar praten over de geestelijke dingen. Dit lijkt mij meer in aansluiting met het Evangelie en ook met de noden van onze tijd dan dat men culturele schotjes gaat bestendigen of oprichten tussen verschillende bevolkingslagen. Mensen, die hier niet bij elkaar kunnen zitten onder Jezus, woord, zullen het in de hemel ook niet kunnen. Ik voor mijzelf heb, zolang ik predikant ben, onder de prediking nooit het gevoel gehad een bepaalde culturele of sociale groep te raken, tenzij dan bij een bijzondere toepassing. Ik ben het met dr. De Hartog54 eens dat de diepste dingen uit de bijbel door de eenvoudigste zielen begrepen worden. En Jezus zegt het ook. En aanstellerij is evengoed mogelijk bij een culturele prediker als bij een volkstümliche: de eenvoud is de grens van het geestelijke zowel als van het culturele. Wanneer de cultuurgrens niet opzettelijk wordt gezocht, zodat ze de indruk maakt van gewildheid, maar resultante is van alle geestelijke factoren van het leven, als ze een tot natuur geworden classicisme is, een niet meer galante ridderlijkheid, een volkomen tot rust gekomen romantiek, dan wordt deze eenvoud het beeld van de christelijke eenvoud. Zij is er niet aan gelijk; zij blijft er van gescheiden door een onoverkomelijke kloof, zodat de eis der wedergeboorte blijft. Maar ze mag tenminste cultuur heten. Wij komen ze zelden meer tegen. Vinet55 kende de overeenkomst tussen deze culturele eenvoud en de christelijke. Hij verwarde deze soms met elkaar. Maar er is ook aanleiding voor. Wij zullen deze zeldzame vrucht van geestelijke polijsting, die de Franse mens soms gelukt, voorlopig wel niet veel meer tegenkomen. Te minder is er reden om schotjes te maken tussen groepjes mensen aan de ene kant die wat druk doen, wat hautain optreden, uitsluitend met kwinkslagen over geestelijke dingen spreken enz. enz. en anderen die dat niet doen. Wanneer het verschil tussen ethischen en gereformeerden op zulk een onderscheid uitloopt, dan is het beter er met geen woord meer van te reppen. Dansende, whistende, filmende, geëmancipeerde gereformeerden, in een aparte evangelisatie bijeengebracht om zich niet te ergeren aan het gereformeerde volk, naderen mij in ieder geval te weinig de grenzen van de ware eenvoud om ze een eigen afdeling in de kerk te laten vormen.56

Wij worden naar de confessie heengedreven. De wetenschap als regentes in de kerk is uit de tijd. De cultuur heeft het er niet naar gemaakt. De kerk zal kerk moeten zijn en blijven, zich zelf zijn. Wij belijden, daar is alles mee gezegd. En belijden is een nederig werk, zonder enige pretentie. Maar het is ook een echt sociaal werk.

Zullen we dan allemaal confessioneel worden? Waarom niet? Wat zal de kerk anders dan belijden? Maar het is geen burgerlijk, rustig werk. Geen potverteren. Geen rentenieren. Tegen de goden der eeuw in zal de kerk een harde dobber hebben. Zij zal het onder de schare moeten doen, haar belijden. Anders helpt het niet. De confessie is geen grammofoonplaat. Daarvoor hebben wij een organisatie nodig. Maar we hebben er toch een? En ze maakt nog zo veel mogelijk? We hebben toch Valkenheide en het fonds genaamd Schraalste?57 Het is zo. Maar in deze ruige wereld van thans heeft de kerk aanpassing aan de werkelijkheid nodig. Ze heeft geen aanvat. De organisatie van 1816 was niet welgeschapen. Ze had geen handjes. Wij moeten samen blijven zoeken in de richting van ons ontwerp.58

Eindnoten

  1. 1

    Toespraak gehouden op de algemene ledenvergadering van KO. te Utrecht op 14.6.1935. Het ontwerp-KO. was op 8.1.1935 verworpen. Het moderamen KO. kwam op 14 en 15.1.1935 bijeen (Woudschoten).Uit teleurstelling wilde men afzien van verder pogen in de richting van reorganisatie en zich beperken tot de andere veertien punten van het werkprogram; zie n. 1 5.2. Maar men vatte moed, continueerde de reorganisatie-cie. en zocht toenadering tot KHe. In de stuwing van deze nieuwe beweging heeft deze toespraak zijn plaats. In feite is hij een beslissende stimulans voor de totstandkoming van het Akkoord. Zie n.50. l; vgl. H. Bartels, a.w., p. 108-1 1 O. In KO. 4 (juli 1935) nr. 3, p. 30 staat een verslag van deze toespraak, waarin belangrijke toevoegingen aan het manuscript - kennelijk uit de mond van de spreker opgetekend - bewaard zijn gebleven. Zij zijn in de noten vermeld.↩

  2. 2

    Toevoeging uit verslag KO.: "De titel van bovengenoemd referaat had ik ook zelf niet gekozen. Er zit enige reclame in."↩

  3. 3

    Uit verslag KO.: "Ik denk meer aan de kritische betekenis, die het geloof voor onze tijd heeft. Wij kunnen de vroomheid, de pietas niet missen; ze is de atmosfeer rondom het geloof, maar in de kerk gaat het tenslotte om het geloof."↩

  4. 4

    H. P. Marchant (1869-1956), vrijzinnig-democratisch politicus, onder meer als minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (1933-1935); hij voerde de nieuwe spelling in. In 1934 werd hij r.-k., wat toen opschudding veroorzaakte.↩

  5. 5

    Kennelijk bedoelt N. hier wat hij elders (o.a. in BKO.) verpolitieking noemt, dit is een verlies aan innerlijkheid en mystiek, aan katholiciteit en theologische 'ruimte'; zie n.30.70; in verband met nr. 37: onverhoedse overname van de kerk door de staat (Rusland, Duitsland); ook: activisme, secularisatie.↩

  6. 6

    Uit verslag KO.: "en van Abel tot op de vervolging in Rusland."↩

  7. 7

    HC., antw. 54.↩

  8. 8

    Gerhard Tersteegen (1679-1769), dichter van vele kerkliederen, mysticus en piëtist.

    Genoemd gedicht in Liedboek der kerken, nr. 323. Vgl. Compendium bij het Liedboek, Amsterdam 1977, p. 1253 vv.↩

  9. 9

    Zie voor N.'visie hierop onder meer Herschepping en Het kerkelijk dogma (1934), VW., dl. 2, p. 214 vv. en 170 vv.↩

  10. 10

    Geloof in de bezieldheid van heel de werkelijkheid. Vgl. E. B. Tylor (1837-1917) in zijn Primitive culture (1871).↩

  11. 11

    Kennelijk noties uit de theologie der liturgische beweging; vindplaats onbekend. Vgl. hier bijv. VW., dl. 8, p. 345 vv.↩

  12. 12

    Oudkerkelijke hymne: Te Deum laudamus, Te Dominum confitemur, Te aeternum Patrem omnis terra veneratur. Liedboek der kerken nr. 399. Bundel Evangelische gezangen nr. 3.↩

  13. 13

    In het verslag KO. komt het woordspel goed uit: conferentie - Concentratiekamp, kerk kerker.↩

  14. 14

    Uit het verslag KO.: "Hier komt de krant naast de Schrift te liggen en ieder voelt zich geroepen te profeteren."↩

  15. 15

    Girolamo Savonarola (1452-1498), Dominicaan, prior klooster San Marco te Florence, hervormer orde met steun van de Medici's; na hun vlucht keert S. zich tegen de weelde, roept Florence en de Europese vorsten op tot hervorming en tot volstrekte onderwerping aan de heerschappij van Christus. Sterft op de brandstapel.↩

  16. 16

    Zie n. 43.1 1.↩

  17. 17

    Zie VW., dl. 1, p. 203, noten 4 en 6 (mbt. Troeltsch en Dilthey).↩

  18. 18

    Oswald Spengler (1880-1936), cultuurfilosoof, schrijver van Der Untergang des Abendlandes, Umrisse einer Morphologie der Weltgeschichte, 2 dln., München 1918/1922. Een leer van de acht beschavingen en hun perioden. Aan het eind van dit millennium gaat de westerse cultuur ten onder in de verstarring van het grotestadswezen.↩

  19. 19

    Zie n. 70.16. - Het was Immanuel Kant die zijn geboorteplaats niet verliet. Zijn geschiedenistheorie kreeg de naam Idee zu einer allgemeinen Geschichte in weltbürgerlicher Absicht (1784).↩

  20. 20

    Uit het verslag KO.: "De letters in het boek der schepping zijn moeilijk te lezen. Wij mogen Hegel of Spengler niet voor de bijbel inruilen."↩

  21. 21

    Der Geist als Widersacher der Seele, 4 dln., Leipzig 1929-1933. Schrijver: Ludwig Klages (1872-1956), filosoof en psycholoog, stichter Seminar für Ausdruckskunde, legde grondslag voor wetenschappelijke grafologie en uitdrukkingspsychologie. In zijn latere romantische natuurfilosofie beperkt hij de geest tot zuiver kennen en ziet hij de ziel - in haar nauwe band met het concrete en met de moederbodem van de aarde - door de geest met vernietiging bedreigd.↩

  22. 22

    Uit het verslag KO.: "en die ziel dan - o ironie der geschiedenis - op oudjoodse wijze in het ras en het bloed zoeken." Men lette op N.' waakzaamheid met betrekking tot de nazi-ideologie.↩

  23. 23

    Uit het verslag KO.: "Zij moet ons worden opgelegd. Wij zijn geen profeten, maar wij hebben te luisteren naar de apostelen. Op dat punt zullen vrijzinnigen en orthodoxen elkaar moeten vinden."↩

  24. 24

    Ps. 118 : 10 (berijming-1773).↩

  25. 25

    W. J. Aalders (1870-1945), hervormd predikant te Buiksloot en Beesd, kerkelijk hoogleraar en gewoon hoogleraar te Groningen; erepromotor N. (1935). De bedoelde bijeenkomst vond plaats te Hemmen als conferentie van KHe. op 1 I- 12 juni 1934. Verslag van J. Douwes in NKL. 4 (juli/augustus 1934) nr. 1 1/1 2 (zie n. 43. 1, sub 8). De lezing was getiteld Wat nu?. Het 'nu' had betrekking op de kerkelijke situatie, de oecumenische beweging; het 'wat' kende waardering toe aan het ontwerp van KO., maar keerde zich nogal scherp tegen de huisgemeente als een ontzetting uit de ouderlijke macht van de kerkeraad.' A, sprak in zijn referaat over de kerk als 'doorwerking van de vleeswording', midden onder de mensen 'als' ruige gemeenschap', nog niet het Rijk. Met betrekking tot KO. en KHe. zag hij overeenkomst: beide willen het ambt tot ijn recht doen komen, een levende belijdenis, zending en tucht. 'Voor geloofsverschillen biedt de kerk geen plaats.' Wèl: voor 'onderscheiden van culturele, psychologische en sociale aard'.↩

  26. 26

    Moet zijn T. J. Jansen Schoonhoven (1872-1951), hervormd predikant o.a. te Almen en Oegstgeest; schreef Christelijk pacifisme nu, Arnhem 1935.↩

  27. 27

    Vgl. tegenstelling tussen civitas terrena en civitas Dei bij Augustinus in zijn Civitas Dei, boek IV, hfdst. 4. Zie O. N., Augustinus, Haarlem 1933, p. 91 vv.; VW., dl. 3, p. 86 vv.↩

  28. 28

    Uit het verslag KO.: 'folklore of evangelie!'↩

  29. 29

    C.J. Bartels (1882-1946), hervormd predikant o.a. te Laren (Gld.), Colmschate en Zevenaar. Was directeur raad van Beheer (die het in 1921 ingevoerde Reglement op de predikantstraktementen moest uitvoeren). Ethisch theoloog (oorspronkelijk evangelisch), (kritisch) medestander van N. - Ligging landgoederen: Verwolde ten noorden van Laren, Ampsen ten noorden van Lochem.↩

  30. 30

    Vgl. openb. 6 : 7 vv.; Fil. 2 : 10. In dit apocalyptisch taaleigen hoort ook de uitdrukking 'vulkanische machten' verderop in de tekst, die wij omstreeks deze tijd ook tegenkomen bij dichters als Roland Holst en Marsman.↩

  31. 31

    Zie n. 63.53; 40.14.↩

  32. 32

    Letterlijke vertaling van regel uit Luthers 'Een vaste burcht'.↩

  33. 33

    Zie noot 5; nr. 37.↩

  34. 34

    Grote(re) synode: telkens terugkerend maar ook weer verworpen voorstel, dienend om het reorganisatie-streven niet te doen stukbreken op een te kleine groep bestuurders, die op zelfhandhaving bedacht was. Het laatste voorstel door Khe. ingediend, maar mede door toedoen van KO. afgestemd, dateerde van 1933 (evenals de figuur van visitator moderator).↩

  35. 35

    Gez. 264 : 2 uit Aanhangsel vervolgbundel Evangelische gezangen: "Geen aardse macht begeren wij, die gaat alras verloren. Ons staat de sterke Held terzij, dien God ons heeft verkoren."↩

  36. 36

    Wynfrith, Benedictijn van Exeter, stak in 716 over naar Dorestad en legde band van Nederlandse kerkprovincie met Rome. Zijn eerste reis naar de Friezen mislukte. Werkte met vrucht in Duitsland. Groot organisator. Aartsbisschop. 'Apostel der Friezen', door hen gedood (bij Dokkum).↩

  37. 37

    Prot.-chr. onderwijsinstelling te Nijmegen. Vrucht van Reveil. Begonnen als 'bewaarschool', op initiatief van mr. J. J. L. van der Brugghen, voortgezet als bijzondere lagere school (6.5.1844). In 1846 werd er een prot. chr. normaalschool met internaat gevestigd voor de opleiding van onderwijzers. A. Kleywegt, de toenmalige leraar pedagogie, heeft zijn leerlingen bekend gemaakt met de Individualpsychologie van die dagen. Enige pressie in die richting (zoals even door N. gesuggereerd) is er (blijkens van de heer K. ontvangen informatie) stellig niet uitgegaan.↩

  38. 38

    Duits arts, pedagoog (1889-1956). Als karakteroloog heeft hij de Individuaipsychologie van Adler verder uitgewerkt met betrekking tot de mens in zijn sociale omgeving. Vgl. F. Künkel, Einführung in die Charakterkunde, Leipzig 1932.↩

  39. 39

    De volgorde der besluiten, genomen door God met het oog op het behoud der uitverkorenen:schepping, val, verkiezing tot heil of verwerping, zending van Christus als Middelaar, roeping, rechtvaardiging, heiliging, verheerlijking. Bij de gereformeerden ontaardt dit soms in speculatie over de decreten, bij de luthersen in de psychologie van het geloof.↩

  40. 40

    Bij de 153 vissen is wel gedacht aan Joh. 21 : 11, misschien ook aan de 153 kerkgenootschappen, die men in Nederland wel telde. Zie n. 33.33.↩

  41. 41

    William Makepeace Thackeray (1811-1863), Engels schrijver, bij wie humor een belangrijke plaats innam. Romans: Vanity Fair, The book of Snobs, The Virginians.↩

  42. 42

    Vgl. Dirk Camphuysen, Bloemlezing uit zijn gedichten, samengesteld en ingeleid door dr. K.Heeroma, Baarn z.j., p. 11: Toeverlaat der rechtvaardigen onder 't oude verbond. L Over psalm 125: "Wat winden dat er ruisen, wat regen dat er plast, het hoge huys van Sion staat onbeweegd en vast." - Dirk Rafaelsz. Camphuysen (1586-1627), predikant-dichter o.a. te Vleuten en te Dokkum, schreef Stichtelycke Rijmen, Hoorn 1624.↩

  43. 43

    Bedoeld is Kerkopbouw in tegenstelling tot het Verbond (van Kerkherstel).↩

  44. 44

    Over de 'Reformierten' in deze periode van de kerkstrijd bericht Kurt Meier, Der evangelische Kirchenkampf, dl. 1, Göttingen 1976, p. 488-501. Vanwege hun traditie meer steunend op de Heidelberger Catechismus dan op Calvijn (aldus W. Niesel in een schrijven dd. 10.11.1980), had Karl Barth van meet af bij ben toch veel bijval gevonden in zijn verzet tegen alle van buiten aan de kerk opgelegde ordening. De Düsseldorfer Thesen (dd. 20.5.1933) met hun 'Solus Christus' gaven daar blijk van. Men was echter tegelijk op zijn hoede voor een vervluchtiging van kerkrechtelijke structuren a la Sohm (zie n. 561I.5). - Twee groepen: de 'Barthianen' (Karl Immer, Gustav Heinemann e.a.) en de meer behoudenden (Horn, Koopmann e.a.), legden ieder hun eigen accent. De eerste groep stelde alles achter bij de strijd tegen het nationaal-socialisme; kerkordelijke vormgeving zou voor hen betekenen verzwakking der te Barmen (31.5.1934) en te Dahlem (20.10.1934, zie K. Meier, a.w., p. 221 vv.) gevonden eenheid door denominationele (luthers-ref.) kibbelarijen. De andere groep wilde evenzeer de kerkelijke strijd, maar daarnaast wilde zij haar eigen (reformierte) identiteit bewaren: aansluiting, hoe gering dan ook, bij de Reichskirchenregierung en bijeenhouden van alle groeperingen was daarvoor onmisbaar. N. las de Reformierte Kirchenzeitung, waarin de meer behoudende groep aan het woord kwam. Het ligt voor de hand dat hij deze groep bedoelde. Uit de volgende opmerking blijkt immers, dat N. een meer 'voorwaarts' dan 'achterwaarts' gerichte tuchtoefening op het oog heeft, waarin minder op het behoud van de eigen positie dan op de voortgang van het Koninkrijk gelet wordt. In feite dus hetzelfde pleit, dat N. tegenover de confessionelen ten onzent voerde, hetgeen hem hier en daar dicht bij de positie van Barth c.s. bracht. Alleen het verschil in de historische context bracht de Duitse 'confessionelen' tot een minisering, de Nederlandse dito tot een aanscherpen van de leertucht. Zie voor deze opvatting van de tucht Evangelie en volkskerk (nr. 43), alsmede noot 45.↩

  45. 45

    De doper geldt bij N. als de tweelingbroeder van de gereformeerde. Hij brengt deze richting vaak in verband met een strak-eschatologische gerichtheid. Zie VW., dl. 3, p.469.↩

  46. 46

    Zie n. 30.5; 32.12.↩

  47. 47

    Zie n. 30.78.↩

  48. 48

    Zie VW., dl. 3, p. 416 v.; voor 'cultuurethischen' zie VW., dl. 3, p. 404-407; voor 'oog en oor' (rubriek in A WCC.) zie VW., dl. 3, p. 634.↩

  49. 49

    Uit het verslag: "In dat opzicht dringt de tijd ons op het Evangelie terug." Zie nr. 37.↩

  50. 50

    Het zendingsgenootschap was beducht voor Schweitzers liberale theologie. Zie ook n.40.15.Vgl.'A. Schweitzer, a.w., p. 104.↩

  51. 51

    Uit het verslag KO.: "Hoe weinig heeft de wetenschap daar te zeggen."↩

  52. 52

    Uit het verslag KO.: "Het is waarschijnlijk nog te vroeg om te trachten de breuk tussen rechts en links van de christologie uit te genezen."↩

  53. 53

    Vgl. o.a. Kroniek Woord en Wereld (1940) en artikel Ethisch; zie VW., dl. 3, p. 503 v.↩

  54. 54

    A. H. de Hartog (1869-1938), hervormd predikant o.a. te Amsterdam. Kanselredenaar en apologeet (openbare debatten, o.a. met atheïsten). Godsdienstwijsgeer, hoogleraar te Amsterdam.↩

  55. 55

    Zie VW., dl. 1, p. 186 n. 9; dl. 3, p. 442, 483 vv.↩

  56. 56

    Uit het verslag KO.: "Ik zie geen reden daarvoor de huisgemeente te laten dienen."↩

  57. 57

    Men had tijdens de behandeling van het Ontwerp-KO. ter synode (8.1.1935) gesproken van het vele dat ook zonder reorganisatie dan toch maar gebeurde in de NHK. En daarbij was o.a. ook Valkenheide, een hervormde instelling voor kinderbescherming, genoemd. Fonds 'Schraalste': dit fonds, op 15.1.1879 opgericht (Reglement op het fonds tot verbetering der schraalste predikantstraktementen) was in de loop der jaren zeer versterkt door de Vereniging 'Aanpakken', die er de steeds toenemende kapitaalsrenten instortte.↩

  58. 58

    Juist in deze tijd van het tot stand komen van het 'Akkoord' (oktober-november 1935) publiceert N. zijn verhandeling Schrift en belijdenis. Hij geeft hierin (in uiterste pregnantie) een 'ethische' verwerking van de 'confessionele' visie ofwel de z.i. 'gereformeerde' visie met betrekking tot vragen van kerkorde. Zie VW., dl. 2, p. 349-353.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 47. De DoleantieInhoud49. Stellingen over kerkorde →