47. De Doleantie1
De Doleantie heb ik van zeer nabij mee beleefd. Ik was op 7 februari 1886, nu juist op de dag af vijftig jaar geleden, huisgenoot van ds. Van Lingen,2 die op die datum Houtzagers3 te Kootwijk bevestigde, en daardoor meewerkte tot de instituering van de eerste kerk buiten synodaal verband. Ik heb hem enige weken later de berisping horen voorlezen die hij deswege van het classicaal bestuur ontving.
Kootwijk is echter maar een nietig dorpje, verscholen tussen zandverstuivingen. De haard van de Doleantie, waaruit een vonk naar het Veluwse gehucht oversprong, brandde in de hoofdstad des lands. Daar werden op 7 februari sedert enkele weken de bijeenkomsten in de 'lokalen' reeds gehouden. In Plancius, in Frascati, in de Werkende Stand, in Stroucken, in de Vrede, in de Vereeniging. Kuyper decreteerde: "De gereformeerde gemeente van Amsterdam ... wil geen voet meer over de drempel van de bedehuizen zetten, tenzij eerst haar trouwe leraren in ongerepte ere hersteld zijn."4
Deze houding verschilde dus van die te Kootwijk. Daar had men, min of meer bij verrassing, de preekstoel bezet met een kwekeling van de Vrije Universiteit, een daad van openbare kerkelijke revolutie. Te Amsterdam deed men zoiets niet. Men gaf zich voorlopig, onder protest, neer onder de maatregelen der kerkelijke besturen. Deze houding noemde men doleren, waarmee bedoeld wordt dat een kring zich met droefheid afzondert, zonder de band met de kerk te verbreken. - Te Amsterdam hadden Kuyper, Rutgers en De Savornin Lohman5 op 6 januari6 ook wel verrassende dingen gedaan, maar die hadden plaats op het gebied van het beheer en niet van het bestuur. Daarover had de Hoge Raad te beslissen en niet de synode.
In wezen verschilden de gedragingen te Kootwijk en te Amsterdam niet. De Hoge Raad7 kon er in het eerste geval niet buiten blijven en de synode in het laatste niet. Met het oog op de omvang van de Amsterdamse gemeente werd daar de doleantie gekozen en te Kootwijk, omdat het een kleine plaats was, de revolutie. De vorm deed er echter minder toe. Twee beschouwingen stonden toen in haar geheel tegen elkaar over en een van beide moest wijken. Ze betroffen zowel de theologie als het kerkbegrip; zowel het bestuur als het beheer.
Kuyper kwam daar rond voor uit. "Ja gewisselijk", - zo schreef hij in die dagen - "wat wij bedoelen is revolutie, dwz. een omwenteling van ons kerkelijk bestuur. We wensen dat ... de wet in onze kerken zal verzet worden."8 'Roi fainéant, nietsdoend Koning' wilde men de Christus in zijn kerk doen worden.9 "Heel de kunst is" - zo toornde hij tegen het synodaal beleid - "om er altoos iets op te vinden! Met twee pannetjes bakt men dan. In het linkse pannetje geuren de aromatische kruiden van de Belijdenis en in het rechtse pannetje de Reglementaire slierasperges.10
Ik kan er hier niet aan denken, hoe kort ook, een verhaal te doen van de toenmalige gebeurtenissen. Hier is alleen plaats voor enkele indrukken en beschouwingen. Wanneer ik mij de indruk in het geheugen terugroep, die deze dingen voor vijftig jaren maakten, dan is het vooral ook dit dat de synodalen niet de 'beau rôle' hadden te vervullen. Het is geen verheffend gezicht als men een krachtige volksbeweging met kerkelijke reglementen ziet knevelen.11 Kuyper was een schitterend leider en tot zijn naaste omgeving behoorden een aantal hoogstaande figuren. Zijn redevoeringen en zijn beide lijfbladen, De Standaard en De Heraut, oefenden in de kringen waar ze gelezen werden op het opgroeiend geslacht al vroeg een machtige bekoring. Men voelde het als een verlies, toen men buiten de omtrek van deze magische cirkel geraakte. Dat gevoel heb ik in deze vijftig jaren nooit helemaal kwijt kunnen raken.
Het is moeilijk de Doleantie van Kuyper te scheiden. Hij was denker, strateeg en tacticus tegelijk. Hij proclameerde de beginselen, maakte grootse plannen en was handig in de uitvoering daarvan. Bij ons ontbrak zulk een combinatie van gaven. Wij hadden Vos voor het kerkrecht, Hoedemaker voor het gereformeerde kerkbegrip en Gunning voor het apostolisch christendom. Eén voor één kwamen ze tegenover Kuyper niet altijd voordelig uit. Dezer dagen heb ik nog eens gelezen in de beschrijving die Vos van de Doleantie heeft gegeven.12 En daarnaast in de vlammende brochures van Kuyper uit de dagen van het Conflict, waarin ik voor vijftig jaren ook reeds gebladerd moet hebben. Ook nu nog bereidt mij het spel van de eerste tegenover dat van de laatste geen onverdeelde vreugde.
Kuyper is ook tacticus en in nog veel groter mate, maar daardoorheen wordt vaak plotseling de grote lijn zichtbaar of lekt de vuurtong van de geestdrift voor het beginsel. Bij Gunning is de verhouding juist omgekeerd als bij Vos; bij hem ontbreekt weer alle berekening.
De vereniging van alle drie bij Kuyper is de kracht en de zwakheid van de Doleantie geworden. Zij maakte Kuyper tot een leider, ook in de kerk, waar zulk een functie niet op haar plaats is. Kuypers werk in de gemeente te Amsterdam in de laatste jaren voor de Doleantie leert ons dat overduidelijk. De lectuur van boekjes als Westhoffs Kijkjes achter de schermen13 heeft mij nooit kunnen bekoren. Maar Kuyper heeft er aanleiding toe gegeven. Hij is zich bewust van het persoonlijk element in de strijd die hij voert, als hij aan de Irenischen verwijt dat het verborgen14 motief van hun handelingen is: 'de macht der gereformeerden te knakken, vooral die van hun leidsman'. Dit tactisch karakter van de beweging van 1886 is daarom tenslotte een schadepost geworden. Het heeft op haar een stempel gezet; iets van opzettelijkheid en gewildheid, al is dit ook door het normale leven in de Gereformeerde Kerken, waarin Kuyper weinig naar voren kwam, gecompenseerd.
Zo hebben wij tenslotte vrede met de leiding Gods, die ons buiten deze ongetwijfeld machtige beweging hield, ook al liet de scheiding een zeker heimwee na. Wij hebben geleerd het er mee te wagen dat het apostolisch christendom, de gereformeerde kerkidee en het twintigste-eeuwse canonieke recht voorlopig drie verschillende, moeilijk te verenigen instanties blijven, die in de hedendaagse werkelijkheid elkander zoeken. Wij vinden de afsluiting die Kuyper daarvan vooral in zijn eigen persoon gaf, te weinig katholiek en te geforceerd met het oog op één bepaalde situatie, het opkomen van het modernisme in de negentiende eeuw. Wij denken wel eens dat met het uitslijten van Kuypers meer bepaald persoonlijke invloed, in verband met zijn aan de cultuur georiënteerd inzicht, het einde van de Doleantie komen moet. Wij wensen daarmee allerminst verval van de tot ver over het half miljoen zielen aangegroeide Gereformeerde Kerken. Dat zou ook ons tot grote schade strekken. Maar wij hopen dat deze kerken weer opnieuw contact zullen krijgen met de geestelijke realiteit, zodat alle reden tot zelftevredenheid wegvalt en verdiepte inzichten voor breder aansluiting voorbereiden.
Kuypers opvatting dat een plaatselijke kerk zich te allen tijde aan het kerkverband mag onttrekken, kan daarbij niet dienen. Daartegenover baat het niet als hij roept: 'Alle independentisme ligt ons verre'.15 Hetzelfde geldt van zijn voorliefde voor het 'vrij beheer'. Deze dingen zijn door tactische overwegingen ingegeven en missen breed-katholieke grondslag. Ook kan men geen cassatie van een besluit van een kerkelijk bestuur vragen op grond van Gods Woord', zoals Kuyper c.s. deden in 1886.16 Daarmee plaatst men zich reeds buiten het kerkverband. Ook dat is tactiek. In Vos heeft zich toen het canonieke recht op Kuyper gewroken.
De hatelijke tegenstelling synodaal-dolerend, ook zoals ze nu onder andere namen voortleeft, deugt niet. Aan beide zijden liggen onderstellingen zonder geestelijke grondslag. Zulk een dolerende, ondeugdelijke onderstelling is het, als men, in plaats van aan Gods verbond vast te houden, driestweg links en rechts in de gemeente wedergeboorte vooronderstelt17 en bij de leden een geestelijke houding aankweekt die niet gewaarborgd is door de werkelijkheid. En evenzo, als men met Kuyper meent dat de gemeente wereldgelijkvormig werd omdat er modernen in de kerk waren. Vele gereformeerden weten dat nu wel beter. Deze bewering heeft gebrek aan diepte. Ze is meer tactisch dan apostolisch van aard.
Maar ook aan de synodale kant liggen zulke valse onderstellingen. Men kan er niet zomaar van uitgaan dat ieder die reglementair lid is van de kerk voor vol moet worden aangezien. In verband met de attestenkwestie noemde Kuyper dat casuïstiek en jezuïeten-moraal.18 En ook het moderne weekblad De Hervorming schreef toen dat het een 'gedrochtelijke fictie' was.19 Deze praktijk heeft bij de synodalen in het algemeen en bij de confessionelen in het bijzonder veel gezonde werkelijkheidszin gedood. Dat is een verbondsleer in het luchtledige. Het vooropschuiven van het beheer tegenover de attesten-kwestie20 was ook tactisch en niet apostolisch. Kuyper had gelijk toen hij schreef dat de gemeente er niet aan geloofde. En ook toen hij meende dat de tucht op die wijze tot iets geheel anders gemaakt werd. Inderdaad wordt ze zo een politie-maatregel tot bewaring van de orde en tot beveiliging van het aardse goed. De synodale organisatie is in 1886 in die richting verder uitgebouwd, nl. in die van het zgn. subintreren, waarbij een hoger bestuur iets komt doen wat 'des' lageren is. De tactiek van Kuyper heeft de synode tot deze ongeestelijke tactiek voortgedreven.
De zaak is in 1886 niet uitgemaakt. Wij willen niet dolerend, maar ook niet synodaal zijn. Het geding moet op geestelijken wijze, minder met tactiek belast, worden heropend.