44. Hamer en nijptang1
Op de jongste algemene vergadering der Confessionele Vereniging2 heeft dr. P. J. Kromsigt3 gesproken over ons reorganisatie-ontwerp. Ik ben erg blij dat deze veteraan in de reorganisatie-beweging, die naast dr. Hoedemaker en prof. Gunning gestaan heeft, uit zijn tent gekomen is. Van wat hij gezegd heeft kon ik kennis nemen uit een kort verslag in de Nieuwe Rotterdamsche Courant.4 Wanneer een oud-lid van de commissie van omstreeks het jaar 1900 zijn beschouwingen geeft, dan ben ik en dan zijn vele anderen met mij zeker bereid om aandachtig te luisteren en de aangevoerde argumenten te overwegen.
Dr. Kromsigt heeft een charisma om de dingen er in te hameren. Het is goed dat hij nog eens weer gewezen heeft op de plaats die de vergadering in de bijbel en in de kerk toekomt. Vooral in onze tijd is dat goed. De vergadering is een bolwerk van de geest tegenover de imperiale macht5 en de kerk zou met de verdwijning van haar vergaderingen ophouden een waarlijk geestelijk lichaam te zijn.
Er staan echter in het verslag van de rede van dr. Kromsigt ook enkele dingen waarvan ik met enige verwondering kennis heb genomen. Zo wanneer hij - altijd volgens bedoeld verslag - trouw huisbezoek, geduldig catechisatieonderwijs en evangelisatiearbeid het enige middel noemt om de kerk weer levend te maken. Dat is een argument dat altijd tegen iedere poging tot reorganisatie is aangevoerd en dat ik hier niet verwacht had.
Vooral echter wilde ik de vinger leggen bij een bewering van de referent alsof ons ontwerp in art. 1 een uiterst vage belijdenis in de plaats wil stellen van de historische formulieren van enigheid. Van onze zijde is herhaaldelijk verzekerd dat dit niet het geval is. Wij hebben zelfs een tipje opgelicht van de sluier6 die de wording van art. 1 bedekt, zodat dr. Kromsigt kan weten dat Kerkherstel door de commissie van contact evenveel deel heeft aan het bestaan in het algemeen van een art. 1 als Kerkopbouw. Dat derhalve, afgezien van de precieze inhoud van dat artikel, het niet in de bedoeling kan hebben gelegen, daarmee de belijdenis uit te schakelen. Het is een reglementsartikel waarin naar de belijdenis der kerk verwezen wordt en niets meer. Was de bedoeling geweest in een kort artikel onze hele rijke belijdenis op te smelten, dan zou ik er geen ogenblik aan gedacht hebben mij achter deze voorstellen te plaatsen.
Ik vraag mij af hoe het mogelijk is dat de geachte referent dit punt op nummer 1 van zijn grieven tegen ons ontwerp kon plaatsen. Ik hoop zeer dat hij het niet op zal nemen onder de inventaris der dingen die hij er in zoekt te hameren. Gaarne zag ik hem bij een volgende gelegenheid de nijptang hanteren om deze nagel weer uit te trekken.