46. Kerkelijke leertucht1
't Doet mij leed dat ik de volgorde der onderwerpen moest doen omkeren. Logisch en ook geestelijk en kerkelijk gaat het onderwerp van ds. Klein Wassink2 voorop. Het dogma en het geloof komen voor de leertucht.
Maar het is nu eenmaal niet anders.
Mijn onderwerp luidt: Kerkelijke leertucht. Men kent in Engeland strafschoppen. In Duitsland: strafprofessoren.3 In Nederland: strafonderwerpen. Een daarvan werd mij opgegeven. Wat ik misdaan heb, weet ik niet. Maar ik moet deze dwangarbeid thans ondergaan. Prettig is het niet, onder collega's over leertucht te spreken. Ik zou dan ook permissie willen vragen om het niet con amore te behandelen.
Misschien vraagt men: waarom dan niet bedankt?
Dat ging ook niet. Ik zie het onderwerp ook niet graag in ieders handen. Er zat niet veel anders op dan aannemen.
Nu is er op het stuk van leertucht wel iets veranderd. 1. Jaren geleden zou het niet behandeld zijn in de kring. 2. Men kan er nu zonder levensgevaar over spreken. 3. Links en rechts wordt men het er over eens dat we er niet geheel zonder kunnen. Ik denk aan bekende uitingen van ds. Snethlage4⌫ en van prof. Sevenster5 op de vergadering van moderne theologen te Amsterdam. De vrijzinnigen zijn aan het onderwerp gewend. Minder ongevaarlijk zijn voor de spreker sommige ethischen, die de zorg voor de gewetensvrijheid als dogma, als geloofsartikel, als 13e artikel van protestanten hebben overgenomen.
Over dit art. 13 van onze geloofsbelijdenis zullen wij het moeten hebben. 13 is een raar getal. 12 artikelen is christelijk, met 13 raakt men de tel kwijt. Men begint er wat bij te geloven, 13 is een bijgelovig getal.
Ik val maar met de deur in huis. Als ik mijn onderwerp dogmatisch, leerstelling, systematisch ga aanpakken, dan wordt het nog erger dan het al is. Men behoeft dwangarbeid niet nog bovendien te verzwaren. Ik mag wel wat vlug in mijn onderwerp kunnen stappen door de eerste de beste deur. Ik ga daarbij niet te werk op de manier van Snethlage, die het a priori van kerk nazoekt en daarin ook de notie van tucht aantreft. Dan moet iedere empirische kerk daarvan iets hebben. Ontbreekt zulk een wezenlijk stuk in de structuur, dan is het geen kerk. Evenmin als een slak tot gewervelde dieren gerekend kan worden bij het ontbreken van een ruggegraat. Zulke argumenten slaan fel in. Ik wil nu wat gezapiger te werk gaan. Ik ga nu uit van de empirische kerk. Ik denk nu aan de toestanden, zoals die nu zijn in de Duitse kerk, wanneer Jezus als held in plaats van als lijder gepredikt wordt. Als het bloed in ons hoger geschat wordt dan het bloed dat voor ons heeft gevloeid. Als het ras in de plaats komt van de kerk. De hoogmoed in plaats van de nederigheid. Als de staat gediend wordt boven de gemeente. De zuiverheid van de afstamming boven die van de leer.6 Dan is het toch wel tijd om te vragen of er niet een wolkje als eens mans hand aan de kerkelijke hemel is. Of het dan aangaat, steeds door rustig naar art. 13 te verwijzen.
De Duitse kerken, die inzake leertucht nooit zo streng geweest zijn als de gereformeerden, nemen die houding niet aan. Zij spreken niet van een wolkje, maar van storm. En zij gedragen zich daarnaar.7 Zij grendelen deuren en ramen. Zij ontwerpen fluks een nieuwe organisatie, formeren een Bekenntnisfront, roepen een vrije synode samen, staan in de positie van de kerk in iedere eeuw als het bestaan der kerken op het spel stond. Van Nicea in 325 en alle latere synodes die samenkwamen om te belijden. Hier behoeven wij dus niet van een kerkelijk a priori uit te gaan. Wij behoeven niet te demonstreren, geen stof in de lucht te gooien.8 Wij wijzen naar datgene quod semper, quod ubique quod ab omnibus ecclesiis gedaan is en nog gedaan wordt. Als het om de belijdende kerk gaat, komt er leertucht. Het gewicht en het geweld van deze vraag kunnen wij hier in deze zaak niet helemaal doorvoelen. Wij zijn altijd geneigd er nog een grapje van te maken, Dat is menselijk. Wij maken grapjes tot het ernst wordt. En dan houden de grapjes vanzelf op. Wie het geweld van deze vragen had willen doorvoelen, had in 1933 en 1934 in de Duitse gemeenten en pastorieën moeten zijn. Met Nicolai (?)9 te Berlijn, toen hij afgeranseld werd op zijn kamer. Bij Niemöller, voorzitter van het Westfaalse Bekenntnisfront, toen men hem uit zijn kerk weerde. 10Bij Barth, nu hij stadarrest heeft.11 Hier is leertucht te zien, niet in a priori-vorm, maar in levenden lijve en aan den lijve. Hier kan men zien dat art. 13 een politiek credo moet zijn en geen kerkelijk. Gewetensvrijheid is een eis die men aan de staat moet stellen en niet aan de kerk. Art. 13 kan in de staat alleen gehandhaafd worden als de kerk binnen haar muren het Evangelie weet zuiver te houden. De leertucht, die in de grote momenten der historie door de kerk wordt verzuimd, komt in politieke vorm over haar zelfterugvallen. De kerk heeft slechts 12 artikelen en die heeft ze te bewaren. Gewetensvrijheid is een politiek credo.
Ik kan mij moeilijk voorstellen dat iemand zo ver zou gaan dat hij iedere tucht in elke vorm voor de kerk zou afwijzen. Dat hij, in het geval van de Duitse kerken, een absoluut lijdelijke houding zou aanbevelen. Dat betekent oplossing der kerk. Geen tucht wil zeggen: geen organisatie. En geen organisatie: geen belijden. En geen belijden: geen prediking. En geen prediking: geen geloof. 't Een hangt aan 't ander.
En nu komen wij toch in de buurt van dr. Snethlage. Een geestelijk lichaam heeft een structuur, een apriori-vorm. En men kan niet een der ribben wegnemen, zonder dat de ander valt. Alleen in volmaakt academische12 tijden kan men zo met een hobby ingenomen raken, zo stijf in het zadel zitten op een stokpaardje, dat men een art. 13 liever heeft dan de Twaalf artikelen. Dat men meer ingenomen is met de formele vrijheid dan met de materiële vrijheid van een christenmens. Men kan dat alleen als men uit de sfeer der kerk feitelijk uit is geraakt en in een andere dampkring is gaan ademen. Zodra men weer werkelijk in de kerk komt, moet dit weer veranderen. Inzake leertucht hebben velen een eeuw lang absoluut onkerkelijk gedacht. Symptomen daarvan zijn: a. een politieke opvatting van vrijheid in de kerk: gewetensvrijheid; b. een sentimentele filantropische voorliefde voor de stiefkinderen der kerk;13 c. een humanistische, formele opvatting van wat waarheid is, waarbij het formele, de vorm der overtuiging, de inhoud, het Woord Gods overwoekert.14 De prediker is dan altijd belangrijker dan de prediking. 't Is altijd jammer voor de man, maar nooit jammer voor God; d. een schoolse beschouwing over de leerregel, zodat de theologie en níet de belijdenis de gemeente de regel voor de prediking geeft. Dat is de leertucht van Willem 1 van 1816. Instellingen, theologische faculteiten die de leerontwikkeling regelen. De kerk behoeft het niet meer te doen. De tucht is de geestelijke exponent van de theologie. Zij behoeft niet opzettelijk geoefend. De belijdenis wordt een academische kwestie. Het kerkelijke geharrewar zal vervangen worden door de geëleveerde discussie der hoogleraren in de theologie. Een nieuwe, betere eeuw zal aanbreken. Dat is meer luthers dan gereformeerd. Het is een beperkt recht om een eigen religie te hebben. De koning heeft de religie en laat de professoren spelen voor zijn aangezicht.15 Zo als de wetenschap wil, zo zal de religie zijn.
In een academische tijd gaat dat goed. Iedere tijd krijgt de leertucht die hij verdient. Maar het gaat niet altijd. Deze wetenschappelijke kruik gaat zolang te water tot hij breekt. We zullen niet altijd de preek en belijdenis laten bepalen door wat Harnack zegt over het wezen des christendoms of Bousset over Kurios Christos of Ritschl16 over de rechtvaardiging en verzoening.
Er zijn tijden dat de mensen willen weten wat God zegt. Ik zie bedenkingen tegen die laatste uitdrukking oprijzen. Ik antwoord: ik weet het ook niet. Zwijg gij stil. Natuurlijk kan men dat van Luther en Calvijn ook zeggen. Zij zijn God ook niet. Maar er is toch verschil tussen. Luther en Calvijn stonden midden in de kerk. De kerkgeschiedenis ging door hun leven als een storm. Zij konden met meer recht zeggen: God zegt het. Niet de humanist Erasmus maar Luther had gelijk. Niet Castellio, 17maar Calvijn. Niet in de school maar in de kerk was des Heren Woord. Een dergelijk verschil is er tussen de academische tijd, die achter ons ligt en de kerkelijke tijd, waarin wij nu staan. Die tijd is erg onkerkelijk en daarom kerkelijk. Kerkelijkheid is geen gegeven ding, geen humaan geestelijk wezen, geen wetenschappelijke theologische evidentie. Maar menselijke nood, waarin God spreekt. Het Woord is vlees geworden. Ik meen het te kunnen verantwoorden als ik zeg dat wij dat weer beter verstaan. Het 'God spreekt' moet ons redden. De mensen willen weten wat God zegt. Maar daarmee komt de kerkelijke leertucht naar voren. In een eeuw die daarnaar vraagt zal zij niet kunnen ontbreken.
Het vraagstuk is daarmee natuurlijk niet opgelost. Alle bedenkingen en bezwaren uit de academische tijd blijven. Uit een oogpunt van humanistische wetenschappelijkheid zijn ze onoplosbaar. Maar de bedenkingen worden aan de kant geschoven als God spreekt. De kerk heeft te zorgen dat Gods Woord gepredikt wordt. Dat is het doorslaande argument. Dat niet academisch is, maar ergerniswekkend, zoals de tucht altijd geweest is. Dat zet zich ook alleen door in menselijke nood. Dan gaat al het andere aan de kant. Dan willen God en de ziel bij elkaar wezen.
De vraag is nu of deze dingen enigszins te organiseren zijn. Men is geneigd te zeggen van niet. Men wil God en de ziel mystisch zich laten verenigen. Maar dat is niet de christelijke opvatting. De christelijke kerk bevat de idee der schepping. Er is een zekere orde. Daar is de kosmos in opgesloten. Ook de kerkorde. God. Gods Woord. Preek. Organisatie. Tucht. Het hoort bij elkaar in de christelijke kerk. Maar zij zullen dat alleen zijn van de idee der kerk uit. Of liever van Gods Woord uit. Er blijft iets primitiefs in alles wat de kerk is.
Luther was geweldig tegen de ceremoniën. Luther had in 1526 zijn hele gedachte uitgesproken in Deutsche Messe und Ordnung des Gottesdienstes. Toen de synode het overnam: solch ein Haufen Gesetze mit so machtigen Worten hei uns vorzunemen, daar zag hij tegenop.18 Luther vond de dominees en de scholen de beste concilies. Deze terughoudendheid van Luther wreekt zich nu in Duitsland. De achterstand moet opgehaald door Bekenntnisfront en vrije synode. De organisatie van het leven in de kerk heeft Luther niet aangedurfd. Calvijn gaat verder. Ook eenvoudig. Maar hij gaat verder. De kerk is niet het Koninkrijk. Ze blijft de kerk. Toch moet het leven georganiseerd.
Er is een scheppende kracht in Gods Woord. De vraag: hoe moeten wij dat organiseren, is niet geheel af te wijzen. Zo'n organisatie mag geen improvisatie zijn. 't Moet een soort snijding zijn van menselijke nood en goddelijk evangelie. Een wegbreken van hindernissen, meer dan aanleggen van een leiding.
In organisatie en tucht beide is iets van een minimale bemoeienis. De nood moet zijn opgelegd. De tucht moet ascetisch zijn. Maar zij moet er zijn.
Ik zal nu niet spreken over bepaalde voorstellen in die richting.