O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 42. AchttienzesentachtigInhoud44. Hamer en nijptang →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 278–291

43. Evangelie en volkskerk1

Een antwoord aan Kerkherstela

Het wordt zeker tijd dat verschillende opmerkingen, die gemaakt zijn naar aanleiding van het reorganisatie-ontwerp van Kerkopbouw, onder de ogen worden gezien. Hier zal dat meer bijzonder het geval zijn met wat van de zijde van Kerkherstel in 't midden werd gebracht. De tijden zijn wel veranderd. Het gaat er in brede kring niet meer om of er een andere kerkorde moet komen, maarhoe die zal zijn. Intussen blijft de vraag, of het moet, nog meespreken, doch in andere vorm. Professor Haitjema verklaart, dat Kerkherstel niet tot elke prijs iets wil laten 'gebeuren'.b

Het is misschien goed hiermee te beginnen, omdat daarmee de diepste vraag, die naar God en het lot der kerk wordt aangeroerd. Men verwijt ons, dat wij de kerkvorm niet van de vaste structuur van het Lichaam van Christus afhankelijk willen stellen,c maar van de wisselende werkelijkheden,d die wij in de wereld aantreffen. Als punt van uitgang voor een beginselvaste afleiding van de lijnen ener kerkorganisatie wordt dan gewezen op antw. 542 van de Heidelbergse Catechismus, terwijl het foutieve werkelijkheidsbesef van Kerkopbouw zou uitgaan van de bestaande partijverhoudingen.

Als theoloog van de twintigste eeuw kan prof. Haitjema niet achterblijven, als het er op aan komt aan het historisch moment betekenis toe te kennen. Hij kan niet meer goed-confessioneel zijn in de ouderwetse zin, waarbij men in het Nieuwe Testament de kerk in de staat der rechtheid meent te kunnen aantreffen om dan daaruit een soort natuurrecht voor de kerk af te leiden, dat onder alle omstandigheden geldt. Daarvoor heeft hij te vaak op vergaderingen 'das Gebot der Stunde'3 met pathos in de plaats gesteld voor elke afgeleide wet. Hij kent als burger van een revolutionaire eeuw de betekenis van het positieve, van het ogenblik.4 Tegen het 'gebeuren' op zichzelf kan hij geen bezwaar hebben. En een 'praktisch'e reorganiseren5 zal hij niet uit den boze kunnen achten.

Maar in het moment, in het gebeuren, wil hij scherp onderscheiden tussen de geloofsvorm en de menselijke, zondige inhoud. En het verwijt dat hij tegen Kerkopbouw richt komt hierop neer dat ze, als ze zegt zich op ieder punt van de geschiedenis onzer kerk voor Gods oordelen te willen buigen, in werkelijkheid capituleert Voor6 die inhoudf van het ogenblik, voor de zondige werkelijkheid, in dit geval voor de partijverhoudingen. Wij zouden, zo meent hij, uit een doorsnede van de kerkelijke toestand op een gegeven moment een goddelijk gebod aflezen.

Deze bezwaren, althans de vorm waarin ze gegeven werden, hangen nauw samen met wat prof. Haitjema zijn geloofskritisch standpunt noemt.7

Dat standpunt zelf kan ik hier niet bespreken.g Op deze plaats wil ik alleen wijzen op enkele consequenties, die er uit voortvloeien voor vragen van kerkorde. Wanneer men zo uitsluitend de nadruk legt op de geloofsvorm als prof. Haitjema dat doet, dan valt er uit de openbaringen Gods niet veel af te leiden. Geloof is geloof en wat daarmee gezegd is heeft met het moment en het gebeuren bitter weinig te maken. Dan geeft het traditioneel-confessionele standpunt nog betere middelen om praktische filosofie te drijven. Men heeft dan de 'afleiding bij wettige consequentie' altijd nog bij de hand om uit bepaalde voorschriften een toepassing te maken op de gegeven werkelijkheid. Wanneer de schrijver van Werkelijkheidsbesef en reorganisatie, met zijn herhaald nadruk leggen op het 'gebod van het ogenblik' meer bedoelt dan een retorische figuur, dan zal hij op de een of andere wijze de inhoud, het gebeuren-zelf, bij zijn kerkrechtelijke beschouwing moeten betrekken. Het criticisme is een overgangsvorm, waarin de logische afleiding omslaat naar het rekenen met de feiten. Prof. Haitjema loopt gevaar bij zijn sprong van de oud-confessionele wal naar het nieuwe land der pneumatische exegese halverwege aan de polsstok te blijven hangen. In de pneumatische exegese is de tijd en het gebeuren als wezenlijk bestanddeel opgenomen.

Het gaat hier dus allereerst om de vraag, hoe wij de verhouding van geloof en kerkelijk gebeuren moeten zien. Dat wij tot elke prijs iets zouden willen laten gebeuren en dus onze ziel aan de duivel der kerkelijke historie zouden hebben verkocht, om daarbij God in de hemel te vergeten, is een ernstige aanklacht, die hier onderzocht moet worden.

Allereerst wil ik dan zeggen, dat wij wel weten, dat het met onze macht om iets te laten gebeuren niets gedaan is. Als er ooit een tijd geweest is, waarin dit duidelijk is, dan wel de onze. 't Allermeest voor het kerkelijk gebied. De kerk heeft bij alle omkeringen na de oorlog het gelag moeten betalen. Er is weinig aanleiding voor de optimistische geschiedbeschouwing, die prof. Haitjema ons in de schoenen schuift. Ook niet in deze zin, dat het zo gemakkelijk zou zijn om te zien, wat God nu met de kerk wil. Niemand zal thans in de verleiding komen om culturele uitzichten voor de kerk open te stellen, zoals men dat soms in de negentiende eeuw zag. Waar dat nu gebeurt, dragen ze het merk der politiek op het voorhoofd. Voor de kerk ziet het er donker uit en het ergste is, dat er uit dat donker nog geen duidelijke roepstem Gods te beluisteren valt voor de toekomst. Hoe zou men er aan kunnen denken om ook maar iets te laten gebeuren, omdat er nu eenmaal zoveel gebeurt in onze tijd. De mogelijkheden der kerk schijnen zich te ontwikkelen in omgekeerde evenredigheid met de wereldgebeurtenissen. Naarmate hier meer gebeurt, schijnen daar de kansen te verminderen.

Maar één ding blijft er uit dit pessimisme - niet optimisme - toch over. En dat is, dat de kerkelijke werkelijkheid Gods werkelijkheid is, evengoed als die der zeventiende eeuw en die der eerste eeuwen. Wanneer het prof. Haitjema ernst is met zijn geloofscriticisme en zijn theologische exegese, dan moet daar de nadruk op vallen. In het criticisme mag het niet blijven bij een nadruk leggen op de vorm - de afwijzing van de onpersoonlijke logische afleiding - het moet om de inhoud te doen zijn. En bij de theologische exegese mogen wij aan de nieuwe regels niet blijven hangen; op de vertaling komt het aan.

En hier schiet nu, als ik goed zie, het door prof. Haitjema gestempeld modern-confessionalisme van Kerkherstel te kort. Er is geen geloofscriticisme dat ten opzichte van de werkelijkheid in evenwichtstoestand kan verkeren en enkel vormprincipe kan blijven. Dat is een abstractie. Het is achterwaarts of voorwaarts gericht, een van beide. En dat van Kerkherstel is in het eerste geval. - De schrijver van Werkelijkheidsbesef verdeelt de rollen anders. Hij maakt onderscheid tussen een naar boven en een naar beneden gericht zijn. Dat kan Kerkopbouw ook doen en daarover zal God oordelen. Daarover oordelen wij elkaar niet. Ook prof. Haitjema mag dat niet. Zolang wij dat doen, zijn wij niet actueel, maar staan samen voor God, stil onder het oordeel. - Zodra deze houding ten opzichte van de werkelijkheid wordt verlaten en de dingen actueel worden, begint het verschil. Men is dan naar voren of naar achteren gericht. Als er een mosterdzaadje van dit positief actuele in Kerkherstel aanwezig is, dan zal er een boom van samenwerking met Kerkopbouw uit kunnen groeien. Er zal iets kunnengebeuren. Niets meer, maar ook niets minder. Wij zullen niets laten gebeuren. Maar wij hebben het negatief-actuele, dat bij prof. Haitjema in de abstractie, het geloofscriticisme als zuiver vormbeginsel, het evenwicht van de verticale richting, verscholen zit, dan achter ons gelaten.

Ik wil dit toelichten met te wijzen op de plaats, die de overgangsbepalingen8 bij Kerkherstel innemen. Die zijn blijkens Werkelijkheidsbesef (p. 14) de roem van het Ontwerp van Kerkherstel. Hier is inderdaad voorzien in een toekomstig 'gebeuren'. Men ziet dat aankomen en men weet vooruit wat er gebeuren zal. Men houdt de wachtgelden gereed, omdat men reeds nu van plan is een bekende 'tegenstelling' straks 'ootmoedig en fier' als zodanig' te erkennen. Wel is men ook van plan samen met de vrijzinnigen 'gezond' te worden, maar het werkelijkheidsbesef, dat uit de overgangsbepalingen spreekt, wordt daardoor niet gestoord.

Van zulk gebeuren waag ik het te zeggen dat het geen gebeuren is. Wat daar gaat gebeuren kan niet gebeuren, omdat het er nu al is. De ootmoedigheid en de fierheid zijn nu reeds aanwezig. Ze hinderen elkaar niet, evenmin als de geit en de kool, zolang de schipper aanwezig is. De 'tegenstelling' die als 'zodanig' zal worden erkend is er nu reeds en de erkenning is er ook al. Er zijn geen overgangsbepalingen nodig, evenmin als wanneer een fascistische staatsorde wordt ingevoerd of wanneer ik een algebraïsche vergelijking opschrijf. Men trekt dan slechts een paar rechte strepen van de ene toestand of term naar de andere. Het zijn bepalingen-over-de-gang van zaken, maar geen overgangsbepalingen. - Dit noem ik iets 'laten gebeuren'. Wanneer er maar iets kon gebeuren, dan werden wij het eens.

Ik heb het gevoel hier wat scherp te zijn geweest en gevaar te lopen aan de goede zaak, waarom het hier gaat, en die door samenstemming moet gediend worden, kwaad gedaan te hebben. Dat zou mij spijten. Maar het komt er op aan op dit punt volle duidelijkheid te scheppen. En die loopt gevaar door een zekere retoriek9 waarvoor prof. Haitjema, hierin leerling van Kuyper, niet altijd op zijn hoede is.

Bij actuele vragen zoals deze, welke kerkorde er 'hier en nu' moet worden ingevoerd, mag men zich niet gedragen als wanneer men een aantal geloofsartikelen opstelt. Dat is in zo'n geval niet anders dan retoriek. Daarin verschuift zich dan een achterwaarts gericht werkelijkheidsbesef. Daarmee bedoel ik dat men de kerkvorm, die men wil tot stand brengen, achter zich weet in de geschiedenis en hem gaat invoeren. Hij is er al, maar moet in werking gesteld.

Dit is inderdaad het oud-confessionele standpunt. Daarbij wordt, in verband met de kerkelijke vragen van de dag, de geloofsvorm ook niet ledig gehanteerd. Zij heeft reeds inhoud en die inhoud is zondig. Wat vroeger ontstaan is, is ook 'gebeurd'. En die zondige inhoud brengt men mee en zoekt die aan de toekomst op te leggen.

Wanneer ik belijd dat de Zone Gods, uit het ganse menselijk geslacht, zich een gemeente tot het eeuwige leven uitverkoren, door zijn Geest en Woord, in enigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt (antw. 54 HC.), dan sta ik in de geloofshouding, maar ik kan er niet uit afleiden hoe de kerk in de twintigste eeuw moet worden ingericht. Ik weet alleen dat God van het begin der wereld tot het einde in de zondige wereld een kerk onderhoudt, dus ook in de twintigste eeuw. Maar deze betrekkelijk ledige geloofsvorm mag ik niet gebruiken om uit de wolk te spreken over pogingen om haar met inhoud te vullen. Men maakt van het criticisme een slecht gebruik als men geloof en praktijk op die wijze tegen elkaar in het geweer brengt. Als kritisch theoloog moet prof. Haitjema de keuze doen niet tussen boven en beneden, maar tussen achter en voor. Het criticisme dient om ons af te brengen van abstracte afleidingen en ons wegwijs te maken in de werkelijkheid.

Wanneer hij dit wil doen en daarmee aan de retoriek een vaarwel wil toeroepen, dan is samenspreking zeer wel mogelijk. Want ook Kerkopbouw zal, of ze wil of niet, rekening moeten houden met wat achter is. Kwantitatief zal datgene, wat God ons door het verleden te zeggen heeft, verre de overhand hebben over wat Hij ons voor de eerstvolgende schrede wil leren. Ik althans wil graag bekennen, dat ik mij een ware kerk niet kan denken zonder een eerbiedwaardige traditie en een goed gedocumenteerde, historische belijdenis. Dat wij met de modernen weer gezond moeten worden,10 drukt voor mij zelfs heel weinig juist de huidige geestelijke situatie der kerk uit. Wij worden zo sterk teruggeworpen op de bijbelse tegenstelling van Baäl of de Here, de Natuur of de Schepper, dat het abstracte, wetenschappelijke, natuurwetenschappelijke heidendom daarbij een vrij onschuldig bijprodukt gaat lijken. Wij zullen alle eeuwen, alle gaven, alle schatten der kerk nodig hebben om ons in dit conflict te steunen.

Het is er mij dus werkelijk niet om te doen, als ik 'achter' en 'voor' tegenover elkaar plaats, het eerste in de schaduw te plaatsen. Maar juist omdat dit machtige verleden achter ons is, mogen wij niet iets 'laten gebeuren'. Er gebeuren zulke geweldige dingen, de branding staat zo hoog, dat wij het gevoel krijgen, of liever het geloof in ons voelen wassen, dat de kerk daarin past, beter dan in rustiger tijden. Profeten en martelaars lijken ons niet meer zulke apocriefe figuren als toen men in de kerk een overgangsvorm11 naar de staat ging zien, zoals dat in de vorige eeuw voorkwam.

Maar wel apocrief lijkt het daarbij, als men nu met een stel overgangsbepalingen aan komt dragen om aan een (uit de negentiende eeuw) bekende 'tegenstelling'12 een einde te bereiken. Wanneer wij nu achteraf de reorganisatie zien als een middel om dat tot stand te brengen, dan betekent dat mosterd na de maaltijd. Dan betekent ze een einde en geen begin. Dan is het een naspel van 1886 en daarmee is dan een postume afsluiting van de negentiende-eeuwse kerkstrijd gegeven, maar geen inzet voor de veel geweldiger strijd der twintigste.

In dat licht zie ik ook een groot deel van de kritiek, die het hoofdbestuur van Kerkherstel op ons ontwerp heeft geoefend.h Vooral daar, waar art. 1 en 213 van ons Ontwerp worden beoordeeld. Wanneer men dat leest, waant men zich nog in de tijd van het 'quia' en 'quatenus'.14 Hoe angstig, scrupuleus-angstig, wordt hier gevist naar de zin van de woorden 'historisch' en 'in aansluiting aan'! Is men nu heus bang, dat in onze tijd een vereniging als Kerkopbouw naar haar eigenlijke bedoeling uit zou zijn op een verdonkeremanen van onze kostelijke geloofsbelijdenis, zoals die in de Heidelbergse Catechismus, de 37 Artikelen en de 5 Dordtse Leerregels vastligt? En wanneer niet ieder lid van Kerkopbouw hieromtrent zulk een rondborstige taal zou voeren als ik het hier doe, voelt men dan niet, dat de voorzichtigheden, die men daar achter meent te speuren, getuigenis geven aan het feit, dat men nog in een oprechte en levende verhouding tot die belijdenis staat, zodat men ze niet graag met huid en haar accepteert? Dat doet men wel met een antiquiteit. - En gelooft men niet dat, voor zover zulke gravamina dan ondervangen moeten worden of zijn door negentiende-eeuwse kerkelijke juristerijen, onze tijd dit geestelijk stro voor zich uit zal jagen?

Wanneer ik thans, twee jaar nadat art. 1 en 2 werden opgesteld, ze weer overlees, dan klinken ze mij reeds heel anders in de oren. 'De Nederlandse Hervormde Kerk, als deel van de ene Algemene Christelijke Kerk'; dat is dus geen nationale, maar een katholieke kerk. - 'Gebouwd op Jezus Christus als enig fundament'; derhalve niet op bodem, ras of bloed. 'Heeft tot doel, in aansluiting aan hare historische belijdenis het Woord Gods te verkondigen'; daarmee wordt dus de christelijke belijdenis gehandhaafd, met insluiting van het Oude Testament.15

Ik klap wel niet te veel uit de school - de brochure van Kerkherstel vertelt ook iets uit de Commissie van Contact16 - wanneer ik meedeel, dat ik aanvankelijk meer heb gevoeld voor het weglaten van art. 1 en 2, maar dat ik, mede om de wens van een lid van het hoofdbestuur van Kerkherstel,17 daarin ben meegegaan. Maar nu ze er eenmaal staan, zou ik, twee jaar later, met schouderophalen over de negentiende-eeuwse kerkelijke juristerijen, willen adviseren deze 'klaroenstoot' daar te laten. De plaatsing komt mij nu providentieel voor.18

De bedoeling van art. 1 en 2 is niet geweest, vooruit te grijpen op de belijdende functie der kerk. Evenals Kerkherstel hebben wij niet anders willen doen dan verwijzen naar de belijdenis. En we hebben dat, nu het eenmaal tot zo'n verwijzing aan het begin moest komen, opzettelijk zo sober mogelijk gedaan. Niet om vaag te blijven, maar om de belijdenis er buiten te houden. Als art. 1 moest dienen als een soort lidmaatschapsformule voor de kerk als vereniging, zoals de proponentsformule er is voor het predikambt, dan deden wij beter het weg te laten. De kerkgeschiedenis van de naaste toekomst mag en zal zeker niet in het teken van de juristerij staan. Ze zal beheerst worden door de vragen: ja of neen? voor of tegen?

Dat Kerkherstel over dat artikel zo subtiel redeneert,19 in de brochure van het hoofdbestuur, kan ik niet anders zien dan als een bewijs, dat het criticisme van deze vereniging inderdaad te zeer achterwaarts (zie boven) gericht is. Men wil te veel zelf iets 'laten gebeuren'. Men zoekt bekende inhouden, door het tot beslissing brengen van bekende 'tegenstellingen, met van ouds bekende middelen, die men retorisch met een waas van geloofsverwachting omhult, naar de toekomst over te leiden. Daardoor leeft men in een sfeer van achterdocht ten opzichte van de ontduikingen, de achterbaksheden, de verzwijgingen ten opzichte van de belijdenis, waartoe de kerkgeschiedenis der vorige eeuw maar al te zeer aanleiding heeft gegeven. Men kijkt scherp toe of hier weer zo'n net gebreid wordt, waar de vissen met stoïsche kalmte doorheen zwemmen. Een opzettelijke reglementering van het 'geest en hoofdzaak'.

Nu heb ik al gezegd dat dit bewustzijn van iets achter zich te hebben, bijna alles achter zich te hebben, aan traditie en confessie gebonden te zijn, in de kerk niet gemist kan worden. Daarom kan men zich in het bestaan van Kerkherstel verblijden, zonder geheel met die vereniging te kunnen meegaan. Zoals ik ook het aanwezig zijn in ons land van de grote groepen, die tot de Gereformeerde Kerken behoren, een zegen acht. Ik zou het inderdaad een schuldig bedrijf achten als Kerkopbouw aan degenen die de kerk zo sterk om haar verleden liefhebben, de rug toedraaide, ofschoon ik het zeer onbillijk acht dat verwijt nu naar die vereniging te slingeren.

Reeds in een der eerste publikaties van Kerkopbouw20 heb ik geschreven, dat ik meen, dat we aan de geest-en-hoofdzaak-periode ontkomen zijn. Wij varen niet meer in dat water, waar men op elk rimpeltje moet letten, omdat er wel eens een gevaarlijk kopje onder water zou kunnen schuilen. Wij zijn met de kerk in open zee gekomen. De bark zal het hard genoeg hebben om het te houden, maar ze heeft water voor de boeg en men behoeft niet angstvallig te kijken of de peilschaal vijf, zes of zeven voet diepte aanwijst. Men maakt of beoordeelt geen kerkelijke reglementen met het oog op kleine slimmigheidjes of trucs. Wil men 'geest en hoofdzaak', dan zou daar nu geen aftrekking, maar een geestdriftige optelling mee bedoeld zijn. Het gaat om Gods Geest en om de hoofdzaak van het Evangelie. - Als er sprake van is of de belijdenis in de kerk is afgeschaft, dan is het thans niet op zijn plaats om daarover een fijn juridisch betoog te spinnen, zoals Groen dat deed in zijn Het Recht der Hervormde gezindheid,21 maar dan roept men, zoals dr. Kolfhaus dat dezer dagen deed in de Reformierte Kirchenzeitung: 'Bij God, dat nooit!'22

In zo'n tijd moet men zijn kracht niet zoeken in het maken van nieuwe proponentsformules en dergelijke. En men moet ook niet zo bang zijn voor een formulering als in ons art. 1, ook al is men het er niet vlak mee eens. Het ging ons met de belijdenis als Augustinus met de Drieëenheid. Het moest gezegd worden om er niet helemaal van te zwijgen.23 Maar daarin lag het omgekeerde van minachting.

Daarom kan ik de geestigheid van ds. Te Winkel24 - in de Kroniek van Onder eigen Vaandel, 1934, 1 - die vroeg of wij in dat artikel de belijdenis misschien als 'Jozefs gebeente' wilden meenemen,25 ook moeilijk waarderen.

Maar ook als er in Kerkopbouw of, bij invoering van ons Ontwerp, in de kerk nog predikanten mochten zijn, die het oude spelletje met de belijdenis zouden willen voortzetten, dan geloof ik, dat dit de kerk niet vitaal zou kunnen schaden. In het afweren daarvan moeten wij onze kracht niet zoeken. Wij zijn uit de periode van de academische leertucht in die van de volkerenleertucht overgegaan en in die storm zullen alle subtiliteiten van academische aard worden weggeblazen. Niet of er hier en daar een predikant een beetje koketteert met Spinoza of het boeddhisme,26 zal de kerk 't meest verontrusten. Niet de empirische,i maar de ethischej ketter, zoals ik het elders27 noemde, zal de twintigste-eeuwse kerk in 't oog moeten vatten. Niet het heidendom aan de rand, dat van de academische werker, maar het heidendom midden onder ons, het heidendom onder het volk, vraagt onze aandacht.

Met het oog op deze dingen vind ik de houding van Kerkherstel te veel achterwaarts gericht. Het is niet nodig zo achterdochtig te zijn omtrent bedoelingen, als men samen gaat 'in de richting van een echt kerkelijke kerkorde voor een gereformeerde belijdende volkskerk van de twintigste eeuw'.k Daarin zullen wij zonder de historische belijdenis niets kunnen uitrichten. Ze zal vanzelf naar voren komen. In de krant van vandaag lees ik over de constituering van een vrije Westfaalse belijdenissynode te Dortmund het volgende: "de 'gemeente' heeft het woord genomen." En "op de vraag van dr. Bodelschwingh28 of men de Koning der kerk en zijn Woord alleen wilde volgen, antwoordden 20.000 monden met het uitspreken van de Apostolische geloofsbelijdenis."

Met zulke dingen voor ogen behoeven wij er niet over te twisten of wij zullen zetten'in aansluiting aan 'of' in overeenstemming met'l de belijdenis. Wij hebben zoveel achter ons, dat wij niet angstvallig achterwaarts gericht behoeven te zijn. Wij mogen vooruit zien. Wij behoeven niet scrupuleus en geremd te blijven hangen in de angsten voor iedere empirische ketter en ons zelf af te beulen om de handigheidjes af te snijden, waarmee hij probeert in de kerk te blijven. Laat hem, hij zal er weinig kwaad kunnen doen.

De tijd is zo, dat wij ons de moeite kunnen sparen iets te laten gebeuren. Met het verleden der kerk achter ons en Christus boven ons behoeven wij niet al te bang te zijn van het gebeuren zelf, waarvoor men geen overgangsbepalingen kan maken.

Jezus zelf was confessioneel gebonden als niemand onzer. Hij had het hele Oude Testament achter zich en spelde, met iedere schrede die Hij deed, een van die oude teksten uit, tot op het kruis toe. Maar op het keerpunt van het oude en het nieuwe vindt een overgang plaats, waaromtrent Hij zelf bidt: Niet gelijk Ik wil, doch gelijk Gij wilt. Hij houdt de overgangsbepalingen niet in zijn eigen handen, hoe sterk Hij zich ook door het Woord, dat achter Hem is, gebonden weet. Daardoor ontstaat er juist zoveel ruimte, dat het Oude Testament tot Nieuw Testament kan worden. Er kan iets gebeuren, dat men niet laat gebeuren. Er is geschiedenis in het N.T. in de meest categorische zin van het woord. Jezus staat in de bijbel niet als een steil geloofsartikel, een verticaal opgericht geloofsteken, maar Hij heeft de weg van achteren naar voren met ons gevolgd. En in de nieuwe geloofsruimte vindt Hij dan weer de oudtestamentische woorden, die aan het kruis op te voren ongekende wijze uitkomen.

Dat is het geloofscriticisme van de bijbel. Maar om dat in werking te stellen hebben wij de ruimte nodig, die God bezig is voor de kerk te scheppen. De kerk moet antwoorden op de grote vragen, die God aan de wereld stelt. Zij moet dat doen te midden van de schare, waaronder die vragen leven. Dat is het verschil tussen Jezus en de schriftgeleerden. En in de apostolische tijd, in iedere eeuw, blijft dat zo. Met de bestaande 'tegenstellingen' binnen de steeds kleiner wordende scharen, die nog tot de kerk behoren, gaan wij langzaam maar zeker ten gronde. De kerk heeft zich te mengen in het debat, dat onder de grote schare29 buiten haar gevoerd wordt. Zij heeft iets achter zich, het primair- apostolische30 waarop prof. Haitjema tegenover mijn aanprijzing van de apostolische onrust heeft gewezen.m Maar dit primaire kan niet in actie komen, als het apostolisch besef in zijn geheel niet wakker wordt. En als dat wel het geval is, zal het vanzelf naar voren komen, zoals wij dat al lang in de zending zien, waar de bekende 'tegenstellingen' van prof. Haitjema bijna geen rol meer spelen en waarin de volkerenleertucht de academische leertucht geheel op de achtergrond heeft gedrongen. - Dat het op de zuiverheid van de boodschap aankomt, willen wij ons gaarne nog eens door prof. Haitjema laten herinneren. Daarop kan nooit genoeg nadruk gelegd worden. Maar daarmee is toch niet alles gezegd. Wij kunnen in het luchtledige niet preken. Evenals bij een stradivarius komt het ook bij de kerk op de bouw aan. Voor de zuiverheid is de klankbodem evenzeer van betekenis als de toon zelf. Jezus heeft in de synagoge te Nazareth niet kunnen preken, maar wel op het schip aan de oever van de zee. Ieder kan weten wat er van komt, als de zuiverheid in de kerk om zich zelfs wille gekweekt wordt en als haar doel, het bereiken van de zondige werkelijkheid, uit het oog verloren wordt. Alleen wanneer dit niet geschiedt, kan 'de trouwhartigheid der prediking',31 die prof. Haitjema tegenover het academische, dat ik wraakte, wil stellen (p. 23), worden bereikt. Men kan ook capituleren voor de zondige werkelijkheid door in de zuiverheid32 terug te vluchten en deze verzoeking is de gevaarlijkste van alle.

Met deze dingen staan wij voor het instituut van de huisgemeenten uit ons Ontwerp.33 Men kan wel zeggen, dat hier de grote hindernis ligt voor overeenstemming tussen de beide verenigingen. Hier klinkt van de zijde van Kerkherstel een 'onaannemelijk', een 'non possumus'. Zowel in Werkelijkheidsbesef als in de Kroniek van Onder eigen Vaandel en in de brochure van het hoofdbestuur. Prof. Haitjema ontkent, dat de huisgemeente in het verlengde van de zending ligt; hij gelooft dat het toch wel een verkapt pacificatievoorstel is.34 Te Winkel meent dat ons idealisme twintig eeuwen op zij zet.35 En het hoofdbestuur ziet er een illusoir-maken van de tucht in en een reglementering van de zonde.36

Ik denk er niet aan deze bezwaren gering te schatten. Ze zijn ernstig en onoplosbaar. De overeenstemming zal er misschien? waarschijnlijk? zeker? door verhinderd worden. Ik plaats vraagtekens omdat ik geloof dat de kerk over onoplosbare bezwaren zal moeten heenstappen, als er iets gebeuren zal. Als ze uit haar goddeloos evenwicht, haar vermogen om te duren, haar handhaving van de leer zonder dat ze zich om de inhoud dier leer bekommert, zal loskomen en in de banen der geschiedenis zal terugkeren.

Hoe zullen wij in die wateren komen, waar de elementaire spanning tussen Evangelie en volkskerk in werking wordt gesteld? Wij zijn er al in. Zullen wij eindelijk de moed hebben het partijanker op te halen, desnoods de kabel te kappen, om met de kerk te gaan drijven in de geloofsruimte? Zolang wij in het partijvlak van de bekende 'tegenstelling' staan, zal het vraagstuk onoplosbaar blijven, zoals het dat nu meer dan honderd jaar geweest is. Als ik mijn beide handen in het platte vlak van de voor mij staande tafel zo probeer te draaien, dat ze elkaar bedekken, dan lukt mij dat niet. Pas als ik ze omhoog draai in de ruimte, in de gebedshouding, lukt mij dat.37 Zo gaat het ook met het kerkelijk vraagstuk, in verband met de partijen gezien.

De bezwaren zijn onoplosbaar, zoals de dolerenden in 1886 ook steeds gelijk hadden. Een van de dingen die mij uit die jaren het best zijn bijgebleven is dit, dat de Hervormde Kerk het in logische afleiding altijd aflegde. Gunning moest dan voor een zo misselijk begrip als de levenshouding van het compromis38 opkomen als een eis des geloofs. De gelovige heeft geen standpunt in deze wereld, maar hij hangt er in. En dat is zijn dagelijks kruis. Geen bekende 'tegenstellingen'. Schapen buiten en wolven binnen, zoals Augustinus zegt,39 en dan toch kerkje spelen. - De NRC. (Avondblad 23 maart 1934, B) krijgt van de brochure van het hoofdbestuur van Kerkherstel de indruk 'dat de tegenpartij tegen de hier aangevoerde bezwaren weinig zal kunnen inbrengen'. Zal het hoofdbestuur met dit bewijs van instemming meer ingenomen zijn dan met onze weigering om ons te laten overtuigen? Of zal het hem een reden tot nadenken zijn?

Een kerkorganisatie is een noodinstelling, of ze is geen kerkinrichting. Een kerk, die te rustig en te zeker zich inricht, kan Christus' lichaam niet zijn. De breed-katholieke vooronderstellingen waarover ik elders40 sprak, willen niet ontleend zijn aan de toestand van de wereld, maar zij willen op de zondige mensheid toepasselijk zijn. De kerk mag niet zo voorzichtig zijn, dat zij het gevaar van ketterijen en misstanden ontloopt. Zonder ketterijen krijgt ze geen dogma en zonder misstanden geen heiligheid.

Wanneer de kerk uit het partijvlak, uit haar evenwichtstoestand, zal loskomen, dan zal dat niet anders kunnen dan in de sfeer van het compromis. Goddelijke vorm tegen zondige inhoud uitspelen is retoriek. Wij leven niet van boven naar beneden, maar van achteren naar voren. En als de kerk van haar evenwichtsvlak losbreekt, dan zal het gebeuren langs de lijnen van de geringste samenhang, de partijafscheidingen. Men zal op de breuk de oude confessionele verschillen kunnen aflezen. Meent men werkelijk dat dit anders mogelijk is, als de verandering niet zal zijn een laten gebeuren, maar een gebeuren Gods? Denkt men zo, niet een reglementenbundel, maar de kerk zelve in handen te hebben, dat haar geschiedenis in de negentiende eeuw aan die der twintigste niet meer waarneembaar zou zijn? Meent men de overgang geheel in zijn macht te kunnen nemen en te moeten houden? En met de handboeien achter zich in de hand, de partijen te kunnen uitnodigen zich samen onder Gods Woord te stellen?

Wanneer wij het apostolische en het episcopale41 op de voorgrond brengen, dan is dat niet omdat wij zouden menen die geest te kunnen meebrengen of daarvan ook maar enigszins een soort monopolie te hebben. Kerkopbouw is een doodgewone groep kerkelijke mensen, die in de verlegenheid zitten evengoed als die van Kerkherstel. Wij hebben, voor zover ik weet, ook geen tegenzin tegen een gereformeerde volkskerk. En voor zover die tegenzin onder ons bestaat, acht ik dat van niet veel belang voor de toekomst. Men ziet het in Duitsland. Zal het gaan om wat in de vorige eeuw de kerken verdeelde, over bekende 'tegenstellingen'? In dat milieu hebben wij geen kans het primair-apostolische in werking te zien komen. Wanneer wij roepen om episcopale en apostolische geest, dan doen wij dat omdat wij voelen dat wij alles van de kerk, wat wij achter ons hebben, nodig zullen hebben. De tegenstellingen, waarmee wij in de twintigste eeuw te maken krijgen, zijn veel fundamenteler, oer-christelijker, bijbelser, dan die, waarmee de laatste honderd jaren zich bezighielden. Uit dat oogpunt gezien kan er reden zijn om God te danken, dat wij van academische leertucht verschoond zijn gebleven, tot er weer plaats komt voor volkerenleertucht. De grote bijbelse antithesen van Jehova of Baäl, de kerk of het land, het kruis of de bodem, de lijder of de held, zullen een genezende invloed kunnen hebben op allerlei kleinere breuken in het kerkelijk leven. Wanneer men moet antwoorden op de vraag: heiden of christen? zoals de oude bisschoppelijke kerk, dan zijn alle ketterijen de wereld nog niet uit, maar dan zullen er toch heel wat nesterijen opgeruimd worden.

Dat wij daarmee een idealisme zouden voorstaan, waarbij twintig eeuwen geschiedenis wordt uitgevlakt, zoals ds. Te Winkel wil, moet ik ten sterkste ontkennen. Wanneer wij teruggrijpen, dan doen wij dat omdat wij aan de laatste eeuw in geestelijk opzicht niet genoeg hebben. Is dat zo'n wonder bij de negentiende eeuw? Zij zal ons door de crisis niet heen helpen. Noch Scholten,42 noch De la Saussaye,43 noch Kuyper kan dat. Het hele verleden der kerk, alles wat achter ons is, zal in het geweer moeten komen. Dat is geen schriel idealisme, maar het stoerste geestelijke realisme dat er denkbaar is. - Pas in die grotere spanningen kan het primair-apostolische, de zuivere Evangelie-verkondiging, weer optreden. De kerk moet er naar zijn. Het primaire laat zich van het apostolische niet afzonderen. Het zuivere is aan de zending gebonden. Dat wij tussen die beide niet behoeven te kiezen,n zal wel waar zijn. Maar ik zie in het Ontwerp van 1929 de verbinding van beide niet. Ik meen echter dat in ons Ontwerp een gebrekkige, maar ernstige poging gedaan is in deze richting. De geestelijke nood der schare spreekt er sterker in mee. De bestaande 'tegenstellingen' zijn er niet tot alleen-zaligmakende ketterijen44 opgeblazen. De bedoeling ligt ten grondslag, de waarheid van het Evangelie in grotere katholieke verhoudingen te brengen.

Dat dit bij eerste inzet weinig het geval schijnt te zijn en dat het een vermomd pacificatie-voorstel45 lijkt, kan moeilijk anders. Ik wees er reeds op dat de kerk langs de partijlijnen zal losbreken of dat ze niet zal loskomen. In de geloofsruimte kunnen wij ons niet anders bewegen dan langs de lijnen van een compromis. Om tot een verhoogde spanning tussen Evangelie en zondige werkelijkheid te komen, moeten wij tussen de bestaande tegenstellingen door. Maar wanneer ons voorstel wet werd, zou de kerk daarbij niet blijven staan. Zij zou vlot komen. Zij zou dat allereerst doordat haar bestuurlijke gebondenheid dan verbroken was. In de tweede plaats werd dan het rustige, territoriale karakter der plaatselijke kerken en der algemene kerk halverwege opgeheven in haar zendingskarakter. Tegenover de nette, geografisch met de burgerlijke gemeente samenvallende indeling in kleine autonome staatjes, zou het dynamisch karakter der katholiciteit naar voren komen. In de brede classicale vergadering en de brede synode46 zouden actieve leken beweging brengen, zonder dat men daarbij lette op stad of dorp waar ze wonen. Daardoor zou het nood- en geloofskarakter der kerk duidelijker tot uitdrukking komen. - Hierbij sluit zich dan de instelling der huis- of hulpgemeente aan. Ook zij is een noodgetimmerte. Ook zij heft het plaatselijk karakter der kerk enigszins op. Ook zij wil het dynamische in de kerk, de spanning van het Evangelie tegenover de schare, verhogen en zo een protestantse katholiciteit in werking stellen, om zo de zuivering in haar eigen atmosfeer, de zending, te laten plaats hebben.

Natuurlijk zullen hier de partijlijnen het duidelijkst zijn af te lezen. Hier breekt het nieuwe bij het oude, de plaatselijke gemeente met haar bekende 'tegenstelling', af, zonder dat altaar tegen altaar wordt opgericht.47 Zo is het dan ook geen wonder, dat de gedachte aan de partijen bij de instelling van deze gemeenten hier en daar duidelijk meespreekt. Eer zou het vreemd zijn, als dit niet het geval was. Als de schrijver van Werkelijkheidsbesef uitlatingen van prof. Brouwer en ds. Beversluis aanhaalt,48 dan passen die zeer goed bij wat ik hier over onze voorstellen gezegd heb. Dat die hulpgemeenten niet overal zullen worden opgericht met de uitgesproken bedoeling om geboorteplaatsen van nieuwe orthodoxie te worden, daarvan zou ik willen zeggen: ik weet het ook wel, zwijg gij stil. Maar het gaat er om of hier ruimte geschapen wordt voor een 'gebeuren'. Of de instelling past in het kader van ons Ontwerp. En dat heb ik hier willen aanwijzen.

Het zal misschien mogelijk zijn in de artikelen over de huisgemeenten het noodkarakter dezer instelling, haar zendingsbedoeling, nog meer uit te werken in onderscheiding van het partijgebruik, resp. misbruik, dat er van gemaakt kan worden. Maar de zuivering zal aan de zending niet te huwen zijn zonder compromis. Er moet, zoals Gunning het uitdrukte, in het schip der kerk ook ballast zijn.49 Anders drijft het academische de trouwhartigheid uit.50

Voetnoten

  1. a

    In een andere brochure zal prof. Wagenaar op bedenkingen, ook van andere zijden, meer in bijzonderheden ingaan.↩

  2. b

    Werkelijkheidsbesef en reorganisatie, p. 15.↩

  3. c

    A. w., p. 2 8.↩

  4. d

    A.w., p. 20.↩

  5. e

    A. w., p. 13.↩

  6. f

    A.w., p. 13.↩

  7. g

    Ik deed dat in een opstel, dat binnenkort ver hijnt in een bundel De Openbaring der verborgenheid bij Bosch & Keuning, Baarn 1934.↩

  8. h

    Het Reorganisatie-Ontwerp van 'Kerkopbouw' beoordeeld. H. Veenman & Zonen, Wageningen 1934.↩

  9. i

    Die men opspoort.↩

  10. j

    Die in de weg staat.↩

  11. k

    Haitjema, Werkelijkheidsbesef, p. 15.↩

  12. l

    Het Reorganisatie-Ontw. van 'Kerkopbouw' beoordeeld, p. 16.↩

  13. m

    Werkelijkheidsbesef, p. 14 v.↩

  14. n

    Werkelijksheidsbesef, p. 22.↩

Eindnoten

  1. 1

    Korte voor- en nageschiedenis.

    1. 9 en 10.4.1931 conferentie KO.-vrijzinnigen; 20en 21.4.1931 conferentie KO.-KHC. Zie n. 15.1-5; 17.4; 19.1. - 2. 29.5.1931 A. M. Brouwer weerspreekt Haitjema's weergave der feiten. Zie n. 17.1. - 3. 16.6,1931 H. over Leertucht en uitbannen. Zie n.19.1.- 4. maart 1932 brochure A. M. Brouwer Eenheid in Christus (nr. 1, reeks C. Kerkopbouwgeschriften); april 1932 H. in Correspondentierubriek NKL. 2 (april 1932) nr. 8, p. 57 vv. (B. staat ver af van de visie van de door hem toch zo bewonderde theologen Gunning en De la Saussaye sr.). - 5. najaar 1932 N.' brochure BKO. (nr. 30); H. antwoordt met Op de wachttoren tegen vertolking van het kerkelijk leven, NKL. 3 (februari 1933) nr. 6. Zie n. 30.1; 30.70.-6. najaar 1933 N.'brochure ROKOT. (nr. 33), toelichting op het rapport van KO. (zie n. 34-2); in het Naschrift van zijn brochure Werkelijkheidsbesefen reorganisatie reageert H. op beide publikaties. Zie n. 33.1. 7. Voorjaar 1934 N.' brochure Evangelie en volkskerk (nr. 43). (De in noot a. bedoelde brochure van Wagenaar is nooit verschenen, omdat inmiddels wel duidelijk was geworden, dat het ontwerp-KO. geen kans maakte. Wel vatte W. de materie samen in twee artikelen in K0. mei/juni 1934: Ons reorganisatie-ontwerp en zijn pers.) Hoofdthese EV.: KHe. is 'achterwaarts gericht' in plaats van te antwoorden op de grote vragen thans door God aan de wereld gesteld. -8. 11.5.1934 H.'s antwoord op EV. in zijn Hemmense lezing Is KHe. achterwaarts gericht? tijdens de conferentie van KHe. (waarop ook W. J. Aalders sprak, zie n. 45.6). Vgl. NKL. 4 (juli 1934) nr. 11: a. Niet het tijdsbesef maar Gods recht op belijdenis van zijn Naam motiveert tot reorganisatie; b. aansluiting bij de historische belijdenisbeweging maakt nog niet achterwaarts gericht (Gunning!) en zelfverzekerd (men weet van schuld in plaats van traditioneel bezit), veeleer waakzaam, juist ook tegenover 'ras, bloed en bodem', maar niet minder tegenover de'Baäl van het negentiende-eeuwse spiritualisme', dat het geloof individualiseert in plaats van het te betrekken op de kerkvorm; e. de huisgemeente is "een schip, waarin het stuur door de stuurlieden onderling wordt betwist".↩

  2. 2

    Art. 1 van het Reglement van het Nederlands Hervormd Verbond tot Kerkherstel, opgericht 10.7.1930 te Amersfoort: "Er bestaat een NH. verbond tot KHe. welks leden gemeenschappelijk uitgaan van de waarheid van het stuk der heilige algemene christelijke kerk, zoals deze door het gereformeerd protestantisme inzonderheid in antw. 54 van de HC. beleden wordt. zij erkennen dat deze consequenties van kerkrechtelijke aard voor de inrichting van het hervormd kerkelijk leven met zich brengt." Zie ook n. 19. I. sub 3: de derde stelling uit Leertucht en uitbanning.↩

  3. 3

    Zie n. 3 1.1 2,↩

  4. 4

    Vgl. Th. L. Haitjema, Het geloofskriticisme als methode der theologie, in De openbaring der verborgenheid, Baarn 1934, p. 39 vv.↩

  5. 5

    Dit houdt voor H. niet in: 'allen mee laten beslissen', 'capituleren voor de zondige werkelijkheid' (Werkelijkheidsbesef, p. 13), 'ja-en-neen-zeggen', 'de richtingsstrijd' laten 'voortwoekeren'(p. 14). Het houdt wél in: komen met overgangsbepalingen terwille van reglementaire rechten en het behoud ook der vrijzinnigen; eveneens: partiële verbeteringen bevorderen zoals: de grote synode (p. 15).↩

  6. 6

    "Wie zo redeneert (dwz. wie de gegeven situatie onkritisch accepteert en ieder laat meebeslissen over de kerkinrichting - red.) is m.i. van het echte werkelijkheidsbesef des geloofs afgegleden naar de capitulatie tegenover de zondige werkelijkheid" (a.w., p. 13).↩

  7. 7

    Vgl. het in noot g genoemde werk. H. schreef hierin het artikel, zie noot 4 en N. Het kerkelijk dogma (zie VW., dl. 2, p. 170 vv.). Lectuur van beide artikelen evenals van Th.L. Haitjema, Het woord Gods in de moderne cultuur, Groningen 1931, is voorwaarde voor goed begrip van de hier gevoerde discussie, omdat de filosofische vooronderstellingen aan het licht treden. Dit geldt mbt. de geschiedenis en de tweeheid van vorm/inhoud, door N. op formule gebracht in de tegenstelling tussen 'er kan iets gebeuren' en 'wij zullen iets laten gebeuren'. H. en N. vrezen van elkaar, dat de ander de actualisering van het belijden (het góede 'iets laten gebeuren') onjuist voltrekt. H. vreest van N., dat deze door zijn actuele betrokkenheid op het geheel van de wereld- en van de kerkgeschiedenis inboet aan zuiverheid van schriftuurlijk belijden; N. vreest van H. dat deze door zijn tuchtoefening-op-formule de eschatologische volheid van het belijden afsnoert. De een vreest schade voor de confessie, de ander voor het apostolaat.↩

  8. 8

    Artikelen 61-66, toegevoegd aan het ontwerp-1929 (zie n. 14.16; 33.7), zijn overgangsbepalingen zonder tijdslimiet. Zij gaan uit van de volgende principes: a. erkenning van de verkregen rechten der predikanten en der kerkeraden; b. zorg dat de zuiverheid der prediking daardoor niet aangetast wordt; c. recht, toegekend aan de meerdere vergaderingen om zo nodig vlg. aangegeven regels in te grijpen, waarbij als beoordelingsnorm voor rechte prediking genoemd worden: art. 7 NGB. en zondag 6 HC. (zie art. 9 AR.). Vgl. H. Bartels, a.w., p. 328 vv. Op deze wijze wordt "de tegenstelling ... erkend, ootmoedig en fier", vgl. Werkelijkheidsbesef, p. 14.↩

  9. 9

    Vgl. Haitjema's reactie in NKL. 4 (mei 1934) nr. 9: Rhetor en causeur. "Na zorgvuldige lezing van de inhoud van de laatste brochure van ds, N. (Evangelie en volkskerk) zie ik voor mij ... het beginselverschil tussen hem en mij dieper dan ooit tevoren ... zij het mij vergund aan ds. N. de evenzeer broederlijk bedoelde vraag voor te leggen of hij er wel eens aan gedacht heeft dat zijn 'causerende' manier van spreken en schrijven ook gevaren met zich brengt en belemmeringen in zich verbergt voor een afsteken naar de volle diepte bij onze samensprekingen over kerk en theologie. Is dat geen gevaar dat men zich al 'causerende' over wijsgerige en theologische problemen te buiten gaat in niet-uitgewerkte beelden, die op de eerste indruk imponeren omdat men lichtflitsen ziet uitschieten, maar die op de keper beschouwd de ander, die men karakteriseren wil, zo heel licht onrecht doen en ook de spreker of schrijver zelf verwarren in tegenstrijdigheden."↩

  10. 10

    Vgl. Hoedemakers adagium: "Wij zijn samen ziek geworden, wij moeten ook samen gezond worden"; historisch sloeg dit natuurlijk wel degelijk ook op de modernen. Zie n.75.8.↩

  11. 11

    Vgl. Richard Rothe (1799-1867), speculatief theoloog en filosoof, opsteller nieuwe kerkorde, gericht op herstel functieverlies kerk, daarom ook op deelneming aan openbare leven en cultuur, zodat tenslotte de kerk in de mede door haar invloed tot stand gekomen ideale maatschappij (ofwel staat) zou kunnen opgaan, bevrijd van introvert piëtisme, maar vasthoudend aan een supra-naturalistisch, redelijk gefundeerd atheïsme.

    Zie O. Noordmans, Het christendom in zijn eenheid met de cultuur,- Richard Rothe, VW., dl. 3, p. 328 vv.; dl. 1, p. 229, n. 23.↩

  12. 12

    Bedoeld is "de uitzuivering der richtingtegenstellingen ... Christus-loochening tegenover Christus-belijdenis". Vgl. a.w., p. 10; zie ook noot 8.↩

  13. 13

    Zie bijlage 2c.↩

  14. 14

    Zie n. 31.27.↩

  15. 15

    Voor de actualiteit van deze drie bepalingen mbt. de nationaal-socialistische ideologie, welke sinds Hitlers 'Machtübernahme' (30.1.1933) met geweld aan het volk opgelegd en door raffinement in de kerk gepropageerd werd, zie n. 26.8 en de daar genoemde lit.↩

  16. 16

    Tussen KHe. en KO. ingesteld april 1931 op initiatief van KO., om de moeizame verstandhouding tussen beide te verbeteren. Leden Kohnstamm en Noordmans (KO.), Evenhuis en Oorthuys (KHe.). Zie n. 15.5; 31.1; 31.25.↩

  17. 17

    Onbekend wie; blijkbaar dezelfde die artikelen 1 en 2 hoorde als een 'klaroenstoot'; volgens dr. R. B. Evenhuis was het zijn KHe.-medelid dr. G. Oorthuys. Zie n. 31.25; 65.24.↩

  18. 18

    Uiteraard in verband met de opkomst van het nieuwe heidendom.↩

  19. 19

    Vgl. bijlage; kritiek richtte zich op de uitdrukkingen 'in aansluiting aan' (in plaats van 'in overeenstemming met') en 'historisch' (= antiquiteit?); vgl. brochure hoofdbestuur Kerkherstel, Het reorganisatie-ontwerp van 'Kerkopbouw' beoordeeld, Wageningen 1934, p. 16 v.↩

  20. 20

    BKO., ons nr. 30.↩

  21. 21

    Amsterdam 1848, m.n. p. 24 v., 31 vv. Stelling: 1. de formulieren niet afgeschaft; 2. zij zijn om hun inhoud onafhankelijk van verandering door de synode; 3. zij zijn een steunpunt voor Kerkherstel.↩

  22. 22

    Vgl. Reformierte Kirchenzeitung, 84 (18.3.1934) nr. 11 (plaats van verschijning: Wuppertal), p. 88: Der Erfolg unseres kirchlichen Kampfes. W. Kolfhaus citeert het slot van Kuypers rede bij de inwijding van de Vrije Universiteit, waarin hij de garde, die de kruisbanier zou kunnen loslaten, toeroept: Bij God, dat nooit! En hij vervolgt: "So rufen auch wir, wenn wir nach dem Erfolg unseres Kampfes gefragt werden: Ein Fahnenträger nach dem anderen mag fallen, aber im Falle reicht er die Fahne dem neben ihm Kämpfenden. Aber die Fahne senken? Bei Gott, das niemals!" Zie n. 26.8; 46.9, 10.↩

  23. 23

    Vgl. De Trinitate V 9: "Dictum est tamen tres personae non ut illud diceretur sed ne taceretur", MPL. 42, 948,↩

  24. 24

    A. B. te Winkel (1880-1939), hervormd predikant te De Meern, Arnhem, Den Haag.

    Confessioneel voorman. Kroniekschrijver OEV. Citaat uit jg. 9, p. 83.↩

  25. 25

    Vgl. Gen. 50 : 25; Ex. 13 : 19.↩

  26. 26

    Te denken valt niet zozeer aan J. H. Gunning jr., Spinoza en de idee der persoonlijkheid, Utrecht 1876; 19192 (met ml. van dr. Is. van Dijk), als wel aan J. D. Bierens de Haan (1866-1943), hervormd predikant te Ootmarsum, Hoogland en Roosendaal, die o.a. schreef Levensleer naar de beginselen van Spinoza, Den Haag 1900, en aan Louis A. Bähler, Het 'Christelijk' barbarendom in Europa, Blaricum 1903. Laatstgenoemde prees het boeddhisme boven het christendom; socialist en antimilitarist; geschorst, maar later door synode gehandhaafd (1906); dit laatste feit mede oorzaak van de oprichting van de Gereformeerde Bond.↩

  27. 27

    Zie BKO., p. 178.↩

  28. 28

    Dr. Friedrich von Bodelschwingh (1877-1946). Opvolger van zijn vader als directeur van de inrichtingen te Bethel (voor zwervers, epileptici, drankzuchtigen en geestelijk gestoorden). Streed o.a. tegen de nationaal-socialistische actieve euthanasiepraktijk, "die Ausmerzung lebensunfähigen Lebens". Zie n. 26.8 sub c. Blijkens verslag van (R. B.) E(venhuis) inNKL. 4 (juni 1934) nr. 10 werd de Westfaalse belijdenis-synodegehouden op 16.3.1934, de Rijns-Westfaalse gemeentedag op 18.3 daaraan volgend. Zowel het sektarisch in de steek laten van de kerk als het nieuwe heidendom werd veroordeeld, waarbij de belijdenis getypeerd werd als 'omheining'. Hoezeer N. onder de indruk was van de geloofskritische betekenis van deze gebeurtenissen blijkt uit zijn artikelen in AWCC., Vervchuiving, 10 (25,5.1934) nr. 30, en Schepping als kritisch begrip, 10 (20.7.1934) nr. 38.↩

  29. 29

    Zie n. 33.5; nr. 37.↩

  30. 30

    Zie Werkelijkheidsbesef en reorganisatie, Wageningen 1933: "Wanneer de kwestie van het overhuigen naar de schare aan de orde is, ontdek ik bij ds. N. veel te weinig van de apostolische onrust over de boodschap, die aan de schare gebracht moet worden en op welker zuiverheid alles aan komt ... ik zou het zelfs het primair-apostolische willen noemen."↩

  31. 31

    Vgl. a. w., p. 23: "De vraag naar de belijdenis als het skelet der prediking is uiteraard de vraag naar de openbaring des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. En zo lang ze maar met het oog op de trouwhartigheid der prediking in opdracht van de grote Zender wordt gesteld, is de belijdenisvraag gevrijwaard tegen de ontaarding der academische gedachtenwisselingen over God en Christus en de Heilige Geest in verband met kwesties van natuurfilosofie, historie en psychologie. De hartstochtelijke bewogenheid over de inhoud der boodschap is de primair-apostolische ernst der christelijke kerk."↩

  32. 32

    H. had verklaard: "Ik houd staande dat de Reorganisatiecie. van 1927 aangestuurd heeft op een presbyteriale gemeente, welke slechts van zuivering, die tegelijk zending is, mocht willen weten." A. w., p. 22. Zuiverheid aan de zending verbonden: een notie van B. M. Schuurman, vgl. zijn Discipelschap en apostolaat, Eltheto 74 (nov. 1919) nr. 2, opgenomen in Over alle bergen, 's-Gravenhage 1951, p. 100-113.↩

  33. 33

    Zie bijlage 2e.↩

  34. 34

    Zie nr. 23; n. 33.22; vgl. ook Haitjema, a.w., p. 24-26; H. Bartels, a.w., p. 56-69.↩

  35. 35

    Kroniek OEV. 9 (1934), p. 83.↩

  36. 36

    Voor brochure, zie noot 19; zie daarin p. 23 v.↩

  37. 37

    Voor het beeld van de handen en de geloofsruimte zie n. 35.5; voor het beeld van het schip n. 38.10.↩

  38. 38

    Vgl. zijn aanvaarding van meerderheid i.p.v. algemeenheid der stemmen bij een kerkelijke beslissing als over reorganisatie. Vgl. Verlagen wij ons zelve niet, Nijmegen 1902, p. 7 v. ('de voet in de laagte steunen'). Zie ook n. 30.80, 81.↩

  39. 39

    Zie n. 38.13.↩

  40. 40

    Zie nr. 33 en nr. 351.↩

  41. 41

    Apostolische trekken vindt men in de vertegenwoordiging van de inwendige en uitwendige zending in de meerdere vergaderingen en in de huisgemeente; episcopale in de figuren van visitatoren en moderator.↩

  42. 42

    Op tal van plaatsen vergelijkt N. Scholten (zie VW., dl. 1, p. 473) met De la Saussaye en ook wel met Kuyper (zie o.m. VW., dl. 3, p. 381). Vgl. voor S. eveneens Rasker, a. w., p.115-118.↩

  43. 43

    Zie n. 21.7.↩

  44. 44

    oxymoron, zie n. 1.8. Zie voor 'tegenstellingen' noten 8 en 12; vgl. Werkelijkheidsbesef, p. 25.↩

  45. 45

    Zie noot 34.↩

  46. 46

    Zie bijlage 2c (art. 52 en 68).↩

  47. 47

    omdat de huisgemeente niet bevoegd is de sacramenten te bedienen. Vgl. art. 39 AR.

    Ontwerp-KO. (zie bijlage 2c).↩

  48. 48

    Brouwer in KO.-circulaire 1934 mbt.het KO.-ontwerp: "Enerzijds is rekening gehouden met de historie der reorganisatie, anderzijds is ernstig gepoogd tegemoet te komen aan de wensen van grote groepen van onze kerk 'die in de laatste jaren op de achtergrond zijn gedrongen' (Wat bedoelt het reorganisatie-rapport van Kerkopbouw?,Assen 1934). K. A. Beversluis in Ingezonden in NKL. 5 (okt. 1934) nr. 2: "Zo lang niet door reorganisatie der kerk de protestantse vrijheid en verdraagzaamheid voldoende gewaarborgd is ..." Beide citaten uit Haitjema, Werkelijkheidsbesef, p. 26.↩

  49. 49

    Vgl. Overlevering en wetenschap met betrekking tot de evangelische geschiedenis, inzonderheid van de eerste levensdagen des Heren, 's-Gravenhage 1879, p. 111.↩

  50. 50

    Vgl. Haitjema, Werkelijkheidsbesef, p. 23; zie ook noot 31.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 42. AchttienzesentachtigInhoud44. Hamer en nijptang →