O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 41. Kerk en ordeInhoud43. Evangelie en volkskerk →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 276–278

42. Achttienzesentachtig1

In De Heraut van 12 november 1933 geeft prof. Grosheide2 een beschouwing over Het Ontwerp van kerkopbouw. Na een rustige en zakelijke bespreking luidt de conclusie: "Maar op de hoofdzaken stelt het teleur en het zou eer verslechtering dan verbetering brengen van de bestaande toestand."

Dat de gereformeerden van meet af aan deelnemen aan de discussie acht ik een gelukkig verschijnsel. Het is volkomen onjuist als prof. Haitjema in zijn Werkelijkheidsbesef en reorganisatie schrijft dat wij door dit reorganisatievoorstel een Hervormde Kerk zouden krijgen "die op schuldig-lichtvaardige wijze de rug had toegekeerd aan de bewegingen van 1834 en 1886" (p. 29). Ik ben integendeel overtuigd dat de gereformeerden evengoed als de hervormden betrokken zijn bij de vraagstukken die wij aanhangig hebben gemaakt.

Daarover ga ik thans echter niet spreken, maar over 'iets anders', dat prof. Grosheide in zijn artikel te berde brengt. Deze beklaagt zich over de toon, waarop in mijn toelichting3 geschreven wordt over dr. Kuyper en zijn levenswerk. Hij zegt:

"Kuyper is voor ds. Noordmans de man van het geweld, de man die kans zag een paar stam men in het beloofde land te brengen, die door een mechanisch procédé, door hoofdelijke stemming, zichzelf uit de kerk drong, die de kerk veel burgerlijker zag dan Gunning. Wie in deze toon over Kuyper schrijft, staat wel heel erg aan de buitenzijde. Kuyper is juist de man geweest van de brede breedte. De man, die door een christelijke staatkunde van heel het christelijk volksdeel heeft geijverd niet om een groepje vooruit te brengen, maar om zo het volk als geheel te grijpen. De man die de Vrije Universiteit heeft opgericht, die als christelijke universiteit waarlijk nationaal moest zijn en heel het volk ten zegen zijn. Kuyper is in zijn brede plannen door de Doleantie onaangenaam verrast. Want de Doleantie betekende het breken van zijn politieke invloed, het verlies van grote scharen waarop hij gerekend had, in beginsel de oprichting van de Christelijk-Historische partij.4 Door de Doleantie is de Vrije Universiteit in een hoek gedrongen waarin zij niet wilde staan en waaruit ze thans na 50 jaar nog maar zeer ten dele zich heeft kunnen ontworstelen.

Begrijpt ds. Noordmans nu niets van het grote conflict van Kuyper? Bij de Doleantie heeft het voor Kuyper zo gestaan: Ik moet, ik kan me niet langer onderwerpen, Gods Woord verbiedt het me. En daarom het moet, er kome dan van wat er van kome! En er is heel wat van gekomen, waarvan wij nu nog al de nasleep ondervinden!"5 ⚑Ik heb dit citaat in volle len te overgenomen, niet om er hier in een brede beschouwing op in te gaan. Daarvoor biedt dit blad geen voldoende ruimte. - ook niet om stuk voor stuk mijn uitlatingen toe te lichten. Wanneer men, in het begin van het citaat, er enkele in het gelid ziet staan, dan maakt dat weliswaar een beetje een martiale indruk, maar men leze ze in het verband. Ik ben opgegroeid bij de leaders, de driestarren en de meditaties van Kuyper en ben niet in staat denigrerend over hem te denken of te spreken. Maar daar gaat het mij hier niet om. Ik wilde wijzen op de 'waardige en warme toon' in het stuk van prof. Grosheide en op wat daarin voor de toekomst te beluisteren valt. Ik doe het met een ander mooi citaat, uit een artikel van C.R. de Klerk in De Tijd (avondblad 15 november). Ik lees daar:

"Als we ons niet vergissen is de godsdienstige en liturgische beweging in de Grote Kerk, waaraan de namen verbonden zijn van prof. Wagenaar, prof. De Leeuw (lees Van der Leeuw, N.) en ds. Noordmans, tot op zekere hoogte een teken van het naar elkaar toegroeien van hervormden en gereformeerden, al doen beide partijen hun best te getuigen hoe zij principieel en kerkhistorisch tegenover elkaar staan. Het anders doen dan Kuyper het deed - het anders doen dan Rome het doet: dit staat voorop bij Kerkopbouw. Het is geschiedkundig en menselijk niet anders mogelijk. Maar als de katholieke buitenstaander in de nieuwe beweging duidelijk Gods hand ziet, omdat zij een verdieping wil van het geloof in Christus, dan ziet hij noodzakelijk tevens verwantschap tussen de noodtoestand die Kuyper en de zijnen dreef en de als tragisch ervaren kerkelijke crisis van heden, die De Leeuw, Wagenaar en Noordmans naar uitkomst doet zoeken."

De schrijver prijst dan de 'waardige en warme toon' in het citaat dat ik boven van prof. Grosheide gaf. Een en ander doet hem hopen "dat een volgende generatie de lijnen naar elkander zal zien ombuigen".

Deze "buitenstaander" ziet dus heel goed dat het niet anders mogelijk is of Kerkopbouw moet "het anders (willen) doen dan dr. Kuyper het deed". Maar hij speurt ook de verwantschap. Dat is zuiver gezien. Zelf heb ik telkens deze tweelingbroederschap van neo-calvinisten en ethischen,6 Kuyper en Gunning, naar voren gebracht. Dat Kerkopbouw 1834 en 1886 de rug zou willen toekeren - nog eens - dat is onjuist. Maar als wij ánders willen, dan wordt 1886 het kritieke punt en van daaruit moeten wij onze mening zeggen over Kuyper en zijn werk. De ontboezemingen van prof. Grosheide vormen zelve een ontroerende klacht over een 'onaangenaam verrast'-zijn door de Doleantie; over "het verlies van grote scharen"; over een in de hoek gedrongen universiteit; over de 'nasleep' die men nu nog ondervindt. Dat is niet weinig en wel verre van 'Schadenfreude' voelen wij daarover een broederlijke compassie. ⚑Maar wanneer Kuyper de man was van de 'brede breedte', dan zijn deze teleurstellingen toch niet toevallig geweest. Kuypers kérkbegrip was te smal. De bedóeling om breed te zijn is niet voldoende; ze moet worden vastgelegd in een ombouw van de presbyteriale kerkvorm, van breed-katholieke vooronderstellingen uit. Dat roepen wij ook telkens aan Kerkherstel toe.

Bij de vragen die Kerkopbouw aanhangig maakt, komt ook de toekomst der gereformeerde kerken in het geding. Zal een volgende generatie de lijnen naar elkander zien ombuigen? We leven snel in een tijd, waarin een jaar ziet gebeuren wat vroeger een eeuw vereiste.

Eindnoten

  1. 1

    AWCC. 10 (8,12.1933) nr. 6.↩

  2. 2

    F. W. Grosheide (1881-1972), gereformeerd predikant te Schipluiden. Van 1912-1952 hoogleraar N.T. VU. Nam deel aan vertaling Nederlands Bijbelgenootschap. Schreef O.M.:De verwachting der toekomst van Jezus Christus, diss. VU., Amsterdam 1907. Hem opgedragen:ArcanaRevelata, Kampen 1951.-In een aan het door N. genoemde artikel voorafgaand art. in De Heraut dd. 27.10.1933 getiteld Geschriften van Kerkopbouw had Grosheide zich verheugd betoond over de herleving van kerkelijk besef bij hervormden.↩

  3. 3

    Bedoeld is ROKOT. (nr. 33).↩

  4. 4

    Ontstaan 1903 uit vereniging van Vrij-antirevolutionaire Partij (afsplitsing van de Antirevolutionaire Partij olv. A. F. de Savornin Lohman) en de Christelijk-Historische Kiezersbond (A. W. Bronsveld). In 1908 voegden zich hierbij de Fries-Christelijk Historischen (theocratisch gezichtspunt, onder invloed van Hoedemaker) en zo ontstond de Christelijk-Historische Unie. Vgl. prof. dr. 1. Lipschitz, De protestants-christelijke stroming tot 1940. ontstaansgeschiedenis van de nederlandse politieke partijen, dl. 1, Deventer 1977.↩

  5. 5

    Uit hetzelfde artikel: "Wat na 'Assen' aan de dag gekomen is, is de schitterendste rechtvaardiging van 'Assen' geweest."↩

  6. 6

    Zie bijv. O. Noordmans, Twee kerkelijke richtingen, VW., dl. 3, p. 373 vv.; zie ook n.31.18.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 41. Kerk en ordeInhoud43. Evangelie en volkskerk →